Overig
-
Een ‘geschikte’ functie is in artikel 9.4 cao in het VWNW-traject wel genoemd maar niet gedefinieerd. Het is van belang ook een passende functie te definiëren in een sociaal statuut of sociaal plan. Een geschikte functie valt niet valt onder het begrip passende functie, maar is een functie die de medewerker bereid is te vervullen en binnen een nader te noemen tijd de medewerker geschikt maakt. Een geschikte functie kan één of twee functieniveaus lager zijn dan het niveau van de oorspronkelijke functie.
-
Een 'passende functie' is in artikel 9.4 cao in het VWNW-traject wel genoemd maar niet gedefinieerd. Het is van belang ook een passende functie te definiëren in een sociaal statuut of sociaal plan. Er is een definitie in artikel 9 Ontslagregeling: een functie die aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van een werknemer (of waarvoor hij binnen een redelijke termijn met behulp van scholing geschikt zal kunnen zijn). In de regel gaat het hierbij om functies die aansluiten bij het niveau van de werkzaamheden die een werknemer verricht. Het salaris, salarisschaal en de reistijd zijn dus geen elementen die worden meegewogen bij een passende functie. Anders dan bij het afspiegelingsbeginsel, moet op persoonsniveau beoordeeld worden of sprake is van een passende functie.
-
Het is van belang dat een sociaal statuut of sociaal plan geen wettelijke begrippen zijn en niet wettelijk verplicht zijn, maar een overeenkomst van aanvullende afspraken tussen sociale partners. Een sociaal statuut en sociaal plan kunnen ook naast elkaar bestaan.
et sociaal statuut was voor de Wnra een algemeen verbindend voorschrift met een bepaalde duur bij overheidsorganisaties waarbij kaders en het proces voor organisatiewijzigingen wordt geregeld. Het beschrijft op welke manier de medewerkers uit de bestaande organisatie worden geplaatst in de nieuwe organisatie. Vaak worden ook de spelregels, plaatsingsprocedure, plaatsingscriteria, plaatsingsproces en plaatsingscommissie beschreven. Ook wordt beschreven wat een passende functie is. Veel van deze regels in een sociaal statuut zijn in de wet geregeld in het BW, Ontslagregeling en UWV uitvoeringsregels bedrijfseconomisch ontslag.
Het sociaal plan is een civielrechtelijke overeenkomst met een bepaalde duur en bevat vaak een nadere arbeidsvoorwaardelijke afspraken en is een (nadere) invulling van de kaders in het sociaal statuut om de personele gevolgen van een bedrijfseconomisch ontslag te verzachten. In een sociaal plan worden afspraken gemaakt tussen sociale partners over de hoogte van de ontslagvergoeding, vertrek / stimuleringsregeling, outplacement en vergoedingen voor scholing of rechtsbijstand.
-
Een medewerker die arbeidsongeschikt is en over de uren van zijn arbeidsduur zijn eigen of passende arbeid verricht, werkzaamheden in het kader van re-integratie verricht, of scholing in het kader van re-integratie volgt, krijgt deze uren die op re-integratiebasis worden gewerkt 100% salaris en salaristoelagen betaald (artikel 7.1 lid 3 cao). De werknemer die na 52 weken arbeidsongeschiktheid gedurende minstens 50% van de overeengekomen arbeidsduur zijn eigen of passende arbeid verricht, werkzaamheden in het kader van re-integratie verricht, of scholing in het kader van re-integratie volgt krijgt een (extra) bonus van 5% van het salaris en salaristoelage(n) (artikel 7.1 lid 5 cao).
5. Geheimhouding
-
Schending van de geheimhouding kan tot gevolg hebben dat de raad een lid voor de duur van 3 maanden uitsluit van het ontvangen van geheime informatie. Dit geldt ten aanzien van zowel mondelinge als schriftelijke geheime informatie (artikel 89 lid 2 en lid 5 Gemeentewet).
