Is de vrijlating van €1.200 voor giften per huishouden of per persoon?
De vrijlating van €1.200 is per huishouden. Dat is na navraag bij het Ministerie bevestigd.
Wij hanteren een hogere norm voor de giften. Mag dit na 1 januari 2026 nog?
Nee, dit mag niet meer. De huidige wet uniformeert de giftenvrijlating tot een bedrag van €1.200 per kalenderjaar. Giften binnen dit bedrag zijn geen middel. Dit bedrag geldt per huishouden, ongeacht de duur van het bijstandsrecht binnen dat jaar. Oud beleid in het kader van giften vervalt. Als de gemeente dit wenst, kan er nieuw beleid worden vastgesteld. Zie ook ons modelbeleid Participatiewet in balans fase 1.
De wet biedt geen ruimte om de giftenvrijlating in beleid ruimer vast te stellen. Het bedrag is gebaseerd op de gemiddelde hoogte van giften binnen de doelgroep, het staat in redelijke verhouding tot de bijstandsnorm en de te introduceren inkomstenvrijlating. Het blijft mogelijk om in individuele gevallen, waarin een betrokkene een hoger bedrag aan giften ontvangt, te beoordelen of dit vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord kan worden geacht. Dit op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel s Pw.
Wij hebben nu in het beleid staan dat de belanghebbende elke gift aan ons moet doorgeven en wij houden bij wanneer iemand op de €1.200 zit in een kalenderjaar. Kunnen we dit blijven doen of moeten we de verantwoordelijkheid bij de klant neerleggen en moet die zelf alle giften in een jaar bij elkaar optellen en pas bij ons melden als het boven de €1.200 zit?
In de wet wordt aan artikel 31, 2e lid, onderdeel m, Pw een vrijlatingsbedrag van € 1.200 per kalenderjaar toegevoegd. Hiermee wordt een norm gesteld op basis waarvan het totaal aan giften tot in ieder geval € 1.200 per kalenderjaar wordt vrijgelaten. Uitkeringsgerechtigden moeten de gemeente zélf informeren over het bereiken van de giftengrens. Daarover moeten gemeenten uitkeringsgerechtigden zorgvuldig informeren. De wijziging verandert dus de invulling van de inlichtingenplicht.
Dat laat onverlet dat de gemeente wel een bijstandsgerechtigde kunt vragen om zijn giften door te geven. Het is aan de gemeente om te bepalen of iets een gift is (en niet aan betrokkene) en hij is verplicht alles door te geven wat van invloed kan zijn op zijn recht op/hoogte van de bijstand. Het niet melden van een gift onder de vrijlatingsgrens kan geen schending inlichtingenplicht zijn.
Wat wordt verstaan onder een gift? En wat verandert er?
In de oude situatie worden giften in beginsel aangemerkt als middelen in de zin van de Participatiewet. Op grond van de inlichtingenplicht waren inwoners verplicht om alle ontvangen giften te melden bij de gemeente. Het college kon echter besluiten om een gift buiten beschouwing te laten bij de bijstandsverlening, als het deze vanuit het oogpunt van een verantwoorde uitvoering toelaatbaar achtte (artikel 31, tweede lid, onderdeel m, Participatiewet).
Met de invoering Participatiewet in balans wordt wettelijk vastgelegd dat giften en besparingen in kosten tot een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar niet als middel worden aangemerkt. Dit geldt voor zowel giften in geld als giften in natura (ook wel: besparingsbijdragen). Hierdoor ontstaat een objectieve ondergrens waarbinnen giften niet hoeven te worden gemeld, wat een belangrijke wijziging betekent in de invulling van de inlichtingenplicht.
Deze verandering vraagt om duidelijke communicatie richting inwoners over wat onder een gift wordt verstaan, en wanneer iets als zodanig telt. De beoordeling of iets een gift is, kan immers mede worden beïnvloed door culturele of sociale opvattingen, wat in de uitvoering aandacht verdient.
In de wet is de term giften niet nader gedefinieerd. Dat houdt in dat aangesloten moet worden bij hetgeen hier in het dagelijks verkeer onder wordt verstaan.
Wanneer valt iets onder een kostenbesparende bijdrage?
Onder deze kostenbesparende bijdragen vallen bijvoorbeeld de betaling van de kosten van boodschappen, gas, elektriciteit, water of zorgpremie. Het moet gaan om structurele en substantiële bijdragen. Kostenbesparingen worden niet in aanmerking genomen voor zover ze, samen met de ontvangen giften, niet boven het vrijlatingsbedrag van €1.200 (artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet) niet overstijgt.
Hoe verloopt de indexatie van het giftenbedrag?
