Datum

Organisatie

Centrale Raad van Beroep

Soort

Wet- en regelgeving

De zaak betreft het intrekken en beëindigen van een bijstandsuitkering in verband met niet gemeld vermogen in de vorm van onroerend goed in het buitenland. Het raadplegen van digitale registers betreft volgens de uitspraak een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy.

Appellanten ontvingen vanaf 23 augustus 1999 – met onderbrekingen – bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. In het kader van een themacontrole op bezit van onroerende zaken heeft het team handhavingsambtenaren van de gemeente Venlo een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.

In dat kader is Bureau Buitenland ingeschakeld om onderzoek te laten doen naar op naam van appellant en/of appellante geregistreerde onroerende zaken in Turkije. Bureau Buitenland heeft hiervoor gebruik gemaakt van de diensten van Juridisch Bureau Tulip (Tulip). Uit het in Turkije verrichte onderzoek bleken negen percelen grond op naam van appellant geregistreerd staan. De totale waarde van het onroerend goed is bij een taxatie bepaald op € 125.592,-. Het college van B en W van Venlo heeft de uitbetaling van de bijstand geblokkeerd vanaf 1 november 2015.

In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Uitspraak

Volgens appellanten is het onderzoek discriminerend geweest omdat het alleen was gericht op bijstandsgerechtigden met een Turkse achtergrond. De beroepsgrond slaagt niet. De Raad heeft in zijn uitspraken van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2611, 2612, 2613 en 2615 een beschrijving gegeven van de wijze waarop de themacontrole van de gemeenten Venlo en Venray is opgezet. Daarbij is gebleken dat de themacontrole niet enkel was gericht op bijstandsgerechtigden met een Turkse achtergrond. De Raad heeft in de hiervoor genoemde uitspraken geoordeeld dat het in het kader van de themacontrole verrichte onderzoek niet discriminatoir is. 

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat het college onrechtmatig heeft gehandeld door een onderzoek te verrichten in Turkije, zonder dat de Turkse autoriteiten hiervoor toestemming hebben verleend. Dit is volgens appellanten in strijd met de Turkse wet. Het onderzoek was volgens hen tevens in strijd met privacywetgeving van Turkije. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraken ECLI:NL:CRVB: 2018:2914 en ECLI:NL:CRVB:2019:2615) is slechts van belang of het bewijs naar Nederlands recht, daaronder begrepen het in Nederland geldende internationale en Europese recht, rechtmatig is verkregen. Met het raadplegen van gegevens in digitale registers van - in dit geval - het kadaster in Turkije wordt een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van betrokkenen gemaakt. Aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan zodat de inbreuk op het respect voor het privéleven van betrokkenen gerechtvaardigd was. Niet gebleken is dat dit in het geval van appellanten anders is. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Meer informatie

Volledige uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2019:3383