Bij mondelinge informatie gaat het om informatie die is gewisseld tijdens een besloten vergadering (artikel 23 lid 4 Gemeentewet). Procedurele informatie over de gang van zaken tijdens een besloten vergadering, zoals een interventie van de voorzitter of het weglopen van een lid, valt volgens het ministerie van BZK niet onder die geheimhouding.
-
Het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, kan deze geheime informatie nog aan anderen (zoals burgerraadsleden) verstrekken, mits de geheimhouding daarmee niet materieel wordt opgeheven. Als geheime informatie aan anderen dan de organen van de gemeente wordt verstrekt, rust op deze anderen een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht en artikel 272 Wetboek van Strafrecht.
Zodra het orgaan de geheime informatie met de raad heeft gedeeld, is alleen de raad nog bevoegd om de informatie met anderen te delen dan waarmee deze informatie al was gedeeld. De raad kan er ook voor kiezen om nadere regels te stellen over hoe andere bestuursorganen dan toch in bepaalde gevallen de kring van geheimhouders zelf mogen uitbreiden. Als de raad het wenselijk vindt om alle partijen aan generieke regels te binden, is hiervoor een verordening aangewezen.
De Gemeentewet laat nadrukkelijk de keuze aan de raad om al dan niet nadere regels te stellen. In artikel 88, zesde lid, Gemeentewet staat dat 'de raad regels kan stellen'. Het stellen van nadere regels is dan ook niet verplicht. De raad kan er ook voor kiezen om geen nadere regels te stellen maar wel afspraken te maken over hoe andere bestuursorganen in bepaalde gevallen de kring van geheimhouders mogen uitbreiden nadat die de geheime informatie met de raad hebben gedeeld.
Te denken valt aan een algemene of specifieke machtiging waarbij de raad vastlegt in welke gevallen bijvoorbeeld het college geheime informatie ook nog met anderen kan delen nadat deze informatie aan de raad is verstrekt en onder welke voorwaarden dit moet gebeuren. Het zou dan kunnen gaan om gevallen waarin verstrekking van informatie aan bepaalde partijen voor het college noodzakelijk is in het kader van het dagelijks bestuur, ook nadat deze informatie onder geheimhouding is verstrekt aan de raad.
Als bij de raad en/of andere bestuursorganen de behoefte bestaat aan nadere regels dan wel afspraken over het uitbreiden van de kring van geheimhouders nadat de geheime informatie met de raad is gedeeld, dan is het raadzaam dat de raad en die andere bestuursorganen hierover tijdig met elkaar in gesprek gaan. Uiteindelijk is het de gemeenteraad zelf die op basis van een verordening of beleidsregels de eigen werkwijze rond geheimhouding en de kring van geheimhouders vaststelt.Meer informatie hierover is te vinden in de circulaire geheimhouding (pdf, 3,4 MB) van het ministerie van BZK.
-
Het ligt niet voor de hand om geheimhouding voor een bepaalde termijn op te leggen. Het orgaan dat tot opheffing bevoegd is, moet op zeker moment bepalen of er reden is om de geheimhouding op te heffen. Doorgaans is op voorhand niet goed te voorspellen wat daar een geschikt moment voor is. In plaats hiervan kan ervoor worden gekozen om de geheimhouding periodiek te heroverwegen.
Als geheime informatie met de raad is gedeeld, is de raad bij uitsluiting bevoegd om de geheimhouding op te heffen. Een vooraf door bijvoorbeeld het college bepaalde termijn mag niet ten koste van die bevoegdheid van de raad gaan.
-
De artikelen 87, 88 en 89 Gemeentewet gaan uit van de organen van het gemeentebestuur en dus niet van een fractie of raadslid. Alleen een orgaan van het gemeentebestuur kan dus geheimhouding op informatie leggen en die informatie zelf vertrouwelijk met anderen delen. Zodra die geheime informatie aan de raad is verstrekt, mag alleen de raad die geheime informatie nog met anderen delen.
Als geheime informatie aan de raad is verstrekt, biedt artikel 88 lid 6 Gemeentewet nog wel de mogelijkheid voor de raad om regels te stellen over de ruimte die het aan andere organen van het gemeentebestuur wil geven om die geheime informatie toch ook nog zelf met anderen te delen. Ook hier gaat het dus niet om een fractie of raadslid aan wie de raad die ruimte kan geven.
