Veelgestelde vragen - Modelbouwverordening

Algemeen

Moet gemeente gewijzigde bouwverordening nog 'doorgeven'?

Volledige vraag: Voorheen moest een gewijzigde bouwverordening doorgegeven worden aan de VROM-inspectie en aan de arrondisementsrechtbank. Moet dat nu ook nog steeds worden doorgegeven aan de inspectie leefomgeving en transport of is dat van de baan?

Antwoord:
Arrondissementsrechtbank. Een verordening met strafbepaling werd altijd gezonden naar de griffie van de rechtbank. De (Model)bouwverordening bevat geen strafbepaling meer. De strafbaarstelling is geregeld in artikel 7b Woningwet. Zie voorts de toelichting bij Hoofdstuk 12 MBV.

Wij attenderen ook op de elektronische beschikbaarheid voor een ieder van onder meer gemeentelijke verordeningen krachtens art. 140 gemeentewet. Ook de medewerkers van de rechtbank kunnen deze informatie raadplegen. In art. 95 van de Woningwet staat de verplichte toezending van besluiten.

Mag raad benoemen/ontslaan van welstandcommissie delegeren?

Volledige vraag: Mag de gemeenteraad de bevoegdheid voor het benoemen en ontslaan van leden van de welstandcommissie delegeren aan het college van burgemeester en wethouders?

Antwoord: Hoewel hierover geen jurisprudentie bekend is, lijkt zich de aard van de bevoegdheid van de raad zich tegen delegatie te verzetten. Het gaat immers om een onafhankelijke commissie die benw adviseert.

Mag last onder dwangsom gepubliceerd worden?

Volledige vraag: De eigenaren van een bouwwerk zijn bekend bij de gemeente, maar zijn naar een onbekende verblijfplaats vertrokken. Kan een last onder dwangsom ook gepubliceerd worden in plaats van per post verzonden?

Antwoord:
Een last onder dwangsom kan alleen worden gericht aan de (een) overtreder (art. 5:32, lid 1 Awb). En dan nog alleen tot die overtreder die het in de macht heeft om de overtreding te beëindigen. Bij een onbekende overtreder is een last onder dwangsom dus niet mogelijk.  Bestuursdwang kan wel, maar kostenverhaal zal dan niet mogelijk zijn.

Veiligheidshalve moet dezelfde redenering gevolgd worden, als men de naam van een overtreder wel kent maar deze onvindbaar is. Het is dan onduidelijk of het wel of niet in de macht van de overtreder ligt om de overtreding te beëindigen. Onbekende overtreders compliceren ook de bekendmaking (art. 5:24, lid 3 Awb). De oplossing ligt in art. 3:41, lid 2 Awb: bekendmaking op andere geschikte wijze (vrijwel altijd adverteren of aanplakken).

Omgevingsvergunning en 'Awb-besluit'?

Volledige vraag: Is het antwoord op de vraag of een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, een besluit in de zin van de Awb?

Antwoord: Als een burger of bedrijf een bepaalde bouwactiviteit wil ontplooien, vraagt hij aan het bevoegd gezag of daarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is. In principe is de reactie van het bevoegd gezag op deze vraag géén besluit  in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij speelt echter wel een uitzondering, blijkt uit de uitspraak van de Raad van State. Bekijk hieronder onze uitgebreide uitleg.


Overgang voorschriften MBV naar Bouwbesluit

Artikel 2.7.5 MBV en afkoppelbeleid hemelwater/riolering?

Volledige vraag: Artikel 2.7.5 MBV is vervallen. Hierbij wordt verwezen naar het Bouwbesluit. Wij baseren ons afkoppelbeleid hemelwater en riolering op dit artikel. Het Bouwbesluit biedt niet dezelfde mogelijkheden. Hoe te handelen?

Antwoord: Bedoeling van het Bouwbesluit 2012 is dat de artikelen met onderwerpen die zijn overgenomen uit de Model-bouwverordening dezelfde mogelijkheden bieden als voorheen.

Misschien vindt u dat bepaalde onderwerpen die in de bouwverordening werden geregeld niet of onvolledig zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. In zo'n geval is de raad is niet bevoegd deze `lacunes’ op te vullen in de bouwverordening zoals die geldt vanaf 1 april 2012.

