Mag iemand benoemd worden tot raadslid indien hij als ambtenaar in dienst is bij een gemeenschappelijke regeling?

In casu is de persoon als ambtenaar in dienst getreden bij een gemeenschappelijke regeling. De vraag doet zich vaker voor of ambtenaren die in dienst zijn bij een gemeenschappelijke regeling raadslid kunnen worden in één van de in die gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten.

Deze raadsleden controleren immers hun gemeentelijke bestuurders. In de organen van de gemeenschappelijke regeling komen zij de bestuurders tegen in de hoedanigheid van hun bestuurlijke chef.

Ambtenaren die `door of vanwege het gemeentebestuur zijn aangesteld of daaraan ondergeschikt’ kunnen op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder o, van de Gemeentewet geen lid zijn van de gemeenteraad. In beginsel wordt aangenomen - op basis van een Koninklijk Besluit uit 1958 - dat ambtenaren die in dienst zijn bij gemeenschappelijke regelingen wel raadslid kunnen zijn. Daarbij is het van belang om de zinsnede `in beginsel’ te benadrukken. Ondanks het niet direct in dienst zijn bij de gemeente kunnen er vanwege andere redenen ondergeschiktheidsrelaties ontstaan.

Waar een dergelijke ondergeschiktheid daadwerkelijk zich voor kan doen, moet dan ook tot een onverenigbaarheid worden geconcludeerd. Met andere woorden: de onverenigbaarheid kan een grond vinden in de aanstellingsrelatie en in de mogelijkheid om aan de betrokken ambtenaar bijzondere en algemene aanwijzingen te geven.

In veel gevallen is tussen de betreffende ambtenaren en het bestuur van de gemeenschappelijke regeling een ondergeschiktheidsverhouding. Het collegelid van de gemeente waar de ambtenaar raadslid wordt, maakt deel uit van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Dit bestuur kan aan de betreffende ambtenaar aanwijzingen geven. Deze ambtenaar komt mogelijk straks als raadslid dezelfde wethouder tegen en controleert deze.

In theorie zou de conclusie kunnen zijn dat hierdoor ongemakkelijke verhoudingen kunnen ontstaan door deze combinatie van functies, waardoor het wellicht wijs en verstandig is om het raadslidmaatschap niet te aanvaarden, dan wel neer te leggen. Het gaat hier echter wel om een theoretische belemmering die in de praktijk geen problemen hoeft op te leveren.

Via het stelsel van verboden handelingen en stemverboden kan op de gesignaleerde ongemakkelijke verhouding worden ingespeeld. Zo ligt het in de rede dat het raadslid zich verre houdt van overeenkomsten tussen de gemeente en de gemeenschappelijke regeling, geen adviseur is in deze relatie en bij stemmingen over onderwerpen die tot zijn ambtelijke competentie behoren zich onthoudt.

Afspraken hierover kunnen weliswaar niet inhouden dat het raadslid zich verplicht van zijn stem te onthouden. Van het recht op het uitbrengen van de stem kan niet bij afspraak afstand worden gedaan; de beslissing tot stemonthouding blijft onder alle omstandigheden een verantwoordelijkheid van het raadslid (artikel 27 van de Gemeentewet). Wel kan terughoudendheid worden afgesproken. De schijn van belangenverstrengeling kan verder worden vermeden door bij de benoeming van het raadslid extern duidelijk te maken welke gedragslijn door raadslid en raad zullen worden gevolgd om onzuiverheden op dit punt te voorkomen.