Parkeerbelasting

Waarom heffen gemeenten parkeerbelasting?

De parkeerbelasting heeft een regulerend karakter. Met de parkeerbelasting wordt het parkeergedrag van bewoners of bezoekers van een gemeente gereguleerd. In de praktijk zijn er 2 vormen:

  1. een belasting voor het daadwerkelijke parkeren op daarvoor aangewezen plaatsen
  2. en een belasting voor  een vergunning om te parkeren op daarvoor aangewezen plaatsen.

Artikel 225, 234 en 235 van de Gemeentewet en het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen bieden de wettelijke verankering voor de heffing van de parkeerbelasting.

Waar wordt de parkeerbelasting voor gebruikt?

De opbrengsten uit parkeerbelasting vallen toe aan de algemene middelen van de gemeente. Dat betekent dat de gemeenteraad beslist over de besteding van de inkomsten uit de parkeerbelasting. In de jaarlijkse begrotingsbehandeling in de raad worden de opbrengsten uit de parkeerbelasting meegenomen. Uiteindelijk draagt de heffing van de parkeerbelasting bij aan het voorzieningenniveau van de gemeente.

Wie betaalt de parkeerbelasting?

Er zijn 2 groepen waarvoor een belastingplicht voor de parkeerbelasting kan ontstaan.

  1. De eerste groep bestaat uit mensen die parkeren in het gebied dat in de verordening is aangewezen als gebied voor betaald parkeren. Deze groep betaalt bijvoorbeeld door middel van het aanschaffen van een parkeerkaartje, door gebruik te maken van belparkeren of door op een andere wijze te betalen voor het parkeren
  2. De andere groep betaalt een vergoeding voor een door de gemeente  verleende vergunning om op een bepaalde plek te parkeren. 

Wat zijn de voorwaarden voor het heffen van de parkeerbelasting?

 De heffing van parkeerbelasting vereist een vastgestelde verordening. De gemeenteraad stelt deze verordening vast. De verordening regelt in ieder geval:

  • het gebied waarin de belasting wordt geheven
  • de tarieven voor de parkeerbelasting
  • welke vorm of vormen  parkeerbelasting worden geheven.

Wat valt er te kiezen bij het heffen van parkeerbelasting?

Bij het vaststellen van de verordening op de parkeerbelasting, kan de gemeenteraad een aantal keuzes maken. Zo kan de gemeenteraad haar voorkeuren laten meewegen in:

  • de keuze voor de tarieven en de differentiatie die hierin wordt aangebracht;
  • de maatstaf die wordt gebruikt voor de heffing;
  • de tijdstippen waarop de parkeerbelasting wordt geheven.

Vooral de maatstaf is van belang. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de parkeerduur. Een gemeenteraad kan er voor kiezen om de parkeerduur progressief te belasten: naarmate men langer parkeert, betaalt men meer. Bij het vaststellen van de tariefdifferentiatie is de gemeente gebonden aan de bepalingen in de Gemeentewet. Hierin zijn bepalingen opgenomen over parkeerduur, parkeertijd, de ingenomen oppervlakte en de ligging.

Wanneer  kan iemand vrijgesteld worden van deze belasting?

Het is mogelijk dat de gemeenteraad in zijn verordening een aantal vrijstellingen opneemt. De verordening moet deze vrijstellingen expliciet benoemen. Denk hierbij aan een vrijstelling voor:

  • voertuigen van huisartsen en verloskundigen
  • ambulances, voertuigen van de politie en van de brandweer
  • vrijstellingen voor gehandicapten.                                                                                                                                    

De gemeenteraad heeft een relatief grote vrijheid bij het bepalen van de vrijstellingen, mits deze in overeenstemming blijven met de wens tot parkeerregulering.

Meer weten & cijfers ?