Cultuur, kunst en kunstenaars - Beleid, wet- en regelgeving

Cultuur en kunst algemeen

Cultuursubsidie periode 2017-2020

Minister Bussemaker van OCW heeft na haar aantreden in november 2012 een positieve visie op cultuur neergezet. Dit gebeurde in haar Kamerbrief ‘Cultuur beweegt: de betekenis van cultuur in een veranderende samenleving’ van juni 2013. Ook heeft zij in december 2013 een Kamerbrief geschreven over de gevolgen van de cultuurbezuinigingen 2013-2016 ad 23%: € 200 miljoen direct en € 100 miljoen indirect.  Het verzoek van de VNG om een spoedreparatie al vóór de periode 2017-2020 heeft ze daarbij niet gehonoreerd. Wij wilden € 60 miljoen per jaar voor: basisinfrastructuur, talentontwikkeling en verbreding cultuureducatie. Eind 2016 is er door de minister € 28,5 miljoen en door de Kamer € 10 miljoen grotendeels structureel beschikbaar gesteld. Ons pleidooi voor € 30 miljoen ten behoeve van digitale innovatie bij archieven, bibliotheken en omroepen duurt nog voort. Het rijksbudget is € 800 miljoen.


Landelijke ondersteuning en rijksfondsen cultuur 2017-2020

De sanering van de landelijke ondersteuning en de rijksfondsen uit 2013 is in de periode 2017-2020 vooralsnog gehandhaafd, zo blijkt uit de beschikkingen van minister Bussemaker van OCW op Prinsjesdag 2016.

De beeldende en podiumkunsten hebben geen sector- of kennisinstituut meer.

De Raad voor Cultuur brengt in 2017 een nader advies uit over de ondersteuning. De ondersteuning voor geschillen over de restitutie van naziroofkunst wordt gesplitst tussen een nieuw expertisecentrum en voor de zwaardere gevallen de bestaande restitutiecommissie.

De 6 fondsen (beeldende kunst/erfgoed, creatieve industrie, cultuurparticipatie, film, letteren, podiumkunsten) kunnen namens het Rijk subsidies verstrekken voor experimenten, projecten, festivals en instellingen in het middensegment die een landelijke betekenis of een voorbeeldfunctie hebben. Voor de bibliotheken is er geen rijksfonds.


Decentralisatie-uitkering beeldende kunst en vormgeving 2017-2020

De decentralisatie-uitkering beeldende kunst en vormgeving ad jaarlijks € 13,5 miljoen gaat naar 36 gemeenten met een centrumfunctie. Zij matchen deze 9 keer. Er zijn in de afgelopen periode diverse wijzigingsplannen geweest. De minister van BZK wilde het rijksgeld versleutelen over alle gemeenten en de Kamer wilde het uit het gemeentefonds halen om de landelijke cultuurbezuinigingen ermee te dekken. Door fel protest van de betrokken gemeenten en de VNG is dat thans van de baan. Wel komt er een landelijke monitor naar de bestedingen en de wijze van verdeling over de betrokken gemeenten.


Cultuurconvenanten 2013-2016

Het Rijk heeft in de periode 2013-2016 structureel € 200 miljoen oftewel 23% bezuinigd op cultuur. Daarnaast zijn er voor ongeveer € 100 miljoen andere maatregelen genomen die nadelig uitpakken voor deze sector. Hierdoor zijn er met name in de kunsten gaten gevallen binnen de culturele basisinfrastructuur in ons land. De cultuurconvenanten tussen de minister van OCW, elk der G3 en  der 5 landsdelen reguleren de huidige beleidsmatige en financiële inzet van de direct betrokken overheden. Landsdeel West heeft geen convenant vanwege te weinig rijksinstellingen in dit gebied.


Code culturele diversiteit

De Code culturele diversiteit is een praktisch instrument voor leden van besturen, raden van toezicht, directies en medewerkers van publieksgefinancierde culturele instellingen. De Code biedt concrete handreikingen om culturele diversiteit structureel in de instelling te verankeren. Het gaat om de peilers Publiek, Programma, Personeel en Partners.


Code cultuursponsoring

In de Code Cultuursponsoring zijn de gedragsregels opgenomen die voor de betrokken partijen gelden bij de sponsoring van culturele activiteiten.


Code Cultural governance/Governance code cultuur

De code cultural governance regelt het bestuur van culturele instellingen. Het beheer van de code is vanaf medio 2010 overgenomen door de Stichting Cultuur-Ondernemen. De naam is thans Governance code cultuur.


