VNG Magazine nummer 5, 20 maart 2020

Auteur: Leo Mudde | Beeld: Henriëtte Guest

Na zeven jaar verlaat algemeen directeur Jantine Kriens de VNG. Onder haar leiding werd de VNG zichtbaarder voor de leden en nam de dienstverlening toe. Voor ze het stokje overdraagt aan Leonard Geluk, met wie ze nog in hetzelfde Rotterdamse wethoudersteam zat, blikt ze terug en vertelt ze over haar dromen voor de toekomst.
 

Jantine Kriens afscheid

Toen ze zeven jaar geleden algemeen directeur van de VNG werd, beloofde Jantine Kriens de ramen van de Willemshof – het VNG-gebouw aan de Nassaulaan in Den Haag – wijd open te zetten. Ze wilde, zei ze in een interview met VNG Magazine, zichtbaar maken wat er in de organisatie gebeurt. Een paar weken voor haar vertrek (op 1 april neemt Leonard Geluk het roer over) blikt ze terug op haar periode. Is het gelukt om de VNG zichtbaarder te maken? 
‘Dat denk ik wel’, zegt ze. ‘De VNG is vooral door de dienstverlenende taak erg gegroeid. Kijk alleen maar naar VNG Realisatie, dat is echt een belangrijk onderdeel geworden. En het wordt gezien, we hebben ook geen discussies meer gehad over de hoogte van de contributie. Integendeel, de algemene ledenvergadering ging steeds mee in de redenering dat we, willen we die ondersteuning kunnen blijven bieden, meer mensen moeten aannemen. Maar we kunnen nooit achterover gaan leunen, we moeten die steun elke dag weer verdienen, je kunt ’m ook zomaar kwijtraken.’

Sinds ze haar vertrek aankondigde, loopt ze volgens medewerkers van de VNG meer ontspannen door het gebouw. Klopt dat, is ze relaxter geworden? Ze moet er hard om lachen. Maar dan serieus: ‘Zo werkt het wel, als je niet meer voor de komende jaren verantwoordelijk bent, zit je meer in het nu. Dat is het vooral, ik kijk nu per dag wat er op tafel ligt en wat ik moet oppakken. Ik hoef ook niks meer af te ronden. De doelen die ik me had gesteld, heb ik geregeld. En als je dan weet dat je een fijne opvolger krijgt, is dat een pak van je hart.’

Zelfbewuste gemeenten

In haar eerste column in VNG Magazine schreef Kriens dat gemeenten zelfbewuster moesten worden, niet alleen maar reageren op rijksbeleid maar met eigen voorstellen en initiatieven moesten komen. Dat is, zegt ze nu, voor een deel gelukt. ‘Het gaat al een stuk beter dan toen ik aantrad, maar het is nog niet klaar. Het is heel verleidelijk om veel tijd te steken in reacties op kabinetsplannen, dat is nu eenmaal de wereld waarin we leven. Maar je moet steeds weer heel bewust samen met gemeenten bekijken wat nou ons eigen verhaal is, wat ónze voorstellen zijn. Dat gaat nooit vanzelf en dat zal ook de komende jaren niet vanzelf gaan, daar moet je in investeren.’

De verhouding tussen Rijk en gemeenten blijft gevoelig. Goedbedoelde initiatieven als ‘Samen trap-op, samen trap-af’, een Code Interbestuurlijke Verhoudingen en het Interbestuurlijk Programma ten spijt, ‘de’ overheid blijft met zichzelf worstelen. Recent nog zette de VNG het kabinet onder druk met een open brief in een groot aantal kranten, waarin ze om meer geld voor de jeugdzorg en de ggz vroeg. In november marcheerden honderdvijftig wethouders jeugdzorg naar het Binnenhof en VNG-voorzitter Jan van Zanen laat geen gelegenheid passeren om bij het kabinet om ‘boter bij de vis’ te vragen als het gaat om de uitvoering door gemeenten van allerlei gedecentraliseerde taken.

Rapportcijfer

Welk rapportcijfer zou Kriens dit kabinet geven, wat betreft de omgang met de gemeenten? ‘We hadden hoge verwachtingen, met al die oud-wethouders. Ik zit er een beetje dubbel in. Aan de ene kant vind ik dat ze de enorme tekorten bij gemeenten onvoldoende adresseren. We hebben vorig jaar natuurlijk een miljard binnengehaald met de afspraak dat als er groei blijft, dat structureel blijft. Maar er zit nog steeds die rare opschalingskorting in. Dat opschalen gebeurde niet, maar vervolgens ging die korting wel door. Dat blijven we eindeloos herhalen, maar ik voel weinig urgentie bij het kabinet. Dat is heel zorgelijk.’
Tegelijkertijd, ziet Kriens, zijn het allemaal bewindslieden die goed snappen dat ze het zonder gemeenten niet kunnen. ‘Dat is een heel rare paradox. Iemand als staatssecretaris Paul Blokhuis snapt heel goed dat we de groeiende dak- en thuislozenproblematiek met elkaar moeten oplossen. Dat geldt ook voor minister Wouter Koolmees die met de inburgering bezig is. Inhoudelijk gaat het goed, maar ze slagen ze er niet in om gemeenten een voldoende financiële basis te geven. Dus ik geef ze aan de ene kant een 3, aan de andere kant een 7,5.’