Als een individueel lid van een orgaan waaraan geheime informatie is verstrekt deze informatie met anderen deelt of openbaar maakt, schendt diegene de geheimhoudingsplicht. De raad kan in dat geval besluiten om het betreffende lid voor maximaal 3 maanden uit te sluiten van toegang tot stukken waarop geheimhouding rust. Dit staat los van eventuele strafbaarheid op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. -
Nee. Als de wens bestaat geheime informatie aan een of enkele raadsleden te verstrekken, moet deze informatie aan de gehele raad worden verstrekt (Kamerstukken II 2019/20, 35 546, nr. 3, p. 10 en 20). Ook als geheime informatie wordt verstrekt aan een commissie waarin raadsleden zitting hebben, moet die informatie tevens aan de voltallige raad worden verstrekt (artikel 88, vijfde lid, Gemeentewet). Hiermee wil de wetgever de gelijkheid in de informatiepositie tussen raadsleden benadrukken. Ook voorkomt deze regeling dat onduidelijkheid ontstaat over de status van informatie en bijvoorbeeld over de (on)mogelijkheid om deze informatie in de fractie te delen of bespreken.
Een situatie waarvoor dit volgens het ministerie van BZK niet geldt, betreft die van de besloten commissievergadering. Op het moment dat bepaalde zaken in een besloten commissievergadering worden besproken, komt die geheime informatie ter kennis van de aanwezigen en rust op die informatie van rechtswege geheimhouding (artikel 23 lid 4 Gemeentewet). Deze mondelinge informatie is niet aan de commissie verstrekt waardoor de geheime informatie ook niet aan de gehele raad hoeft te worden verstrekt.
-
Het audioverslag van een besloten commissievergadering moet worden beschouwd als een verslag in de zin van artikel 82 lid 5 Gemeentewet juncto artikel 23 lid 5 Gemeentewet. Dit verslag mag niet openbaar worden gemaakt tenzij de raadscommissie besluit de verplichting tot geheimhouding omtrent informatie die in die besloten vergadering ter kennis van de aanwezigen komt op te heffen.
-
Het college moet het Woo-verzoek dan doorsturen naar het orgaan dat bevoegd is de geheimhouding op te heffen. Dat is in het geval van door een commissie opgelegde geheimhouding zowel de commissie zelf als het orgaan dat de commissie heeft ingesteld. De commissie of dat andere orgaan zal moeten beoordelen of geheimhouding van de informatie nog steeds nodig is.
Zo ja, dan blijft er geheimhouding op de informatie rusten en moet het college het Woo-verzoek afwijzen onder verwijzing naar de op de informatie rustende verplichting tot geheimhouding. Zo nee, dan heft de commissie of het andere bevoegde orgaan de geheimhouding op. Het college beslist vervolgens over de openbaarmaking van de gevraagde informatie met inachtneming van de Woo.
Huis van klokkenluiders
-
Volledige vraag
Onze gemeente was aangesloten bij de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO). Er is sinds 1 juli een nieuwe Huis voor klokkenluiders waar organisaties en medewerkers terecht kunnen. Moet onze gemeente zich daar ook laten registreren of aanmelden?Antwoord
Per 1 juli 2016 kennen we inderdaad het Huis voor klokkenluiders, dit is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) te Utrecht. Het OIO is samen met BIOS en het Adviespunt Klokkenluiders opgegaan in het Huis van de Klokkenluiders. Men hoeft zich voor het Huis van klokkenluiders niet te registreren of aan te melden, het Huis werkt voor iedereen zowel in de private als publieke sector.Met het Huis van de Klokkenluiders is het melden van misstanden wettelijk geregeld en een regeling voor het melden van interne misstanden wettelijk verplicht, namelijk in de nieuwe Wet van de klokkenluiders. Uw gemeente dient een nieuwe regeling vast te stellen voor het melden van misstanden.
U kunt de voorbeeldregeling downloaden via: