Overzicht veelgestelde vragen over Jeugdhulp

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Volledige vraag: De verplichte vragen komen grotendeels (niet letterlijk) overeen met onze 0-meting. Als blijkt dat deze toch niet geheel overeenkomen, maar wij toch besluiten geen nieuwe enquête te verspreiden (aangezien alle Wmo en Jeugd-cliënten onlangs al zijn aangeschreven), wat zijn dan eventuele consequenties? 

Antwoord

Als de gevraagde thema's wel aan de orde komen zouden we het zo laten, maar de beoordeling is aan het ministerie. We nemen uw vraag mee naar het volgende overleg met VWS over de clientervaringsonderzoeken.

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

Volledige vraag: In de modelvragenlijst voor ouders staat: "De vragen gaan over de hulp, zorg of begeleiding die u en/ of uw kind in het afgelopen jaar hebben ontvangen." Hoe weet een ouder over welk kind het gaat als er meer dan 1 kind hulp heeft ontvangen? Kan er vermeld worden dat deze lijst alleen van toepassing is op kinderen onder de 12 jaar? Bijvoorbeeld: een ouder heeft 2 kinderen die ondersteuning ontvangen waarvan 1 ouder is dan 12. Dan wil je toch dat het duidelijk is dat de vragenlijst voor het jongste kind wordt ingevuld? Bij twee kinderen onder de 12, is het dan gezien de anonimiteit handiger om te vragen 1 kind te kiezen of het voor beiden in te vullen?

Antwoord

Ouders wordt gevraagd om het totale aanbod aan voorzieningen voor hun kind te beoordelen, en dat kan verschillen per kind, net als het resultaat. Als je ouders vraagt alleen in te vullen voor het jongste kind ontneem je hen daarmee de kans om iets te zeggen over de hulp aan hun oudste kind (terwijl ze daar misschien meer of minder tevreden mee zijn).

In gemeente Amsterdam is al 2 keer een soortgelijke vragenlijst afgenomen als de modelvragenlijst. Zij hebben vanuit de gemeentelijke administratie ouders aangeschreven als 'aan de ouder/ verzorger van… [naam kind]’ . zo was het voor ouders duidelijk voor welk kind ze de vragenlijst invulden. In sommige gevallen hebben ouders de brief met het verzoek de vragenlijst in te vullen 3 of 4 keer gehad omdat ze 4 kinderen in de jeugdhulp hebben.

Om het te vereenvoudigen zouden we van de vraag voor ouders ook kunnen maken: “De vragen gaan over de hulp, zorg of begeleiding die u en/ of uw kind(eren) in het afgelopen jaar hebben ontvangen." Hiermee vragen we van ouders om een soort gemiddelde te geven van alle hulp die ze in hun gemeente hebben ontvangen.

Volledige vraag: Bij de voorbereidende werkzaamheden voor het Cliëntervaringsonderzoek Jeugd en Ouders lopen we aan tegen het volgende: Er zijn twee doelgroepen die niet mogen worden aangeschreven: jongeren die anoniem in zorg zijn en jongeren waarvan de ouders niet weten dat ze in zorg zijn. Er zijn cliënten die via de huisarts of medisch specialist jeugdhulp ontvangen van vele organisaties (en waarvan de gemeente niet weet of deze clienten anoniem in zorg zijn). Gemeenten hebben daar geen gegevens van. Dus we hebben de aantallen die in zorg zijn maar we weten niet wie daarvan anoniem in zorg zitten. Hoe moeten we daar mee om gaan?

Antwoord
Om het cliëntervaringsonderzoek goed en veilig uit te voeren is het belangrijk om informatie te hebben over welke cliënten wel/ niet mee willen of kunnen doen. Het is daarom zaak om hier afspraken over te maken met de zorgaanbieder omdat zij het directe contact met cliënten hebben, en inzicht hebben in de situatie van cliënten. Zij kunnen gemeenten deze informatie aanleveren. Voor dit jaar is het in de meeste gevallen helaas niet mogelijk om dergelijke afspraken al te maken vanwege het korte tijdsbestek, maar in de toekomst zouden  afspraken over het aanleveren van de benodigde informatie verwerkt kunnen worden in de inkoopcontracten.

Volledig kunnen we niet zijn, omdat dit voor alle gemeenten, en voor de jeugdaanbieders, een nieuwe situatie is met de komst van de nieuwe jeugdwet.

De VNG heeft ook geen separaat standpunt over 'anoniem in zorg en het cliëntervaringsonderzoek'. Wel heeft de VNG subcommissie jeugd de vragenlijst, die opgesteld is in samenspraak met gemeenten en cliëntorganisaties, omarmd als een goed model om mee aan de gang te gaan. Juristen hebben het privacyprotocol behorende bij de vragenlijst opgesteld.

De kern van het cliëntervaringsonderzoek is dat we graag zoveel mogelijk jongeren en ouders aan het woord willen laten over wat ze van de geboden hulp vinden. Hier hebben zij recht op en die kans willen wij ze bieden. Voor de gemeente is het goed te weten hoe die hulp is bevallen om zo verbetering daarom aan te kunnen brengen. Dus als deel van het kwaliteitsbeleid van de gemeente.

Tegelijkertijd staat de veiligheid van burgers voorop, en is het absoluut niet de bedoeling om kinderen en jongeren in gevaar te brengen door het opsturen van een vragenlijst. Het blijft zaak om hierover in gesprek te blijven met de zorgaanbieders en samen te zoeken naar mogelijke oplossingen en hopelijk lukt het dan om er samen uit te komen. Wij vinden het bij voorbaat uitsluiten van groepen jongeren niet wenselijk en we benutten graag met gemeenten de pilot 'clientervaring jeugd' om dit soort vragen maar ook de oplossingen, samen te bedenken en te toetsen. Zie hiervoor: https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/nieuws/modelvragenlijst-clientervaring-jeugdhulp-is-beschikbaar

Het is van belang om in deze nieuwe situatie naar een systeem toe te werken waarin de juist informatie voorhanden is bij de gemeenten voor een volgend jaar cliëntervaringsonderzoek. De eerste afname van het cliëntervaringsonderzoek dit jaar en de pilots hieromtrent die nu starten zullen veel informatie en ervaringen opleveren waarmee gemeenten in de toekomst hun voordeel kunnen doen. De VNG volgt deze ontwikkelingen op de voet en zal de gemeenten hiervan vanzelfsprekend op de hoogte houden.

NB het antwoord is voorlopig omdat we, zoals hierboven toegelicht, in pilots zoeken naar een manier om ook deze jongeren aan het woord te laten.

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

Volledige vraag: Wat mij opvalt aan de modelvragenlijst is dat deze vrij beperkt is in zijn reikwijdte. Een groot deel gaat over de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en de ervaren effecten. Enkele zaken die niet worden behandeld zijn bijvoorbeeld van welk type maatschappelijke ondersteuning gebruikt wordt gemaakt. Het lijkt mij een groot effect hebben op de cliëntervaring of deze cliënt gebruikmaakte van bijvoorbeeld kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringsmaatregelen of van de meer ‘ongedwongen´vormen van jeugdhulp. Kunt u mij inzicht geven in hoe de vragenlijst tot stand is gekomen? 

Antwoord
De opdracht  van de VNG aan Stichting Alexander was om een modellijst te ontwikkelen die voldoet aan de Jeugdwet, en die zo kort mogelijk is (liefst maximaal 6 vragen). In de Jeugdwet staat dat het cliëntervaringsonderzoek moet gaan over de kwaliteit en de ervaren effecten, dit was dus onze leidraad voor de ontwikkeling.

Er is gekozen voor meer vragen/stellingen dan de vraag vanuit de VNG, omdat dit de betrouwbaarheid vergroot en je hiermee meer kan. De stellingen zijn opgesteld samen met cliënten(organisaties) en enkele gemeenten en zijn voor een deel afgeleid van vragenlijsten die al eerder zijn gebruikt en getest (zie de handleiding die op de site van de VNG staat, hierin wordt uitgebreid beschreven hoe de stellingen tot stand zijn gekomen).