Woningwet art. 8
In onze ledenbrief over de 14e serie van wijzigingen in de MBV staat:

  • Met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 wordt gelijktijdig artikel 8 van de Woningwet gewijzigd. Artikel 8 vormt de basis voor de bouwverordening.
  • Artikel 8 wijzigt in die zin, dat vanaf 1 april 2012 nog slechts de volgende onderwerpen in de bouwverordening mogen zijn geregeld: stedenbouwkundige voorschriften, voorschriften inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem en procedurele welstandsvoorschriften.

Voor uw meldingen van onvolkomenheden in het Bouwbesluit 2012 bestaat het formulier meldpunt Bouwbesluit.

Hemelwater
Over het afkoppelen van het hemelwater van het openbare riool vindt u informatie in onze ledenbrief Modelverordening afvoer hemelwater en grondwater.

Meer informatie

Méér onderwerpen in bouwverordening regelen?

Volledige vraag: Zijn er mogelijkheden om via regelgeving bij verbouwingen/renovatie verplicht aandacht te besteden aan verschillende onderwerpen?

 

Antwoord: In artikel 8 van de Woningwet staan de onderwerpen die in een bouwverordening mogen en kunnen worden geregeld. Andere onderwerpen horen niet thuis in een bouwverordening. De technische bouwvoorschriften worden uitsluitend gesteld in het Bouwbesluit 2012. Het Bouwbesluit wordt geacht uitputtend te zijn. Aanvulling hierop is niet toegestaan, zie artt. 121 en 122 Woningwet.

 

Zie ook de uitspraak ABRS van 10 augustus 2011 (Zuidplas) met korte noot. Deze uitspraak ligt in het verlengde van de eerdere uitspraak HR 17 juni 2011 (Breda). In beide gevallen wordt vastgesteld dat het Bouwbesluit uitputtend is en dat geen aanvulling daarop is toegestaan, althans niet in een juridisch afdwingbare constructie. Deze uitspraak is opgenomen in de Juridische Databank (JDB) van de VNG.


Plaagdieren

Welke wettelijke verplichtingen heeft gemeente om plaagdieren te bestrijden?

De Woningwet (Ww) en het Bouwbesluit bevatten voorschriften over het zodanig gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein dat overlast door schadelijk of hinderlijk gedierte wordt voorkomen. Het Wabo-bevoegd gezag (meestal de gemeente) heeft de taak toe te zien op de naleving van deze voorschriften. De niet-naleving ervan kan een overtreding vormen waartegen direct handhavend kan worden opgetreden, zonder dat eerst een aanschrijving vereist is.

Artikel 1b Woningwet bevat een algemeen verbod om een bestaand bouwwerk, open erf of terrein in een staat te laten komen of te houden die niet voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. In dit geval gaat het om de eisen die op basis van artikel 2 Woningwet zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van het Bouwbesluit (en dan met name in artikel 7.17 en 7.22 Bouwbesluit).

De bevoegdheid tot handhaven vloeit voort uit artikel 92 Woningwet. In het tweede lid wordt verwezen naar een aantal relevante bepalingen uit de Wabo, onder meer naar art. 5.17 Wabo. Bij (gevaar voor) herhaling van de overtreding kan artikel 17 Woningwet van toepassing zijn.

Op het uitoefenen van bestuursdwang zijn verder de bepalingen uit Hoofdstuk 5 van de Awb van toepassing.

Een en ander kan leiden tot het nemen van de nodige maatregelen. U kunt dit zelf doen of – althans de uitvoerende maatregelen – uitbesteden aan een deskundig bedrijf. Onder deskundig bedrijf kunt u verstaan een bedrijf met iemand die in het bezit is van het vakbekwaamheidsdiploma afgegeven door een door de overheid erkend exameninstituut: www.evm-examen.nl

Bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder. Dan moet die overtreder wel bekend zijn. Wanneer niemand iets doet en de dieren zich vermenigvuldigen is op een gegeven moment een flatgebouw, een hele straat of buurt vergeven van het gedierte. Dan is de oorsprong meestal niet te achterhalen en blijft de gemeente zitten met de kosten. Want er wordt van uitgegaan dat de gemeente een zorgplicht heeft op het gebied van de volksgezondheid.