Het bedrag wordt jaarlijks aangepast op basis van inflatie. Dit gebeurt via een automatische indexatie op grond van de procentuele stijging van de consumentenprijsindex (CPI), zoals geregeld in artikel 39 Participatiewet. De CPI geeft aan hoeveel de kosten van levensonderhoud stijgen, oftewel hoe duur producten en diensten voor consumenten worden.
Om de communicatie richting inwoners duidelijk en eenvoudig te houden, kiest de wetgever ervoor om de giftenvrijlating telkens af te ronden op vaste stappen van €50. Dat betekent dat het bedrag geleidelijk kan oplopen, afhankelijk van de inflatieontwikkeling.
Wij raden aan om in het beleid geen bedrag op te nemen, maar te verwijzen naar artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet. Zo hoef je als gemeente zelf niet te indexeren.
Een belanghebbende ontvangt een gift van €1.500. De €300 die het vrijlatingsbedrag overstijgt, is vermogen. Met deze vermogenstoename blijft de belanghebbende onder de vrijlatingsgrens en heeft dus geen invloed op het recht op bijstand. Moet de belanghebbende deze gift melden?
Ja, de belanghebbende moet een gift boven de €1.200 melden. Het college moet dan namelijk beoordelen op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel s Participatiewet of de gift in het individuele geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Het college moet dan beoordelen of het een in aanmerking te nemen middel is.
Een belanghebbende ontvangt van een vriend elke maand €150. Hij kan deze vrij besteden, dus ook voor algemene kosten voor het bestaan. Is dit een gift of is dit inkomen?
Dit is een gift, zolang het bedrag onder de vrijlatingsgrens van €1.200 blijft. En de gever dit uit vrijgevigheid geeft en er niks tegenover stelt.
Wat houdt de wijziging in de jongerennorm precies in?
De standaard aanvulling voor jongeren van 18-21 jaar die niet op ouders kunnen terugvallen, wordt in de huidige wet verstrekt als algemene bijstand binnen artikel 20 Participatiewet, met een vast bedrag. Dit vervangt de oude regeling via artikel 12 Participatiewet (bijzondere bijstand).
De aanvullende norm voor jongeren is aangepast. Gelden de andere voorwaarden van het oude artikel 12, zoals het niet te gelde van de onderhoudsplicht van de ouders, ook nog?
Ja, de andere voorwaarden van artikel 12 Participatiewet blijven gelden. Het gaat om de voorwaarden:
- De middelen van de ouders zijn niet toereikend;
- De jongeren zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.
Deze voorwaarden zijn niet veranderd met de Participatiewet in Balans.
Hoe verhouden lid 3 en lid 4 van artikel 20 Participatiewet in Balans zich tot elkaar?
Lid 3 geeft een vaste aanvulling als de jongere zijn onderhoudsrecht tegen zijn ouders niet te gelde kan maken of als de ouder ontoereikende middelen heeft. Als de jongerennorm van lid 1 of 2 van artikel 20 Participatiewet in combinatie met de vaste aanvulling van lid 3 onvoldoende is in een individuele situatie, kan op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet de bijstand worden aangevuld. Lid 4 van artikel 20 Participatiewet geeft aan dat de verhoging van lid 3 niet hoger mag zijn dan de norm die geldt voor iemand van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd in een vergelijkbare situatie.
Is de standaard aanvulling hetzelfde voor jongeren die kostendeler zijn?
Het wetsvoorstel wijzigt artikel 22a Participatiewet niet. Dat betekent dat ook in de nieuwe situatie de bijstand niet wordt verlaagd bij jongeren onder de 21 jaar die samenwonen met anderen (kostendelers).
In individuele gevallen kan de norm wel hoger of lager worden vastgesteld als dat – gezien de omstandigheden – noodzakelijk is (artikel 18 lid 1 Participatiewet). Daarbij houdt de gemeente rekening met de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de jongere in kwestie.
Let op: De norm + toeslag voor een jongere van 18-20 jaar kan nooit hoger uitkomen dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige in een vergelijkbare situatie. Dat betekent dat een jongere die samenwoont met anderen wel een toeslag kan krijgen, maar deze toeslag wordt zodanig begrensd dat de totale uitkering niet boven de norm voor een kostendelende 21+-er uitkomt.
Wat is de gedachte achter de harmonisatie van de jongerennorm?