In de handleiding kunt u ook lezen dat het gemeenten vrij staat om hier vragen naar achtergrondkenmerken aan toe te voegen, mits deze voldoen aan privacyrichtlijnen. Wij hebben dat bij de modelvragenlijst niet standaard gedaan, omdat elke gemeente een andere indeling van hulpvormen kan hanteren, en behoefte kan hebben aan andere achtergrondkenmerken.

In de Jeugdwet staat echter wel duidelijk beschreven dat de uitkomsten van het cliëntervaringsonderzoek niet gebruikt mogen worden voor de inkoop, je mag dus niet op instellingsniveau differentiëren (en dat heeft ook geen zin, want een instelling kan zowel gedwongen als vrijwillige hulpverlening bieden). Maar een vraag of het gaat om vrijwillige of onvrijwillige hulpverlening kan zeker nuttig zijn.

Een ander uitgangspunt is de toegankelijkheid van de vragenlijst voor cliënten. Er is erg gelet op inhoud (sluit deze aan bij wat cliënten zelf belangrijk vinden als het gaat om de jeugdhulp?) en taalgebruik (is het voor jongeren en ouders begrijpelijk wat er staat) en is de lijst niet te lang (gebruiksvriendelijkheid).

Kortom, de modelvragenlijst is een basislijst die op deze wijze voldoet aan de Jeugdwet, maar waar nog heel veel meer uit te halen is. En behoeften en wensen voor aanvullende informatie zullen voor elke gemeente verschillen.

In 2017 vindt een kwalitatief cliëntervaringsonderzoek plaats waarin uitkomsten uit de modelvragenlijst verder worden uitgediept met cliënten samen, met kwalitatieve methoden die aansluiten bij de lokale context en behoeften (dit traject is volledig op maat, zie het onderdeel KiesMeNu in de handleiding).

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

Volledige vraag: Jeugdigen kunnen bij meer dan 1 aanbieder ondersteuning ontvangen. Dit hoeft geen probleem te zijn, maar als zorgaanbieders zelf vragenlijsten afnemen, kan dit tot dubbele uitvraag van dezelfde jeugdigen leiden. Ik zou het liefst de gemeentelijke administratie als leidraad gebruiken, maar het is onze regio bekend dat cliënten van jeugdbescherming en jeugdreclassering vaak door de aanbieders niet werden doorgegeven aan gemeenten. Hebben jullie ideeën voor het ontdubbelen van een steekproef die deels uit gemeentelijke administraties wordt getrokken en deels uit de registraties van aanbieders waarbij de anonimiteit toch gegarandeerd is en jeugdigen niet meerdere keren ondervraagd worden?

Antwoord
Dit is typisch een vraag die we in de pilots willen onderzoeken. De ene gemeente heeft het wel voor elkaar met de gemeentelijke administratie, de andere niet. Vooralsnog hebben we hier waarschijnlijk minder zicht op dan u, omdat wij nog niet begonnen zijn met de afname in gemeenten.

In de pilots verwachten we dit zeker tegen te komen. We weten we dat in een gemeente die de afname via de zorgaanbieders laat verlopen, er iets over is gezegd in de begeleidende brief aan cliënten.

‘Het kan zijn dat u deze brief al via een andere zorgaanbieder heeft ontvangen. In dit geval hoeft u de vragenlijst niet nogmaals in te vullen en kunt u deze brief weggooien.’

Niet ideaal, maar hiermee maak je duidelijk dat de vragenlijst  één keer ingevuld hoeft te worden. En zou het anders nog een optie zijn om alle zorgaanbieders hun adressenbestanden die zij gebruiken voor de verzending aan te laten leveren op 1 centrale plek binnen de gemeente, hier 1 bestand van te maken en dubbelingen te verwijderen?

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

Volledige vraag: Omdat samenwerking en eigen kracht in de jeugdhulp na de transitie een grote rol spelen zou ik graag iets vragen over de aanwezigheid van een familiegroepsplan of bijvoorbeeld een online applicatie om ondersteuning te coördineren. Hebben jullie vragen over dit onderwerp overwogen? Ik vind dat de vragenlijst voor jeugdigen gebruikt maakt van duidelijke en begrijpelijke taal en vraag me af hoe je een begrip als "familiegroepsplan" op een begrijpelijke wijze in een vraag kunt vermelden.

Antwoord
Goede aanvulling, juist ook omdat het Familiegroepsplan zo belangrijk is in de Jeugdwet, en niet alle gemeenten al goed weten wat ze ermee aan moeten (en cliënten zelf ook niet).

Wil je weten of er binnen gemeenten mee gewerkt wordt? Of wil je weten hoe het ervaren wordt? Of wil je weten of cliënten überhaupt weten of ze er recht op hebben? Allemaal relevante vragen, we moeten daarin een keuze maken.

Wij leggen onze stellingen altijd in conceptvorm voor aan de doelgroep (jongeren en ouders) en vragen of dit begrijpelijk en duidelijk is. Vaak komen er vanuit hen erg goede suggesties.

Op de website van het familiegroepsplan staat: “Het Familiegroepsplan is een plan dat is opgesteld door een persoon met haar/zijn familie, vrienden, kennissen, buren en evt. betrokken professionals, kortom mensen die belangrijk zijn in het leven van die persoon ”

Als we dit vertalen in een stelling over of dit ook gebeurt komen we wellicht uit op: ‘Ik heb samen met de mensen die belangrijk zijn in mijn leven een plan opgesteld om ervoor te zorgen dat het thuis fijner wordt’.

Volledige vraag: Ik vroeg me af of we in hetzelfde stramien de standaard vragenlijsten kunnen omzetten of moeten we de standaardlijsten zo gebruiken, zoals deze zijn voorgeschreven?

Antwoord

De vragenlijsten voor ouders en jongeren zijn modelvragenlijsten, dat wil zeggen dat u in principe de inhoud van de lijsten kunt gebruiken voor de ontwikkeling van uw eigen vragenlijsten. De Jeugdwet schrijft namelijk niet voor hoe clièntervaring gemeten moet worden, gemeenten mogen zelf een instrument kiezen of ontwikkelen.

De modelvragenlijsten bieden u echter de garantie dat u werkt met lijsten die:

  1. voldoen aan de eisen gesteld in de Jeugdwet
  2. aansluiten op de beleving van cliënten (want samen met hen ontwikkeld)
  3. voldoen aan de randvoorwaarden voor een clientervaringsinstrument van gemeenten (want samen met hen ontwikkeld).

Als u wilt deelnemen aan de pilot, zult u de modelvragenlijsten echter wel moeten gebruiken in deze vorm, omdat we de pilots ook gebruiken om de vragenlijsten wetenschappelijk te toetsen op betrouwbaarheid en validiteit.

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

Volledige vraag: Wij willen graag weten hoe om te gaan met het feit dat volgens het privacy-protocol ceo jeugdhulp cliënten vooraf toestemming hebben moeten geven om benaderd te mogen worden voor het onderzoek. Graag jullie advies.

Antwoord:

Zoals in de webinar over de ceo jeugd onlangs aan de orde werd gesteld, is het noodzakelijk dat gemeenten zo snel mogelijk in hun database van cliënten op gaan nemen wie er anoniem in zorg zitten/ om andere redenen geen brief mogen ontvangen. Omdat ze dit jaar dit nog niet op orde hebben zouden we gemeenten aanraden om de instellingen/ artsen/ medisch specialisten hierbij in te schakelen en dit een gedeelde verantwoordelijkheid te maken. Vraag hen  wie anoniem bij hen in zorg zitten/ wie zonder medeweten van hun ouders zorg ontvangen en dit door te geven aan de gemeente zodat zij dit kunnen registreren. Het is geen ideale oplossing en zal in veel gevallen ook niet lukken maar op dit moment zien we geen alternatieven
In de pilots over het cliëntervaringsonderzoek jeugd is dit een belangrijke vraag om te beantwoorden samen met de pilotgemeenten. Wellicht dat we na de pilots een duidelijke route kunnen adviseren.

Het privacy protocol voor het cliëntervaringsonderzoek jeugd staat hier: https://vng.nl/files/vng/privacyprotocol_20151204.pdf
met deze teksten:

Vrijwilligheid voor deelname
Een algemene voorwaarde is ook dat deelname aan het onderzoek en het invullen van de vragenlijsten door cliënten geheel vrijwillig is. De gemeente mag het vrijwillig terugsturen van de vragenlijst opvatten als algemene toestemming van de cliënt om de versterkte gegevens te gebruiken voor het onderzoek.
 
