Op deze pagina vindt u veelgestelde vragen en antwoorden over het proces van de Tozo. De vragen zijn genummerd. Om die reden vindt u de nieuwste vragen onderaan het onderwerp. Mocht er een nummer ontbreken, dan is deze vraag inmiddels vervallen. 

1. Mag Suwinet worden gebruikt voor de beoordeling van aanvragen?
Inmiddels is duidelijk dat Suwinet gebruikt mag worden voor het verstrekken van voorschotten en later, als de regeling bekend is, bij het afhandelen van aanvragen Tozo. De bevoegdheid voor gemeenten om dat middel te gebruiken (onder meer voor de Participatiewet en dus Tozo) vloeit voort uit art. 62 lid 2 Wet SUWI en blijft ongewijzigd. Uiteraard geldt hier wel bij dat alleen die gegevens mogen worden gebruikt dit nodig zijn voor de vaststelling van het recht (proportionaliteit). Voor zover nu duidelijk zijn dit de Suwinetpagina’s: GBA, Inkomstenverhouding (Polis) en SBR (voor KvK-inschrijving).

 

4. Op welke manier worden gemeenten gecompenseerd in de kosten van de uitvoering van de Tozo?

In de Algemene Maatregel van Bestuur wordt gesteld dat het college ten behoeve van de uitvoeringskosten per besluit op een aanvraag een bij ministeriële regeling te bepalen vergoeding ontvangt.
Deze financieringswijze betekent dat het college ook een vergoeding krijgt voor een afwijzende beslissing op een aanvraag. Het bedrag voor de uitvoeringskosten is niet alleen voor de afhandeling van de uitkeringsaanvragen, maar is tevens bedoeld voor de kosten van bezwaar en beroep, terugvordering etc.
Gemeenten ontvangen achteraf een definitieve vergoeding voor de uitkeringskosten op basis van declaratie van de kosten. Voor de vergoeding van de uitvoeringskosten geldt een vast bedrag per besluit op een aanvraag. Op basis van deze gemeentelijke verantwoording wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld en – onder verrekening van de aan de gemeente verstrekte voorschotten – betaald aan de gemeente.

Zodra de ministeriële regeling bekend is hopen wij hierover te kunnen communiceren via onze website.

 

5. Veel gemeenten zijn al vroeg begonnen met het innemen van aanvragen voor Tozo en hebben geen handtekening van de partner gevraagd, omdat het inkomen van de partner niet meetelt. In het landelijke modelaanvraagformulier wordt die handtekening wel gevraagd. Wat kan de gemeente in dat geval doen?
Een handtekening van de partner is vereist om voor de Tozo in aanmerking te kunnen komen. Als de gemeente die handtekening niet heeft, moet ze die alsnog vragen. 

 

6. Veel gemeenten zijn al vroeg begonnen met het innemen van aanvragen voor Tozo en hebben geen de-minimis verklaring gevraagd. Wat kan de gemeente in dat geval doen?
Voor de lening bedrijfskapitaal aan zelfstandigen is de de-minimis verklaring noodzakelijk. Ofwel als formulier, ofwel als vraag/verklaring zoals deze letterlijk in het model aanvraagformulier staat opgenomen. Als de gemeente geen de-minimis verklaring heeft gekregen van de aanvrager, moet ze deze alsnog opvragen. Zonder deze verklaring kan een gemeente geen lening bedrijfskapitaal toekennen. 

 

7. Is bij Tozo sprake van staatssteun en zo ja, wat moet de gemeente doen?
Ja, er is inderdaad sprake van staatssteun, omdat de rente op de lening bedrijfskapitaal ver onder de marktconforme rente ligt. Daarom is in het modelaanvraagformulier de de-minimisverklaring opgenomen. In een de-minimisverklaring geeft de aanvrager aan dat hij de gemeente informeert over hoeveel steun hij van de overheid heeft gekregen in de 2 voorgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar. Het totaalbedrag van de steun moet onder het de-minimisplafond blijven (dit is afhankelijk van de sector, meestal gaat het om € 200.000).

Omdat Tozo een noodmaatregel is die snel uitgevoerd moet kunnen worden, is de de-minimisverklaring opgenomen als ‘reguliere vraag’. Dit is afgestemd tussen de ministeries van SZW en EZK. Alle gemeenten kunnen deze vraagstelling gebruiken. Als gemeenten dit doen, hoeven aanvragers het document op de website van de rvo niet in te vullen.

De gemeente mag de lening alleen verstrekken als de aanvrager daarmee onder het de-minimisplafond blijft. Verder moet de gemeente de de-minimisverklaring (en dus het hele aanvraagformulier) 10 jaar bewaren.