Nieuwe wettelijke instrumenten, een grootscheepse informatievoorzieningsoperatie en anders gaan werken. De invoering van de Omgevingswet is een flinke kluif voor gemeenten. Hoe doen ze dat in de praktijk?

Willemijn Streutker is programmamanager Omgevingswet in Hilversum.

Dit voorjaar vertelde je enthousiast over al je concrete pilots, zit het tempo er nog goed in?

Hmm, als ik het vergelijk met een jaar geleden, zie ik dat veel meer mensen in beweging zijn gekomen. Het begint te lopen. Maar de pilots gaan langzamer dan ik zou willen. Enerzijds, omdat het lastig is de abstracte ‘geest van de wet’ om te zetten in concrete ‘oefen-activiteiten’. Anderzijds omdat mensen in de reflex schieten dat alles goed dichtgetimmerd moet zijn. Ook wel weer begrijpelijk, want systemen en gedragingen die in decennia zijn opgebouwd, veranderen niet opeens.


Wat gebeurt er dan precies?

We hebben bijvoorbeeld een pilot met vergunningvrij kappen. In de organisatie doen daar nu vijf mensen vanuit verschillende disciplines actief aan mee. Dat vind ik winst, want we begonnen met één medewerker. Je ziet de olievlek groter worden en de gesprekken interessanter. We hebben de pilot eind vorig jaar aangekondigd bij bestuur en raad, geïnventariseerd wat de waardevolle bomen (op basis van het Groene-kaart model van de VNG) en we hebben uitgezocht hoe we juridisch tijdelijk de APV kunnen aanpassen voor de pilot. Alles klaar om de zaak in het college te brengen.

Nu komen er vanuit het management vragen om aan de voorkant in beeld te brengen wat de bewoners vinden van die lijst alvorens het in procedure te brengen.

Terwijl ons idee was om het uit te proberen en het gesprek met buiten onderdeel te laten zijn van de pilot, nu moeten we toch zekerheden inbouwen aan de voorkant. Maar dat leidt direct tot de vraag: met hoeveel mensen (bewoners) moet je praten voordat je kunt gaan testen? Wat is de representativiteit van die input? En meer van zulke vragen. We wilden het in juni in de raad brengen, dat wordt nu zeker oktober.

Soms best een beetje frustrerend, maar dan helpt het me altijd om uit te zoomen en te zien wat we allemaal al wel hebben bereikt ten opzichte van een jaar geleden. Namelijk, het goede gesprek in de organisatie en het inzicht bij betrokkenen dat de te overbruggen kloof in het gesprek over de ‘geest van de Omgevingswet’ tussen de professionals en de niet-experts enorm is. En - niet onbelangrijk - een ‘gesprekshaakje over de Omgevingswet’ in de samenleving.


Waar doel je op precies op bij de kloof?

We onderzoeken bijvoorbeeld hoe we straks anders kunnen omgaan met regels, door een pilot op het onderdeel Omgevingsplan; Minder regels, andere (algemene -of beoordelingsregels), minder vergunningen enzovoorts. De projectleider heeft alle verordeningen en regels in het bestemmingsplan bekeken, ook de regels die te maken hebben met het aanleggen van verharding. Zou je met regels op dat vlak anders kunnen omgaan?  Dit gaat specifiek over een van de vijf buurten (meerdere wijken) van Hilversum. De conclusie was dat er in dit beschermde stadsgezicht niet veel valt te schrappen.

Maar de uitkomst is ook dat veel regels krom zijn opgeschreven en in tegenspraak zijn met elkaar.

De projectleider vindt het een opbrengst van niks, maar ik ben er juist enthousiast over. Want de operatie zelf is heel goed uitgevoerd, we hebben eens goed gekeken wat dat ‘loslaten’ nu eigenlijk betekent als je het echt gaat doen. Wat zijn de consequenties van abstracte begrippen zoals ‘vergunningvrij’, ‘lokale afwegingsruimte’, ‘minder regels’ en ‘algemene- en beoordelingsregels.