De gedachte erachter is om het stelsel eenvoudiger, eerlijker en consistenter te maken voor jongeren die een beroep doen op bijstand. Onder de oude Participatiewet geldt voor jongeren van 18 tot 21 jaar een lagere bijstandsnorm dan voor volwassenen. Dit terwijl zelfstandigwonende jongeren vaak dezelfde kosten hebben als een bijstandsgerechtigde van 21 jaar of ouder. Zo niet hoger vanwege hun beperkte recht op huurtoeslag. Voorheen konden gemeenten via het bijzondere bijstandsbeleid de algemene bijstand aanvullen. Dit leidt tot grote verschillen tussen gemeenten en dat is niet wenselijk.
Daarnaast hebben gemeenten ook aangegeven dat het meer voor de hand ligt om in de beschreven situaties hogere algemene bijstand te verstrekken in plaats van aanvullende bijzondere bijstand, nu de verstrekking dient ter dekking van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Participatiewet in Balans harmoniseert de jongerennorm voor 18-21 jaar door voor deze groep een aanvulling mogelijk te maken op de algemene bijstand van €746,45 , als de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders. De norm is gebaseerd op het wettelijk minimum jeugdloon. Dit is nog steeds lager dan de volwassenennorm.
Het is een maatstafbepaling dus gemeenten kunnen ook in de nieuwe situatie in individuele gevallen de norm bijstellen, bijvoorbeeld als de vaste lasten van de jongere daarom vragen. Dit kan op grond van artikel 18 Participatiewet.
Hoe beoordeel je nu de norm voor jongeren?
Voor het beoordelen van de jongerennorm is het het makkelijkst om onderstaande stappen te doorlopen.
- Stap 1: stel de hoogte van de norm vast op grond van artikel 20 lid 1 of 2 Participatiewet of op grond van artikel 22a lid 3 Participatiewet bij kostendelende medebewoner.
- Stap 2: stel vast dat de ouders niet kunnen bijdragen.
- Stap 3: pas de verhoging toe van artikel 20 lid 3.
- Stap 4: controleer op grond van artikel 20 lid 4 of de norm nu niet hoger is dan die de jongeren(n) zouden krijgen als ze 21 jaar of ouder zouden zijn. Hierbij moet ook de kostendelersnorm worden meegenomen.
- Stap 5: stem de norm eventueel hoger of lager af op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet.
Moeten we beleidsregels opstellen voor de jongerennorm?
De aanvullende algemene bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar wordt met de wetswijziging volledig in de wet geregeld. Ook de mogelijkheid tot maatwerk (afstemming) is in de wet geregeld. Het vaststellen van beleidsregels is dus niet noodzakelijk om uitvoering te geven aan de aanvullende jongerennorm.
Heeft het harmoniseren van de jongerennorm gevolgen voor de toeslagen van de jongeren?
Door de aanpassing van de jongerennorm kan het zijn dat de jongere in aanmerking komt voor meer bijstand. Hierdoor stijgt het inkomen dat meetelt voor het toetsingsinkomen bij de jongere die geen beroep kan doen op ondersteuning vanuit zijn ouders.
Door de aanpassing van de jongerennorm kan het zijn dat de jongere in aanmerking komt voor meer bijstand. Hierdoor stijgt het inkomen dat meetelt voor het toetsingsinkomen bij de jongere die geen beroep kan doen op ondersteuning vanuit zijn ouders.
Is de jongere alleenwonend dan heeft dit verder geen fiscale consequenties omdat het totaal aan inkomen (ook indien gehuwd) onder de toetsingsgrens van de toeslagen blijft. Problematischer wordt het wanneer de jongere inwonend is en er binnen het desbetreffende huishouden huurtoeslag wordt ontvangen. In die situatie gaat het hogere bedrag meetellen binnen het toetsingsinkomen van het desbetreffende huishouden en kan dit een verlaging van de huurtoeslag voor het desbetreffende jaar tot gevolg hebben.
Hoe zit het met thuiswonende kinderen? Wanneer verhoog je de bijstand dan wel/niet?
Uitgangspunt is dat jongeren van 18 tot 21 jaar voor hun levensonderhoud een beroep doen op hun ouders, die wettelijk onderhoudsplichtig zijn. De ophoging van de jongerennorm is bedoeld voor jongeren die geen beroep (meer) kunnen doen op hun ouders, bijvoorbeeld door contactbreuk of financiële onmacht van ouders.
De gedachte achter de verhoging is vooral gericht op zelfstandig wonende jongmeerderjarigen, omdat zij dezelfde algemene noodzakelijke kosten hebben als volwassenen van 21 jaar en ouder — zoals huur, energie, en basisbehoeften — vaak zelfs hogere, omdat ze minder recht hebben op toeslagen. Dat wil niet zeggen dat thuiswonende jongeren niet voor de ophoging in aanmerking kunnen komen. Als de ouders van een thuiswonende jongeren hun onderhoudsplicht niet kunnen voldoen, dan is de ophoging ook hier van toepassing. Mogelijk met afstemming van de norm op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet.
Door de wijziging van artikel 12 en 20 Participatiewet is de aanvulling op de jongerennorm geen bijzondere bijstand meer, maar algemene bijstand. Hoe verhoudt dit zich tot artikel 13 lid 2, sub a Participatiewet waarin staat dan jongeren in een inrichting zijn uitgesloten van algemene bijstand?
Artikel 13 blijft ongewijzigd van kracht. Dat betekent dat voor jongeren in een inrichting geen verhoging kan worden gegeven op grond van artikel 20 Participatiewet. De jongeren in een inrichting is namelijk uitgesloten voor algemene bijstand op grond van artikel 13 lid 2 onder a Participatiewet. Voor deze doelgroep kan nog steeds bijzondere bijstand worden toegekend.
Is er overgangsrecht voor de jongerennorm?
Ja, er is overgangsrecht opgenomen via artikel 78ff Participatiewet. Jongeren die op het moment van inwerkingtreding al een hogere norm ontvingen dan de nieuwe geharmoniseerde norm, houden in beginsel deze hogere norm. Als een jongere op het moment van inwerkingtreding bijzondere bijstand ontvangt op grond van artikel 12 Participatiewet, en het bedrag daarvan ligt onder de nieuwe norm zoals vastgelegd in artikel 20 Participatiewet, dan wordt het bijstandsbedrag aangevuld tot het niveau van de nieuwe norm.
In de wet is nu opgenomen dat een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht kan worden toegekend, waarbij je maximaal 3 maanden terug kan. Wanneer kan dit?
Er kan met terugwerkende kracht bijstand worden toegekend als naar het oordeel van het college de individuele omstandigheden van het geval hiertoe noodzaken. Gemeenten hebben dus veel beoordelingsvrijheid om deze wijziging zelf in te vullen. De Memorie van Toelichting bij de wet geeft 4 voorbeelden:
- De bijstandsgerechtigde heeft door de late melding aanzienlijke schulden of betalingsachterstanden opgelopen. Daarbij kan een rol spelen dat de bijstandsgerechtigden in de periode voorafgaand aan de melding alles op alles heeft gezet om volledig zelfstandig in zijn bestaan te voorzien.
- De bijstandsgerechtigden is overvraagd door een crisissituatie, waardoor hem de te late melding of de eerdere buiten behadelingstelling niet verweten kan worden.
- De situatie waarbij een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen of een eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld.
- gedacht kan worden aan de situatie waarin de inwoner alles op alles heeft gezet om zelf in zijn/haar inkomen te voorzien of de situatie waarin de bijstandsgerechtigde overvraagd is door een crisissituatie.
Vanuit de VNG en Divosa wordt in samenwerking met Stimulansz gewerkt aan een modelbeleidsregels, waarin de verdere invulling van deze wijziging ook is opgenomen.
Het is nu toch al mogelijk om met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering toe te kennen? Waarom is dit dan aangepast?
De hoofdregel is dat een bijstandsuitkering niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, behalve bij bijzondere omstandigheden. De rechtspraak maakt hierop uitzonderingen, bijvoorbeeld als iemand door foutieve informatie van een medewerker geen aanvraag heeft gedaan of als iemand door medische problemen niet in staat was om (tijdig) een melding te doen of iemand in te schakelen om dit namens hem te regelen. Ook kan het gaan om situaties waarin iemand onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om zich te melden.
Dergelijke gevallen worden echter gezien als zeer uitzonderlijk. Gemeenten gaven aan dat zij de oude wettelijke regeling als te rigide ervaren en dat deze soms onrechtvaardig uitpakt. Daarom geeft de regering gemeenten meer ruimte om, als de persoonlijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijstand tot maximaal 3 maanden vóór de meldingsdatum kunnen toekennen. Dit is een aanvulling op de al bestaande uitzonderingen die via de rechtspraak zijn ontwikkeld. Deze wijziging is opgenomen in artikel 44, 5e lid, Participatiewet.
Wat is het verschil tussen ‘bijzondere omstandigheden’ en ‘individuele omstandigheden’ bij bijstand met terugwerkende kracht?
Bij aanvragen van bijstand met terugwerkende kracht wordt onderscheid gemaakt tussen bijzondere omstandigheden en individuele omstandigheden. Deze termen lijken op elkaar, maar betekenen iets anders.
