Gemeenten hebben sinds 2015 de verantwoordelijkheid gekregen voor de Jeugdhulp en een aantal nieuwe taken in de Wmo. Voor Jeugdhulp en Wmo hebben gemeenten de opdracht om bij de inkoop te waarborgen dat er een goede verhouding is tussen de prijs en de kwaliteit van de hulp. Dit is geregeld in de artikelen 2.6.6. van de Wmo en 2.12 van de Jeugdwet. Voor Wmo-ondersteuning geldt er een AMvB reële kostprijs, voor de Jeugdwet is deze in de maak. De AMvB regelt met welke kostprijselementen gemeenten rekening moeten houden bij de bepaling van een tarief bij de inkoop van Wmo-ondersteuning en straks voor Jeugdhulp. Indexatie voor loon- en prijsstijgingen is één van de genoemde kostprijselementen genoemd in de AMvB.

In dit bericht wordt informatie gegeven die gemeenten kunnen gebruiken bij het maken van indexatieafspraken met aanbieders voor Jeugdhulp en Wmo-ondersteuning.

De inkomstenkant van gemeenten

De inkomstenkant van gemeenten is afhankelijk van meerdere factoren (waaronder gemeentelijke belastingen en bouwgrond exploitatie), maar de belangrijkste inkomstenbron is het gemeentefonds. De integratie-uitkeringen (zoals beschermd wonen en Voogdij/18+) en decentralisatie-uitkeringen met betrekking tot Wmo en Jeugd worden door het Rijk geïndexeerd met de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (hierna ova) en het prijsindexcijfer particuliere consumptie  (hierna ppc. De middelen die in de algemene uitkering van het gemeentefonds zitten - waaronder sinds 1-1-2019 grote delen van Wmo en Jeugdhulp - generen accres.

Het accres is een vergoeding vanuit het Rijk voor onder meer loon- en prijsstijgingen en volumeontwikkeling. Daarmee is het accres niet een-op-een vergelijkbaar met de ova en het ppc die enkel betrekking hebben op de loon- en prijsstijgingen. Uit het accres moeten gemeenten dus meer bekostigen dan alleen de loon- en prijsstijgingen. Daarnaast is het accres vrij besteedbaar. Het is het budgetrecht van de gemeenteraad om te besluiten hoe zij deze vrij besteedbare middelen uit het gemeentefonds, inclusief de toevoeging aan deze middelen via het accres willen alloceren over de verschillende domeinen/gemeentelijke taken, waaronder Wmo en Jeugd.

Hieronder is ter informatie het accrespercentage weergegeven over de afgelopen jaren en een raming voor 2020 en 2021. Het accres voor jaar ‘t’ wordt pas in de meicirculaire ‘t+1’ definitief. Het accres voor 2020, wordt dus pas definitief in de meicirculaire 2021.

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Accres

-0,54%

4,25%

1,00%

4,82%

6,15%

4,62%

3,71%

*Raming

Informatie over herkomst en berekening Ova en ppc

Loonkosten maken binnen de meeste vormen van zorg het belangrijkste onderdeel uit van de kostenopbouw van aanbieders. Voor Wmo en Jeugdhulp geldt dit ook. Over het algemeen wordt ongeveer 90% van de kosten van aanbieders binnen Wmo en Jeugdhulp als loongerelateerd beschouwd en 10% als prijsgerelateerd (materiële kosten).

Overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (Ova)

De ova komt voort uit het ova-convenant uit 1999 tussen het Rijk en zorgaanbieders. In het convenant zijn de afspraken vastgelegd tussen de werkgevers in het zorgveld en het ministerie van VWS met de volgende doelstellingen:

  • Normale arbeidsverhoudingen, gericht op het handhaven van de relatieve arbeidsmarktpositie van de werkgevers in de zorgsector
  • Handhaving van het door de overheid beoogde voorzieningenniveau in de zorg
  • Kostenbeheersing in de zin van een kwantitatief en kwalitatief goede dienstverlening tegen zo laag mogelijke kosten

De ova is grofweg gebaseerd op de som van de verwachte ontwikkeling in de markt(sector) van drie componenten: contractloon, werkgeverslasten en de incidentele loonkosten. Daarvoor worden de door het Centraal Planbureau (CPB) in het jaarlijks in maart gepubliceerde ‘Centraal Economisch Plan’ (CEP) opgenomen objectieve cijfers over elk van deze componenten gebruikt. Het CPB maakt voor de raming onder meer gebruik van realisatiecijfers van bijvoorbeeld cao’s in de markt (contractloonstijging).

