Overzicht veelgestelde vragen over Bouwregelgeving

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

  • Afdeling 3 van de Woningwet regelt het welstandstoezicht.  De gemeenteraad legt de redelijke eisen van welstand vast in een welstandsnota. Bouwwerken in de gemeente dienen aan de welstandscriteria uit die nota te voldoen. Dit wordt getoetst bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk . De welstandsnota is ook de basis voor de beoordeling of  bestaande of vergunningvrije bouwwerken in de gemeente al dan niet in ernstige mate in strijd zijn met de welstandseisen uit die nota (artikel 12 en 12a Woningwet).
  • De gemeenteraad kan  gebieden of categorieën van bouwwerken in haar gemeente aanwijzen waar de redelijke eisen van welstand niet gelden (artikel 12 Woningwet). Ook kan de hele gemeente welstandsvrij worden verklaard. De raad kan op deze manier bereiken, dat alleen nog welstandseisen gelden in bepaalde beeldbepalende gebieden in de gemeente waarvoor zij dat nodig acht, zoals bijvoorbeeld de oude kern of een stads- en dorpsgezicht.
  • De welstandscommissie of de stadsbouwmeester zijn respectievelijk een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie of een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke deskundige die aan het college advies kan uitbrengen over de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met de redelijke eisen van welstand (artikel 1.1 en artikel 12b Woningwet).  De bouwverordening regelt de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie of de rol en de functie van de stadsbouwmeester (artikel 8 Woningwet).
  • Het college kan ook besluiten om bij een aanvraag omgevingsvergunning geen advies in te winnen bij de welstandscommissie of de stadsbouwmeester, maar zelf te toetsen of bepaalde ‘bouwaanvragen’ voldoen aan de welstandscriteria (artikel 6.2 Besluit omgevingsrecht) . 

Meer informatie
Voor meer informatie over dit onderwerp verwijzen wij naar naar de websites van de Vereniging van Bouw- en Woningtoezicht Nederland  en de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit. Zie met name de Handreiking Kan-bepaling van de VBWT.

Hoewel hierover geen jurisprudentie bekend is, lijkt zich de aard van de bevoegdheid van de raad zich tegen delegatie te verzetten. Het gaat immers om een onafhankelijke commissie die B & W adviseert.

De verplichting om een wijziging in de bouwverordening toe te zenden aan de Arrondissementsrechtbank is sinds 1 april 2007 niet meer van kracht, omdat de (Model) bouw- verordening sindsdien geen strafbepalingen meer bevat. De strafbaarstelling is geregeld in artikel 7b Woningwet. 

De toezending aan de Inspectie ILT is nog steeds verplicht op grond van artikel 95 Woningwet, ook nu sinds 1 januari 2014 op grond van artikel 140 Gemeentewet gemeenten verplicht zijn om hun besluiten met algemeen verbindende voorschriften elektronisch beschikbaar te stellen en te houden.

Als een burger of bedrijf een bepaalde bouwactiviteit wil ontplooien, vraagt hij aan het bevoegd gezag of daarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is. In principe is de reactie van het bevoegd gezag op deze vraag géén besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij speelt echter wel een uitzondering, blijkt uit de uitspraak van de Raad van State. Bekijk hieronder onze uitgebreide uitleg.

Uitgebreide informatie

Volledige vraag: De eigenaren van een bouwwerk zijn bekend bij de gemeente, maar zijn naar een onbekende verblijfplaats vertrokken. Kan een last onder dwangsom ook gepubliceerd worden in plaats van per post verzonden?

Antwoord: Een last onder dwangsom kan alleen worden gericht aan de (een) overtreder (art. 5:32, lid 1 Awb). En dan nog alleen tot die overtreder die het in de macht heeft om de overtreding te beëindigen. Bij een onbekende overtreder is een last onder dwangsom dus niet mogelijk. Bestuursdwang kan wel, maar kostenverhaal zal dan niet mogelijk zijn.

Veiligheidshalve moet dezelfde redenering gevolgd worden, als men de naam van een overtreder wel kent maar deze onvindbaar is. Het is dan onduidelijk of het wel of niet in de macht van de overtreder ligt om de overtreding te beëindigen. Onbekende overtreders compliceren ook de bekendmaking (art. 5:24, lid 3 Awb). De oplossing ligt in art. 3:41, lid 2 Awb: bekendmaking op andere geschikte wijze (vrijwel altijd adverteren of aanplakken).