In het verleden is uit jurisprudentie gebleken dat kostenverhaal in redelijkheid dient te geschieden en dit had tot gevolg dat voor zover een bestuursdwangactie mede op basis van algemene volksgezondheid en leefbaarheid geschiedt, dit deel van de kosten niet kan worden verhaald op de individuele burger. Dit verhaal heeft voor de praktijk enkele concrete gevolgen gehad:

Melden van ongedierte laagdrempelig maken, dus de burger hoeft niet te vrezen voor hoge kosten, want dan meldt hij niet. Zo snel mogelijk optreden: overleg, aanschrijven, bestuursdwang; afspraken maken met grote woning- en gebouwbeheerders (corporaties).

Als vaststaat dat er een algemeen volksgezondheidsbelang / leefbaarheid aan de orde is, zelf proactief optreden en niet wachten totdat een burger meldt. Proactief betekent zelf optreden op eigen verantwoordelijkheid en kosten. Als u dit niet doet, gaat u -gelet op de jurisprudentie- later toch betalen en dan zijn vanwege de omvang van de plaag de kosten waarschijnlijk hoger.

Uitzondering is de rattenbestrijding in gebieden die in beheer zijn van een Waterschap e.d. en in bedrijven die een bijzondere aantrekking hebben op ongedierte (graanopslag enz). Bij deze laatstgenoemde categorie is meestal een eerder bedoeld deskundig bestrijdingsbedrijf of een loonbedrijf ingeschakeld voor ongediertebestrijding.

Voorts is van belang de website over de dierplaagbestrijding www.kad.nl . Het KAD adviseert gemeenten en anderen over de aanpak van de bestrijding. Veel gemeenten hebben een contract met het KAD gesloten over deze dienstverlening.

Met betrekking tot de terminologie volledigheidshalve het volgende. Deskundigen uit Wageningen menen dat ongedierte niet bestaat, elk dier heeft nut. Dieren waarvan de mens soms hinder ondervindt noemen we plaagdieren en een verzameling plaagdieren is een dierplaag. De branche van bestrijdingsbedrijven heeft zich verenigd in de NVPB www.ongedierte.nl


Gebruiksbesluit

Kunt u informatie geven over het Gebruiksbesluit?

Antwoord: Artikel 8, lid 8 van de Woningwet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur ter bevordering van eenheid in de bouwverordeningen regelen kunnen worden gegeven omtrent de inhoud van de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met vierde, zesde en zevende lid. Van deze mogelijkheid is in november 2008 gebruik gemaakt door invoering van het Gebruiksbesluit.

De Gemeentewet bepaalt in artikel 122 dat bepalingen van gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door een wet, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien, van rechtswege zijn vervallen. Gemeenten hoeven niets te doen, de relevante artikelen in de bouwverordening zijn van rechtswege vervallen.

Dat gemeenten vervallen artikelen niet meer in de bouwverordening opnemen, betekent niet dat zij de bouwverordening met de voorschriften van het Gebruiksbesluit in overeenstemming brengen. De gemeenteraad wijzigt immers dit onderdeel van de verordening niet. Dat het drukwerk van de verordening in overeenstemming wordt gebracht in een situatie die al van 1 november 2008 geldt, doet daaraan niets af.

Artikel 8, lid 9 van de Woningwet bepaalt vervolgens dat de gemeenteraad binnen een jaar na het in werking treden van het Gebruiksbesluit, de bouwverordening met die voorschriften in overeenstemming moet brengen. Zolang de bouwverordening niet met die voorschriften in overeenstemming is gebracht, geldt het Gebruiksbesluit rechtstreeks. Handhaving is in dit geval mogelijk via artikel 7b, lid 3, onderdeel b van de Woningwet

De wetgever heeft besloten artikel 2 van de Woningwet zo te wijzigen, dat dit een directe grondslag biedt voor de bepalingen van het Gebruiksbesluit. De wijziging is nog niet in werking getreden. Tot dan geldt het bovenstaande.