Dat is gemiddeld een 5-plus, daar ga je niet mee over.
‘Ja, misschien kom je daar wel op uit. Een feit is dat de tekorten van gemeenten zo groot zijn, dat je je daar als kabinet heel erg zorgen over zou moeten maken.’

Die uitvoering, dat blijft toch een beetje doormodderen

Dromen

Haar laatste columns in VNG Magazine gebruikt Jantine Kriens om te dromen over de toekomst van gemeenten. De eerste droom ging over een grotere financiële zelfstandigheid voor gemeenten, de verruiming van het lokale belastinggebied. De tweede droom was die van het werken als één overheid. Droom 3, deze week, gaat over de uitvoerbaarheid van beleid.
‘De droom over de financiële autonomie moet toch een keer uitkomen, daar praten we al zo lang over. Het is ingewikkeld, maar dat gesprek moeten we zeker gaan voeren. Die ene overheid gaat er ook wel komen, in de komende vijf jaar. Dat is een leerproces. En die uitvoering, dat blijft toch een beetje doormodderen, vrees ik. Zoals Bram Peper al zei: beleid is gewoon muddling through. Grote doorbraken die de uitvoering echt centraal stellen en ook vereenvoudigen, zie ik op korte termijn niet. We zien allemaal dat het niet loopt, we ergeren ons eraan, maar we zijn onmachtig om echte doorbraken te realiseren.’

Onvermogen in de politiek

Ze licht toe: ‘Neem zoiets als het abonnementstarief in de Wmo. Op het eerste gezicht een sympathieke maatregel voor inwoners, maar in z’n uitvoerbaarheid totaal niet doordacht. Daar lopen we tot op de dag van vandaag mee te worstelen. Sterker nog: ik sluit niet uit dat het deze hele kabinetsperiode niet goed uitgevoerd kan worden. Dat zie je terug bij de rijbewijzen, bij het UWV, bij de Belastingdienst. Het is het onvermogen in de politiek om bij nieuw beleid rekening te houden met de uitvoering. Het getuigt van weinig respect voor de mensen die op die uitvoering zitten. Luister eerst naar hen, dan hoor je dat sommige dingen gewoon niet kunnen.’

Geldt dat ook niet voor gemeentelijk beleid?
‘Gemeenten zijn in het algemeen meer gericht op de uitvoering. De confrontatie is ook veel directer. Als ik als wethouder op de markt werd aangesproken over rolstoelen die niet functioneerden, kwam ik de maandag daarna op kantoor en zei: jongens, dit hoorde ik op de markt, hoe zit dat? Als gemeente mag je je gelukkig prijzen met dat type feedback. De controlemechanismen van wethouders en raadsleden zijn groter dan die van ministers en Kamerleden.’

Eén overheid

Die ene overheid van uw tweede droom, wat moeten we ons daarbij voorstellen?
‘We kunnen niet zonder elkaar, Rijk en gemeenten. Dat besef groeit, maar het gaat langzaam. Neem het probleem van de kinderopvangtoeslagen. Die mensen zijn de afgelopen jaren zwaar in de ellende geraakt, tot en met dakloosheid aan toe. Als je niet ook dáárover praat maar alleen het probleem van de toeslagen oplost, laat je het als overheid weer liggen. En wie is er in de positie om daarnaar te kijken? De gemeente. Dus dan kloppen ze toch weer bij ons aan. Dat geldt ook voor de energietransitie. Elk stukje grond in Nederland is van een gemeente. Dus als je werkelijk je doelstellingen wilt halen, dan kun je niet zonder een gemeente die samen met de inwoners kijkt waar die windmolens en zonneparken het best kunnen komen, en hoe we de ruimte zo kunnen indelen dat Nederland er blijft uitzien zoals we dat willen. Dat zijn heel ingewikkelde processen, die ga je vanuit het Binnenhof in ieder geval niet regelen. Wat gemeenten kunnen toevoegen is dat we vanuit de samenhang der dingen en vanuit de samenhang van mensen kunnen handelen.’

In het echie

Inwoners hebben niets met ‘beleid’, zegt Kriens. ‘Dat is ook maar een constructie waarmee je probeert de samenleving een beetje te structureren. En omdat de samenleving zich zo snel ontwikkelt, is het beleid dat je vandaag maakt morgen al achterhaald. Dus je moet veel meer kunnen ademen met wat er, op z’n Rotterdams, in het echie gebeurt. Dat kan als je met de hele mens, met de hele gemeenschap, maar ook met het hele gebied aan de slag gaat. Het kan in het ene gebied verstandig zijn om windmolens te installeren en in het andere gebied om eerst maar eens de platte daken te gaan vullen met zonnepanelen… Dat type van keuzes, die horen bij het zijn van één overheid. Dan gaat een departement dus niet van bovenaf beleid uitrollen, maar zeggen: oké, als we die CO2-uitstoot willen verminderen, wat kan er dan in Limburg, en wat in Groningen, en hoe kun je ervoor zorgen dat de optelsom ervan onze doelstelling haalt? Dat vraagt een heel andere manier van werken. Die droom van één overheid… Ik denk dat het geen keuze meer is, de komende jaren. Alleen zal er nog wel wat tijd overheen gaan om dat op een goede manier te doen.’

Boosheid is niet mijn veranderinstrument

Boos

Ahmed Aboutaleb zei in een portret dat wij zeven jaar geleden van u maakten, dat hij u zelden boos heeft gezien. En Eric van der Burg zei: ze kan glimlachend nee zeggen. Ik kan me voorstellen dat u in de gesprekken met het kabinet weleens uit uw slof bent geschoten.
‘Het is mijn grote zwakte. Ik kan heel boos zijn, maar ik toon het niet. Daardoor ben ik moeilijk te lezen. Op sommige momenten ben ik echt woedend, maar dan ziet niemand het.’

Waar was u als directeur van de VNG écht boos over?
‘In momenten dat we in onderhandeling waren met het kabinet, natuurlijk. Maar ook wel hier in huis. Als de veranderingen waarmee we bezig waren, te langzaam gingen. Ik vond dat we daarmee wat minder vrijblijvend aan de slag moesten. Boosheid is niet mijn veranderinstrument. Dan schrikt iedereen, maar dat leidt er niet toe dat dingen dan anders gaan.
‘Ik weet wel dat Ivo Opstelten tegen mij zei, toen ik naar de VNG ging: “Dat ga jij heel goed doen, want jij hebt geduld en dat heb je daar nodig”. Ja, dat is de andere kant. Ik ben moeilijk leesbaar omdat ik mijn boosheid niet laat zien, maar tegelijkertijd heb ik geduld. Omdat ik weet dat als ik vandaag iets niet voor elkaar krijg, het morgen misschien wel lukt. Gras gaat niet harder groeien door eraan te trekken of er boos op te worden, maar door er goed voor te zorgen.’

Alle lagen

Toen u directeur van de VNG werd, zei Peter Rehwinkel: ze gaat het directe contact met de mensen missen.
‘Hij had gelijk. Als wethouder, maar ook als raadslid ben je in de gelukkige omstandigheid dat je voortdurend beweegt in alle lagen van de samenleving. Ik had dagen dat ik ’s ochtends bij de dak- en thuislozenopvang zat, en ’s avonds mocht dineren op Paleis Noordeinde. Dat is zo fascinerend, dat maakt een mens rijk. Dat is hier bij de VNG natuurlijk veel minder. Hier praten we allemaal óver de samenleving, maar we zitten er niet middenin.’

Als de lokale politiek zo aantrekkelijk is, waarom is het dan zo moeilijk om mensen te vinden voor de gemeenteraad?
‘Mensen hebben geen beeld meer van de politiek. Lokale verslaggevers zijn er niet meer. En kinderen groeien er niet meer mee op. Dat je een verantwoordelijkheid hebt voor de samenleving en daar iets voor wilt betekenen, dat is een ouderwets beeld. Je zou willen dat die verbinding weer wordt gelegd. Jonge mensen zijn helemaal niet asociaal, integendeel zelfs. Ik zie ontzettend mooie dingen van jonge mensen die zich voor elkaar verantwoordelijk voelen, maar doen dat niet via de politiek. Terwijl het wel allemaal politiek ís.’

Doesburg

U heeft veel gemeenten bezocht. Is er een die u speciaal is bijgebleven?
‘Wat ik een fantastische gemeente vind, ik ben er een aantal keren geweest, is Doesburg. Twaalfduizend inwoners, maar echt een oude stad. Met zo weinig mensen kan Doesburg weinig zelf doen, en tóch is het een stad, dat merk je aan alles. Die identiteit van zo’n gemeente heb ik altijd een mooie metafoor gevonden voor veel gemeenten. We zijn een bijzonder land. Mijn Amerikaanse schoonzoon wordt lyrisch als hij in Zuidland, waar ik nu woon, een huis uit de zeventiende eeuw ziet. Als je die verwondering ziet, besef je weer hoe uniek dat eigenlijk is. We zijn zo gevarieerd, ook met al onze landschappen, dat vind je in alle dorpen terug. Dat vind ik heel bijzonder.’