Toestemming vooraf
Toestemming is tweeledig. Hoofdregel is dat de vragenlijst alleen worden toegezonden op adres na toestemming van de cliënt. Een tweede toestemming van de cliënt is nodig voor het meedoen aan het onderzoek. Deze toestemming is hierboven beschreven.
Een voorwaarde is dat de gemeente de cliënten altijd vooraf goed informeert over de doeleinden van het onderzoek, hoe de gegevens worden verwerkt en wat er na verwerking met de gegevens gebeurt. Het moet voor de cliënt helder zijn waarvoor hij toestemming geeft (informed consent).

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

In de Jeugdwet en Wmo staat dat je jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek moet doen. De sancties bij niet naleven van deze eis van de Jeugdwet is nog niet bekend. Het is goed voorstelbaar dat de gemeenteraad uw college erop aan zal spreken, want zij willen waarschijnlijk weten hoe hun burgers de ondersteuning ervaren hebben. De gemeenten hebben zich bovendien gecommitteerd aan www.waarstaatjegemeente.nl en kunnen daar profijt van hebben als zij zelf ook gegevens aanleveren.

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

Er zijn twee belangrijke verschillen tussen de BESTE en de MCJO.

  • De BESTE is ontwikkeld om informatie te krijgen over een traject bij een bepaalde aanbieder, de MCJO om informatie op hoger beleidsniveau op te leveren. Er staan dus ook vragen in over de bekendheid van hulppunten en over de toegang.

  • De MCJO gaat over de ervaring van cliënten en niet over hun tevredenheid. Jongeren en ouders geven wel aan wat het effect van de hulp was, maar bijvoorbeeld niet of ze de hulp ook aan een ander zouden aanraden.

  • www.vng.nl/clientervaring

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

Dit is uw volledige vraag. Wij hebben voor de evaluatie van de Jeugdwet sowieso op ons lijstje staan om de dubbelheid die er nu in de Jeugdwet zit te vereenvoudigen. Enerzijds moet het college cliëntervaring meten en anderzijds moet zij in het beleidsplan outcome opnemen, als gevolg waarvan cliënttevredenheid bij aanbieders wordt gemeten. Dat zou je kunnen doen door in de wet ruimte te geven aan gemeenten: gemeenten hebben voldaan aan de verantwoordelijkheid voor het meten van cliëntervaring via de outcome die aanbieders hebben vastgesteld. Maar dat vraagt dus aanpassingen van de wet, dus dat is meer langere termijn.

Voor de korte termijn is jullie werkwijze goed voorstelbaar. Zorg er vooral voor dat de gemeenteraden op de hoogte zijn van deze keuze, want zij moeten controleren of de bij BenW neergelegde verantwoordelijkheden in de Jeugdwet worden uitgevoerd. Richting VWS ligt er ook een goed verhaal, omdat zij ook willen dat administratieve lasten voor aanbieders en professionals worden beperkt. Mits raden goed zijn geinformeerd, zien wij weinig risico’s in het niet uitvoeren van nog een onderzoek voor 1 juli.

Jullie hebben dus een goed verhaal wat aansluit op de intentie van de Jeugdwet om de ervaring van de cliënt een goede plaats te geven in de beleidscyclus. Alleen stelt de wet wel eisen aan wat je zou moeten (willen) weten. Dubbel vragen aan je klanten moet je natuurlijk proberen te voorkomen.

De modelvragenlijst die Sichting Alexander met gemeenten heeft opgesteld is handig om te gebruiken, omdat die eisen daar al in opgenomen zijn en omdat gemeenten dan onderling ook nog enigszins kunnen vergelijken. Het is geen verplichte lijst.

Of VWS sancties oplegt aan gemeenten is onbekend. Het gaat erom of gemeenten het gesprek aangaan met hun cliënten.

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.

Alleen als de Persoonlijke Verzorging bij jeugdigen verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, valt die zorg onder de Zorgverzekeringswet. Dit is (in theorie) ook van toepassing als er alleen Persoonlijke Verzorging nodig is en geen Verpleging.

De verandering die op 1 januari 2018 in gaat, heeft gevolgen voor sommige kinderen die in 2017 verzorging kregen uit de Jeugdwet. In bijna alle gevallen gaat het dan om kinderen die óók verpleging uit de Zvw krijgen. Want als er sprake is van verpleging dan is de kans groot dat de verzorging verband houdt met behoefte aan geneeskundige zorg.

Als de Persoonlijke Verzorging bij jeugdigen gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), blijft die zorg onder de Jeugdwet vallen. Voor die groep verandert er niets.

Ouders kunnen hierover contact opnemen met de zorgverzekeraar van het kind.

Ja, dit kan. Het hangt er van af of de huidige zorgaanbieder(s) gecontracteerd is door de zorgverzekeraar.  Bij een toegekend persoonsgebonden budget vanuit de Zvw kan waarschijnlijk de huidige zorgaanbieder(s) behouden blijven. Dit kunnen de ouders met de zorgverzekeraar van het kind bespreken.

Houd er rekening mee dat de zorgovereenkomst moet worden aangepast op basis van de tarieven en voorwaarden die de zorgverzekeraar stelt.

Het pgb-Zvw is wettelijk verankerd in de ‘aanspraak wijkverpleging’. Als de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van de zorgverzekeraar, kan hij een aanvraag voor een pgb indienen. Dit geldt voor zowel verzekerden met een naturapolis als voor verzekerden met een restitutiepolis.

Het is uiteindelijk de zorgverzekeraar die beslist of de aanvrager in aanmerking komt voor een pgb-Zvw. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zijn opgenomen in het pgb-reglement van de betreffende zorgverzekeraar

De Persoonlijke Verzorging die vanuit de Zorgverzekeringswet wordt geïndiceerd hoeft niet door een verpleegkundige te worden uitgevoerd. Als een niet-verpleegkundige volgens de zorgverzekeraar, kwalitatief goede zorg kan bieden en/of bevoegd of geautoriseerd is om de zorg te verlenen, is dit mogelijk.

Met vragen of onduidelijkheden kunt u terecht bij het Juiste Loket. Hier werken medewerkers die extra informatie kunnen geven over de verandering en kunnen meekijken met een specifieke situatie. Zij kunnen ook partijen op hun verantwoordelijkheid wijzen. Iedereen (gemeenten, ouders, zorgverleners,  zorgverzekeraars, scholen, ambtenaren) die betrokken is bij de zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag kan met vragen terecht bij het Juiste Loket.

Geneeskundige zorg moet niet te beperkt ‘medisch’ worden opgevat. Ook het leren omgaan met of het compenseren van beperkingen kan onder ‘geneeskundige zorg’ in de zin van de Zvw worden geschaard. Daarnaast hoeft er niet per se sprake te zijn van een aandoening of beperking.

Ook zorg gericht op het voorkomen van (verergering van) een aandoening of beperking of gericht op zo goed mogelijk functiebehoud bij gevolgen van een aandoening of beperking kan onder de Zvw vallen, mits er sprake is van een hoog risico hierop. Het is aan de indicerend kinderverpleegkundige om te beoordelen of er sprake is van (een hoog risico op) geneeskundige zorg.

U kunt bij het Inspectieloket Jeugd navragen of de calamiteit gemeld is door de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling en of de inspectie een onderzoek instelt. Als de inspectie een actieve rol vervult, dan stelt zij de gemeente daarvan op de hoogte. In verband met het ontbreken van bevoegdheden is het niet aan te raden om als gemeente zelf onderzoek te doen of onderzoek te laten doen naar een calamiteit.

Het is raadzaam om vast te leggen hoe de communicatiestromen lopen bij calamiteiten. Meer informatie hierover vindt u in de Handreiking communicatie bij calamiteiten.

Ja dat klopt. De inspecties hebben daarvoor het Inspectieloket Jeugd ingericht. Hier kunt u onder andere terecht met uw vragen en voor het melden van nieuwe toetreders.
Zie: www.inspectieloketjeugd.nl

De GGD-GHOR heeft in 2015 een model toetsingskader ontwikkeld. Voor het opstellen van een lokaal toetsingskader kunt u ook kijken naar de basisset kwaliteitseisen kwetsbare burgers en de kwaliteitseisen Vrouwenopvang en Maatschappelijke Opvang:

De inspectie kan bij calamiteiten contact opnemen met uw gemeente. De inspectie kan dat ook doen als het geen calamiteit volgens de Jeugdwet is, maar wel een ernstig signaal over de kwaliteit van de hulp of invloed heeft op de openbare orde. 

