Op welke wijze wordt de kostprijsbewaking uitgevoerd en welke rollen hebben het CAK en de gemeente?

Bij het bepalen of de kostprijs is bereikt, wordt in geval het CAK de bewaking uitvoert altijd gerekend met het geldende nationale wettelijke tarief (in 2020 is dit € 19 per maand). Bij meerdere woningaanpassingen of hulpmiddelen, houdt het CAK alleen de overschrijding bij van de doorgegeven kostprijs. De gemeente geeft alleen de langstlopende kostprijs door.  Als een cliënt (tijdelijk) geen bijdrage is verschuldigd, bijvoorbeeld als gevolg van minimabeleid, dan wordt over deze periode ook gerekend met het geldende nationaal wettelijk tarief per maand. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten, waarop (niet voor niets) een vrijstelling van toepassing is, alsnog op een later moment de volledige kostprijs moeten betalen. Indien de bijdrage wordt opgeschort (“gepauzeerd”), dienen gemeenten de (resterende) kostprijs voor hulpmiddelen en woningaanpassingen opnieuw door te geven op het moment dat de bijdrage weer wordt gestart.

Als de kostprijs is bereikt, geeft het CAK dit door aan het college. Het college kan vervolgens, eventueel in overleg met de cliënt, beoordelen of de bijdrage moet doorlopen (bijvoorbeeld omdat de cliënt nog gebruik maakt van een andere voorziening) of dat de bijdrage moet worden gestopt. Daar kan het college ook eerder voor kiezen. Het college informeert het CAK als de inning van de bijdrage moet worden gestopt. Het CAK volgt de berichtgeving van het college. Van belang is dus dat het college de regie heeft t.a.v. de kostprijsbewaking, het CAK heeft alleen een faciliterende en signalerende rol. Als de resterende totale kostprijs is bereikt moet  de gemeente een stopbericht sturen als het innen van de eigen bijdrage door het CAK moet worden beëindigd.