BIZ-bijdrage

Informatie voor raadsleden

BIZ-bijdrage toegelicht

De Bedrijveninvesteringszones (BIZ) is een relatief nieuwe heffing, die vanaf 2009 met een experimentenwet voor het eerst werd ingevoerd. Sinds 1 januari 2015 is de BIZ een permanente wet geworden, die qua mogelijkheden uitgebreider is dan de experimentenwet.

De BIZ-bijdrage is een bestemmingsbelasting die op verzoek van ondernemers wordt geheven om met de opbrengst activiteiten in de openbare ruimte en op internet van en voor deze ondernemers te realiseren. De belastingopbrengst wordt daartoe als subsidie uitgekeerd aan een door de ondernemers opgerichte uitvoeringsorganisatie. De heffing van de BIZ-bijdrage beperkt zich tot een bepaald gebied in de gemeente, de bedrijveninvesteringszone (BIZ). Vaak gaat het om een winkelgebied of een industrieterrein.

De BIZ is er dus voor en door ondernemers. Het initiatief tot deze belasting moet van de ondernemers uit dat gebied zelf komen en de belastingopbrengst mag alleen worden ingezet voor extra voorzieningen in de openbare ruimte en op internet voor dat gebied. Deze voorzieningen dienen zowel het gezamenlijk belang van de ondernemers als het algemeen belang. De BIZ kan niet worden ingezet voor de instandhouding van het basisvoorzieningenniveau van de gemeente.
Omdat de BIZ-bijdrage een belasting is waaraan alle ondernemers uit een specifiek gebied moeten bijdragen, voorziet de Wet BIZ in een groot aantal waarborgen tussen initiatief en uitvoering. Na een informele fase waarin eerst de ondernemers onderling en vervolgens met de gemeente de mogelijkheden voor een BIZ verkennen, volgt de formele fase die bestaat uit:

  1. de oprichting van een BIZ-organisatie,
  2. het opstellen van een uitvoeringsovereenkomst
  3. het vaststellen van een verordening
  4. een draagvlakmeting en
  5. inwerkingtreding van de verordening.

Wat regelt de wet?

De Wet op de bedrijveninvesteringszones geeft een groot aantal aanwijzingen voor de inrichting van de BIZ. Veel van deze aanwijzingen zien op het proces waarin de BIZ tot stand komt. Bij de inrichting van de BIZ is de gemeente gebonden aan de volgende elementen waarvoor wettelijke bepalingen gelden:

  • Belastingplichtigen: De BIZ-bijdrage mag alleen van gebruikers en eigenaren van niet-woningen in een bepaald gebied in de gemeente worden geheven.
  • Vrijstellingen: Hiervoor gelden de vrijstellingen zoals vermeld in artikel 220d Gemeentewet.
  • Heffingsgrondslag: Deze is op basis van de Wet WOZ, maar heeft binnen die bandbreedte nog wel differentiatiemogelijkheden; daarnaast biedt de Wet BIZ de mogelijkheid om een vast bedrag te heffen.
  • Looptijd: Deze is maximaal vijf jaar en mag vervolgens iedere keer met vijf jaar worden verlengd.
  • Draagvlak: Er dient onderzocht te worden of er voldoende draagvlak is. De vereisten, zowel aan het begin als tussentijds, waaraan de meting moet voldoen en wanneer de draagvlakvereisten zijn gehaald liggen vast in de Wet BIZ.
  • Subsidie: De BIZ-bijdrage wordt als subsidie verstrekt aan de bij de verordening aangewezen vereniging of stichting.  De Wet BIZ stelt aan de uitvoeringsorganisatie specifieke eisen  zoals de bestuurssamenstelling en betrokkenheid van de ondernemers.
  • Doel: De BIZ-bijdrage mag alleen worden gebruikt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de BIZ of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BIZ.
  • Dienstverleningsniveau: De gemeenteraad en de uitvoeringsorganisatie zijn verplicht afspraken te maken over het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente. De BIZ-bijdrage mag niet aangewend worden voor taken die tot het standaardpakket van de gemeente behoren.

Keuzemogelijkheden gemeenteraad

Hoewel de BIZ wordt vormgegeven in overleg tussen ondernemers en gemeente, heeft de gemeenteraad een autonome positie om de BIZ in te voeren. Het is aan de gemeenteraad om te besluiten dat zij het exclusieve recht om belastingen te heffen wil inzetten voor een groep ondernemers. De gemeenteraad is dus niet verplicht om een BIZ in te voeren als ondernemers daarom vragen.