De ova werd in de beginjaren van het ova-convenant gebruikt om instellingsbudgetten en alle tarieven te indexeren. Met de introductie van meer (gereguleerde) concurrentie en meer vrije prijsvorming is de functie van de ova enigszins veranderd. De link met tarieven en instellingsbudgetten is nu minder direct.

De Nza gebruikt de ova om het loongerelateerde deel van de vaste- en maximumtarieven te indexeren (Zvw en Wlz). Het ministerie van VWS gebruikt de ova om het loongerelateerde deel van (macro)kaders te indexeren, zodat zorginkopers in staat worden gesteld om gecontracteerde aanbieders loon- en prijsindexatie te geven. In de verschillende hoofdlijnakkoorden (curatieve zorg) zijn afspraken gemaakt over doorvertaling van de ova door verzekeraars in de tarieven. Verder is de ova een richtinggevende indicator voor werkgevers bij het sluiten van cao’s. Immers, cao-afspraken die de ova overstijgen, worden niet gedekt vanuit indexatieafspraken waarin de ova als uitgangspunt is genomen. Voor ova-overstijgende afspraken dienen werkgevers derhalve zelf dekking te vinden of er moeten hierover separate afspraken met de financiers worden gemaakt.

Prijsindexcijfer particuliere consumptie (ppc) Binnen de zorg is het prijsindexcijfer particuliere consumptie (ppc) een veelgebruikte indicator om het prijsgerelateerde deel van uitgaven te indexeren.

De Nza gebruikt de ppc om het prijsgerelateerde deel van de vaste- en maximumtarieven te indexeren (voor zvw en wlz). Het ministerie van VWS gebruikt de ppc om het prijsgerelateerde deel van (macro)kaders te indexeren.

Ramingen/nacalculatie

De ova en de ppc voor enig jaar worden door VWS vastgesteld op basis van cijfers uit het in het voorjaar van het desbetreffende jaar door het CPB gepubliceerde CEP. Voor zorginkopers is het voorjaar van het lopende jaar echter over het algemeen te laat. Zorginkoop vindt immers plaats voorafgaand aan het jaar/de jaren waarop de inkoop betrekking heeft.

Om hiermee om te gaan hanteren VWS en de Nza een systeem met ramingen en nacalculatie met het verschil tussen raming en realisatie. De kaders en tarieven voor een jaar ‘t’ (voorbeeld: voor 2020) worden in het jaar ‘t-1’ (in dit voorbeeld voorjaar 2019) geïndexeerd waarbij de raming van de ova en ppc voor het jaar ‘t’ (2020) gebruikt wordt. Vervolgens wordt in het jaar ‘t’ (voorjaar 2020) gekeken in hoeverre de definitieve ova en ppc in het jaar ‘t’ (voor 2020) afgeweken zijn van de ramingen voor het jaar ‘t’ (2020). Dit verschil wordt vervolgens verrekend met de verwachte ova en het verwachte ppc voor het jaar t+1 (2021).

In enig jaar kan in deze systematiek de feitelijke ova hoger of lager uitvallen dan geraamd. Door de systematiek van nacalculatie is er over het totaal van meerdere jaren bezien geen verschil tussen de uitgekeerde en de geraamde ova.

Ter illustratie: Fictief rekenvoorbeeld met ova en nacalculatie

 

2010

2011

2012

2013

2014

Som

OVA raming jaar ‘t’ in ‘t-1’

0%

2%

1%

3%

1%

 

OVA jaar ‘t’ definitief

1%

3%

1,5%

2%

1%

8,5%

Verschil raming - definitief

1%

1%

0,5%

-/-1%

0%

 

OVA raming jaar ‘t+1’

2%

1%

3%

1%

 

 

OVA ‘t+1’met nacalculatie over jaar ‘t’

3%

2%

3,5%

0%

0%

8,5%

In onderstaande tabel zijn de definitieve ova en ppc weergegeven van de afgelopen jaren en een raming voor de ova en ppc voor het jaar 2021. In het vervolg zal de VNG  elk voorjaar deze cijfers publiceren. Vanaf volgend jaar aangevuld met ook de ova en ppc met nacalculatie. 

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

OVA

0,08%

1,74%

2,04%

2,96%

3,42%

3,28%

3,24%*

PPC

0,32%

0,38%

1,87%

1,55%

2,49%

1,97%

1,73%*