Raadgever Rollen en instrumenten van het raadslid

De raad heeft drie rollen: kaderstellen, controleren en het vertegenwoordigen van inwoners. Voor het uitvoeren van deze rollen heeft u als raadslid verschillende wettelijke instrumenten tot uw beschikking. Voorbeelden daarvan zijn het vragenrecht, het recht om moties en amendementen in te dienen en het recht om een initiatiefvoorstel in te dienen. Soms kunt u zich afvragen welk instrument op welk moment het best gebruikt kan worden. Deze raadgever geeft inzicht in de instrumenten waarover raadsleden beschikken en geeft tips over hoe u instrumenten effectief kunt inzetten.

De kaderstellende rol

De raad moet de algemene beleidskaders vaststellen waarbinnen het college kan bewegen. Zo bepaalt de raad de beleidsmatige en financiële grenzen voor de uitvoering door het college.
Het kaderstellen vereist dat raadsleden nadenken over een meerjarige strategische visie op de gemeente in het algemeen, en op de verschillende beleidsterreinen in het bijzonder. Daarnaast is inzicht nodig in de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen en het kunnen afwegen van verschillende belangen.

De hamvraag bij kaderstelling is: hoeveel ruimte wil de raad het college geven? Hoe breder de kaders, hoe meer bewegingsvrijheid het college heeft. Hoe smaller de kaders, hoe beperkter de bewegingsvrijheid. Het voordeel van een ruim kader is dat het college niet voor ieder detail terug hoeft naar de gemeenteraad. Hoe specifieker en gedetailleerder een kader, hoe groter de kans dat het college bij iedere afwijking terug moet naar de raad. Dat gaat ten koste van de snelheid.

Iedere raad vult de kaderstellende rol anders in. Nieuw aangetreden gemeenteraden maken aan het begin van de raadsperiode vaak een raadsprogramma of een agenda voor de komende vier jaar. Daarin staan de speerpunten voor het beleid in deze periode. Belangrijke jaarlijks terugkerende momenten voor kaderstelling door de raad zijn behandeling van de voorjaarsnota en het vaststellen van de programmabegroting. Vanuit zijn kaderstellende rol is de raad het centrale bestuursorgaan van de gemeente.

De controlerende rol

Sinds de invoering van het dualisme in 2002 beschikt het college over uitgebreide uitvoerende taken en verantwoordelijkheden. Tegelijkertijd moet de raad controleren. Daarvoor zijn verschillende mogelijkheden. In een goede planning- en controlcyclus stelt de ambtelijke organisatie regelmatig voortgangsverslagen over de verschillende ontwikkelingen en resultaten op. Daarnaast legt het college ten minste één keer per jaar verantwoording af aan de raad: over de uitgaven en de daarmee behaalde resultaten.

Verder beschikt elke gemeente verplicht over een rekenkamer of rekenkamercommissie die tot taak heeft zelfstandig en onafhankelijk onderzoek te doen naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het gemeentelijke beleid. Uiteindelijk beslist de rekenkamer of rekenkamercommissie zelf of zij het onderzoek wil uitvoeren.
Voor 15 juli van ieder jaar controleert de raad het financieel jaarverslag van de gemeente: de jaarrekening. Zo heeft de raad controle over de bestemming van gemeenschapsgeld.

De vertegenwoordigende rol

Raadsleden vertegenwoordigen de inwoners van een gemeente. De ‘vertegenwoordiging van het volk’ wordt belangrijker omdat de hoeveelheid taken en verantwoordelijkheden van de gemeente toeneemt.

In het verlengde daarvan verandert ook de relatie tussen de steeds mondiger en beter opgeleide burgers en het gemeentebestuur. Verwachtingen van burgers over de kwaliteit van de gemeentelijke organisatie nemen toe. Zij zijn kritischer op de geleverde prestaties. Bovendien zijn burgers mobieler en neemt daarmee hun binding met een specifieke gemeente af. Raadsleden moeten daardoor goed bereikbaar zijn voor burgers. Ook moeten zij bereid zijn om het gesprek met hen te voeren. Lokale media weten raadsleden goed te vinden: elke opvatting moet dus gemotiveerd kunnen worden.
Naast individuele inwoners zijn er veel lokale instellingen, organisaties en verenigingen die graag in gesprek willen met u als raadslid. Dat vergt een goede planning en veel inlevingsvermogen.

Instrumenten van een raadslid

De instrumenten voor raadsleden staan omschreven in de Gemeentewet. Voor het uitvoeren van zijn rollen heeft de raad de volgende wettelijke instrumenten:

  • Budgetrecht
  • Indienen van moties  
  • Indienen van amendementen
  • Initiatiefrecht
  • Recht van interpellatie
  • Vragenrecht
  • Inlichtingenplicht van het college
  • Recht van onderzoek

Budgetrecht

Het budgetrecht is de bevoegdheid van de raad om financiële middelen beschikbaar te stellen. Via raadsbesluiten machtigt de raad het college om uitgaven te doen en inkomsten te verwerven. Het budgetrecht is een belangrijk instrument om politieke invloed uit te oefenen. De raad kan sturen, door meer of minder geld aan een bepaald doel toe te wijzen. In de Gemeentewet staat dat de raad erop moet toezien dat de begroting in evenwicht is, of dat dit evenwicht de eerstvolgende jaren wordt gerealiseerd. Het college moet de raad daarvoor een ontwerpbegroting aanbieden. De begroting wordt door de raad vastgesteld en kan tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar door de raad worden gewijzigd. In de financiële verordening kunnen raad en college aanvullende afspraken maken over de invulling van het budgetrecht van de raad.