Wijziging Wet op het specifiek cultuurbeleid

Volgens de wens van de VNG en de Tweede Kamer komt er toch elke vier jaar een nota over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid. Het periodieke subsidie-onderdeel wordt echter geschrapt. Ook de positie van de medeoverheden verdwijnt uit de wet. Verder nam de Tweede Kamer op aandringen van onder meer de VNG een aantal amendementen en moties aan bij het voorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid. De Eerste Kamer heeft het herziene wetsvoorstel op 12 juni 2007 aangenomen.


Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur

Het Algemeen kader wordt periodiek vernieuwd. Het laatste dateert van mei 2012. Het regelt tot wederopzegging het bestuurlijke contact tussen de bewindspersoon van OCW, IPO en VNG én tussen de staatssecretaris plus de onderscheiden provincies en gemeenten.


IPO: provincies als cultuurmakelaars

Tussen 1995 en 2005 verdubbelden de uitgaven aan cultuur per inwoner, zo blijkt uit de IPO-nota 'Kiezen in cultuurbeleid' (september 2005). Verder worden de budgetten en het cultuurbeleid per provincie besproken. De provincies zien zichzelf als 'cultuurmakelaar' tussen gemeenten, Rijk en culturele sector. Gelet op de bezuinigingen op het provinciefonds hebben de provincies zich de afgelopen jaren beraden op hun cultuurtaken. Zij zien nu als hun basistaken: cultureel erfgoed met name in relatie tot de fysieke ruimte, ondersteuning openbare bibliotheken en cultuureducatie op school en bekostiging regionale omroepen. De bevordering van de spreiding en diversiteit van de culturele infrastructuur wordt ook regelmatig als taak genoemd. Andere beleidsterreinen zijn als ‘plustaken’ te beschouwen.


Cultuurprogramma's

In het verleden waren er diverse cultuurprogramma’s tussen de drie overheden, waarbij zij samenwerkten ter vernieuwing, bevordering en/of verbetering van een bepaald thema. Op sociaal gebied was dat het Actieplan Cultuurbereik inclusief Cultuur en School. Ook was er het programma Cultuur en Economie. Vanaf 2013 heeft het Rijk ervoor gekozen om de landelijke fondsen en ondersteuningsorganisaties nadrukkelijker hierbij in te zetten. Hierdoor is de rechtstreekse tripartiete programmatische samenwerking tussen de overheden nagenoeg verdwenen. Tot 2017 liep de archiefinnovatie via het Nationaal Archief en de bibliotheekinnovatie via de Koninklijke Bibliotheek: de toekomst van de rijksfinanciën hiervoor is nog onduidelijk. Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn eveneens programma’s ondergebracht o.a. Erfgoed en Ruimte plus Herbestemming van (religieus) erfgoed. Het tripartiete Programma Cultuureducatie met kwaliteit in het primair onderwijs loopt nog door in 2017-2020 via het Fonds voor Cultuurparticipatie. Dit geldt ook voor de stimulering van de creatieve industrie als topsector o.a. met behulp van de Dutch Creative Council.


Internationaal cultuurbeleid Internationaal cultuurbeleid verdeeld tussen departementen

Tot 2009 werkten onder andere de departementen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Buitenlandse Zaken (BZ) samen in het Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)-cultuurprogramma. Op basis van de nota ‘Grenzeloze kunst’ zijn de HGIS-cultuurmiddelen van € 8,8 miljoen op jaarbasis per 2009 onderling verdeeld.

Vanaf 2009-2012 is deze samenwerking gestopt en geven de departementen hun geld ieder apart uit, vaak via landelijke organisaties. Gemeenten blijken de verdeling tussen departementen lastig te vinden.

In mei 2016 is mede op basis van een onderzoek het Beleidskader internationaal cultuurbeleid 2017-2020 verschenen. De doelen en middelen zijn thans als volgt:

  1. Een sterke cultuursector die in kwaliteit groeit door internationale uitwisseling en duurzame samenwerking en die in het buitenland wordt gezien en gewaardeerd 

    - 5,2 miljoen euro van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in te zetten via de cultuurfondsen, HNI, EYE, DutchCulture, RCE en Nationaal Archief, waaronder 1 miljoen euro voor gedeeld cultureel erfgoed en 1 miljoen euro voor het internationaliseringsprogramma creatieve industrie van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.