Binnen de kaders van de wet zal de gemeenteraad keuzes moeten maken over:

  • Belastingplichtigen: Dit kan de gebruiker of de eigenaar van de niet-woning zijn, of beide.
  • Optionele vrijstellingen: Naast de wettelijke vrijstellingen zijn ook een aantal optionele vrijstellingen mogelijk.  Geadviseerd wordt om hierbij aan te sluiten bij de OZB voor een doelmatige uitvoering.
  • Heffingsgrondslag: Dit kan op basis van de WOZ-waarde van 1 bepaald kalenderjaar zijn, of op basis van de wijzigende WOZ-waarden per jaar gedurende de looptijd van de BIZ, of een vast bedrag.
  • Tarief: De hoogte van de individuele BIZ-bijdragen van de belastingplichtigen.
  • Eventuele differentiaties: Iedereen kan een vast percentage van de WOZ-waarde betalen, of er kan een differentiatie aangebracht worden op basis van WOZ-waardeklassen, vestigingslocatie, bestemming van de onroerende zaak, de branche of sector of een combinatie hiervan. Artikel 2 van de Wet BIZ laat echter ook ruimte voor andere differentiatievormen.
  • Looptijd: Deze is maximaal 5 jaar, maar mag korter.

De BIZ in oprichting zal bijna altijd een voorstel voor de uitwerking van bovenstaande punten doen.

Aandachtspunten gemeenteraad

Naast deze punten die uit de Wet BIZ voortvloeien, is bij de parlementaire behandeling van de wet ook een aantal aandachtspunten meegegeven aan de gemeenteraad. Met het oog op een eventuele rechterlijke toetsing van de BIZ tijdens een beroepsprocedure tegen de BIZ-bijdrage, is het goed om deze aandachtspunten in de besluitvorming te betrekken. Dat kan door er aandacht aan te schenken in de begeleidende stukken. Het gaat hierbij om de volgende aandachtspunten:

  • Statuten BIZ-organisatie: De gemeenteraad zal zich ervan moeten overtuigen dat de aan te wijzen BIZ-organisatie voldoet aan de wettelijke eisen van art. 7, 2e lid, Wet BIZ. In het bijzonder vraagt de statutaire doelstelling en de samenstelling van het bestuur aandacht
  • Uitvoeringsovereenkomst: De verordening moet de verplichting bevatten dat de activiteiten waarvoor de BIZ-subsidie wordt verstrekt ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Daarnaast is van belang dat de uitvoeringsovereenkomst alleen van toepassing is als de verordening in werking treedt
  • Activiteiten: De gemeenteraad dient te waken voor willekeurige of onredelijke belastingheffing. De gemeenteraad zal daarom de tariefstelling, verdeling van lasten, begrenzing van het gebied en het soort activiteiten in het licht van het algemeen belang moeten bezien. Wat de activiteiten betreft zal de gemeenteraad moeten aangeven in hoeverre de afgesproken activiteiten aansluiten op het begrip “activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone”
  • Vastlegging basisserviceniveau: Op grond van art. 7, 5e lid, Wet BIZ moeten gemeenteraad en de BIZ-organisatie schriftelijke afspraken maken over het minimale serviceniveau van de gemeente voor de periode dat de BIZ-bijdrage wordt geheven. Deze verplichting brengt met zich mee dat de gemeenteraad vastlegt welke diensten en activiteiten in de BIZ tot het reguliere takenpakket van de gemeente behoren. Daarnaast is het raadzaam om een bepaling op te nemen die de invloed op het afgesproken basisserviceniveau regelt van latere ingrijpende aanpassingen in de algemene gemeentelijke dienstverlening en activiteiten. Het basisserviceniveau geldt immers voor de looptijd van de BIZ-bijdrage en in die periode kunnen de (financiële) omstandigheden van de gemeente aanzienlijk wijzigen
  • Staatssteun: Door de systematiek van de BIZ kan volgens de wetgever de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie geen staatssteun zijn. Maar dat de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie niet leidt tot staatssteun laat onverlet dat gemeenten moeten nagaan in hoeverre het gerechtvaardigd is dat de perceptiekosten eventueel niet in mindering op de ontvangen BIZ-bijdragen wordt gebracht. Ook moeten gemeenten zich bewust zijn van staatssteunaspecten bij eventuele aanvullende bijdragen aan de BIZ uit de algemene middelen.