Onroerendezaakbelastingen

Informatie voor raadsleden

Onroerendezaakbelastingen toegelicht

De onroerendezaakbelastingen (OZB) worden geheven over de waarde van de onroerende zaken in de gemeente, de zogenoemde WOZ-waarde. De OZB vormen een grote eigen inkomstenbron van gemeenten. De jaarlijkse opbrengst is zo’n €4 miljard, wat neerkomt op ruim 7% van de gemeentelijke inkomsten.

WOZ-waarde

De vaststelling van de WOZ-waarden is een afzonderlijke beslissing van de heffingsambtenaar. Dit blijkt meestal ook uit het aanslagbiljet waarop de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB afzonderlijk zijn vermeld. Het belastingbedrag wordt berekend door de WOZ-waarde te vermenigvuldigen met het OZB-tarief. Dit tarief is volgens de wet een percentage van de waarde. In de praktijk blijkt het tarief eerder een promillage van de waarde te zijn.

Twee belastingen

De Gemeentewet onderscheidt twee belastingen:

Een eigenarenbelasting, zowel van woningen als niet-woningen geheven

  • Belastingplichtigen: eigenaren van huizen, kantoren, winkels, fabrieken, installaties en onbebouwde grond (onroerende zaken)
  • Belastbaar feit: eigenaar zijn van een onroerende zaak op 1 januari
  • Heffingsmaatstaf: WOZ-waarde van de onroerende zaak
  • Tarief: percentage van de WOZ-waarde; differentiatie naar woningen en niet-woningen

Een gebruikersbelasting, alleen geheven over niet-woningen

  • Belastingplichtigen: gebruiker niet-woningen (onroerende zaak die niet tot woning dient of dienstbaar is aan woondoeleinden)
  • Voorwerp belasting: gebruikers zijn op 1 januari
  • Heffingsmaatstaf: WOZ-waarde van de onroerende zaak
  • Tarief: percentage van de WOZ-waarde

Er zijn in totaal dus drie groepen belastingplichtigen die een aanslag OZB ontvangen. Voor iedere groep geldt een eigen tarief. De inkomsten uit de OZB vallen onder de algemene middelen van de gemeente. Dat betekent dat de inkomsten geen vooraf bepaald bestemmingsdoel hebben maar dat de gemeenteraad bepaalt waarvoor de opbrengsten uit de OZB worden ingezet. De opbrengst van de OZB draagt bij aan het voorzieningenniveau van de gemeente.

Meer informatie

Wat regelt de wet?

Van de belastingen die gemeenten kunnen heffen zijn de OZB wellicht het meest aan voorschriften gebonden: Bij de inrichting van de belastingen is de gemeente gebonden aan de volgende elementen:

  • heffingsgrondslag (de WOZ-waarde is de voorgeschreven heffingsgrondslag)
  • toegelaten differentiatie in tarieven (er mag alleen worden gedifferentieerd tussen woningen en niet-woningen en tussen eigenaren en gebruikers)
  • vrijstellingen (de wet regelt enkele verplichte vrijstellingen zoals de landbouw, kerken of werktuigenvrijstelling)
  • de belastingplichtigen (de eigenaren van alle onroerende zaken en de gebruikers van niet-woningen)
  • het verbod om te heffen van gebruikers van woningen

Hoewel de vaststelling van de tarieven vrij lijkt, geldt ook hier een beperking. Op landelijk niveau is namelijk een plafond vastgesteld voor de hoogte van de opbrengsten van de OZB: de zogenoemde ‘macronorm’. Daarbij kijkt het Rijk naar de stijging van de totale landelijke OZB-opbrengsten. Voor individuele gemeenten geldt geen opbrengstlimiet, maar gemeenten houden bij het bepalen van opbrengst wel rekening met de macronorm.

Keuzemogelijkheden gemeenteraad

Hoewel de OZB strak gereglementeerd is, heeft de gemeenteraad ook bij de OZB keuzevrijheid. Deze keuzevrijheid bestaat bij:

  • de vaststelling van de tarieven
  • de verdeling van de lasten tussen de groepen belastingplichtigen
  • aanvullende vrijstellingen

Steeds vaker kijkt een gemeenteraad bij de vaststelling van het tarief voor woningen niet alleen naar de OZB-opbrengst, maar ook naar het totaal aan woonlasten dat de gemeente in rekening brengt. Tot de woonlasten behoren ook de aanslag afvalstoffenheffing en de aanslag rioolheffing.

Hoewel de gemeenteraad strikt genomen ervoor zou kunnen kiezen om geen of beperkt OZB te heffen, is dit slechts theorie. Bij de bepaling van het gemeentefonds wordt er namelijk vanuit gegaan dat de gemeenten eigen belastinginkomsten uit de OZB ontvangen. Door geen OZB te heffen, zou de gemeente zich tekort doen.

Meer informatie

Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten

De afgelopen jaren zijn er de nodige procedures gevoerd over de vraag of een onderkomen wel of geen onroerende zaak was. Die discussie spitste zich vooral toe op zendmasten voor telefonie, stacaravans en woonboten. Rode draad in de rechtspraak is dat bouwwerken op land die bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, onroerende zaken zijn die in de OZB kunnen worden meegenomen.

Dit geldt niet voor woonboten en andere drijvende woon- en bedrijfsruimten die duurzaam met de wal zijn verbonden. Om deze ruimten toch in de belastingheffing te kunnen meenemen, bestaat de mogelijkheid om een belasting op roerende woon- en bedrijfsruimten te heffen (ook wel roerendezaakbelastingen of roerenderuimtebelastingen genoemd). Behalve de soort objecten waarvan wordt geheven, zijn de voorwaarden voor de belastingheffing gelijk aan de OZB.