    - 5,6 miljoen euro van de minister van Buitenlandse Zaken, in te zetten via posten, fondsen, instellingen en DutchCulture.

     
  2. Meer ruimte voor een bijdrage van cultuur aan een veilige, rechtvaardige en toekomstbestendige wereld

    4,2 miljoen euro van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, waaronder middelen voor de posten in de betrokken landen

    1,2 miljoen euro voor een gezamenlijk ODA/non-ODA fonds en een bijdrage aan het Prins Claus Fonds.

    - 2,8 miljoen euro van de minister van Buitenlandse Zaken, waaronder middelen voor de posten in de betrokken landen.

    1,5 miljoen euro voor een gezamenlijk ODA/non-ODA fonds en 0,7 miljoen euro voor het internationaliseringsprogramma creatieve industrie van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.  

     
  3. Cultuur wordt effectief ingezet binnen de moderne diplomatie

    - 0,5 miljoen euro van de minister van Buitenlandse Zaken, geheel in te zetten via de diplomatieke posten.

Beeldende kunst en vormgeving Btw-verhoging op de kunsten ongedaan gemaakt per 1 juli 2012

De Eerste Kamer heeft eind 2010 ingestemd met een btw-verhoging op de beeldende kunst per 1 januari 2011 van 6% naar 19%. Dit raakte gemeenten als zij een opdracht geven aan of een kunstwerk aankopen van een beeldende kunstenaar. Dat geldt ook voor het lenen van kunst. De VNG achtte deze btw-verhoging schadelijk voor de afname. Wel hadden wij in tegenstelling tot de podiumkunst geen specifieke afspraken met het Rijk over het lage tarief.

De Eerste Kamer heeft eind 2010 ingestemd met een btw-verhoging op de podiumkunsten per 1 juli 2011 van 6% naar 19%. De VNG achtte deze btw-verhoging schadelijk voor de afname. Bovendien hadden wij specifieke afspraken met het Rijk gemaakt bij een eerdere verlaging: een deel van de opbrengst kon bij lokale podia en optredende gezelschappen worden ingezet voor extra kosten als gevolg van de arbeidstijdenwet en de vergrijzing. Ook werkte de verhoging volgens velen concurrentievervalsend ten opzichte van andere vrijetijdsvoorzieningen met het lage tarief. De rechter bleek het daar in juni 2011 niet mee eens. Per 1 juli 2012 is de BTW-verhoging op de kunsten, waaronder de beeldende en podiumkunsten, tot onze vreugde ongedaan gemaakt.


Kunstenaars en cao's

Kunstenaars en cao's Wet werk en inkomen kunstenaars en overgangsregeling ingetrokken

De Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik) is per 2012 ingetrokken. Op last van de rechter is er tot 1 juli 2012 een overgangsregeling getroffen voor zittende Wwik-ers, uitgevoerd door 20 Wwik-centrumgemeenten. Het gerechtshof heeft op 21 juni bepaald dat meer maatregelen niet nodig zijn: individuele kunstenaars die menen dat dit in hun geval ontoereikend is, kunnen volgens het hof altijd nog naar de burgerlijke (bodem)rechter. Als kunstenaars geen andere middelen van bestaan hebben of geen beroep kunnen doen op andere uitkeringswetten dan kunnen zij per 1 juli 2012 in hun woonplaats een beroep doen op de reguliere gemeentelijke uitkeringsmogelijkheden. Er blijft ook in de periode 2017-2020 rijkssubsidie voor Cultuur-Ondernemen ten behoeve van  de ondersteuning van kunstenaars met name in hun cultureel ondernemerschap. Deze instelling kan ook beroepsmatigheidstoetsen bij kunstenaars verrichten voor gemeenten.


1. CAR/UWO

Kunst- en cultuurinstellingen die onderdeel zijn van het gemeentelijk apparaat, vallen onder de Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling (CAR) en eventueel de Uitwerkingsovereenkomst (UWO). De CAR/UWO bevat een speciale bijlage voor kunstzinnige vorming.

2. Cao's bibliotheekwerk en kunstzinnige vorming

De VNG stuurt jaarlijks een ledenbrief over de cao-ontwikkelingen in de sectoren die voorheen onder de Wet arbeidsvoorwaarden gepremieerde en gesubsidieerde sector/WAGGS vielen, zoals het openbaar bibliotheekwerk en de kunstzinnige vorming.