Stedenbouwkundige bepalingen – Parkeren

Hoe verhouden stedenbouwkundige bepalingen uit MBV (o.a regels parkeren) zich tot bestemmingsplan?

Antwoord: Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Met de nieuwe Wro was oorspronkelijk beoogd dat de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening, inclusief de regeling betreffende het parkeren, geleidelijk zijn werkingskracht zou verliezen.

Het overgangsrecht daarvoor is opgenomen in artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringwet Wro (Stb. 2008, 180) en gewijzigd door de Wet tot wijziging van diverse wetten ivm aantreden van de Minister voor WWI en diverse andere wijzigingen (Stb. 2008, 197).

De Invoeringswet Wro gaf echter aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van de (Model)bouwverordening. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3); van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).

Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. In het inwerkingtredings KB van 16 juni 2008 (Stb. 2008, 227) is daartoe bepaald dat dit en enkele artikelen daarmee verband houdende niet in werking treedt.

De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven dus vooralsnog gehandhaafd. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 MBV vooralsnog blijven bestaan. Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Voor zover planologische onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen in dat bestemmingsplan de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).

In artikel 2.5.30 lid 2 sub a (van alternatief 2) MBV  is een maatvoorschrift voor een parkeervak opgenomen met een breedte van 1.80 meter. De Crow-normen gaan uit van 2.20 tot 2.50 meter. Is de maat van het model niet veel te bescheiden?

Wij zijn ons ervan bewust dat een minimale afmeting van 1.80 m breed zeer gering is. De opdrachtgever zal doorgaans in zijn eigen belang en dat van zijn cliënten, bezoekers en dergelijke een ruimere maat in de opdrachtverlening (bestek) zetten. Gebruikelijk is een breedte van 2.40 m.

De Model-bouwverordening verdwijnt op termijn. Slechts door middel van het nog niet inwerking doen treden van een bepaling in de Invoeringswet Wro is voorkomen dat dit artikel nu al zou verdwijnen. Wij zien geen aanleiding tot inhoudelijke wijziging van afmetingen, voor de tijd dat dit artikel nog in de bouwverordening staat.

Een particulier die op eigen terrein parkeerplaatsen realiseert is enkel gehouden aan de (minimale) afmetingen van de bouwverordening. De gemeente zal bij publieke parkeerplaatsen, waar de gemeente opdrachtgever is, aan de hand van ASVV of aan de hand van de NEN 2443 van 1 april 2000 met aanvulling van 1 mei 2000 (NEN 2443 2000/ A1 2000) resp. voor invalidenparkeerplaatsen NEN 1418 (par.5.5) in de opdracht de afmetingen aangeven die ruimer zijn dan het minimum.


Stedenbouwkundige bepalingen - Voorgevelrooilijn

Relatie tussen stedenbouwkundige bepalingen MBV en bestemmingsplan?

Antwoord: Artikel 9 van de Woningwet is hier van belang. Paragraaf 2.5 van de MBV geldt alleen indien er geen bestemmingsplan is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan bepaalde voorschriften – bij voorbeeld over de rooilijnen of bebouwingsgrenzen – niet bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken.

Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de Model-bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.'

Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 2.5 van de bouwverordening zijn aanvullend op respectievelijk in de plaats tredend van een bestemmingsplan. Voor een nadere beschouwing over de onderlinge verhouding van bestemmingsplan en bouwverordening, wordt u verwezen naar de toelichting bij paragraaf  2.5 van de losbladige VNG uitgave “Standaardregelingen in de bouw”  deel 1, toelichting bij de model-bouwverordening.

Wat is het doel van voorgevelrooilijn in MBV?

Antwoord: Het doel van de voorgevelrooilijn in hoofdstuk 2 van de Model-bouwverordening (MBV) en in een bestemmingsplan is om in stedenbouwkundige zin een grens aan te geven waarachter wel en waarvoor niet mag worden gebouwd. Het doel is om enige ordening in de bebouwing te krijgen, wat visueel een fraaier gezicht is dan een vooruit en dan weer achteruitspringende voorgevels van bebouwing.