De term bijzondere omstandigheden komt uit de rechtspraak. Hiermee worden uitzonderlijke situaties bedoeld waarin afgeweken mag worden van de regel dat de aanvraagdatum ook de ingangsdatum van de bijstand is. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin iemand geen aanvraag heeft gedaan omdat hij onjuist is geïnformeerd door een medewerker van de gemeente, of om medische redenen zelf geen melding kon doen (of iemand kon inschakelen om dat namens hem te doen). Het gaat hier dus om zeer specifieke, zeldzame gevallen. Tussen de situatie en het niet kunnen aanvragen van de uitkering moet ene causaal verband zijn aangetoond. Er is bij bijzondere omstandigheden geen wettelijke tijdsgrens verbonden aan hoe ver terug de bijstand kan worden toegekend.
De term individuele omstandigheden is geïntroduceerd door de wetgever in de Participatiewet in balans. Deze term is ruimer dan ‘bijzondere omstandigheden’. Gemeenten krijgen hiermee beleidsvrijheid om te beoordelen of de persoonlijke situatie van een aanvrager aanleiding geeft om bijstand toe te kennen met terugwerkende kracht. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin iemand wel in een kwetsbare positie zat, maar die niet per se als ‘uitzonderlijk’ hoeft te worden aangemerkt.
Wel geldt hierbij een duidelijke beperking: bijstand op basis van individuele omstandigheden kan maximaal 3 maanden met terugwerkende kracht worden toegekend. Er zit geen beperking op de termijn bij bijzondere omstandigheden.
Wat is de fiscale impact bij terugwerkende kracht?
Terugwerkende kracht over de jaargrens heen kan fiscale gevolgen hebben. Voor de loonaangifte geldt het kasstelsel; verantwoording in de maand (en daarmee het fiscaal jaar) waarin het geld betaalbaar wordt gesteld. Wanneer een uitkering in januari 2026 met terugwerkende kracht vanaf oktober 2025 wordt toegekend, wordt de betaalbaarstelling in januari 2026 gerekend tot het verzamelinkomen van 2026. Dit hogere bedrag aan uitkering telt mee voor het toetsingsinkomen/verzamelinkomen van het huishouden en kan tot een verlaging van de toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag) en andere regelingen die het verzamelinkomen als grondslag gebruiken (o.a. eigen bijdrage WLZ) voor het betreffende jaar leiden.
Andersom heeft het kasstelsel dan eventueel ook tot gevolg dat iemand recht heeft op een hoger voorschot over het voorgaande (in dit geval 2025) jaar.
In beide gevallen zijn gevolgen afhankelijk van de totale inkomensontwikkeling in het desbetreffende jaar.
Geldt artikel 44 lid 5 Participatiewet, bijstand toekennen met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht, ook voor bijzondere bijstand?
Ja, artikel 44 lid 5 Participatiewet geldt ook voor bijzondere bijstand. In lid 5 staat namelijk dat het college de bijstand kan toekennen met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht. Als de Participatiewet spreekt van bijstand, dan wordt daarmee algemene én bijzondere bijstand bedoeld.
Als we het hebben over de vermogenstoets, waarbij het vermogen in het verleden is vastgesteld en bij wijzigingen is hergebruikt. Moet er met de nieuwe wetswijziging dan telkens een hele nieuwe uitvraag komen? Moeten we dit elke keer controleren?
Het daadwerkelijke vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. Slechts op het moment dat er melding wordt gemaakt van een vermogenstoename of er een vermoeden is van een vermogenstoename, is er aanleiding om het daadwerkelijke vermogen opnieuw te onderzoeken. Dit is in overeenstemming met de huidige praktijk. Het wetsvoorstel beoogd daar niets in te wijzigen.
Uitkeringsgerechtigden moeten, net als bij giften, de gemeente zélf informeren over het bereiken van de vermogensgrens. Daarover moeten gemeenten uitkeringsgerechtigden zorgvuldig informeren. De gemeente kan uitkeringsgerechtigden adviseren om aanzienlijke toenames in het vermogen te melden om schending van de inlichtingenplicht te voorkomen. Bijvoorbeeld een toename vanaf € 5.000 (alleenstaanden) of € 10.000 (alleenstaande ouders en gehuwden). In individuele gevallen - als het vermogen bij aanvang van de bijstand al tegen de vermogensgrens aan zit - kan het advies anders zijn.
Moet er bij elke aanvraag opnieuw een vermogenstoets gedaan worden? En moeten de aanvraagformulieren hierop worden aangepast?
De staffeling wordt er via de Pwet in balans eruit gehaald. Bij het nieuw voorgestelde systeem is het – in principe - voldoende om vast te stellen dat het actuele vermogen onder de vermogensgrens ligt. Om enig zicht te houden op de vermogensontwikkeling van betrokkene is het daarbij wel wenselijk om – in ieder geval indicatief – de hoogte van het vermogen in het dossier vast te leggen. Slechts op het moment dat er melding wordt gemaakt van een vermogenstoename of er een vermoeden is van een vermogenstoename, is er aanleiding om het daadwerkelijke vermogen opnieuw te onderzoeken. Dit is in overeenstemming met de huidige praktijk in de meeste gemeenten.
