Hoe kan het college de standaardberekeningswijze van uurtarieven bepalen? Kunnen deze dwingend worden opgelegd aan instellingen?

Het college kan in de subsidieregeling een standaardberekening opnemen van de kosten die voor subsidie in aanmerking komen op grond van artikel 17 van de Model ASV 2013. De aanvrager zal daarmee dan bij zijn aanvraag rekening moeten houden; als hij dat niet doet is zijn aanvraag onvolledig. Hij krijgt dan een termijn waarbinnen hij de aanvraag moet aanvullen. Doet hij dat niet of niet op tijd, dan laat het bestuursorgaan de aanvraag buiten behandeling. Zie hiervoor art 4:5 Awb. Concreet betekent dit bij een aanvraag om subsidieverlening dat de aanvrager geen subsidie krijgt. Gaat het om de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, dan stelt het bestuursorgaan de subsidie ambtshalve vast, op basis van de gegevens die er wel zijn. Dat kan voor de aanvrager ongunstig uitpakken.

Meer informatie over de berekening van uurtarieven en uniforme kostenbegrippen vindt u in het Rijksbrede subsidiekader (Kader financieel beheer rijkssubsidies, Kamerstukken II 2008/09, 31 865, nr. 5). Daarin is aangesloten bij de drie standaardberekeningsmethoden voor uurtarieven die in het Rijksbrede subsidiekader worden gehanteerd. Deze zijn eerder uiteengezet in de implementatiehandleiding, onderdeel van de ledenbrief bij de eerste publicatie van de Model ASV 2013 (Lbr 13/075; zie de toelichting bij artikel 17). Het gaat om:

a. berekening op basis van integrale kosten;

b. berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair

vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of

c. een forfaitair vastgesteld uurtarief.

Let op! Om een subsidieregeling onder het Europees steunkader te brengen dient aangesloten te worden bij de tarieven en kostenbegrippen die het betreffende steunkader voorschrijft. Zie daarover verder de website van Europa Decentraal en de bij deze modelverordening behorende ledenbrieven.