Deze uitkomst is voor vakspecialisten wellicht summier, maar om bij raadsleden, bestuurders en hoger management inzichtelijk te maken wat al die terminologie van de Omgevingswet nu betekent is het hele waardevolle informatie.


Ging dat enkel over het aanleggen van verharding?

Ze hebben nog veel meer onderwerpen bekeken, ook de relatie met het sociaal domein. Het gaat om een gebied met veel 65-plussers en waar huizen zijn met grote tuinen. Je ziet dat hier behoefte ontstaat om kleinschalig te mogen aan- of bijbouwen zodat de bewoners langer thuis kunnen wonen. Dat wil je vanuit het idee van mantelzorg en levensloopbestendigheid graag stimuleren, maar is dit wenselijk in het beschermde stadsgezicht? En, waarom verruim je op het ene onderwerp wel de regels en op het andere niet? Meer verharding, omdat iedereen twee auto’s heeft is toch ook van deze tijd? Zo’n notie vind ik mooie bijvangst.


Je vertelde van tevoren dat je twee sessies hebt gehouden over participatie met de Argumentenfabriek. Hoe was dat?

Participatie is zo’n onderwerp dat gemakkelijk uitwaaiert, iedereen redeneert vanuit zijn eigen gezichtsveld en iedereen gebruikt andere termen. Daarom hebben we de Argumentenfabriek erbij gehaald. Het ging specifiek om de regels voor participatie bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Dat is hier in Hilversum een belangrijk onderwerp, er staat altijd veel druk op plannen en initiatieven. Zowel bij de politiek, initiatiefnemers als bij de burgers is er behoefte aan duidelijkheid. De gemeenteraad heeft ons met een motie opgedragen een ‘participatieprotocol’ op te stellen. De raad wil voorkomen dat de belangen van individuele bewoners in de verdrukking komen door initiatieven van grote investeerders.


Hoe heb je dat aangepakt?

We hebben twee sessies gehouden. Een externe sessie met onder meer ondernemers, een ontwikkelaar, een corporatie, en iemand van een landelijk gremium van actieve bewonersorganisaties (LSA).

Het was een eyeopener om te zien hoe weinig kleine organisaties en individuele ondernemers weten van de Omgevingswet.

Het ongeloof overheerste, zo van: moeten wij dit straks allemaal zelf gaan doen? Het voelt als ‘het wordt over de schutting gekieperd’.  Eerlijk gezegd snap ik het vanuit hun oogpunt bezien wel. En ik vraag me af of kleinere externe partijen ervoor toegerust zijn om participatietrajecten zelf goed te organiseren en hoe hoog je de lat moet leggen.

Bij de interne sessie zaten collega’s uit verschillende hoeken: een planoloog, een jurist, een plantoetser, een toezichthouder, en een communicatieadviseur. Die sessie ging flink de diepte in over alles wat er in de organisatie nog moet gebeuren. De Argumentenfabriek heeft een tool om het complexe vraagstuk eenvoudiger te maken. Je ziet in discussies vaak de inhoud en het proces door elkaar lopen, dat hebben we nu ondervangen.


Wat is de opbrengst van die twee sessies?

We hebben overzicht gecreëerd in het onderwerp participatie. Daardoor zijn we nu beter in staat om een handvest ofzo voor participatie te maken.  

Dat is de vraag die de gemeenteraad ons heeft gesteld: waar moeten wij straks aan toetsen of participatietraject goed genoeg is?

Het is nu gemakkelijker om die tool te maken. Daarvoor gebruiken we de uitkomst van de sessies en de praatplaat. Daarnaast kijken we ook wat er elders al is, bijvoorbeeld het ‘Delfts doen’, de participatieaanpak van Delft. Dit leggen we steeds langs de lat van één casus die in Hilversum loopt en die we tot pilot hebben gemaakt voor de Omgevingswet.

Op basis van die drie elementen kijken we – met allerhande stakeholders- wat we wel en niet willen als het gaat om participatie bij een omgevingsvergunning in Hilversum. Dat loopt lekker. Als je omkijkt hebben we hier mooie stappen gemaakt.

Meer informatie

Je bent lekker concreet bezig, mailde je. Wat ben je aan het doen?