Er zijn ook heel praktische kanten. Het is handig om voor de voorgevel enige ruimte te hebben voor het leggen van kabels en leidingen (riolering, telefoon, gas, water, elektra enz). Graven in de berm is gemakkelijker dan graven in de weg of nog erger telkens een omleiding moeten leggen voor een naar voren springende voorgevel. Het heeft dus aspecten van praktisch nut, stedenbouwkundige ordening en welstand.

Is er een lijst van gebouwen die voor bouwgrens gebouwd mogen?

Volledige vraag: In veel van de bestemmingsplannen van onze gemeente is bepaald dat het overschrijden van de voorste bebouwingsgrens (die meestal samenvalt met de voorgevelrooilijn) enkel is toegestaan met ondergeschikte onderdelen van gebouwen- mits de diepte niet meer bedraagt dan 1,5 meter. Wanneer is er sprake van een ondergeschikt onderdeel van een gebouw? Is er een lijst van bouwwerken die voor de voorste bouwgrens mogen worden gebouwd?

Antwoord: Zo'n lijst bestaat niet. Dit is eigen beleid van een gemeente. Men kan gebruik maken van de artikelen 2.5.7 en 2.5.8 MBV.

Landelijk gebied en voorgevelrooilijn?

Volledige vraag: Op dit moment hebben wij twee zaken lopen waarvan niet goed bij ons bekend is waar de voorgevelrooilijn ligt. Dit is echter wel van belang in verband met het plaatsen van erfafscheidingen. De bedoelde percelen met woning liggen in het bestemmingsplan Landelijk Gebied. In dit bestemmingsplan zijn geen voorgevelrooilijnen aangegeven en ten aanzien van hoogten van erfafscheidingen wordt verwezen naar de bepalingen in de Bouwverordening. Wij hanteren de Model-bouwverordening en hebben geen bijzondere bepalingen hieromtrent opgenomen. De woningen zijn veraf gelegen van de openbare weg, dus daar kunnen behoorlijke erfafscheidingen worden geplaatst van 2 meter, wat niet wenselijk is. Bestaan er voor ons mogelijkheden om dit te voorkomen?

Antwoord: Een particuliere weg kan ook een openbare weg zijn. Deze onverharde weg is openbaar (niet afgesloten, toegang niet verboden) en feitelijk rijdt alle bestemmingsverkeer voor de drie woningen over deze weg. Dan met art. 2.5.5 MBV de rooilijnen bepalen vanuit de as van de weg.

Let ook op art. 2.5.3 MBV: ‘bouwen aan een weg’. Hulpverleningsvoertuigen moeten erbij kunnen komen. Vrijstelling lid 6 van dit art. De erfafscheiding van vergunningvrij 2 m hoogte kan hier niet worden tegengehouden. (1 meter afstand van de weg en het openbaar groen).

Erf- of perceelafscheiding en voorgevelrooilijn?

Volledige vraag: Erf- of perceelafscheiding: Hoe dient bij een woning welke op een hoek is gesitueerd het begrip voorgevelrooilijn (zoals opgenomen in art. 2, letter e, onder punt2 van het Bblb) te worden uitgelegd?  Dit in het kader van een te plaatsen schutting van 2 meter hoog op het zijerf. Dit zijerf is gelegen buiten het bouwvlak. Dient nu de voorgevelrooilijn van de woning welke Tom de hoekT’ is gesitueerd ook te worden doorgetrokken zodat de schutting ook 1 meter achter deze voorgevelrooilijn dient te worden geplaatst wil men deze schutting als bouwvergunningsvrij bouwwerk kunnen aanmerken?

Antwoord: Voorgevelrooilijn is gedefinieerd in art. 1, lid 1, Bblb met verwijzing naar bestemmingsplan (heeft vaak bebouwingsgrenzen i.p.v. rooilijnen) en bouwverordening (zie art. 2.5.5 MBV 1992). Schutting op erfgrens van zijerf vanhoekhuis is dus bouwvergunningsplichtig. Zie fig. 1 in Nota van Toelichting bij Bblb. Tenzij bestemmingsplan terzake voorschriften bevat, moet o.g.v. art. 9 Woningwet worden getoetst aan art. 2.5.18 MBV 1992 (ontheffingsmogelijkheid in lid 2).