Het is aan te raden om bij de inkoop afspraken te maken over toezicht.

Deze pagina wordt nog aangevuld. 

Het toetsen van de naleving van wettelijke kwaliteitseisen is een taak van de rijksinspecties. Als de gemeente aanvullende kwaliteitseisen stelt dan houdt ze daar zelf toezicht op. Dit vloeit voort uit de aard van de relatie die de gemeente heeft met de aanbieder, namelijk het inkoopcontract of de subsidieregeling. Toezien op de daarin opgenomen aanvullende kwaliteitsbepalingen is dus een zaak van de gemeente.  Het staat de gemeente vrij om zelf een check te doen op het bezit van een VOG. Bijvoorbeeld omdat zij dat met zekerheid wil weten of niet het risico wil lopen dat er mogelijk mensen werken zonder VOG en er bijvoorbeeld nog geen toets door de inspectie is geweest omdat het om een nieuwe toetreder gaat.

Nee, de gemeente is niet verplicht om een calamiteit bij de inspectie te melden. De Jeugdwet verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om calamiteiten en geweld tijdens de hulpverlening bij de inspectie te melden.

  • Raadpleeg de website van het inspectieloket om te controleren of de aanbieder bekend is bij de inspectie.
  • Als de aanbieder niet bekend is: meld dit bij de inspectie en sluit het contract af onder voorbehoud van de risico-analyse van de inspectie.

U kunt het vermoeden over eventueel kwaliteitstekort doorgeven via het Inspectieloket Jeugd. De inspectie bepaalt aan de hand van die signalen en de andere informatie die zij heeft over de kwaliteit van de aanbieder of, en in welke mate, zij nader onderzoek bij de aanbieder gaat doen.

Gemeenten en inspecties hebben hierover afspraken gemaakt. Deze zijn vastgelegd in een Afsprakenkader. Dit afsprakenkader voor gemeenten en rijksinspecties over landelijk toezicht kan gedurende (de aanloop naar) de implementatie nog worden aangepast. Zie ook het Factsheet: Rol van gemeenten en Inspecties

Voor vrijgevestigde zorgaanbieders werkzaam in de Jeugdwet geldt dat praktijken met een omzet onder de 125.000 euro niet hoeven te beschikken over een controleverklaring van een accountant in het kader van de financiële productieverantwoording. Echter, gemeenten mogen hier van afwijken door toch ook dergelijke een verplichting op te leggen voor een omzet lager dan 125.000 euro.

Vervolg vraag: Een dergelijke verklaring kost tussen de € 1 500 - 3 500. Vrijgevestigden zouden voor 2018 sneller over de grens van € 50 000 komen, omdat de optelsom vanaf 1 januari ook de al lopende behandelingen bevat die in andere jaren niet meetellen voor de omzet.

De VNG adviseert gemeenten coulance bij een omzet < € 125.000. Hier kan de vrijgevestigde naar verwijzen. Er kan ook gebruik gemaakt worden van een zogenaamde 'verklaring over getrouwheid van omzet'. Deze stelt de vrijgevestigde zelf op en levert deze aan aan de gemeente. De vrijgevestigde kan dit voorstel doen aan de gemeente. Zij besluiten of zij hiermee akkoord gaan of niet.

 

In de Jeugdwet is voor alle aanbieders van jeugdhulp en jeugdbescherming/-reclassering - met uitzondering van solistisch werkende beroepsbeoefenaren - de verplichting opgenomen om te zorgen voor een uniforme Jaarverantwoording. U bent een kleine aanbieder als u:

  • geen solistisch werkende beroepsbeoefenaar bent (in dat geval bent u vrijgesteld van de   verantwoordingsverplichting op grond van de Jeugdwet)
  • maar wel op twee achtereenvolgende balansdata voldoet aan twee van de drie volgende criteria:
  • een netto-omzet over het boekjaar van niet meer dan € 700.000;
  • een gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar van minder dan 10;
  • een waarde van de activa volgens de balans met toelichting, op de grondslag van de verkrijgings- en vervaardigingsprijs, van niet meer dan € 350.000,-. Jaarlijks dienen solistisch werkende aanbieders zich af te melden bij het CIBG. Voor vrijgevestigde zorgaanbieders werkzaam in de Jeugdwet geldt dat praktijken met een omzet onder de 125.000 euro niet hoeven te beschikken over een controleverklaring van een accountant in het kader van de financiële productieverantwoording. Echter, gemeenten mogen hier van afwijken door toch ook dergelijke een verplichting op te leggen voor een omzet lager dan 125.000 euro.

Zie ook https://www.jaarverantwoordingzorg.nl/documenten/publicaties/cibg/jaarverantwoordingzorg/documenten/jaarverantwoording-zorginstellingen-en-jeugd-2017

Het gebruik van het berichtenverkeer is nog geen verplicht onderdeel van de Jeugdwet, dus in die zin is het niet verplicht. I-SD monitort het gebruik van de standaarden en het berichtenverkeer goed en publiceert hoe regio’s hierin scoren. Hierdoor is wel de trend ontstaan dat bijna alle gemeenten gebruik maken van het berichtenverkeer.

Omdat anonieme gegevens niet tot personen herleidbare gegevens zijn, vallen deze gegevens en de verstrekking ervan dan ook niet onder de beperkende regimes van de Wbp, de Jeugdwet of de Wgbo. Er is dan ook geen sprake van al dan niet voorliggende wetgeving als het gaat om het CEO.

Volledige vraag: Regio x contracteert via een aanbestedingsprocedure. Deze regio vereist van aanbieders dat zij beschikken over een Gedragsverklaring aanbesteden (GVA). Is een dergelijk document een wettelijke verplichting?

Een gemeente kan van een zorgaanbieder verlangen dat deze over een Gedragsverklaring aanbesteden (GVA) beschikt. De GVA vervangt de' VOG voor Aanbesteden'. Een GVA is een verklaring waaruit via onderzoek is gebleken dat er geen bezwaren zijn dat een natuurlijk persoon of rechtspersoon inschrijft op een overheidsopdracht, speciale-sectoropdracht, concessieovereenkomst voor openbare werken of prijsvraag. De kosten van een GVA zijn 75 euro. Het GVA is twee jaar geldig. Het GVA is niet verplicht, maar als de aanbestedende dienst het verplicht stelt, dan dient de inschrijvende partij hieraan te voldoen.

De VNG heeft een intermediair aangesteld die tot eind 2017 aandacht vraagt voor de positie van vrijgevestigden binnen het nieuwe jeugdhulpstelsel. De intermediair is de verbinder tussen de branche- en beroepsverenigingen, VNG, VWS en landelijke programma’s zoals ISD en Zorglandschap.

‘Contractering’ kan ook breder worden gezien als ‘afspraken maken over zorgverlening, prestatie, bekostiging en declaratie’. In het algemeen zijn er vier hoofdvarianten in de manier waarop dergelijke afspraken met vrijgevestigden door gemeenten worden gemaakt, ieder met eigen kenmerken en voor- en nadelen:

  1. Gemeenten stellen een raamovereenkomst op met de af te spreken voorwaarden (prijs, informatie-uitwisseling, etcetera) voor vrijgevestigden en sluiten deze vooraf af met de vrijgevestigde zorgaanbieders. Een dergelijke raamovereenkomst kan bijvoorbeeld digitaal ter beschikking worden gesteld aan alle vrijgevestigden die zich actief aanmelden. De gemeente Amsterdam bijvoorbeeld gebruikt daarvoor een digitale contracteringstool. Het voordeel van het vooraf werken met dergelijke raamovereenkomsten is dat je meer inzicht hebt in gecontracteerde partijen en vooraf weet hoeveel zorg je gecontracteerd hebt. Ook is er de mogelijkheid een maximum volume af te spreken.
  2. Gemeenten sluiten raamovereenkomsten af met vrijgevestigden op het moment dat een jeugdige zich meldt bij een vrijgevestigde. Hierdoor heb je als gemeente vooraf minder zicht op het volume.
  3. Gemeenten maken geen afspraken met vrijgevestigden, maar bieden jeugdigen een pgb waarmee jeugdigen en hun ouders zelf in de gelegenheid zijn de best passende zorg te organiseren.