Als je op dit moment in het aanvraagformulier werkt met de staffelingsmethodiek, dan kun je deze in principe blijven gebruiken, mits het rechtsgevolg die hieraan verbonden is veranderd wordt. Werkt de gemeente met vermogensberekeningsformulieren? Daaruit kan de term en de berekening van het resterend vrij te laten vermogen worden verwijderd. In de beschikking is voldoende om te melden dat vastgesteld is dat betrokkene niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikt.
Gaat het vinger aan de pols houden van de consulent bij de inwoner op het gebied van giften en de vermogenstoets niet juist uit van wantrouwen?
Het wetsvoorstel gaat uit van doen vermogen van de inwoner. De inwoner moet zelf bijhouden of de vermogensgrens of de giftengrens wordt overschreden. Het informeren en contact houden met de inwoner.
In beginsel zijn giften en besparingsbijdragen tot € 1200 en vermogen tot de vermogensgrens vrijgesteld van de inlichtingenplicht. Evenzo wordt bijvoorbeeld een vrijwilligersvergoeding tot € 2100 niet tot de middelen gerekend en dat geldt ook voor onkostenvergoeding voor zover ze niet worden gekwalificeerd als fiscaal inkomen. Het is niet aan betrokkene, maar aan de gemeente om te bepalen of sprake is van giften, vrijwilligersvergoedingen, vermogen etc. Het wetsvoorstel vraagt in die zin om een andere inrichting van je inlichtingenplicht. Waarbij bij betrokkene het verzoek ligt om te melden als hij geld of goederen van enige waarde heeft gekregen, dan wel (tijdelijk) te maken heeft met een extra ondersteuning in het levensonderhoud, waarna samen wordt gekeken hoe dit past binnen de bijstandsverlening. In die situatie wordt gewerkt vanuit een situatie van wederzijds vertrouwen. Vertrouwen richting inwoner dat hij niet beoogt onder de regels van de wet uit te komen en vertrouwen richting overheid, dat deze niet beoogt te sanctioneren, maar juist beoogt te helpen bij de naleving van de – relatief ingewikkelde – regelgeving.
Als er niet elke keer een vermogenstoets nodig is, vraagt dit dat geen jaarlijks rechtmatigheidsonderzoek?
De staffeling wordt er via de Pwet in balans uitgehaald. Bij het nieuw voorgestelde systeem is het – in principe - voldoende om vast te stellen dat het actuele vermogen onder de vermogensgrens ligt. Om enig zicht te houden op de vermogensontwikkeling van betrokkene is het daarbij wel wenselijk om – in ieder geval indicatief – de hoogte van het vermogen in het dossier vast te leggen. Slechts op het moment dat er melding wordt gemaakt van een vermogenstoename of er een vermoeden is van een vermogenstoename, is er aanleiding om het daadwerkelijke vermogen opnieuw te onder zoeken. Dit is in overeenstemming met de huidige praktijk. Het wetsvoorstel beoogd daar niets in te wijzigen.
Uitkeringsgerechtigden moeten, net als bij giften, de gemeente zélf informeren over het bereiken van de vermogensgrens. Daarover moeten gemeenten uitkeringsgerechtigden zorgvuldig informeren. De gemeente kan uitkeringsgerechtigden adviseren om aanzienlijke toenames in het vermogen te melden om schending van de inlichtingenplicht te voorkomen. Bijvoorbeeld een toename vanaf € 5.000 (alleenstaanden) of € 10.000 (alleenstaande ouders en gehuwden). In individuele gevallen - als het vermogen bij aanvang van de bijstand al tegen de vermogensgrens aan zit - kan het advies anders zijn.
Hoe zit het bij de vermogenstoets met het melden van een erfenis? Ik begrijp uit de MvT dat voor achteraf verkregen middelen wel de peildatum (overlijdensdatum) blijft? Dat is/kan andere datum zijn dan datum ontvangst. Is dat straks wel goed uit te leggen aan de inwoner?
Artikel 32, tweede lid, wordt gewijzigd. De datum overlijden blijft bepalend voor de toerekening. Artikel 32 bepaalt nu dat de middelen toegerekend worden naar de periode dat het recht erop stond. Daar verandert door de wijziging van artikel 32, tweede lid, niks aan.