Indienen van moties

Een motie is een korte verklaring over een onderwerp, waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken, zonder dat daaraan rechtsgevolgen zijn verbonden. Aan de motie kan de initiatiefnemer desgewenst een oproep toevoegen aan het college of de raad om tot actie over te gaan. Ieder raadslid kan tijdens een raadsvergadering een schriftelijke motie indienen bij de voorzitter van de raad. Als een meerderheid van de gemeenteraad voor de motie stemt, is deze ‘aanvaard’.

Indienen van amendementen

Door het indienen van een amendement kan een raadslid tijdens een vergadering wijzigingen voorstellen op een voorgesteld besluit (artikel 147b Gemeentewet). Een amendement kan schriftelijk worden ingediend bij de voorzitter van de raad, zolang de beraadslagingen nog niet zijn afgesloten. Op een amendement kan ook weer een wijzigingsvoorstel worden ingediend, een zogenoemd subamendement. Als een meerderheid van de raad het (sub)amendement steunt wordt het oorspronkelijk voorgestelde raadsbesluit gewijzigd vastgesteld.

Initiatiefrecht

Met het recht van initiatief kunnen raadsleden eigen voorstellen voor nieuw beleid of aanpassing van een verordening indienen (artikel 147a Gemeentewet). Een initiatiefvoorstel is een vorm van actieve kaderstelling. Elk raadslid kan zelf een initiatiefvoorstel indienen bij de raad en zo een opdracht aan het college geven (bijvoorbeeld voor nieuw beleid of wijziging van een verordening). De meerderheid van de raad moet het amendement dan wel steunen.

Recht van interpellatie

Deze mogelijkheid geeft een raadslid het recht een verzoek in te dienen om het college te bevragen over een onderwerp dat niet op de agenda van de raadsvergadering staat. Het middel is bedoeld om een essentieel actueel politiek punt aan de orde te stellen, en daarover een collegelid te bevragen. Elk individueel raadslid kan verzoeken om een interpellatie, maar de raad als geheel bepaalt of de interpellatie wordt toegestaan. De raad moet nadere regels stellen over de uitwerking. De meeste gemeenteraden doen dit in het reglement van orde voor de raadsvergaderingen. Hiervoor is een model van de VNG beschikbaar.

Vragenrecht

De raad heeft het recht om aan het college mondeling of schriftelijk vragen te stellen, voor zover het om de eigen bevoegdheden van het college gaat. De raad bepaalt zelf hoe het vragenrecht verder wordt uitgewerkt en kan afspraken daarover vastleggen in het reglement van orde voor de raadsvergaderingen.

Inlichtingenplicht van het college

De raad heeft het recht om meer achtergrondinformatie over een onderwerp op te vragen bij het college. Dat moet niet alleen inlichtingen verstrekken op verzoek van een raadslid (passieve informatieplicht), maar ook uit zichzelf moet het college alle inlichtingen verstrekken die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft (actieve informatieplicht). Raad en college geven samen concreet invulling aan de inlichtingenplicht en besluiten op welke manier zij de informatievoorziening vorm en inhoud geven.

Recht van onderzoek

Op voorstel van één of meerdere raadsleden kan de raad een onderzoek naar het beleid van het college instellen. Dat kan op verschillende manieren: door een extern bureau, een onafhankelijke commissie of via een raadsonderzoek. Bij het instellen van een raadsonderzoek is de steun van een meerderheid van de raad vereist.

Uit eigen gelederen stelt de raad een onderzoekscommissie samen met een voorzitter en een vicevoorzitter. Vervolgens worden er hoorzittingen georganiseerd, waar de commissie getuigen en specialisten in het openbaar verhoort. Zo nodig gebeurt dat onder ede. Ook worden betrokkenen en specialisten opgeroepen schriftelijk te reageren. Op basis van een eindverslag met de uitkomsten van het onderzoek beslist de raad wat de consequenties van het onderzoek zijn.

Het raadsonderzoek is een ‘zwaar’ instrument vanwege de arbeidsintensiteit, de consequenties voor de betrokkenen en de mogelijke politieke gevolgen. Verder zal een raadsonderzoek niet in alle gevallen tot een verheldering van de feiten kunnen leiden, bijvoorbeeld als er derden bij zijn betrokken. Deze derden zijn niet verplicht om mee te werken aan een raadsonderzoek. Het is dus raadzaam om niet te snel gebruik te maken van het recht van onderzoek en eerst andere alternatieven te bekijken.