In de bovenstaande opties worden geen volumeafspraken gemaakt.

Als gemeenten met een groep van zelfstandig gevestigde aanbieders wel volumeafspraken willen maken, is het een mogelijkheid voor de gemeente om voor te stellen dat zij zich organiseren in een coöperatie. Niet-concurrerende zorgaanbieders kunnen zich daarbij aansluiten en de coöperatie onderhandelt namens hen over de contractvoorwaarden, doelstellingen en gezamenlijk verwacht volume. Voordeel hiervan is dat je als gemeente slechts met één partij afspraken hoeft te maken en ook verantwoording kan plaatsvinden op het niveau van de coöperatie. Op dit moment zijn hier echter nog geen voorbeelden van bekend. Ook een combinatie van varianten en allerlei subvarianten is uiteraard mogelijk.

De Nederlandse Zorgautoriteit heeft (voor zorgverzekeraars) een document geschreven over ‘good contracting practices’, bedoeld om beide partijen te ondersteunen in het contracteerproces. Dit is hier te vinden.

Anders dan bij aanbieders, zeker als het grote en bekende aanbieders betreft, is het voor de gemeente lastig om alle vrijgevestigden te vinden en te ‘kennen’. Het is immers niet zo geregeld dat, wanneer bijvoorbeeld een psycholoog zich in de gemeente vestigt, de gemeente hiervan op de hoogte wordt gesteld. Vrijgevestigden hebben ook  niet de middelen en mogelijkheden om zich bij de gemeente in beeld te brengen die grote aanbieders wel hebben.

Via de Vektis-cijfers, waarover alle gemeenten beschikken, hebben gemeenten al snel een (weliswaar historisch) overzicht van vrijgevestigden. Daarnaast kiezen veel gemeenten ervoor om in gesprek te komen met vertegenwoordigende regionale platformen of organisaties van vrijgevestigden in de regio. Bekend aandachtspunt daarbij is dat niet alle vrijgevestigden bij zo’n platform zijn ingeschreven en er soms meerdere platformen per regio zijn. Dit is een complicatie die vooral door vrijgevestigden zelf moet worden opgelost.

  • Zie dit overzicht van regionale samenwerkingsinitiatieven van vrijgevestigden die bij ons bekend zijn.

Er zijn vier branche- en beroepsverenigingen actief voor vrijgevestigden, het gaat om:

  1. LVVP Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen & Psychotherapeuten
  2. NIP Nederlands Instituut voor Psychologen
  3. NVvP Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  4. NVO Nederlandse Vereniging van pedagogen en onderwijskundigen

Ook kunnen via de beroepsverenigingen oproepen onder vrijgevestigden gericht worden verspreid.

Als gemeente is het vooral zaak om je toegankelijk op te stellen naar vrijgevestigden en je in alle redelijkheid voldoende in te spannen om de vrijgevestigden te zoeken, te vinden en te bereiken.

(Pro)actieve communicatie is een belangrijk startpunt aangezien het - anders dan bij instellingen, zeker als het grote en bekende instellingen betreft - voor de gemeente lastig is om alle individuele beroepsoefenaren/vrijgevestigden te vinden en te ‘kennen’.

Het is zaak voor de gemeente dat het vrijgevestigden zo eenvoudig mogelijk wordt gemaakt om zich kenbaar te maken. Er zijn gemeenten (o.a. Amsterdam, Tilburg) die bijvoorbeeld een advertentie plaatsen in openbare media om vrijgevestigden op te roepen zich te melden.

Er zijn regio’s die in het contracteringsproces vervolgens gebruik maken van een digitale portal ( o.a. regio Amsterdam-Amstelland-Zaanstreek Waterland).

Daarop kan men zich registreren en praktijkgegevens invullen. Ook is het mogelijk aan te vinken bij welke van de 15 regiogemeenten men gecontracteerd wil worden. Nadat alles is ingevuld komt er direct antwoord of een contract wordt aangeboden of niet. Dat antwoord hangt voor een groot deel af van de vraag of men aan alle door deze region opgestelde criteria voldoet.

De gemeente kan verder bijdragen aan de toegankelijkheid voor vrijgevestigden door bij alle voorzieningen die voor instellingen worden gecreëerd, na te gaan of er niet ook een aparte en specifieke uitwerking voor vrijgevestigden op zijn plaats is. Hierbij kan worden gedacht aan onder meer het inrichten van een goed vindbaar aanspreekpunt voor vrijgevestigden voor vragen en antwoorden over bijvoorbeeld contractering, contractzaken en geschillen. Ook kunnen specifieke afspraken met verwijzers in de jeugdzorg gemaakt worden, zodat vrijgevestigden beter gekoppeld worden aan de toegang.

Op landelijk niveau is afgesproken tussen VWS, de brancheorganisaties en beroepsverenigingen dat er contact wordt geregeld tussen contactpersonen per jeugdzorgregio (in eerste instantie: de regionale transitiemanagers) en de landelijke organisaties waaronder de vrijgevestigden vallen, zodat de communicatie over en weer verder kan worden verbeterd of vergemakkelijkt.

Gemeenten kunnen een dergelijke voorwaarde stellen. Het is dan de bedoeling dat J-GGZ aanbieders voor de eigen cliënten 24 bereikbaar zijn. Om dit te realiseren kunnen zij als vrijgevestigden onderlinge samenwerkingsafspraken maken. Mochten de problemen dusdanig oplopen dat het hun competentie te boven gaat dan is er de mogelijkheid om de crisisdienst (spoed voor jeugd) in te schakelen.

Er is een aantal wettelijke vastgelegde termijnen voor wat betreft aanbesteden, zoals 48 kalenderdagen. Deze geldt voor de termijn van publicatie tot indiening van de inschrijvingen en de termijn van 20 kalenderdagen geldt voor publicatie van het resultaat van de aanbesteding (wie is wel of niet gecontracteerd) en de ingangstermijn van het contract. Haaglanden houdt zich wel aan de wettelijk vastgelegde termijnen. Daarnaast speelt dat de aanbestedende dienst verplicht is proportioneel te handelen, dit mede op grond van de Gids Proportionaliteit. Dit geldt ook voor termijnen. Optie is om in het kader van de Nota van Inlichtingen de termijn ter discussie te stellen en een verzoek in te dienen tot verlenging van de implementatieperiode of de implementatieperiode onderdeel uit te laten maken van de contractperiode.

In de regel zijn er in de Jeugd-GGZ veel vrijgevestigde individuele beroepsbeoefenaren (hierna: vrijgevestigden). Elk afzonderlijk verlenen deze vrijgevestigden een relatief klein, maar samen soms een groot aandeel van de totale Jeugd-GGZ. De vrijgevestigden vormen samen daarom een belangrijke groep die om een aantal redenen een specifieke aanpak verdient.

Een veel gehoord inhoudelijk argument om specifieke aandacht aan deze groep zorgaanbieders te geven is de grotere flexibiliteit van vrijgevestigden, die bijvoorbeeld van pas kan komen bij het gemakkelijk aansluiten op de gemeentelijke wijkteams. Voor de gemeente vormen zij daarmee een interessante aanvulling op het zorgaanbod van instellingen.

Om zeker te stellen dat de GGZ-zorg die geleverd wordt door vrijgevestigden in voldoende mate beschikbaar blijft voor jeugdigen, is het in het belang van de jeugdigen, de gemeente en de vrijgevestigden dat er (waar mogelijk) een specifieke aanpak voor het omgaan met vrijgevestigden wordt afgesproken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:

  • Het waar mogelijk faciliteren van de onderlinge organisatie van vrijgevestigden, bijvoorbeeld in vertegenwoordigende platforms of ‘collectieven’.
  • Het beschikbaar stellen van een of meer plaatsen specifiek voor vrijgevestigden aan de regionale ‘inkooptafels’ met zorgaanbieders.
  • Het maken van specifieke afspraken met (collectieven van) vrijgevestigden over hoe met hen wordt omgegaan, ook als zij niet (op voorhand) gecontracteerd worden.
  • Het oormerken van een deel van het beschikbare budget specifiek voor besteding aan jeugdzorg door vrijgevestigden.
  • Het maken van afspraken over (voor)financiering of frequente en snelle declaratie en betaling specifiek voor vrijgevestigden.

Zie ook: Themapagina vrijgevestigde jeugdhulpaanbieders

Ook dan geldt dat een jeugdhulpaanbieder de cliënt niet om een bijdrage mag vragen. Daarnaast is het denkbaar dat een cliënt de voorkeur geeft aan hulp op basis van een PGB, maar daarbij kiest voor een aanbieder die relatief duur is. De gemeente kan dat aanbod dan vergelijken met een variant in natura en de hoogte van het PGB vaststellen op het bedrag dat de voorziening in natura zou hebben gekost.

In principe worden de richtlijnen van de NZA gehanteerd die voorschrijven dat alleen een regiebehandelaar diagnostiek mag uitvoeren. De vrijgevestigde GZ-psycholoog mag dus binnen de BGGZ diagnostiek uitvoeren, maar niet voor de SGGZ. Maar gemeenten kunnen van de NZa-richtlijn afwijken.

De gemeente heeft een jeugdhulpplicht en moet de noodzakelijke jeugdhulp gratis inzetten. Er is geen wettelijke grondslag voor een eigen bijdrage. Dus nee, de jeugdhulpaanbieder mag de cliënt niet om een bijdrage vragen.

Volledige vraag:  Gemeente x ontbindt een tweejarig contract in verband met financiële tekorten in de regio op de jeugdhulpverlening. Uitsluitend instellingen worden nog gecontracteerd, vrijgevestigden kunnen als onderaannemer aan de slag via een gecontracteerde instelling. Mag dit?

Antwoord: Gemeenten kunnen op basis van ontbindende voorwaarden een afgesloten contract openbreken. Daarnaast is het juridisch gezien toegestaan dat gemeenten de zorginkoop waarborgen via het aangaan van contracten met instellingen waarbij zij instellingen mandaat geven om via onderaannemerschap contracten aan te gaan met vrijgevestigden.
De VNG adviseert de betreffende gemeenten om de handreiking bekostiging inclusief de tarifering voor zorgaanbieders, te hanteren als uitgangspunt voor het contract in onderaannemerschap met vrijgevestigden en de betreffende instellingen te verzoeken deze tarieven ook te hanteren in het inkoopproces van onderaannemerschap. Aan vrijgevestigden adviseert de VNG om de genoemde handreiking ook onder de aandacht te brengen van de betreffende gecontracteerde instelling en hen op te roepen zich te conformeren aan de inhoud van de handreiking.

Vervolg vraag: Ook vind ik dat er nog veel onduidelijk is over verantwoordelijkheden, tarifering, aansprakelijkheid etc.

U bepaalt zelf of u als hoofdaannemer ook onderaannemerschap aangaat. Voor vrijgevestigden zijn er wel enkele suggesties, zie vraag en antwoord hierboven.
 

Onderstaande tien punten zijn van groot belang voor het goed kunnen functioneren in onderaannemerschap:

  1. Onderkennen dat een onderaannemer ook een jeugdhulpaanbieder is in de zin van de Jeugdwet omdat daarmee ook de rechten en plichten van de jeugdhulpaanbieder voortvloeiend uit de Jeugdwet gelden, zoals de kwaliteitseisen;
  2. Melding van onderaannemers als nieuwe jeugdhulpaanbieders bij de Inspectie; 
  3. Voor alle partijen moet duidelijk zijn dat de onderaannemer /behandelaar de Wgbo moet kunnen naleven en zelf tuchtrechtelijk is aan te spreken;
  4. De hoofdaannemer kan v.w.b. gegevensuitwisseling niet meer gegevens verlangen van de onderaannemer, dan de gegevens die hij zelf moet leveren aan de gemeente;
  5. Zorg dat gegevensuitwisseling tussen hoofd- en onderaannemer op een veilige wijze plaatsvindt;
  6. Zowel de hoofdaannemer als de onderaannemer zijn gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG. Onderaannemers sluiten geen verwerkersovereenkomst met de hoofdaannemer;
  7. Zoals bekend zijn leveranciers van diensten gericht op de gezondheid van de mens vrijgesteld van BTW plicht mits ze voldoen aan kwaliteitseisen.  Dit geldt ook voor academisch geschoolde onderaannemers die als psycholoog ggz leveren;
  8. Aangezien de hoofdaannemer zicht heeft op welke jeugdhulp hij declareert bij de gemeente (op basis van 301) lijkt het ons dat alleen de hoofdaannemer de gegevens moet leveren aan het CBS. Dit geldt ook voor het leveren van output gegevens;
  9. Zorg dat de vrijgevestigde nog als zodanig praktijk kan voeren, bijv. belastingtechnisch (zelfstandigenaftrek moet blijven gelden);
  10. Specifiek voor de regio gemeenten A’dam geldt dat de hoofdaannemer 50% van de behandeling zelf uit. Hoe ziet dit er in de praktijk uit als een vrijgevestigde onderaannemer is? Dit lijkt ook geen patiëntvriendelijk uitgangspunt: voor de behandelrelatie is 1 regiebehandelaar met eventueel een klein deel inzet van een medebehandelaar, het uitgangspunt. Maak hier gezamenlijk reële afspraken over die de behandeling van de patiënt ten goede komen.

Een onderaannemer geldt op grond van de Jeugdwet gewoon als jeugdhulpaanbieder op wie de eisen van de Jeugdwet van toepassing zijn. Of en hoe een aanbieder door de gemeente is gecontracteerd, doet niet ter zake. De zinsnede ‘onder verantwoordelijkheid van het college’ is opgenomen om organisaties die buiten de gemeentelijke invloedsfeer opereert, niet onder de Jeugdwet te laten vallen. De memorie van toelichting bij de Jeugdwet is daar duidelijk over: Door de woorden «onder verantwoordelijkheid van het college» komt een persoon of een rechtspersoon die vormen van jeugdhulp verleent zonder bemoeienis en buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente, niet te vallen onder het begrip jeugdhulpaanbieder en daarmee ook niet onder de eisen die deze wet daaraan stelt. Hieruit vloeit voort dat de verplichtingen die de Jeugdwet aan jeugdhulpaanbieders oplegt, ook rechtstreeks gelden voor onderaannemers.

De gemeente verwacht van alle jeugdhulpaanbieders dat er kwalitatief goede zorg wordt geleverd, maar er is geen eenduidige manier om dit te meten. Zij vinden het belangrijk dat jeugdhulpaanbieders zelf reflecteren op hun kwaliteit, zodat zij én gemeenten hiervan kunnen leren. De casus kan geanonimiseerde worden aangeleverd. Privacy is dan ook niet in het geding.

(Er worden bijvoorbeeld veel bijeenkomsten georganiseerd waarbij de input van vrijgevestigden wordt gevraagd. Naast hun eigen drukke werkzaamheden moeten zij dit ook nog eens in hun eigen tijd erbij doen).

Zorgvernieuwing is niet alleen een gemeentelijke aangelegenheid. Zij realiseren dit samen met onder andere de gecontracteerde zorgaanbieders. Er worden daarom diverse bijeenkomsten georganiseerd om input van jeugdhulpaanbieders op te halen, jeugdhulpaanbieders te informeren over (aankomende) veranderingen of om hen de gelegenheid te bieden om vragen te stellen. Gemeenten waarderen het zeer als aanbieders actief willen meedenken en een bijdrage willen leveren aan vernieuwing, maar deelname aan deze bijeenkomsten is niet verplicht. Het past niet in het beleid van de gemeente om deelname aan de bijeenkomsten declarabel te maken of er een hoger tarief voor te hanteren.

Er is geen (zorg)inhoudelijk verschil tussen de kwaliteitsmaatstaven waaraan vrijgevestigde zorgverleners in de Jeugd-GGZ (onder andere psychologen) en de zorgverleners die bij instellingen werkzaam zijn moeten voldoen. Beide groepen moeten voldoen aan wettelijke en voor de beroepsgroep vereiste registraties.