We zijn op allerlei fronten aan de slag met pilots. Het is fascinerend en tegelijk complex. Door de casussen krijgen we steeds meer zicht op de reikwijdte van de Omgevingswet. Het is een zoektocht en ook best een geworstel.


Kun je een voorbeeld geven?

Een pilot gaat over de Spoorzone, een gebied met woningen en veel oude bedrijvigheid die langzaam verdwijnt. De opgave is een goede balans te vinden tussen wonen, werken en leefbaarheid. Het gebied is verrommeld.

Eerst gingen er stemmen op om een visie te maken, maar een omgevingsvisie is niet voor zo’n beperkt gebied. We zijn uitgekomen op een experiment met een programma.

Maar al snel krijg je een Babylonische spraakverwarring over de details van wat een programma nu precies is en wat je eerst moet doen. Sommigen zeggen: je moet eerst de kaders bepalen, wat je waar wilt, hoe hoog het mag zijn enzovoorts. Ik denk dan: hoezo? We willen juist weten wat bewoners en private partijen willen. We hebben indringende discussies gevoerd om zover te komen dat we met een open planproces naar buiten gaan. Gaandeweg moet het programma vorm krijgen. Bewoners hebben wensen en private partijen willen locaties ontwikkelen, in die dynamiek moet je de tijd nemen om te formuleren wat je samen wilt bereiken.


Waar zit de worsteling?

Dat we enerzijds meer willen doen met de input van bewoners; niet alles dichttimmeren. Maar je loopt het risico dat mensen allerlei wensen op tafel leggen, bijvoorbeeld het spoor verdiepen of overkappen. En dat dan blijkt dat daar geen geld voor is. Dan zeggen mensen: wat is dat nou voor participatie, als er toch niks van terecht komt? En andersom: als je toch eerst (veel) kaders stelt, dan zegt ‘buiten’ dat alles al is bepaald en dat participeren geen zin heeft. De stuurgroep vindt het lastig. Juist omdat er wel stads-brede belangen zijn waar je als overheid voor wilt staan. Zo zijn er in het gebied relatief veel arbeidsplaatsen voor mensen met een praktijkopleiding. Daar is veel behoefte aan, tegelijk zie je dat bewoners die bedrijvigheid liever kwijt willen uit de wijk.

Het is een participatiedilemma. Zeg maar de tegeltjes wijsheid ‘Is het van de straat of is het van de raad?


Wat zijn die andere pilots?

We maken een begin van een omgevingsplan voor één van de vijf buurten (zijn verschillende wijken) van Hilversum. Daar moet het bestemmingsplan worden geactualiseerd. Een collega zei terecht dat, vanwege het vervallen van de actualisatieplicht, we dan beter meteen een omgevingsplan kunnen maken.

We hebben nu eerst alle geldende verordeningen in beeld gebracht, en ook de regels die in het bestemmingsplan en in de verordeningen staan. Nu is de vraag welke regels we willen behouden.

Willen we bijvoorbeeld nog verordonneren dat mensen hun caravan niet op straat mogen stallen? Als die caravan te lang staat, vindt de buurman het niet fijn. Zijn mensen in staat daar onderling uit te komen? Hoeveel verantwoordelijkheid kun je terugleggen bij de inwoners, dat is een dilemma. Die vraag - loslaten of strak houden? - speelt ook bij onze pilot rond geluid op de Markt. Daar zijn verschillende functies: horeca met terrassen, een bioscoop en de markt zelf. We onderzoeken hoe we kunnen variëren met geluidsnormen. Of we het willen houden bij de rijkswege voorgeschreven normen, of juist variëren afhankelijk van gebieden en evenementen.


Hoe sta jij in dat dilemma van loslaten of vasthouden?

Ik was laatst op een bijeenkomst waar Wouter ’t Hart een praatje hield over zijn boek ‘Anders vasthouden’. Over werken vanuit de bedoeling. Hij vertelde hoe hij z’n zoon van vier leert niet te veel yoghurt in te schenken. Niet door zelf ‘ho’ te roepen, maar door te zeggen dat het jochie zoveel mag inschenken dat er genoeg overblijft voor de anderen aan tafel. Met andere woorden: als de gemeente (in het voorbeeld de vader) overal regels voor stelt, haal je alle verantwoordelijkheid weg bij de samenleving. De bedoeling is veel meer dat je naast  de ander gaat staan en faciliteert dat mensen het zelf doen. Dat betekent dus niet loslaten, maar anders vasthouden.


