Wetgeving Passend onderwijs

De Wet passend onderwijs is op 9 oktober 2012 aangenomen. Vanaf januari 2013 is een aantal voorbereidende artikelen in werking getreden, zoals de inrichting van de samenwerkingsverbanden. Het belangrijkste element, de zorgplicht voor scholen is per 1 augustus 2014 ingevoerd.

Het doel van de Wet passend onderwijs is dat voor alle leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zo passend mogelijk onderwijs wordt gerealiseerd. De wet gaat over het stelsel van voorzieningen voor leerlingen, die extra ondersteuning nodig hebben in het funderend onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs.

De Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voorgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet medezeggenschap op scholen en de Wet op het onderwijstoezicht zijn hiertoe gewijzigd. De wijzigingen hebben betrekking op de organisatie van de voorzieningen voor extra ondersteuning van leerlingen en de financiering daarvan.

Zorgplicht

Er is een zorgplicht ingevoerd voor de bevoegde gezagsorganen voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte. De wet schrijft voor dat elke school een ondersteuningsprofiel maakt, dat een beeld geeft van de mogelijkheden en voorzieningen die een school heeft om te voorzien in de verschillende onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van leerlingen.

De zorgplicht van het schoolbestuur brengt met zich mee dat voor jeugdigen die niet terecht kunnen op de school waar zij zich hebben aangemeld, die school wel de verplichting heeft om binnen het samenwerkingsverband een andere school te vinden.

  • Schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs worden daarom verplicht om samenwerkingsverbanden te vormen, waarvan ook het speciaal onderwijs deel van uit maakt. De REC’s worden daarmee afgeschaft.
  • De ondersteuningsmiddelen voor het regulier en speciaal onderwijs worden gebudgetteerd en verdeeld door het samenwerkingsverband, dat zelf de criteria voor toewijzing daarvan vaststelt. De landelijke indicatiecriteria voor het speciaal onderwijs vervallen daarmee.

De schoolbesturen binnen het samenwerkingsverband maken met elkaar een ondersteuningsplan. Dat plan laat zien welk niveau van ondersteuning afzonderlijke scholen bieden, hoe de middelen voor extra ondersteuning zijn verdeeld en aangewend, hoe men ondersteuning toewijst, hoe de verwijzing naar speciaal onderwijs gaat en hoe men ouders informeert over het hele proces. De samenwerkingsverbanden zijn verplicht om over het concept ondersteuningsplan in een op overeenstemming gericht overleg (OOGO) te spreken met de gemeente(n).

OOGO

Belangrijkste implicatie voor gemeenten van de wetgeving passend onderwijs is dat samenwerkingsverbanden verplicht zijn om over het ondersteuningsplan op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n) te voeren binnen het verband.

De Wet passend onderwijs geeft in de verplichte onderdelen van het ondersteuningsplan geen expliciete punten aan die betrekking hebben op de samenhang met lokale voorzieningen voor ondersteuning en hulp aan jeugdigen en hun gezinnen.

In de Memorie van Toelichting staat echter wel dat de volgende zaken logisch zijn:

  • Afstemming over het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband.
  • Overleg over de plannen die de gemeente heeft voor de jeugdhulp.
  • Overleg over de manieren waarop bijvoorbeeld zorgtoewijzing plaatsvindt voor een jeugdige en het gezin.
  • Overleg over de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.

Ook op het niveau van individuele casussen is er een plicht tot afstemming tussen onderwijs en gemeentelijke zorginstellingen. Achtergrond is dat de gemeente verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van de leerplicht en de RMC-functie, leerlingenvervoer en onderwijshuisvesting. En ook voor andere zaken die nauw samenhangen met passend onderwijs zoals de functie ‘begeleiding’ in de AWBZ (in de WMO), de jeugdzorg (in de Jeugdwet) en de gecombineerde regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt (in de Participatiewet).