De VNG leidt een programma waarin met regionale kennisnetwerken wordt geëxperimenteerd, de zogenoemde regionale schakelpunten. Ter inspiratie zijn meerdere hulpbronnen ontwikkeld, zoals de essays op deze pagina’s. Die zijn ook interessant voor regio’s die (nog) niet werken aan regionale kennisnetwerken voor bodem en ondergrond.

Om als regionaal kennisnetwerk goed te kunnen functioneren is integraal én geïntegreerd werken nodig, stelt Govert Geldof. Bij ‘integraal werken’ hangt u als het ware boven de opgave, u beschouwt deze. Met de komst van de Omgevingswet heeft integraal werken bij overheden een belangrijke plek ingenomen om beleidsopgaven te realiseren. Gemeenten raken er steeds vertrouwder mee. En dan is er ook ‘geïntegreerd werken’. Dat is met de voeten in de klei, voltrekt zich op kleinere schaal en wordt primair gedragen door de mensen die wonen, werken en recreëren in het betreffende gebied. Zij zijn deelnemers in plaats van toeschouwers. Het pleidooi van Geldof is dat zowel deelnemers als toeschouwers relevant zijn.

Om een regionaal kennisnetwerk te kunnen inrichten, moet u weten hoe u mensen met bodem- en ondergrondkennis wilt positioneren. Waar mag welke kennis niet ontbreken en welke personen kunt u daarvoor inzetten? Inwoners en ondernemers vormen dus ook knooppunten in het kennisnetwerk. Het advies aan de regio’s is om dit in de praktijk te oefenen en onderzoeken, bijvoorbeeld door:

  • 1 kader te formuleren voor bodem en ondergrond, geschikt om in de gemeentelijke omgevingsvisies te laten landen
  • 1 lokaal gebiedsproces te selecteren om in beeld te brengen wat een geïntegreerde werkwijze voor de mensen daar kan betekenen

Het essay van lector Geert Roovers beoogt de overkoepelende discussie aan te zwengelen over wat een regionaal kennisnetwerk moet doen en kunnen. Zodat er een gesprek hierover kan ontstaan, aangevuld met beelden over het ‘waarom’ en het ‘wat’ (waarover in het najaar een essay zal verschijnen). Roovers brengt de verschillende beelden die bestaan over het functioneren van een regionaal kennisnetwerk samen en vult deze aan met de termen ‘ontwikkelen’ en ‘(samen)werken’. Hij omschrijft 7 indicatoren die helpen om het functioneren van de kennisschakelnetwerken te beoordelen. Deze zijn (in verkorte versie):

  • Doorwerking van praktijkbehoefte uit de beleidspraktijk naar het regionale kennisnetwerk
  • Een goed functionerend netwerk van overheden, ondernemers, onderwijs en onderzoeksinstellingen en maatschappelijke organisaties
  • Een goede verbinding met andere regionale schakelpunten
  • Een goede verbinding met de landelijke kennisinfrastructuur
  • Verankering in de bestuurlijke afspraken en urgenties van betrokken overheden
  • Het regionaal kennisnetwerk draagt bij aan de uitvoeringskracht in de regio
  • Het regionaal kennisnetwerk draagt bij aan verjonging en nieuw elan bij de betrokken partijen

Het advies aan de regio’s is om hun regionaal kennisnetwerk tegen het licht te houden van deze indicatoren. Het essay bevat hiervoor 3 concrete stappen.

Als doorwinterde bestuurder richt Michiel Scheffer zijn essay op de bodem en de politieke agenda. Een onderwerp dat geen hoge plek (meer) op de agenda heeft, maar wel zou verdienen. Scheffer benadrukt het belang van de eerste 100 dagen van een bestuurder en hoe u hiervan gebruik kunt maken om bodem de aandacht te geven die het verdient. Hij licht een aantal elementen uit die hierbij kunnen helpen, zoals het maken van routekaarten naar het punt op de horizon, 3 dimensies om de bodem te benaderen (beheersen, managen, besturen) en de positie die een gemeente inneemt in de regio. Er zijn ook praktische adviezen: zorg dat u de bestuurder een keer toevallig tegenkomt en heb dan uw verhaal klaar. Het advies aan de regio’s is om hun eigen regio/gemeente tegen het licht te houden en die eerste 100 dagen te gaan benutten.

In dit essay gaat Leo Klaassen, directeur-secretaris van de Omgevingsdienst Haaglanden, in op de mogelijke rol en organisatie van het regionaal kennisschakelpunt (RSP). Klaassen ziet verschillende rol- en organisatieopvattingen bij de pilots voorbij komen en geeft daarover zijn beschouwing. 

Rol van een RSP

Klaassen stelt dat het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van expliciete kennis de primaire rol van een RSP is, zonder voor het gebruik van die kennis verantwoordelijk te kunnen worden gesteld. Het RSP is getraind in het zoeken naar de juiste, bedoelde, vraag en is in staat de vraag te koppelen aan het aanbod van kennis vanuit de diverse kennisbronnen.

Het RSP is in eerste instantie gericht op het ondersteunen van de onderdelen van de beleidscyclus: beleidsvorming, uitvoering, monitoring en evaluatie. Op langere termijn zou uitbreiding richting strategische vraagstukken en het scenariodenken een overweging zijn.

Organisatie van een RSP

De kern van het RSP zou volgens Klaassen moeten bestaan uit specialisten van de regionale omgevingsdienst, het waterschap (of meerdere schappen), gemeenten en provincie. Vragers en aanbieders van kennis maken in beginsel geen deel uit van het RSP, maar staan wel in goed contact met het RSP.

De meeste waarborgen voor de toekomst van een RSP worden verkregen door het RSP te beschouwen als een wettelijke taak. Voor een structurele borging is structurele governance nodig met bestuurlijk commitment en adequate financiering. Het ‘meekoppelen’ met een bestaande structuur is daarbij de meest kansrijke weg op de korte termijn.