Hoe dan?

We hebben ook nog een pilot voor vergunningvrij kappen, dat is een goed voorbeeld. Het gaat om een kleinschalige pilot in een bepaalde wijk.

Volgens het groenekaartenmodel van de VNG hebben we alle bomen in beeld gebracht, en zeventig bomen aangewezen als waardevol. Het idee is dat andere bomen zonder vergunning gekapt mogen worden, waarbij we gaan monitoren of er niet een grote kaalslag ontstaat. Wat ik wel leuk vind is dat er intern nu discussie is of we de goede bomen hebben aangewezen en wat bewoners vinden. Zij moeten ook een kans krijgen om te zeggen wat zij waardevol vinden. Daar gaan we nu eerst een avondje voor beleggen. Het volgende vraagstuk dient zich al aan, want ‘buiten’ weten ze nog haast niets van de Omgevingswet. We zitten nu te zweten op een goede brief om mensen uit te nodigen én al dan niet heel subtiel de Omgevingswet te introduceren. Maar goed, dit is een mooie casus. We zijn er als gemeente niet van om ‘ho’ te zeggen, dat moet je met z’n allen doen. Het gesprek over wat waardevol is, en wat eventueel tegen de vlakte kan, voer je samen.


Is dat waardevolle bomenregister straks ook klaar om in het DSO te zetten?

We hebben een digitale lijst en we zijn in gesprek met de afdeling ICT hoe we die straks inzichtelijk maken voor bewoners. Wat voor applicaties hebben we? Wat zouden we idealiter willen? Voor nu hebben we afgesproken geen grote investeringen te doen, we zetten er een kleine applicatie tegenaan en extra communicatie op de website. Het is mooi om te zien dat je zelfs voor zoiets kleins weer de hele organisatie nodig hebt. Dat is trouwens ontzettend leuk ook, de ICT’ers zijn erg enthousiast en hierbij is ook gebleken dat als je mensen op tijd betrekt, je tot prima oplossingen komt.


En de komende maand?

Vol aan de slag met de nieuwe gemeenteraad. Die hebben we afgelopen zaterdag meegenomen in de Omgevingswet door middel van een presentatie en een TestLab. Ze zijn erg betrokken en willen graag intensief aan de slag met de implementatie, maar nog meer misschien wel met het transitievraagstuk over ‘Anders Werken’ dat onlosmakelijk met de omgevingswet verbonden is.

Wat houdt je bezig?

Twee dingen. In de eerste plaats de tamelijk eenvoudige vraag ‘hoe zorg ik dat de nieuwe raad straks goed en snel in positie komt’. En twee, die is wat weerbarstiger: hoe neem ik de organisatie nu mee in de verandering? De waan van de dag viert toch de boventoon, helemaal nu de invoering is uitgesteld. Een prachtige oproep van de minister ziet en hoort natuurlijk niemand.

De waan van de dag viert toch de boventoon, helemaal nu de invoering is uitgesteld


Hoe ga je de raad in positie brengen dan?

Dat is al goed geregeld met de griffie. De nieuwe raad krijgt een inwerkprogramma. Onderdeel is een weekendprogramma, begin april. In dat weekend krijgen wij een blok van drie uur om de raad te infomeren. Ik ga eerst een algemene presentatie houden over de Omgevingswet. Daarna wil ik het specifiek maken op waar de wezenlijke afwegingen zitten, en wat je ervan merkt. Dit laatste gaan we uiteindelijk ook interactief doen door middel van een casus, of een Kahoot-sessie ofzo.