Dat zijn op dit moment wettelijke registraties (BIG) of vestigingsregistraties (bijvoorbeeld NIP-Kinder- en Jeugdpsycholoog of Orhopedagoog Generalist NVO). Onder de Jeugdwet worden voor de kwaliteitsborging straks twee registraties leidend: BIG-register of Kwaliteitsregister Jeugd. Kinder- en jeugdpsychologen en orthopedagogen in het jeugdveld kunnen zich dan laten opnemen in het Kwaliteitsregister Jeugd.

Voor de gemeente betekent dit dat er voor vrijgevestigden geen separate of aanvullende kwaliteitsbeoordeling noodzakelijk is. Het volstaat om van vrijgevestigden te verlangen dat zij beschikken over de reguliere registraties van de eigen beroepsgroep. Natuurlijk staat het de gemeente vrij om aanvullende vragen aan vrijgevestigden te stellen, of aparte afspraken met hen te maken bijvoorbeeld over onderwerpen als kwaliteit, innovatie en flexibiliteit.

(Over het kwaliteitsaspect: de zorg die altijd geleverd werd door WO-geschoolden wordt nu veelal overgenomen door HBO-geschoolde pedagogen).

Binnen de betreffende gemeente wordt ingezet op sterke basiszorg, benaderd vanuit een nadruk op de buurtteams. Wanneer de buurtteams van mening zijn dat aanvullende, specialistische jeugdhulp nodig is, kan dit altijd worden ingezet. Het gaat erom dat de hulp wordt ingezet die het meest passend is bij de vraag van het kind en zijn/haar gezin. Dit kan hulp vanuit het buurtteam zijn, maar dit kan ook specialistische jeugdhulp zijn.

 

In de aanbestedingsvereisten is opgenomen dat voor een LTA-contract het moet gaan over specialisme waar minimaal vijf behandelaren werken met BIG of SKJ registratie. Dit heeft de VNG besloten, omdat anders ook alle specialismen die samenhangen met één persoon, inclusief de bijbehorende kwetsbaarheid, zouden moeten beoordelen. Voor een LTA is enige schaalgrootte noodzakelijk.

U kunt uw gemeente vragen om een verhoging van het omzetplafond of alternatieven zoals gebruik kunnen maken van een pgb. Of u behandelt patiënten via zelfbetaling.

De verplichting om outcomegegevens te verstrekken via de CBS beleidsinformatie is volgens de voorgenomen wijziging van het Besluit Jeugdwet afhankelijk van de vraag of “de gemeente en die jeugdhulpaanbieder hebben afgesproken dat de jeugdhulpaanbieder deze gegevens registreert of in subsidievoorwaarden is opgenomen dat de jeugdhulpaanbieder dit zal registreren”. Het is aan de gemeente om daarover afspraken te maken of subsidievoorwaarden vast te stellen èn ook om daarbij te bepalen dat die verplichting ook geldt voor onderaannemers. Het is denkbaar dat de gemeente sowieso een algemene clausule hanteert over onderaannemers, om te borgen dat zij door de hoofdaannemer ook verplicht worden tot hetgeen de gemeente als verplichting aan de hoofdaannemer oplegt.

Vervolg vraag: Deze verplichting geldt niet als men een solistische jeugdhulpaanbieder is. Echter, in de brief die het CBS aan jeugdhulpaanbieders stuurt is het nu zo geformuleerd dat men niet hoeft aan te leveren als men andere outcome-criteria heeft aangesproken. Hier staat dus niet expliciet benoemd dat men dus niet hoeft aan te leveren als er geen afspraken zijn gemaakt over het aanleveren van outcomegegevens (ofwel zoals in de AMvb staat: ‘…voor zover de gemeente en die jeugdhulpaanbieder hebben afgesproken dat de jeugdhulpaanbieder deze gegevens registreert of in subsidievoorwaarden is opgenomen dat de jeugdhulpaanbieder dit zal registreren, ….’). Graag duidelijkheid hierover.

Het is inderdaad zo dat zelfstandig werkende jeugdhulpverleners te allen tijde zijn uitgezonderd van aanlevering van outcome. Zij hoeven nooit aan te leveren aan het CBS. Deze uitzondering geldt ook voor de gecertificeerde instellingen en voor aanbieders (niet de zelfstandig werkende jeugdhulpverleners want die zijn al uitgezonderd) waarmee de gemeente andere afspraken heeft gemaakt. Dit is zo ook de strekking van de brief van het CBS en de uitzonderingen zoals genoemd in het informatieprotocol (hoofdstuk 4). Het kan niet anders dan zoals het nu is verwoord, worden opgeschreven. Dit om juridische redenen. Dit verhoudt zich anders tot de AMVB. De link met de andere uitzondering 'andere afspraken met de gemeente' moet niet worden gelegd. Dit is een aparte uitzondering.
 

U zou de gemeente kunnen aanspreken op het hanteren van een gelijk speelveld voor zowel vrijgevestigden als instellingen. Daarnaast kunt u ook de huisarts wijzen op deze ontwikkeling, wellicht is degene niet op de hoogte waar de patiënten terecht komen. Vanuit de landelijke verenigingen is hiervoor aandacht gevraagd bij de VNG en gemeenten.

Op grond van artikel 6, aanhef en onder c, AVG is de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig indien deze noodzakelijk is om aan wettelijke verplichting te voldoen die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. En op grond van artikel 2.10 Jeugdwet gelezen in samenhang met artikel 2.5.1 Wmo is de gemeente verplicht te onderzoeken hoe cliënten de kwaliteit van de aangeboden zorg ervaren. Artikel 2.11, eerste lid, Jeugdwet staat de gemeente toe de uitvoering door derden te laten uitvoeren. Het onderzoek wordt dus rechtmatig verricht door het in de brief genoemde onderzoeksbureau. De verstrekte NAW-gegevens worden gebruikt om het onderzoek bij de cliënt te krijgen. De gegevens die met het onderzoek worden vergaard worden voorts anoniem verwerkt. Er zijn dus geen onbillijkheden.

Gezien de AVG en de wet is de aankondiging die de gemeente in casu doet niet eens nodig. Overigens worden de resultaten van het onderzoek op grond van artikel 2.5.1, derde lid, Wmo gepubliceerd. Echter, bij 16 en 17 jarigen is het niet de bedoeling dat ouders op de hoogte komen van een behandelrelatie als de jongere dat niet wil. Het toezenden van vragenlijsten naar het ouderlijk huis ook al is dat in een gemeente-enveloppe/blanco enveloppe, kan daar wel toe leiden. Daar dient de gemeente rekening mee te houden.

Vervolg vraag: dit gaat over een situatie waarin de patiënt hier zelf niet om heeft gevraagd

Op grond van art. 7.4.0, eerste lid, van de Jeugdwet heeft de gemeente de bevoegdheid persoonsgegevens van een jeugdige of zijn ouders, waaronder het burgerservicenummer van de jeugdige en andere bijzondere persoonsgegevens te verwerken voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor:

  • a. de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van de jeugdhulp;
  • b. het doen van een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering;
  • c. de bekostiging van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering of werkzaamheden, en
  • d. het verrichten van controle of fraude-onderzoek.

Jeugdhulpaanbieders, aanbieders van preventie, gecertificeerde instellingen, de raad voor de kinderbescherming en gekwalificeerde gedragswetenschappers zijn op grond van art. 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet verplicht desgevraagd de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze werkzaamheden. Maar gemeenten kunnen de benodigde gegevens natuurlijk ook ergens anders betrekken, bijvoorbeeld bij de betrokkenen zelf. Alleen hebben betrokkenen (jeugdigen en hun ouders) geen wettelijke verplichting gevraagde te verstrekken.

Gezien dus art. 7.4.0 verwerkt de gemeente de gegevens niet alleen rechtmatig, maar is de betrokken aanbieder ook verplicht de gestelde vragen inhoudelijk en naar waarheid te beantwoorden.

Als gekozen is voor een bepaald profiel, is het de bedoeling om de zorg binnen het profiel te behandelen. Als blijkt dat de problematiek zwaarder is dan aanvankelijk gedacht en daardoor meer tijd vergt, kan contact opgenomen worden met de contractmanager/contactpersoon van de gemeente.