De wijziging heeft uitsluitend betrekking op de verrekening van inkomsten en niet op het bestaande vermogen, zoals erfenissen. Met de aanpassing van artikel 32, tweede lid, wordt het bestaande transactiebeginsel bekrachtigd en verduidelijkt dat de daadwerkelijke ontvangst van inkomsten bepalend is voor de verrekening. De toerekening van vermogen, waaronder erfenissen, blijft ongewijzigd en blijft gebaseerd op de datum van overlijden, zoals vastgelegd in de geldende vermogensregels.
Het komt wel eens voor dat we in de uitvoering burgers in de bijstand hebben die goed hebben gespaard. Meer dan de voor hen geldende vermogensgrens. In dit geval, zal er dus geen recht op bijstand bestaan op het moment dat de grens overschreden is?
Sparen vanuit een bijstandssituatie blijft mogelijk. Artikel 34, tweede lid, onder c blijft van kracht. Vermogen boven de grens speelt dus alleen bij andere bronnen, zoals het ontvangen van een erfenis of giften.
Wat is het bufferbudget?
Het bufferbudget is een instrument dat het college kan inzetten als door inkomstenverrekening instabiliteit in het inkomen komt en daardoor in die betreffende maand minder te besteden heeft dan de bijstandsnorm.
Het college heeft een budget van € 1.000 per persoon per kalenderjaar om deze inkomstenverrekeningen op te vangen.
Het bufferbudget komt in een nieuw artikel 34b te staan.
Wat is het doel van het bufferbudget?
Het doel is om ervoor te zorgen dat bijstandsgerechtigden een lagere drempel ervaren om te gaan werken. Voor bijstandsgerechtigden kan de stap van uitkering naar deeltijdwerk ook onzekerheid en financiële stress geven. Bij bijvoorbeeld wisselende inkomsten kan dit door de verrekening met de bijstand (grote) schommelingen in de uitkering geven en ervoor zorgen dat het totale inkomen op maandbasis onder de bijstandsnorm komt. Sommige bijstandsgerechtigden die in deeltijd werken komen hierdoor in financiële problemen.
Het bufferbudget is een instrument om meer rechtszekerheid te geven als mensen gaan werken en om een bestaanszekerheid te bieden van in ieder geval de bijstandsnorm.
Wanneer kan ik het bufferbudget inzetten?
Je kan het bufferbudget inzetten op basis van individuele omstandigheden als financiële buffer bij werkaanvaarding. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:
- Als gevolg van inkomstenverrekening is het inkomen instabiel /leidt tot terugvordering
- Bijdragen aan het deeltijd werken of bij volledige arbeidsinschakeling
- De belanghebbende moet door de verrekening onder de bijstandsnorm komen
Je zet het bufferbudget niet in als de verrekening een gevolg is van de schending inlichtingenplicht, dan wel medewerkingsplicht.
Voor het bufferbudget gelden ook voorliggende voorzieningen. Welke zijn dit?
Dit zijn al (bestaande) instrumenten binnen de Participatiewet, zoals de inkomstenvrijlating of de premie arbeidsinschakeling. Als de bijstandsgerechtigde, door ontvangst van deze voorzieningen, niet onder de bijstandsnorm uitkomt, dan kan het bufferbudget ook niet worden ingezet.
Voorbeeld:
De bijstandsgerechtigde ontvangt maandelijks €100 inkomstenvrijlating en de verrekening uit inkomsten is €50, dan komt de bijstandsgerechtigde na de verrekening niet onder de bijstandsnorm uit. De inkomstenvrijlating is dan voorliggend voor het bufferbudget.
Heeft het bufferbudget gevolgen voor belasting en toeslagen?
Het bufferbudget is een bedrag van maximaal € 1.000 netto per kalenderjaar, dat wordt belast via een eindheffing. Dat betekent dat het geen gevolgen heeft voor het belastbaar inkomen van de bijstandsgerechtigde en daarmee ook niet voor toeslagen als huur- en zorgtoeslag, en voor andere regelingen die het verzamelinkomen als grondslag gebruiken (o.a. eigen bijdrage WLZ en aanvullende studiebeurs DUO).
Geldt het ook voor de IOAW, IOAZ en de Bbz?
Het bufferbudget van € 1.000 netto wordt ook opgenomen in de IOAW en IOAZ , in een nieuw artikel 38b. Dit nieuwe artikel komt overeen met het nieuwe artikel 34b Participatiewet. Ook de toepassing van het bufferbudget is hetzelfde als in de Participatiewet.
Door de afwijkende systematiek die het Bbz kent, is het bufferbudget niet toe te passen in het Bbz 2004. Het bufferbudget heeft als doel om schommelingen in het inkomen op te vangen. Een zelfstandig ondernemer heeft sowieso te maken met schommelende bedrijfsinkomsten. De Bbz-systematiek heeft al de mogelijkheden om deze schommelingen op te vangen.
