Door Jan Hoek

Het is nog niet makkelijk met de Omgevingswet. De vrijheidslievende libertair in mij omarmt het idee van de autonome mens die zijn leven inricht naar eigen inzicht. De sociaaldemocraat van de oude stempel vreest het recht van de sterkste. Juist daarom vraagt het tijd, aandacht en (extra) middelen om ervoor te zorgen dat de bedoeling van de wet straks goed uit de verf komt.  

Jan Hoek

De essentie van de Omgevingswet is dat mensen de kans krijgen zelf hun leefomgeving zo in te richten dat ze er gelukkig van worden. Dit is een verbetering ten opzichte van de situatie dat de overheid wel zal uitmaken wat goed voor ze is. Dit is voor mij echt een geloofsartikel. De Omgevingswet maakt meer maatwerk mogelijk, en er komt een eind aan de stapeling van regels die verlammend uitwerkt op initiatieven. Dat is nodig, maar ik maak me er ook zorgen over of je straks met minder regels de kwaliteit van het landschap genoeg kunt beschermen. Het risico bestaat dat niet de kleine initiatiefnemer, maar juist het grote geld profiteert. Hoe sterk sta je als gemeente in je schoenen als – in economisch slechte tijden – een ontwikkelaar aanklopt met een groot plan voor een ‘doos’ in het open land? Participatie wordt straks de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Maar hoeveel belang heeft een initiatiefnemer daarbij? Voor de overheid hoort participatie een groot goed te zijn. Een geslaagd participatietraject is al een doel op zich, ook als er iets anders uitkomt dan je had verwacht. Voor een initiatiefnemer ligt dit anders, zeker als het een grote partij betreft die geen deel uitmaakt van de buurtgemeenschap.  

Alles bij elkaar zie ik ook de kansen van de Omgevingswet. In de wijk Oosterwold zien we bij uitstek waar mensen toe in staat zijn wanneer ze - met regels op maat - hun eigen woonmilieu kunnen maken, niet alleen de woningen maar ook de infrastructuur en andere voorzieningen. Ook al blijft voor sommige onderwerpen een collectieve, gemeentelijke aanpak noodzakelijk. Dit is een kwestie van maatwerk, geheel in de geest van de Omgevingswet. Ook in het ene digitale loket voor de hele overheid, zie ik kansen. Onlangs zag ik een presentatie hoe je een virtueel bouwwerk in de (digitale) omgeving kunt plaatsen en toetsen aan de regels. Het grootschalig toepassen van zulke functionaliteiten zal nog wel een poosje duren, maar de mogelijkheden zijn enorm. 

In Almere zijn we allereerst aan de slag gegaan om te voldoen aan de minimale vereisten voor het invoeren van de wet. Dit klinkt saai en beperkt, maar het afbreukrisico als het misgaat is groot. Tegelijk zijn we aan het ontdekken hoe we moeten omgaan met het nieuwe stelsel, en welke rol college en gemeenteraad hierin spelen. Eén ding is zeker: het opnieuw vormgeven van de relatie met burgers, organisaties en ondernemers vraagt veel inzet op het terrein van participatie. Het organiseren van betrokkenheid kost tijd en energie. Dat is bij uitstek een taak voor gemeenten; de overheid moet waarborgen dat in de strijd om de ruimte alle belangen op tafel komen en goed worden afgewogen. Maar bij ons staat nu uitgerekend het investeren in participatie onder druk door de hoge uitvoeringskosten van de wet. In Almere betreft het een bedrag van € 2 miljoen om te doen wat wettelijk nodig is. In het parlement zijn er zorgen over de praktische uitvoerbaarheid van de wet. Mijn zorgen gaan veel meer over het zorgvuldig invoeren. Dit staat of valt met de kwaliteit van de participatie, want betrokkenheid van inwoners raakt aan de kern van de wet. Een ruimhartige financiële vergoeding voor de uitvoeringskosten van gemeenten is noodzakelijk om de doelen van de Omgevingswet waar te maken. Want zonder tijd en ruimte voor participatie dreigen we het kind met het badwater weg te gooien.  

Jan Hoek is wethouder (GroenLinks) in Almere 

Meer informatie