Als gekozen is voor een bepaald profiel, is het de bedoeling om de zorg binnen het profiel te behandelen. Als blijkt dat de problematiek zwaarder is dan aanvankelijk gedacht en daardoor meer tijd vergt, kan contact opgenomen worden met de contractmanager/contactpersoon van de gemeente.

Goede diagnostiek kost tussen de 6-8 sessies, zeker als ook school etc wordt geraadpleegd. Er blijft dan te weinig ruimte over om te behandelen.

Als gekozen is voor een bepaald profiel, is het de bedoeling om de zorg binnen het profiel te behandelen. Als blijkt dat de problematiek zwaarder is dan aanvankelijk gedacht en daardoor diagnostiek bijv. meer tijd vergt, kan contact opgenomen worden met de contractmanager/contactpersoon van de gemeente.

 

Vervolg vraag: Bij afronding volgt de resterende 30%, dat is tevens het moment dat bepaald zal worden, al dan niet in overleg met het gezin, of het vooraf bepaalde resultaat is behaald. Wat wordt verstaan onder ‘behaalde resultaat’? Hoe is de privacy van het gezin gewaarborgd? Wat wordt verstaan onder gezin (alleen degenen met ouderlijk gezag of ook broers/zussen?) Zijn dergelijke uitkomsten voor de patiënt of voor de gemeente bedoeld? Ook ontbreekt een reëel kader waarbinnen wordt bepaald of het resultaat is behaald. Daarnaast is uitbetaling van 30% (op termijn 50%) op basis van ‘behaalde resultaten’ een aanzienlijk bedrijfsrisico voor vrijgevestigden: wat als het ‘behaalde resultaat’ onvoldoende is? Dan volgt geen uitbetaling van het resterende percentage?

Dit onderdeel moet nog door de meeste gemeenten uitgewerkt worden. Als het gaat om het bespreken van het behaalde resultaat, geldt dat dit eerst gaat gelden voor instellingen, vrijgevestigden zullen later volgen. Gestreefd wordt in ieder geval naar een objectiveerbaar reëel kader.

 

Vervolg vraag: Dit is onhaalbaar. Zorgaanbieders hebben veelal dan geen contact meer met  deze groep patiënten. Deze eis legt dan ook een onevenwichtig grote verantwoordelijkheid bij mij als zorgaanbieder. Wat kan ik mijn gemeente voor suggesties geven?

  1. Suggestie 1: meld dat het meten van de resultaten tijdens de behandeling voor wetenschappelijk onderzoek is. En verlang van de zorgaanbieder uitsluitend dat degene ROM-metingen uitvoert tijdens de behandelingen (geen metingen na afsluiting van de behandeling).
  2. Suggestie 2: schrap de zinsnede: ‘Wanneer de manier van meten verschilt per profiel en/of per intensiteit, dan zal een nadere specificatie worden gegeven’. Deze eis wordt ervaren als een administratieve last. Bovendien wordt deze eis ervaren als onuitvoerbaar, want wat wordt verstaan onder ‘manier van meten’ en wanneer is er sprake van een ‘verschil per profiel/intensiteit’, en wat moet verstaan worden onder ‘nadere specificatie’ (o.b.v. een vast stramien)?


 

Volledige vraag: De gemeente waar ik een contract mee wil afsluiten, biedt een gezondheidszorgpsycholoog eenzelfde honorering als een klinisch psycholoog of een psychotherapeut. De opleiding van deze laatste twee beroepen langer duurt en de complexiteit van de patiëntenpopulatie in het algemeen zwaarder is. Mag dit? Wat kan ik ondernemen?

De VNG heeft de handreiking ‘bekostiging jeugd-ggz inspanningsgericht’ opgesteld. Hierin geeft de VNG advies over de tarifering, gedifferentieerd op opleidingsniveau. Ook maakt de VNG hierin onderscheid tussen een vrijgevestigde setting en een instelling. De VNG heeft deze handreiking onder de aandacht gebracht van alle gemeenten. Er zijn echter gemeenten die afwijken van het VNG-advies. Het is wel belangrijk dat de juiste professional op de juiste plek wordt ingezet (wettelijke norm verantwoorde werktoedeling). Wij raden zorgaanbieders aan om de betreffende gemeente(n) te wijzen op de genoemde handreiking en hen te verzoeken het landelijke advies van de VNG te hanteren. Zie: VNG Handreiking bekostiging jeugd-ggz inspanningsgericht

 

Gemeenten kunnen dit besluiten. Elders in het land speelde deze discussie ook. O.b.v. onderbouwing heeft de betreffende gemeente er toen vanaf gezien. Onderbouwing vond plaats o.b.v. verschillende bronnen (waaronder kostprijsonderzoek van de NZA) de discussie hierover gevoerd. De intermediair beschikt over een bijlage waarin de onderbouwing is uitgeschreven, deze kunt u bij haar opvragen.

Volledige vraag:

De gemeente met wie ik een contract heb, voert dit jaar een monitor uit dat mogelijk kan leiden tot een aanpassing van het tarief tijdens het lopende jaar: ‘opdrachtgever en opdrachtnemer committeren zich aan de uitkomsten van de monitor en dus aan eventuele aanpassingen op het tarief’, zo staat in het contract. Is het toegestaan dat de gemeente o.b.v. de genoemde monitor de tarieven aanpast lopende het jaar?

Een gemeente mag bij de voorbereiding van en het tot stand brengen van een overheidsopdracht echter uitsluitend eisen, voorwaarden en criteria aan de inschrijvers en de inschrijvingen stellen die in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. Tegenover een gesteld te nemen risico dient dan ook een redelijke vergoeding, in geld of anderszins, te staan. Om te voorkomen dat de voorgelegde clausule de toets van het proportionaliteitsvereiste niet doorstaat is het dus aan te raden een drempel en een plafond op te nemen, als ook concreet uit te werken wat wordt bedoeld met en wat de gevolgen voor partijen zijn van “een inspanningsgerichte bekostigingssystematiek” en “budget neutrale levering”.

Volledige vraag: In verband met de overgang ‘van DBC naar uitvoeringsvariant’ moeten alle lopende behandelingen per 31-12-2017 worden afgesloten en gedeclareerdOok zal er tijdig een nieuwe toewijzing aangevraagd moeten worden. Zijn deze toewijzingen dan vanaf 1-1-2018 allemaal voor een jaar geldig of houdt de nieuwe toewijzing rekening met de resterende 'DBC-tijd’? En zo ja, onder welk jaar wordt de ‘resterende‘ DBC-tijd/ afgeboekt?

Wat de aard van de nieuwe toewijzing is hangt af van het contract dat de gemeente met de aanbieder sluit. Dit kan verschillen in aard van de prestatie (bijv. betaling per bestede tijd of een vast bedrag per kind in behandeling). Ook de duur van de toewijzing kan verschillen. Het is mogelijk om ‘open’ toe te wijzen, dus zonder einddatum. Juist voor kinderen die al in zorg zijn wordt dit geadviseerd. Het is immers niet duidelijk wat de resterende behandelduur is. Veel gemeenten hanteren voor nieuwe behandeling wel een toewijzing met een einddatum.

 

 

Er is geen wettelijke verplichting om altijd een verklaring over het ouderlijk gezag op te vragen. Als je als hulpverlener reden hebt om te twijfelen aan het gezag van de ouders, dan is het wel verstandig om dat aan te kaarten en eventueel een uittreksel uit het gezagsregister op te vragen via www.rechtspraak.nl. Dat is gratis en wordt binnen een werkweek geleverd.

In de Jeugdwet staat de huisarts als een van de verwijzers verwoord. Gemeenten kunnen wel aanvullend stellen dat zij de verwijzing via het wijkteam willen laten verlopen. In dit geval dient dan de huisarts de verwijzing naar het wijkteam door te zetten. Het wijkteam benadert dan vervolgens zorgaanbieders die zij passend vinden bij de vraag.

Wat raadt u mij aan?

Een beperkte groep aanbieders heeft met beide wetten te maken, zij moeten aan beide regimes voldoen. VWS heeft de intentie om de Jeugdwet te harmoniseren ten aanzien van de Zvw op dit onderdeel. Vooralsnog is het een oplossing om je aan te sluiten als vrijgevestigde bij een instelling en op die manier gebruik te maken van de klachtencommissie. Sommige instellingen staan hier voor open.