In artikel 8 van de Woningwet staan de onderwerpen die in een bouwverordening mogen en kunnen worden geregeld. Andere onderwerpen horen niet thuis in een bouwverordening. De technische bouwvoorschriften worden uitsluitend gesteld in het Bouwbesluit 2012. Het Bouwbesluit wordt geacht uitputtend te zijn. Aanvulling hierop is niet toegestaan, zie artt. 121 en 122 Woningwet.

Zie ook de uitspraak ABRS van 10 augustus 2011 (Zuidplas) met korte noot. Deze uitspraak ligt in het verlengde van de eerdere uitspraak HR 17 juni 2011 (Breda). In beide gevallen wordt vastgesteld dat het Bouwbesluit uitputtend is en dat geen aanvulling daarop is toegestaan, althans niet in een juridisch afdwingbare constructie. Deze uitspraak is opgenomen in de Juridische Databank (JDB) van de VNG.

Uw vraag heeft betrekking op de uitleg van het Bouwbesluit. De VNG heeft geen inhoudelijke kennis over deze regeling. Om die reden kunnen wij geen vragen beantwoorden over het Bouwbesluit. Wij verwijzen u door naar de Helpdesk Bouwregels.

Uitgebreide vraag: Het handhavend optreden tegen hinder als gevolg van het stoken van houtkachels/open haarden blijkt voor vele gemeenten een lastige zaak. Inmiddels is de hinderbepaling uit de gemeentelijke bouwverordening geschrapt en overgegaan in het nieuwe Bouwbesluit 2012. Hiermee blijft er een handhavingstaak en -problematiek bestaan voor gemeenten. Graag wil ik dan ook weten of er een handreiking is m.b.t. het handhaven van hinder van houtkachels/open haarden? Zo neen, is de VNG van plan om een handreiking hierover op te stellen?

Het klopt dat het optreden tegen dit soort hinder lastig is. Er zijn echter bij de VNG geen plannen om hierover een handreiking te maken. Dit ligt nu dit is opgenomen in het Bouwbesluit eerder op de weg van het ministerie. U kunt uw vraag daar eventueel voorleggen via Helpdesk Bouwregelgeving en Brandveilig gebruik. Deze helpdesk beantwoordt vragen over de interpretatie en toepassing van de Woningwet, het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit, de regels rondom bouwvergunningvrij bouwen en het aanvragen van een bouwvergunning.

Daarnaast treft u informatie over dit onderwerp aan op:

U kunt uw vraag uiteraard ook voorleggen aan de deelnemers van het ROMnetwerk. Dit is een door de VNG opgezet digitaal netwerk waar inmiddels al meer dan 3000 gemeentecollega's op het gebied van ruimte en milieu kennis en ervaring uitwisselen. Informatie over dit netwerk treft u aan door de klikken op onderstaande digitale 'knop' ( en via http://www.romnetwerk.nl/ ).

Ja, dit is mogelijk. Gemeenten kunnen besluiten om een tarief hiervoor op te nemen in de legesverordening. Het gaat dan om het in behandeling nemen van een dienst op verzoek. Onder de dienst wordt dan verstaan het uitzoekwerk dat nodig is om aan te geven of iets wel of niet vergunningsvrij is. Ook het houden van een vooroverleg kan als een dienst worden gezien voorafgaand aan de daadwerkelijke vergunningsaanvraag en daarvoor kan ook een tarief in de verordening worden opgenomen. Bij het opnemen van de tarieven kan worden overwogen om de geheven bedragen in mindering te brengen op de te heffen leges als het tot een daadwerkelijke vergunningsaanvraag komt.

Uitgebreide vraag: Gemeente heeft probleem dat ze gereed- of startmeldingen niet op tijd te horen krijgen voor de BAG registratie. Hier staat een 4-dagen termijn voor maar handhavers hebben geen tijd om buiten alles te controleren en de houder van de vergunning geeft het vaak ook niet door.