Moet het vermogen van eenieder in de bijstand opnieuw worden vastgesteld met de inwerkingtreding van de Participatiewet in Balans?
Nee, het vermogen hoeft niet opnieuw te worden vastgesteld. Van degene die voor 1-1-26 in de bijstand zitten, weten we dat zij een vermogen onder de vermogensgrens hebben.
Wat moet nog vastgelegd worden bij de nieuwe vermogenstoets?
Bij aanvang van de bijstand stel je vast of de belanghebbende een vermogen onder de vermogensgrens heeft. Omdat het resterende vrij te laten vermogen er niet meer toe doet, hoeft dat ook niet meer vastgelegd te worden. In de beschikking zou je alleen hoeven op te nemen of de belanghebbende een vermogen onder de vermogensgrens heeft, omdat er geen verder rechtsgevolg zit aan de hoogte van het vermogen.
Het kan in sommige situaties wel wenselijk zijn om toch iets in de beschikking op te nemen.
- Als er duidelijk geen vermogen is, dan kan je minimaal beschikken hierover. Je kan dan volstaan met de mededeling dat de belanghebbende geen vermogen heeft of een vermogen onder de vermogensgrens. Dit kan onder andere het geval zijn als er geen banksaldo is of bekend is dat er schulden zijn, waardoor het vermogen op negatief uitkomt.
- Is er een relevant vermogen, waardoor de vermogensruimte nog maar klein is, kan het verstandig zijn om uitgebreider over het vermogen te beschikken.
- Zijn er signalen dat uitzicht is op achteraf te ontvangen middelen, is het ook verstandig om uitgebreider over het vermogen te beschikken. Zeker als er al vermogen aanwezig is.
- Is er teveel vermogen en is dat een afwijzingsgrond, dan is een concrete vermogensvaststelling noodzakelijk en moet deze ook opgenomen worden in de beschikking.
In de rapportage neem je het vermogen ook mee, dit om enig zicht te houden op de vermogensontwikkeling van belanghebbende. In hoeverre is ook afhankelijk van bovenstaande situaties. Omdat sparen tijdens de bijstand nog steeds wordt vrijgelaten, raden wij aan om de banksaldo te noteren.
Hoe uitgebreid het onderzoek naar vermogen moet zijn, is afhankelijk van de situatie. Als duidelijk is dat iemand geen vermogen heeft, of juist schulden, dan hoeft niet tot op de euro het vermogen te worden vastgesteld. Ook in het kader van het vergemakkelijken van het doen van een aanvraag.
Wanneer moet het vermogen opnieuw worden vastgesteld bij een lopende uitkering?
Een belanghebbende hoeft een wijziging in het vermogen alleen aan te geven als die met het nieuwe vermogen boven de vermogensgrens uitkomt. Een belanghebbende zal dit zelf in de gaten moeten houden. Belangrijk is dat de gemeente de belanghebbende goed informeert over wanneer vermogenstoename gemeld moet worden. En ook wanneer iets valt onder een gift en mogelijke vrijlatingen op bijv. een auto.
De gemeente kan belanghebbende ook adviseren om aanzienlijke toenames in het vermogen te melden om schending inlichtingenplicht te voorkomen. Bijvoorbeeld een toename vanaf € 5.000 (alleenstaanden) of € 10.000 (alleenstaande ouders en gehuwden). In individuele gevallen - als het vermogen bij aanvang van de bijstand al tegen de vermogensgrens aan zit - kan het advies anders zijn.
Daarnaast heeft de gemeente nog altijd de bevoegdheid om een heronderzoek in stellen op grond van artikel 53a lid 6 Participatiewet. Tijdens een heronderzoek kan ook een controle op het vermogen worden gedaan.
Kan er nog steeds gespaard worden tijdens de bijstand?
Ja, sparen tijdens de bijstand is toegestaan, artikel 34 lid 2 onder c Participatiewet. Het is daarom belangrijk om de hoogte van de bankrekening bij aanvang van de bijstand te documenteren, zodat het gespaarde deel vrijgelaten kan worden.
Hoe zit het bij de vermogenstoets met het melden van een erfenis? Voor een ergernis is de peildatum de overlijdensdatum. Hoe verhoudt zich dit tot de wijziging van het transactiesysteem van artikel 32 lid 2 Participatiewet?
De wijziging van artikel 32 lid 2 Participatiewet heeft betrekking op het inkomen. En niet op het vermogen. De toerekening van vermogen, waaronder erfenissen, blijft ongewijzigd en blijft gebaseerd op de datum van overlijden.