3. Cao Nederlandse Podia

De Cao Nederlandse Podia bestaat sinds 2003. Inmiddels passen ongeveer 85 geprivatiseerde schouwburgen, festivalorganisaties en dergelijke deze toe. De Cao Nederlandse Poppodia en –Festivals bestaat vanaf 2009. Per 2012 kent deze een loon-en functiegebouw, maar nog geen pensioenregeling.

4. Museum cao

De Museum Cao was oorspronkelijk bedoeld voor de rijksmusea. Met name na de fusie van alle musea binnen de Museumvereniging per 1 januari 2014 gaan ook steeds meer lokale musea deze Cao hanteren.

5. Overige lokale culturele instellingen zonder cao

De overige door gemeenten gesubsidieerde lokale culturele instellingen zoals, filmtheaters, kunstuitlenen, presentatie-instellingen beeldende kunst en dergelijke hebben geen eigen cao. Soms wordt de cao-welzijn of de cao-horeca gevolgd. Filmtheaters kunnen ook de Cao voor het Bioscoopbedrijf volgen.


Kunstenaars en de WW (Werkloosheidswet)

Per 1 april 2006 is de wekeneis in de WW aangepast. Men moet nu 26 in plaats van 13 van de laatste 52 weken gewerkt hebben, om een WW-uitkering te kunnen krijgen. Voor musici, filmmedewerkers en artiesten en de werknemers die deze groepen technisch ondersteunen wasde wekeneis lager. Zij moesten 16 uit 39 weken gewerkt hebben. Per 1 juni 2013 is de wekeneis voor hen verhoogd conform die van andere werknemers. Meer informatie over de WW vindt u op de website van het ministerie van SZW.


HBO-Kunstvakonderwijs

De Vereniging van Hogescholen heeft het sectorplan ‘Focus op toptalent’ 2012-2016 laten verschijnen. Er waren op dat moment ongeveer 20.000 studenten. De hogescholen gaan een kwart minder beeldend kunstenaars en dansers opleiden en tien procent minder musici. Het hierdoor beschikbaar komende geld zal worden geïnvesteerd in de kwaliteit van kunstvakdocenten en extra begeleiding van (internationaal) toptalent. Voor deze laatste groep is een speciaal beurzenstelsel nodig.

Bij muziek en dans komt er een landelijk samenhangend aanbod en een uitgesproken topvoorziening. Bij de masteropleidingen vindt uitbouw tot een volwaardig aanbod plaats. En meer onderzoek zal ten dienste staan van vernieuwende topsectoren, als een prikkel voor de economie. Thans geldt het vervolgplan ‘KUO NEXT 2016-2020’. De scholen willen o.a. meer verbindingen leggen binnen hun gebied en daarbuiten. De betrokken grote gemeenten vinden de aanwezigheid van hoger kunstvakonderwijs van belang in verband met de culturele keten binnen hun grenzen.


Beroepskunstenaars in de klas (BIK) en Kunstenaars in de samenleving (KIS)

Diverse kunstvakopleidingen hebben een docentenvariant. Daarnaast is er voor scheppende of uitvoerende kunstenaars een opleiding Beroepskunstenaars in de klas (BIK) ten behoeve van het basisonderwijs in het leven geroepen door Kunstenaars & Co (thans Cultuur-Ondernemen geheten). Deze werd aanvankelijk gegeven door vijf lokale centra voor kunsteducatie, maar is thans een erkende post HBO-opleiding van het kunstvakonderwijs. Aanvankelijk in Groningen, Zwolle, Rotterdam, Utrecht en Amsterdam. Thans is er samenwerkingsverband tussen de laatste twee plaatsen.

Daarnaast bestond er een leergang en later een post HBO-opleiding Kunstenaars in de samenleving (KIS) van Kunstenaars & Co (thans Cultuur-Ondernemen geheten), die hen voorbereidde op werken in maatschappelijke organisaties en bedrijven. Cultuur-Ondernemen biedt thans in dit kader periodiek kortlopende trainingen onder de noemer ‘Werken in andere domeinen’ aan. BIK en KIS plus follow-up zijn gericht op de verbreding van de beroepspraktijk van kunstenaars en daardoor de vermindering van hun uitkeringsafhankelijkheid.


Financiële en financieel-technische ondersteuning van kunstenaars door rijksfondsen en Cultuur-Ondernemen’

Na het behalen van een diploma bij het HBO-kunstvakonderwijs kunnen kunstenaars desgewenst een beroep doen op de rijksfondsen. Per 2013 verstrekken deze geen stipendia en beurzen meer, maar gelden deze voor het maken van producten die in relatie staan tot de afname. Het betreft met name 4 van de dan bestaande 6 rijksfondsen: Mondriaan Fonds, Fonds Podiumkunsten, Fonds Creatieve Industrie en Letterenfonds. Het Filmfonds legt de nadruk op producties die meteen getoond kunnen worden. De rijksgesubsidieerde Stichting Cultuur-Ondernemen verzorgt de beleidsmatige ondersteuning van kunstenaars gericht op hun ondernemerschap met een financieel-technische kennisbank; economische training en begeleiding; een zakentest; reïntegratie-trajecten; de cultuurlening samen met een bank, ondernemersdagen en de voorbereiding op de beroepspraktijk in het HBO.


Rijk en niet gemeenten verantwoordelijk voor het kunstenaarsbeleid

Per 1992 heeft het rijk bepaald dat het zelf verantwoordelijk is voor het kunstenaarsbeleid en niet de gemeenten. Het kunstenaarsbeleid van het Rijk wordt nu vooral vormgegeven via de ondersteuning via de rijksfondsen en Cultuur-Ondernemen. zie boven) Gemeenten zijn wel verantwoordelijk voor het kunstbeleid binnen hun gebied en voor voorzieningen/ accommodaties waar deze kunst geproduceerd (studio’s, ateliers, werkplaatsen, broedplaatsen e.d.) of gepresenteerd (tentoonstellingsruimten, podia e.d) kan worden. Het is niet meer de bedoeling dat de gemeenten beroepskostenvergoedingen aan kunstenaars geven. Maar zij kunnen wel individuele subsidies aan kunstenaars verstrekken, die hen onder andere kunnen helpen bij de verbreding van hun beroepspraktijk. Ook verlenen veel gemeenten gelden ten behoeve van publiekstoegankelijke activiteiten.


Verkenning arbeidsmarkt cultuursector 2016

Wie in de cultuursector werkt, heeft vaak een zwakke arbeidsmarkt- en inkomenspositie. Dit is een belangrijke conclusie van een verkenning die de Raad voor Cultuur en de Sociaal- Economische Raad gezamenlijk in januari 2016 hebben uitgevoerd. Deze conclusie geldt voor mensen die in loondienst werken, maar zeker ook voor zelfstandigen. In 2013 telde de sector 143.000 banen van werknemers en 106.000 zelfstandigen. Dat is circa drie procent van de werkende beroepsbevolking.

Het aantal zzp’ers is in de periode 2009 tot en met 2013 met 20,4 % toegenomen tot bijna 106.000. De gemiddelde toename van het aantal zzp’ers in de Nederlandse economie was in dezelfde periode 9,6%. Tegelijkertijd is het aantal banen van werknemers binnen de cultuur in deze periode verhoudingsgewijs sterk gedaald: met 12,3 procent tegen 2,5 procent in de economie als geheel. Het gaat om 20.000 cultuurbanen minder. Veel werknemers lijken te worden vervangen door vrijwilligers en stagiaires. Het gemiddelde loon is laag. De werkenden zijn bovendien vaak niet verzekerd tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid en zij hebben geen oudedagsvoorziening.

Via het sectorplan cultuur werken de sociale partners en de overheid al enige jaren aan het verduurzamen van de arbeidsmarkt in de cultuursector. En minister Bussemaker heeft op 31 mei 2016 haar reactie op de Verkenning naar de Kamer gezonden. Zij stelt in 206 en 2017 ad hoc geld ter beschikking: € 600.000,-  honorariumregeling beeldende kunstenaars; € 400.000,- voor een arbeidsmarktagenda; € 1,2 miljoen voor nieuwe verdienmodellen in diverse sector. Voorts houdt de Stichting Cultuur-Ondernemen in 2017 en 2018 jaarlijks € 1,6 miljoen rijkssubsidie voor de ondersteuning van de kunstenaars. In september 2016 heeft zij nog eens € 500.000,- uitgetrokken voor de verbetering van de arbeidsmarktpositie van kunstenaars.

Een eerste zichtbaar gevolg van dit alles is een nieuwe richtlijn per 1 januari 2017 voor het kunstenaarshonorarium bij exposities door b.v. musea en presentatie-instellingen beeldende kunst. Voor instellingen die deze voor tenminste 50% toepassen komt er een financiële stimulans c.q. een honorariumregeling bij het Mondriaan Fonds.