Om dit te voorkomen wil men 'statiegeld' heffen voor de houder van een bouwvergunning. Bij het verkrijgen van een bouwvergunning krijgt de vergunninghouder twee antwoordkaartjes,  waarmee op eenvoudige wijze de aanvang of gereedkoming van de bouw aan gemeente gemeld kan worden. Doet men dit, dan ontvangt men € 100,- terug voor de aanvangsmelding en de gereedmelding. Tegelijkertijd verhogen wij de bouwleges met € 100,-.

Via deze methode verwacht gemeente een aanzienlijke verbetering in het controle- en taxatiewerk te kunnen bewerkstelligen. Mag dit juridisch gezien?

Het heffen van 'statiegeld' d.m.v. legesheffing is alleen mogelijk indien daar een dienst van de gemeente tegenover staat. Het moet bovendien gaan om een dienst die op verzoek van belanghebbende wordt geleverd. In de door u geschetste situatie lijkt dat niet het geval.

U zou wel de legestarieven kunnen verhogen (mits maximaal kostendekkend) en daaruit een statiegeldregeling bekostigen. Belanghebbende krijgt dan een deel van het betaalde terug indien aan de voorwaarden is voldaan.

Dit deel mag echter niet onevenredig hoog zijn ten opzichte van het verschuldigde bedrag. Te denken valt aan een percentage of bedrag dat correspondeert met de extra kosten die de gemeente moet maken om te bewerkstelligen dat de formulieren alsnog worden geretourneerd.

Zie bijvoorbeeld:

Volledige vraag: Gemeente heeft een aanvraag voor een vuurwerkbunker voor opslag en verkoop. De bestemming is bedrijfsdoeleinden en detailhandel is niet toegestaan, behoudens detailhandel die een ondergeschikt bestandsdeel vormt van de bedrijfsvoering. Onze vraag is: kan de verkoop van vuurwerk (conform Vuurwerkbesluit) op 3 dagen voor Oud en Nieuw als ondergeschikt gebruik worden gezien, of moet er echt ontheffing van het bestemmingsplan worden verleend?

Voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan en in uw casus gedurende drie aaneengesloten dagen toestaan van detailhandel bestaande uit de verkoop van consumentenvuurwerk is een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken vereist of een wijziging van het bestemmingsplan waarbij voor nu en de toekomst gedurende bepaalde data geclausuleerd wordt toegestaan dat dit consumentenvuurwerk wordt verkocht.

Uiteraard dienen de voorschriften van het Vuurwerkbesluit in acht te worden genomen. Waarschijnlijk  vindt al een procedure plaats voor de omgevingsvergunning voor het opslaan van vuurwerk (milieuactiviteit of mogelijk is deze vergunning al verleend.

Wat betreft de zinsnede: 'behoudens detailhandel die een ondergeschikt bestanddeel vormt van de bedrijfsvoering' het volgende. Is dit in het bestemmingsplan geformuleerd als een binnenplanse afwijking (voorheen ontheffing en daarvoor vrijstelling). Zo ja, dan kan deze worden toegepast en bepaalt u of de gevraagde activiteit ondergeschikt is.

Indien de formulering zo ruim is, dat altijd afwijking is toegestaan, mits deze ondergeschikt is, bepaalt u of de gevraagde activiteit ondergeschikt is. Omdat het hier over de verkoop van vuurwerk gaat en vuurwerk al strak is gereguleerd in het Vuurwerkbesluit, kan het zijn dat aanvullende eisen niet nodig zijn en planologisch kan worden meegewerkt. De aanwezigheid, aan- en afvoer van (grote hoeveelheid) vuurwerk op dit bedrijventerrein, is kennelijk geen probleem, want dan zou de opslag niet zijn toegestaan.

Over de vraag of deze verkoop ondergeschikt is kunnen wij u niet adviseren. Dat betreft niet alleen de verkoopperiode (drie dagen), maar gaat ook over externe veiligheid en de hoeveelheden die verkocht mogen worden. Anderzijds wordt jaarlijks voor de jaarwisseling op tal van plaatsen ook binnen de bebouwde kom, vuurwerk verkocht.

Wellicht blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan wat is bedoeld met ondergeschikt. Zo niet, dan stelt u alsnog beleid vast waarbij in een beleidsnotitie wordt uiteengezet wat wordt verstaan onder `ondergeschikt. Er zijn gemeenten die dit hebben gedaan en daarin ook aandacht besteden aan vuurwerk.