Naast dit face-to-face contact ga ik een goed spoorboekje maken voor de raad. Het programmaplan dat we al hadden – een intern plan voor de organisatie – ga ik ombouwen tot iets wat ook geschikt is voor de raad. Op basis daarvan gaan we een financiële meerjarenraming maken tot 2021. De grap is natuurlijk wel dat de raad niet hoeft in te stemmen met de wijze waarop we bedrijfsmatig de implementatie uitvoeren. Het vraagt dus nog enige lenigheid. Het zou mooi zijn als het lukt om iets over de invoering van de wet, als bijlage bij het bij het collegeakkoord te krijgen.


Wijkt dat nieuwe plan of spoorboekje af van het eerdere?

In zekere zin grijp ik de verkiezingen aan om het eerdere plan te updaten, dat moest toch gebeuren. Tegelijk gebeurt er zoveel in de organisatie en ook landelijk, dat je het niet kunt bijhouden. Als ik voortdurend een actueel plan moest hebben, zou ik de hele tijd spreadsheets zitten te maken. Het is dus balanceren tussen enerzijds ‘strak-blauw’ het programma managen en anderzijds organisch en intuïtief de stelselherziening en bijbehorende verandering in stapjes verder brengen. Vooral dat laatste is lastig aan de man te brengen in een gemeentelijke organisatie die bol staat van de structuren en procedures, maar daar begint het ‘loslaten’ natuurlijk al.

Als je niet oppast zit je iedere dag met oogkleppen op in het gemeentehuis te proberen om die Omgevingswet-tanker in beweging te krijgen


En je tweede punt, de weerbarstige organisatieverandering?

Als je niet oppast zit je iedere dag met oogkleppen op in het gemeentehuis te proberen om die Omgevingswet-tanker in beweging te krijgen. Ik had dus grote behoefte om naar buiten te gaan en te horen waar andere programmamanagers nu mee bezig zijn en tegenaan lopen. Ik ben nu aangehaakt bij een intervisie-club en ik heb mezelf beloofd eens per maand naar een externe sessie te gaan. Liefst sessies die niet 100% op de Omgevingswet gericht zijn. Immers, je hoort meer nieuws en raakt het meest geïnspireerd als je ergens naar toe gaat waar je niet zoveel  over weet. Erg leuk was de VPNG bijeenkomst met Aalt Aalten, de Aikido-meester over de kunst van het veranderen.


Wat heeft dat te maken met die weerbarstige organisatieverandering?

Wat ik bij ons heel erg merk, en daar hoor ik anderen ook mee stoeien, is de component ‘houding en gedrag’. Het hoger liggende vraagstuk van de democratische vernieuwing landt nu in de Omgevingswet. En dus ook in de implementatietrajecten bij gemeenten. Je kunt je afvragen of dat de juiste ontwikkeling is, want de invoering van de Omgevingswet wordt daardoor nog veel ingewikkelder dan hij al is. Voor de duidelijkheid: het is wel degelijk belangrijk, maar de verandering van houding en gedrag als het gaat om de Omgevingswet ontstaat  vanuit het instrumentarium en de vraag ‘loslaten of beheersen’. Daarmee is de Omgevingswet één van de vliegwielen en uitwerkingssporen om te komen tot democratische vernieuwing, naast het vliegwiel Sociaal Domein en Dienstverlening en de participatiesamenleving. De column van Sheila Sitalsing in de Volkskrant van afgelopen week (over het afschaffen van referenda) is een mooi voorbeeld hiervan. Dit raakt dezelfde hoger liggende problematiek, maar gaat niet als zodanig over de Omgevingswet.

De organisatieverandering zou voor mij beter behapbaar worden als we vanuit de Omgevingswet niet óók de olietanker ‘democratische vernieuwing’ vooruit hoeven te krijgen, maar als we één van de sleepbootjes zijn. Hier in Hilversum stop ik dan in elk geval de begrippen ‘integraal’, ‘doelgericht (in plaats van regelgericht)’ en ‘ja, mits’ in het sleepbootje. Zijn we al een eind op weg als we daar –binnen én buiten- stappen in kunnen maken.


Wat is voor jou als programmamanager de lol?