In een hoeksituatie - een erf of tuin grenzend aan twee of drie wegen - ligt langs elke weg een voorgevelrooilijn. Er kunnen dus twee of meer voorgevelrooilijnen zijn. (Wnd. Vz. ARRS 19 januari 1993, Hoekwoning Nieuw Ginneken, BR 1993, 377, met noot Weerkamp.).

Erfafscheiding en voorgevelrooilijn?

Volledige vraag: Erfafscheiding en voorgevelrooilijn: Volgens het besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (BBLB) moet een erfafscheiding op 1 meter achter de voorgevelrooilijn staan. Wat wordt daarmee bedoeld: de rooilijn uit de bouwverordening, of de gevels van het gebouw?

Antwoord: Bedoeld is de voorgevelrooilijn die ter plaatse van de op te richten erfafscheiding geldt. Dit kan – in volgorde – zijn:
a. rooilijn zoals vastgelegd in het bestemmingsplan;
b. rooilijn als bedoeld in art. 2.5.5 van de MBV;

De gevels van de bestaande bebouwing zijn van belang om te bepalen of er sprake is van een regelmatig of nagenoeg regelmatig verloop als bedoeld in art. 2.5.5 MBV. De gevels op zich vormen niet vanzelf de voorgevelrooilijn.

Zoals bekend kunnen in een hoeksituatie meerdere voorgevelrooilijnen bestaan. Bij twee of drie wegen kunnen twee of drie voorgevelrooilijnen bestaan. De tweede en eventueel derde voorgevelrooilijn lopen langs wat in het spraakgebruik de zijgevel wordt genoemd. Daarom bestaan er uitsluitend voor- en achtergevelrooilijnen en geen zijgevelrooilijnen.

Sinds de richtinggevende uitspraak Hoekwoning Nieuw Ginneken (Wnd. Vz. ARRS 19 januari 1993, BR 1993, 377, met noot Weerkamp) is het bestaan van meer dan één voorgevelrooilijn bij hetzelfde perceel algemeen aanvaard.


MBV, Wabo en welstand

Mandateren: mag ambtenaar welstand beoordelen?

Volledige vraag: Heeft de inwerkingtreding van de Wabo gevolgen voor de mogelijkheid om een ambtenaar te mandateren om op basis van voorbepaalde categorieën te bepalen of een bouwvergunningsplichtig bouwwerk al dan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand?

Antwoord: Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de aanvraag welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte bouwvergunning kunnen zij voor advies aan de welstandscommissie (..) voorleggen).

Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast te stellen. De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt om de beoordeling van aanvragen voor een licht- bouwvergunningsplichtig bouwwerk over te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende ambtenaar.

Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft gevolgen gehad voor deze werkwijze.

De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand (art. 1, onder n. Woningwet).

Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van de Woningwet.

Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 Wabo in samenhang met art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd.

Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb komen te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd.

Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te toetsen aan zgn. loketcriteria.

De (model-)bouwverordening biedt wel de mogelijkheid voor de welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie (art. 9.7 MBV). Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.

Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Art. 10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie neemt geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert het college. Om misverstanden te voorkomen, hebben wij art. 9.7 van de modelbouwverordening aangepast.

Samengevat:

Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk als:
- voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,
- het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is, en
- het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan als bekend mag worden verondersteld.

 


Overgangsbepalingen MBV hoofdstuk 12

Waarop zien de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 12 MBV?

Antwoord: De model-bouwverordening van de VNG bestaat sinds 1965 en is in 1992 integraal herzien. In 1992 hebben wij in onze ledenbrief waarbij deze integrale herziening aan gemeenten is toegezonden geadviseerd de 'oude' bouwverordening, gebaseerd om de model-bouwverordening 1965 in te trekken. De huidige overgangsartikelen uit hoofdstuk 12 MBV bestaan inhoudelijk dus al sinds 1992 toen de MBV1965 is vervangen door de MBV1992. Deze artikelen bevatten dus overgangsrecht naar aanleiding van de overgang van de Woningwet 1962 naar de Woningwet 1992.

Sinds 1992 zijn er dertien maal aanpassingen aan de model-bouwverordening 1992 aan gemeenten toegezonden in de vorm van een wijzigingsverordening. In deze wijzigingsverordening is telkens overgangsrecht opgenomen. Wij gaan ervan uit dat de gemeenteraad niet telkenmale een geheel nieuwe bouwverordening heeft vastgesteld, maar slechts de bouwverordening 1992 gewijzigd met inachtneming van de overgangsbepalingen uit de wijzigingsverordening.

Deze overgangsbepalingen regelen veelal dat 'op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, de bepalingen van de bouwverordening van toepassing zijn, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.'

Indien in uw gemeente, in afwijking van het bovenstaande, telkenmale een geheel nieuwe bouwverordening is vastgesteld, dient de bouwverordening zelf overgangsrecht te bevatten. Zo niet, dient inderdaad aan de nieuwe bouwverordening te worden getoetst.

In de 13e serie wijzigingen zijn de artikelen 12.2 (overgangsbepaling bodemonderzoek) en artikel 12.3 (overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen) ongewijzigd gehandhaafd.

Artikel 12.2 MBV beoogde in feite mogelijk te maken hetgeen ook nu in artikel 2.1.5 MBV is geregeld. Dit artikel is met de 13e serie wijzigingen MBV1992 Wabo-proof gemaakt. Voortschrijdend inzicht brengt ons echter tot de conclusie dat dit artikel niet hoeft te worden gehandhaafd in de 13e serie MBV. Wij adviseren u deze wijzigingen (alsnog) aan te brengen in uw wijzigingsverordening naar aanleiding van de 13e serie wijziging van de bouwverordening.

Artikel 12.3 MBV hebben wij gemeend ongewijzigd te moeten handhaven, omdat er mogelijk in het land nog ongebruikte bouwvergunningen liggen/gebouwen bestaan waarop de huidige artikelen 5.1.2 en 5.1.3 MBV niet van toepassing kunnen zijn. Landelijk zullen er nog bestaande situaties zijn van voor 1992 die nog steeds niet voldoen aan de bedoelde eisen. Het betreft een geringer aantal gevallen, maar ervan uitgaande dat gebouwen zo'n 60 jaar staan en er altijd eigenaren zijn die niet aan vernieuwing doen.
Indien het u bekend is dat dit in uw gemeente niet het geval is, is er geen reden om dit artikel in uw bouwverordening te laten voortbestaan.


Artikel 4.1 MBV

Intrekken bouwvergunning bij niet-tijdige start/staking bouwwerkzaamheden?

Volledige vraag: In de 13e serie wijzigingen op de MBV komt artikel 4.1 "intrekken bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden" te vervallen. Mijn vraag is waarom? In art. 2.33 lid 2 onder c Wabo staat toch nog een verwijzing naar de bouwverordening?

Antwoord: Onlangs is de Wet tot kleine wijzigingen en reparaties in diverse wetten op het terrein van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer gepubliceerd (Staatsblad 2010, 187). Een van de wijzigingen betreft artikel 2.33 Wabo. In art. 2.33 Wabo staat wanneer een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken. In het tweede lid van dit artikel stond in de oude tekst van de Wabo nog een verwijzing naar de gemeentelijke (bouw)verordening. In de gewijzigde tekst is die verwijzing verdwenen.

Artikel 2.33, tweede lid, onder a Wabo komt als volgt te luiden:
Art. 2.33
(...)
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover:
a. gedurende drie jaar, danwel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Daarnaast komt art. 2.33, tweede lid, onder c Wabo te vervallen.

Omdat deze intrekkingsvoorwaarde nu wettelijk is vastgelegd, is het noodzakelijk om artikel 4.1 van de model-bouwverordening (dat zag op hetzelfde onderwerp) te laten vervallen. Wij hebben bij het opstellen van de 13e serie wijzigingen van de model-bouwverordening reeds geanticipeerd op deze aanpassing van de Wabo. Zie de bijlagen bij onze ledenbrief Lbr. 10/045 van 22 april 2010 over de 13e serie wijzigingen voor meer informatie: http://www.vng.nl/eCache/DEF/96/127.html

NB:
In art. 2.33, lid 1, onder g. Wabo wordt verwezen naar artikel 2.2 Wabo en dus naar de MBV. Het gaat daarbij om sloopactiviteiten. Het intrekken van een omgevingsvergunning voor het slopen wordt in de MBV nog steeds geregeld in artikel 8.1.7.