Voorbeeld: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Wormerland/133436/133436_1.html

Wij kennen geen regels over de afschrijvingstermijn voor civieltechnische werken. Wellicht kunt u deze vraag stellen bij de Vereniging Stadswerk. http://www.stadswerk.nl/

De Woningwet (Ww) en het Bouwbesluit bevatten voorschriften over het zodanig gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein dat overlast door schadelijk of hinderlijk gedierte wordt voorkomen. Het Wabo-bevoegd gezag (meestal de gemeente) heeft de taak toe te zien op de naleving van deze voorschriften. De niet-naleving ervan kan een overtreding vormen waartegen direct handhavend kan worden opgetreden, zonder dat eerst een aanschrijving vereist is.

Artikel 1b Woningwet bevat een algemeen verbod om een bestaand bouwwerk, open erf of terrein in een staat te laten komen of te houden die niet voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. In dit geval gaat het om de eisen die op basis van artikel 2 Woningwet zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van het Bouwbesluit (en dan met name in artikel 7.17 en 7.22 Bouwbesluit).

De bevoegdheid tot handhaven vloeit voort uit artikel 92 Woningwet. In het tweede lid wordt verwezen naar een aantal relevante bepalingen uit de Wabo, onder meer naar art. 5.17 Wabo. Bij (gevaar voor) herhaling van de overtreding kan artikel 17 Woningwet van toepassing zijn.

Op het uitoefenen van bestuursdwang zijn verder de bepalingen uit Hoofdstuk 5 van de Awb van toepassing.

Een en ander kan leiden tot het nemen van de nodige maatregelen. U kunt dit zelf doen of – althans de uitvoerende maatregelen – uitbesteden aan een deskundig bedrijf. Onder deskundig bedrijf kunt u verstaan een bedrijf met iemand die in het bezit is van het vakbekwaamheidsdiploma afgegeven door een door de overheid erkend exameninstituut: www.evm-examen.nl

Bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder. Dan moet die overtreder wel bekend zijn. Wanneer niemand iets doet en de dieren zich vermenigvuldigen is op een gegeven moment een flatgebouw, een hele straat of buurt vergeven van het gedierte. Dan is de oorsprong meestal niet te achterhalen en blijft de gemeente zitten met de kosten. Want er wordt van uitgegaan dat de gemeente een zorgplicht heeft op het gebied van de volksgezondheid.

In het verleden is uit jurisprudentie gebleken dat kostenverhaal in redelijkheid dient te geschieden en dit had tot gevolg dat voor zover een bestuursdwangactie mede op basis van algemene volksgezondheid en leefbaarheid geschiedt, dit deel van de kosten niet kan worden verhaald op de individuele burger. Dit verhaal heeft voor de praktijk enkele concrete gevolgen gehad:

Melden van ongedierte laagdrempelig maken, dus de burger hoeft niet te vrezen voor hoge kosten, want dan meldt hij niet. Zo snel mogelijk optreden: overleg, aanschrijven, bestuursdwang; afspraken maken met grote woning- en gebouwbeheerders (corporaties).

Als vaststaat dat er een algemeen volksgezondheidsbelang / leefbaarheid aan de orde is, zelf proactief optreden en niet wachten totdat een burger meldt. Proactief betekent zelf optreden op eigen verantwoordelijkheid en kosten. Als u dit niet doet, gaat u -gelet op de jurisprudentie- later toch betalen en dan zijn vanwege de omvang van de plaag de kosten waarschijnlijk hoger.

Uitzondering is de rattenbestrijding in gebieden die in beheer zijn van een Waterschap e.d. en in bedrijven die een bijzondere aantrekking hebben op ongedierte (graanopslag enz). Bij deze laatstgenoemde categorie is meestal een eerder bedoeld deskundig bestrijdingsbedrijf of een loonbedrijf ingeschakeld voor ongediertebestrijding.

Voorts is van belang de website over de dierplaagbestrijding www.kad.nl. Het KAD adviseert gemeenten en anderen over de aanpak van de bestrijding. Veel gemeenten hebben een contract met het KAD gesloten over deze dienstverlening.