Het is de combinatie van enerzijds heel blauw en abstract een programmaplan te maken en tegelijk ook dingen te gaan doen die niet met naam en toe naam in zo’n programmaplan staan. Dat moet want anders blijft iedereen op de oude voet doorgaan. Bij de pilots die we doen, hebben we gekozen om aan te sluiten bij lopende trajecten. Dat doen we dus vooral vanuit de werking van het nieuwe stelsel, de inhoud dus. Er gebeurt daar al van alles. En we kijken wat de veranderingen in het stelsel betekent voor het betrekken van burgers, de rol van iedereen en voor houding en gedrag.

Deze keer praten Aernoud Rijntjes, senior-adviseur Omgevingsrecht, en Linda Reurts, medewerker bestuurlijk-juridische zaken, mee.


Willemijn, waarom heb je de juristen meegenomen?

Om een inkijkje te geven in de discussies bij ons op de werkvloer. De geest van de wet is duidelijk genoeg. Maar tussen droom en daad staan nog gerede twijfels in de weg.

Zijn de geesten rijp voor het ‘loslaten’ en het vertrouwen waar de Omgevingswet zo nadrukkelijk op is gebaseerd?

Ik kwam op het idee toen Aernoud, Linda en ik met onze griffier, Paul van Ruitenbeek, de VNG-handreiking bespraken over de adviesrol van de raad bij afwijkingen van het Omgevingsplan.


Hoe ging dat dan, Aernoud?

De bedoeling is dat de raad straks meer stuurt op hoofdlijnen. De verklaring van geen bedenkingen verdwijnt, bij een afwijking van het Omgevingsplan heeft de raad enkel een adviserende rol. De raad moet meer loslaten.

In de discussie daarover zag je onze griffier opveren: ‘hoezo loslaten? De raad wil aan de voorkant betrokken zijn.’

Maar een initiatiefnemer moet straks binnen acht weken uitsluitsel krijgen over zijn vergunning, je kunt dan niet telkens langs de raad gaan. Ik ben als jurist op zoek naar mogelijkheden om het college zoveel mogelijk armslag te geven om goed en snel te kunnen handelen. Het is nu ook zo dat het college de bevoegdheid heeft om af te wijken van het bestemmingsplan, dat staat in het bestemmingsplan zelf of er is een afwijkingskader voor. Waarom dan straks niet een delegatiebesluit waarin de raad aangeeft dat B en W in bepaalde gevallen ‘zijn gang’ kan gaan?


Waar zit de spanning, Willemijn?

In het feit dat de griffier en de juristen elk met hun eigen beroepsblik tegen het Omgevingsplan aankijken. Vanuit de controlerende rol van de raad kun je denken: laten we het Omgevingsplan goed dichttimmeren, dan is alles aan de voorkant al beslecht, en heeft de raad er maximaal z’n zegje over kunnen doen. Omdat Hilversum heel veel beschermde stads-en dorpsgezichten heeft is het aanlokkelijk om dit te doen. Maar de ironie is dat hoe meer je het dichttimmert, hoe groter de behoefte zal zijn af te wijken van het Omgevingsplan. Dan moet je dus juist vaker terug naar de raad.

Aernoud vult aan

Het is ook niet zo eenvoudig om op voorhand af te wegen wat wel en niet politiek gevoelig ligt, en wanneer je de gemeenteraad vanaf het prille begin moet vragen advies uit te brengen. We hebben in Hilversum een flinke discussie gehad over een op het eerste gezicht eenvoudig plan voor een paar woningen op een achter-terrein met een bedrijfsbestemming.

Als er emoties bijkomen, en mensen halen de gemeenteraad erbij, kan alles een politiek onderwerp worden.

Je hebt buurten waar de bewoners haast overal samen uitkomen. In andere buurten is er veel sneller ruzie, daar bestaat dat programma De rijdende rechter van. Hoewel ik dus graag een globaal Omgevingsplan zou willen,  heb ik wel vraagtekens bij het loslaten van regels en de gedachte dat mensen zelf met hun buren in gesprek moeten om draagvlak te krijgen voor hun plan. Linda heeft daar dagelijks mee te maken.


Wat zie jij in de praktijk Linda?

Bijvoorbeeld dat mensen die bezwaar hebben gemaakt tegen de uitbouw van de buren, niet naar de rechtbank komen. Die zeggen: het is een zaak tussen de buurman en de gemeente. Dat is niet altijd zo, maar het gebeurt geregeld. Het illustreert dat mensen leunen op de overheid. Als ze op grond van het omgevingsplan recht hebben op een bepaald volume, zijn ze van nature niet geneigd om met hun buurman te gaan praten. Daar zit de spagaat.

Regels loslaten betekent dat je verwacht dat mensen er in goed overleg wel uitkomen. Maar mensen zijn het gewend dat de overheid het voor ze oplost.

Het kan wel twintig jaar duren om dat bij de inwoners tussen de oren te krijgen.


Willemijn, wat betekent deze discussie voor jouw handelen als programmamanager?

Ik ben begonnen aan de klus met de gedachte dat de nadruk lag op het juridische aspect en de herziening van het stelsel. Maar het wordt steeds duidelijker dat 80% gaat over houding en gedrag. De casus van dat achter-terrein zou misschien anders zijn gelopen als het plan van meet af aan in overleg was ontwikkeld. Maar dat kost tijd, energie en discipline om te reflecteren.

Gelukkig zie ik bij het management doordringen dat learning by doing wel de manier is om Omgevingswetproof te worden.

Maar je moet het ook naar en met buiten doen. Het gaat om de veranderende rol van de overheid en een andere samenwerking tussen de gemeente en de samenleving. Wat dat betreft vind ik het gunstig dat de wet overgaat naar het ministerie van BZK, waar ze ook bezig zijn met de veranderingen in de lokale democratie.


Wat staat je dan te doen? (Linda reageert)

Ik zou het hardst lopen om de participatie bij het Omgevingsplan goed van de grond te krijgen. Dat mensen snappen wat het Omgevingsplan behelst, ook dat hun buurman op grond van dat plan rechten heeft.

Dat straks minder vaak een vergunning nodig is. We moeten daar serieus met mensen over in gesprek gaan. Dit is namelijk het onderdeel dat het dichtste bij burgers staat en is daarom het best te begrijpen. Enfin, communicatie, dat is een leerstoel op zich.

Aernoud…

Het is ook nodig omdat de gemeente straks op lokaal niveau steeds meer regelt. Milieuregels die nu nog in het landelijk Activiteitenbesluit zijn geregeld, staan straks in het Omgevingsplan. Dat betekent dat inwoners meer zeggenschap krijgen, dat triggert mensen misschien om zich erin te verdiepen. De Omgevingswet leidt tot zoveel veranderingen, een grote landelijke bewustwordingscampagne is wel op z’n plaats.


Lees meer

Hoe ver is Hilversum met de invoering van de Omgevingswet?

We zijn in januari begonnen met een kernteam, daarin zitten een planoloog, een jurist omgevingsrecht, een juridisch medewerker van publiekszaken, een communicatieadviseur, een informatiespecialist, en een facilitator Cultuurverandering. Daarnaast hebben we nog een apart klein team voor de omgevingsvisie. We hebben net een koersdocument voor de omgevingsvisie en een ambitiekader voor de invoering van de Omgevingswet opgeleverd. Dat gaat nu de besluitvorming in. Maar de meeste tijd zijn we bezig geweest met houding en gedrag. We willen de omslag maken van regelgericht naar doelgericht werken, en naar het ‘ja, mits-werken’.


Hoe pak je dat aan?

Dit jaar staat bij ons in het teken van bewustwording. We zijn aan het begin van het jaar met een ‘roadshow’ langs alle teams in de  organisatie geweest. Met een korte presentatie over de Omgevingswet en ook met vragen: kom jij ermee in aanraking? Wat denk je dat het voor jouw werk betekent? We merken dat daarover de meeste vragen komen. Medewerkers willen weten wat er voor hen verandert en of ze straks andere dingen moeten kunnen. Dat het een flinke impact heeft is hier zeker geland.


Wat was de volgende stap?

Na de zomer hebben we een serie TestLabs gehouden. We zijn interactief aan het werk gegaan met casussen. Steeds met wisselende gezelschappen vanuit verschillende vakgebieden. Met leden van het MT, beleidsmedewerkers en ook met de gemeenteraad. Een casus ging over het verplaatsen van een supermarkt binnen een woonwijk. Hoe organiseer je die participatie aan de voorkant, hoeveel laat je bij de initiatiefnemer en welke rol neem je als gemeente zelf? We hebben gesproken over hoe dat er concreet uitziet voor een medewerker, maar ook voor een raadslid.


En de moraal?

Dat het ingewikkeld is. Je kunt wel zeggen dat het initiatief ligt bij de private partij, maar wat zijn de vereisten voor zo’n participatietraject? Hoe willen we dat als gemeente invullen? Loslaten is natuurlijk niet hetzelfde als ‘ze zoeken het maar uit met elkaar’. Met de gemeenteraad hebben we ook een casus gedaan over zijn rol. In de praktijk zie je bij ons dat de raad soms ook bemoeit met de uitvoering en met details. Maar in het gesprek bleek dat raadsleden er echt wel over nadenken dat dit straks anders wordt en moet. De bedoeling is meer sturen op hoofdlijnen met het algemeen maatschappelijk belang voor ogen. Dat willen ze ook. We hebben er lang over doorgepraat. Een hele leuke sessie.


Wat heb je met die TestLabs bereikt?

Ik zie een zwaan-kleef-aan-effect, steeds meer mensen worden nieuwsgierig. We gaan nu werkende weg aan de slag. Dus naast TestLabs ook met concrete pilots. Zo gaan we in één wijk proefdraaien met het ‘welstandsvrij maken’ van die wijk. In een andere buurt gaan we proberen om een omgevingsplan te maken en daarbij de denkkracht van – in dit geval veel hoogopgeleide mondige én betrokken- bewoners nadrukkelijk te benutten. Wat vinden zij belangrijk? Wat vinden zij ervan als we regels loslaten, bijvoorbeeld voor het parkeren of over het kappen van bomen? We willen met de bewoners in gesprek over de principes van de wet. En natuurlijk over die veranderende samenwerking en verantwoordelijkheid van de overheid én van de samenleving.


Je bent veel bezig geweest met houding en gedrag, met anders werken. Is de organisatie bereid om anders te gaan werken?

Het gaat niet snel. We zijn het bijvoorbeeld niet gewend om los te laten. De eerste reflex is toch ‘we moeten ons er wel mee bemoeien...’ Toch zie ik geregeld mensen heel enthousiast uit een TestLab komen omdat ze de essentie van de verandering hebben gevoeld. Vaak komen ze later nog naar me toe om te zeggen dat ze bijvoorbeeld een collega  nu wel actief even op zoeken, of dat ze een vraag hebben teruggelegd bij bewoners of een initiatiefnemer. Daar ben ik blij mee. Het lijkt niks, maar toch zijn het mooie stappen...


Wat betekent dat voor de invoeringsstrategie?

Het VNG-model met de kwadranten heb ik na lang wikken terzijde gelegd omdat het niet bij onze organisatie past. Wij hebben nu gekozen voor een ordening op drie hoofdonderwerpen: instrumentarium (loslaten of beheersen?), participatie (een actieve rol voor de gemeente of alles overlaten aan de initiatiefnemer?) en de bedrijfsvoering (hoe snel willen we invoeren?). Voor deze drie hoofdonderwerpen hebben we leidende principes geformuleerd in het Ambitiekader. Ik ben benieuwd hoe dit landt in de raad. In het koersdocument voor de omgevingsvisie staan strategische vraagstukken. Op basis daarvan gaan we vanaf januari in gesprek met bewoners en onze andere partners buiten. De vraagstukken worden dan ook gebruikt door de politiek bij de gemeenteraadsverkiezingen. Deze getrechterde aanpak past beter bij Hilversum dan bij nul beginnen en bewoners vragen wat zij willen. Dan zouden ze zeggen: ga aan je werk, daar zijn jullie voor.

Zie ook

  • Klik bovenaan de pagina op Bekijk de andere artikelen in dit boek voor meer blogs en interviews.