Artikel 8.1.7. MBV

Ik heb de tekst van artikel 8.1.7. aangepast op basis van de wijzigingsverordening. De tekst lijkt nu echter niet meer te kloppen?

U hebt waarschijnlijk teveel geschrapt. In het eerste lid wordt uit de aanhef van het eerste lid van artikel 8.1.7 alleen het gedeelte van de zin: ‘Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken’ vervangen door: 'Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken'. De onderdelen a., b. en c. vervallen niet. De daarin genoemde intrekkingsgronden blijven in stand.

Daarnaast vervalt het tweede lid, waardoor het lidnummer 1 kan vervallen. Het gaat daarbij alleen om het cijfer ‘1’. De tekst blijft staan.
Het artikel komt er na bovengenoemde wijzigingen als volgt uit te zien:

Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen

Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien:
a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens;
b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;
c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.

In onderdeel b. wordt nog gesproken van een ‘sloopvergunning’. Dat is niet correct. Daar hoort te staan: ‘omgevingsvergunning voor het slopen’.

 


Woonboten

Is een woonboot een bouwwwerk?

Uitgebreide vraag. Gemeente heeft een vraag over de ontwikkeling in de jurisprudentie van de Afdeling waarbij woonboten worden aangemerkt als bouwwerken in relatie tot het Bouwbesluit. Deze ontwikkeling in de jurisprudentie en de daarmee gepaard gaande problematiek is steeds meer onderwerp van discussie. Is er een mogelijkehiedom woonboten niet als bouwwerken aan te merken? 
 
Is het een idee om de definitie van bouwwerk in de modelverordening van de VNG aan te passen? Dus een andere definitie van bouwwerk waar woonboten, inclusief de woonarken, niet onder kunnen vallen? De Afdeling sluit bij gebreke van een definitie van bouwwerk in de Woningwet immers aan bij de definitie van bouwwerk in de modelverordening van de VNG

Antwoord: Uit de jurisprudentie lijkt te blijken dat de RvS sinds kort van mening is dat bepaalde woonboten bouwwerken zijn. En bouwwerken moeten aan het Bouwbesluit voldoen. Alleen in het Bouwbesluit zijn geen regels/criteria voor woonboten opgenomen. Ook in het nieuwe Bouwbesluit zijn geen regels opgenomen. Vragensteller signaleert hierbij problemen.

De constatering over het ontbreken van voorschriften voor woonschepen in het Bouwbesluit (oud en nieuw) is juist. Sinds de eerste uitspraken dat onder bepaalde omstandigheden een woonschip kan worden aangemerkt als bouwwerk in de zin van de Woningwet, speelt dit. Het ministerie van BZK, verantwoordelijk voor het Bouwbesluit 2012, is op de hoogte. De voorschriften voor woningen zijn ongeschikt voor toepassing op woonschepen. Ook het gelijkwaardigheidsartikel biedt onvoldoende oplossing.

Zoals eerder uiteengezet is op grond van jurisprudentie de waterwoning onder bepaalde omstandigheden een bouwwerk in de zin van de Woningwet en de Wabo. De wetgever heeft ervoor gekozen de woonboot of waterwoning niet als bouwwerk aan te merken en daarvoor in het Bouwbesluit voorschriften te stellen.  Voor de reden waarom dit niet is gebeurd, verwijzen wij u naar het departement van BZK waar de bouwregelgeving tegenwoordig onder valt.

De (Model)bouwverordening steunt op artikel 8 van de Woningwet. Het is niet toegestaan andere onderwerpen in de bouwverordening te regelen dan die zijn genoemd in artikel 8. Woonschepen of waterwoningen worden daarin niet genoemd. Om deze reden kan aan uw verzoek niet worden voldaan.