Met betrekking tot de terminologie volledigheidshalve het volgende. Deskundigen uit Wageningen menen dat ongedierte niet bestaat, elk dier heeft nut. Dieren waarvan de mens soms hinder ondervindt noemen we plaagdieren en een verzameling plaagdieren is een dierplaag. De branche van bestrijdingsbedrijven heeft zich verenigd in de NVPB www.nvpb.org/.

De VNG heeft geen inhoudelijke expertise met betrekking tot het Bouwbesluit 2012, waarin sinds 1 april 2012 Hoofdstuk 8 Model-bouwverordening is opgegaan.

Vragen met betrekking tot slopen en asbest kunt u stellen aan de Helpdesk Bouwregelgeving en Brandveilig gebruik.

Uitgebreide vraag: Gemeente heeft gegronde redenen om aan te nemen dat in meerdere particuliere woningen boardplaat aanwezig is met daarin niet hechtgebonden asbest in de woonkamer aanwezig is welke ook nog niet is afgeschermd. Op een webpagina van het Rijk blijkt dat de gemeente de eigenaar van het materiaal met asbest kan dwingen om maatregelen te nemen. Dat kan gebeuren als in het huis losgebonden asbest zit dat onvoldoende is afgeschermd.

Gemeente informeert alle eigenaren maar diverse eigenaren zijn niet bereid iets te doen (niet verwijderen, niet afschermen, geen toegang tot de woning verschaffen). Moet de gemeente handhavend optreden tegen de onwillige eigenaren en op basis waarvan (bouwverordening of bouwbesluit? Kan gemeente maatregelen nemen, omdat het in het huis is, is er veel onduidelijkheid op dit punt.

Primair inderdaad de eigenaren inlichten, zorgplicht, zorgvuldigheid.

Er is geen verwijderingsplicht voor asbest. Het woon/leefklimaat in de woning moet voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit. De eigenaren hebben keuze uit: asbest doen verwijderen door een deskundig bedrijf. Of de schouw en het rookkanaal inkapselen, buiten gebruik en niet kloppen, zagen, boren, borstelen. Omdat het hier geen hechtgebonden asbest betreft is zelf verwijderen door de burger niet toegestaan.

Op uw aanvullende vraag of de gemeente handhavend moet optreden luidt het antwoord: ja, dit moet. Volgens vaste jurisprudentie is handhaven plicht en kan hiervan slechts onder bijzondere omstandigheden vanaf worden geweken. Gedogen is altijd tijdelijk en daarvoor moet dus een bijzondere reden zijn. Ingeval van een onmiddellijk of dreigend gevaar, zoals bij asbest, heeft u in feite geen keuze: u moet handhavend optreden. Afhankelijk van de situatie (en deze blijkt uit het door een deskundig bedrijf opgesteld asbestinventarisatierapport ) komt u tot de maatregelen verwijderen of inkapselen ( en er daarna vanaf blijven).

Het maakt niet uit dat het asbest aan de binnenzijde van de woning zit. De eisen van het Bouwbesluit en de bouwverordening (Hoofdstuk 8 slopen)  gelden immers voor de hele woning, binnen en buiten.

Opmerking bij het verwijderen: asbest is dikwijls toegepast als brandwerende voorziening. Indien dit in uw situatie het geval is, kunt u resp. de eigenaar niet volstaan met het weghalen van het asbest. Het resultaat is dat de woning dan brandonveilig is en in strijd komt het de eisen van het Bouwbesluit onderdeel bestaande woningen. Het verwijderen van asbest dient te worden vervolgd met het aanbrengen van ander materiaal met dezelfde brandwerende kwaliteit (aantal minuten enz).

Toegang tot de woning moeten de eigenaren en bewoners verschaffen. De Algemene wet op het binnentreden is van toepassing. U gaat te werk op gelijke wijze als bij andere kwesties van bestuursdwang of besluit onder dwangsom ingeval van overtreding van de bouwregelgeving.

 

Uitgebreide vraag: Onze gemeentelijke  asbestspecialist is op vakantie. Gemeente heeft geconstateerd dat er asbest in een ingestort dak is verwerkt. Particulier wil het zelf verwijderen. Dit mag echter niet, maar waar is dit verbod te vinden? Er is ook sprake van een risicoklasse. Hoe zit dit ?

Het systeem is (BB) en was (MBV) zo dat het verwijderen van asbest uitsluitend mag gebeuren door een daartoe deskundig (= gecertificeerd) asbestverwijderingsbedrijf. Dit stond en staat  in het Asbestverwijderingsbesluit 2005, artt. 6 en volgende. Een uitzondering is de particulier die onder bepaalde omstandigheden kleine hoeveelheden eenmalig zelf mag verwijderen. Dit stond in art. 8.2.1 MBV en staat in art. 1.26 BB. In artikel 1.

Indien een particulier een grotere hoeveelheid asbest of asbest van een andere aard dan toegestaan verwijdert, is dit een overtreding van het Bouwbesluit 2012. Gelet op het directe gevaar kunt u de werkzaamheden met onmiddellijke bestuursdwang stilleggen.(Het college kan telefonisch vergaderen en beslissen). Voor zover de overtreding wordt begaan in een arbeidsverhouding, kunt u de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) erbij betrekken.

Heel handig is het gebruik van een Transponeringstabel behorende bij het Bouwbesluit 2012, waarin de oude artikelen uit  de (Model)bouwverordening (MBV) naast de nieuwe artikelen uit het BB zijn geplaatst.

Uitgebreide vraag: Eind vorig jaar is er een omgevingsvergunning voor de activiteit slopen verleend voor het slopen van meerdere gebouwen (bij elkaar staand). Er vindt echter onvoldoende voortgang plaats. Gemeente wil  voorkomen dat er een gevaarlijke situatie ontstaat. Het terrein is afgezet met hekken, maar er is al een aantal malen gebleken dat het toch mogelijk was voor derden om het terrein te betreden door bv openstaande hekken. Kan gemeente afdwingen dat de sloop wordt voortgezet en voor een bepaalde tijd klaar is? Of vooral richten op het zorgen dat het terrein goed afgesloten blijft?
 
Voortzetting sloop afdwingen met einddatum is niet mogelijk. Bij aanvraag omgevingsvergunning voor slopen hoort een sloopveiligheidsplan, waarin opgenomen de afzetting van het terrein. Daarop kan worden gehandhaafd.

Sinds de inwerkingtreding van de Reparatiewet  BZK 2014 op 29 november 2014 (Stb. 2014, 458) is onder meer de wettelijke grondslag weg voor de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening (artikel 8 lid 5, 9 en 10 Woningwet en artikel 8.17 onder B IWro) komen te vervallen. De Reparatiewet BZK 2014  regelt dat gemeenten de stedenbouwkundige bepalingen uit hun bouwverordening voor 1 juli 2018 moeten hebben opgenomen in bestemmingsplannen of beheersverordeningen.

De Reparatiewet hanteert een overgangstermijn die loopt tot 1 juli 2018. Zie hiervoor het nieuwe artikel 133 Woningwet. Vanaf die datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening hun (aanvullende) werking voor bestaande bestemmingsplannen en beheersverordeningen, kunnen deze niet meer als vangnet dienen en moeten deze (en met name de parkeerbepaling) zijn ondergebracht in het bestemmingsplan (of de beheersverordening).

Het nieuwe recht treedt echter al eerder in werking wanneer voor 1 juli 2018 een (nieuw) bestemmingsplan (of beheersverordening) wordt vastgesteld. Stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening zijn niet meer van toepassing wanneer ontwerpbestemmingsplannen die op 29 november 2014 in procedure zijn, (definitief) worden vastgesteld door de gemeenteraad.

Overigens
Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Met de Wro was oorspronkelijk beoogd dat de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening, inclusief de regeling betreffende het parkeren, geleidelijk zijn werkingskracht zou verliezen. In de  Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (IWro) werd aanvankelijk de mogelijkheid om stedenbouwkundige bepalingen op te nemen in de bouwverordening geschrapt. Uiteindelijk werd hiervan afgezien omdat te veel vragen bestonden of en over de wijze waarop het parkeren in het bestemmingsplan zou kunnen worden geregeld. De betreffende bepaling (artikel 8.17, onder B IWro) is nooit inwerking getreden.

Zie ook: