Overzicht veelgestelde vragen over Wet op de lijkbezorging

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

In de Wet op de lijkbezorging (art. 24 en 37) staat wie houder van een begraafplaats kunnen zijn. Ook andere instanties dan kerken en gemeenten kunnen houder zijn. De gemeente bepaalt of en waar iemand een begraafplaats kan beginnen. Dit slaat op het gegeven dat de gemeenteraad een brede afweging kan maken (denk aan ruimtelijke ordening, welzijn etc.). De gemeente zou bij overgang van een begraafplaats naar een andere organisatie of rechtspersoon opnieuw de afweging kunnen maken. Het gaat hierbij om een publiekrechtelijke beslissing die niet overdraagbaar is. Geconcludeerd kan worden dat indien iemand een begraafplaats exploiteert en niet over een beslissing van de gemeenteraad en B&W beschikt, hij de Wet op de lijkbezorging overtreedt. In de strafbepalingen kan men nagaan of daartegen straf wordt bedreigd.

De gemeente heeft de mogelijkheid om begraafplaatsen te sluiten, maar als het gaat om een bijzondere begraafplaats zou men daar wat voorzichtig mee moeten zijn. In ieder geval moet er overleg over worden gevoerd met de houder van de bijzondere begraafplaats.

In het Besluit op de lijkbezorging staat alleen dat de afstand van een graf tot de erfafscheiding van de begraafplaats minimaal een meter moet zijn (art.6). Er is geen afstandsvereiste ten opzichte van omliggende bebouwing. Genoemde afstand kan in het kader van de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening door gemeenten in een bestemmingsplan worden bepaald. Hoe de erfafscheiding eruit ziet, is een zaak van de eigenaar van de begraafplaats. Gemeenten kunnen daarvoor wel regels opstellen.

Op grond van artikel 33 van de Wet op de lijkbezorging moet een gemeente ten minste één begraafplaats hebben.

Meerdere gemeenten mogen ook gezamenlijk een begraafplaats hebben. Deze wettelijke plicht dient een helder doel. Als iemand overlijdt moet zijn lijk kunnen worden ‘bezorgd’. Niet het feitelijke ‘bezorgen’, maar wel het bieden van de laatste rustplaats ziet de wetgever als een overheidstaak. Logisch, want wat te doen met een lijk als het nergens heen kan? Dat zou de openbare orde kunnen verstoren en leiden tot ziekmakende omstandigheden.

Ontheffing van de verplichting tot het hebben van een begraafplaats kan door Gedeputeerde Staten worden verleend. Om voor zo'n ontheffing in aanmerking te komen moet de gemeente wel hard kunnen maken dat er een begraafvoorziening is voor de burgers van die gemeente. Zo komt het in de praktijk nog wel eens voor dat er enkel een bijzondere (bijv. een katholieke) begraafplaats is. Burgers die niet behoren tot de Rooms-katholieke kerk kunnen daarop dan toch begraven worden, soms op een afgescheiden deel. Een gemeente die uit meerdere kernen bestaat is niet verplicht voor iedere kern een begraafplaats in te richten. Eén begraafplaats voor de gehele gemeente volstaat wettelijk gezien. Het is dus aan gemeenten om keuzes ten aanzien van die kernen te maken.

Wat wordt door de politie betaald, wat door de gemeente en welke kosten komen ten laste van de nabestaanden? Het schema kostenverdeling na aantreffen van een stoffelijk overschot geeft hiervan een overzicht. Het schema kan niet zonder de uitgebreide toelichting gelezen worden.

Particuliere graven worden in het algemeen spraakgebruik ook wel ‘eigen graven’ of ‘familiegraven’ genoemd. De Wet op de lijkbezorging maakt sinds 1 januari 2010 onderscheid tussen algemene graven, waarbij de houder van de begraafplaats bepaalt wie daarin worden begraven, en particuliere graven, waarbij de ‘rechthebbende’ bepaalt wie daarin wordt begraven. Dit laatst genoemde, zogenaamde ‘uitsluitend’ recht kan vergeleken worden met de vergunning die aan een koopman wordt verleend om een standplaats in te nemen op de openbare weg. De koopman mag op een bepaalde plaats staan. Net als bij de standplaatsvergunning steunt het recht om lijken in een bepaald graf te begraven op een persoonlijke beschikking. De eigenaar kan zijn recht dus niet verkopen. Het recht kan op verzoek van de rechthebbende wel worden overgeschreven op een ander.

Niet alle nabestaanden stellen prijs op een particulier graf, of zij hebben daar de middelen niet voor. Ook komt het voor dat de betreffende begraafplaats geen particuliere graven kent. Dan wordt begraven in algemene graven, graven zonder grafrechten. Het betreft graven waarover, in tegenstelling tot de particuliere graven, de gemeente zeggenschap houdt.

In de geest van de wet zijn directe nabestaanden verantwoordelijk voor de lijkbezorging van hun overleden dierbare. Maar als iemand overlijdt en niemand zorgt voor de lijkbezorging, dan moet de burgemeester dat doen volgens art. 21 lid 1 van de Wet op de lijkbezorging. Het gaat dan niet om de burgemeester van de gemeente waar de persoon is ingeschreven, maar om de burgemeester van de gemeente waar de persoon is aangetroffen. Nog ruimer gesteld: de burgemeester van de gemeente waar de overledene zich bevindt op het moment dat wordt geconstateerd dat niemand iets doet in het kader van de lijkbezorging. Gemeenten kunnen hier onderling afspraken over maken.

De kosten van de lijkbezorging kunnen vervolgens bij voorrang verhaald worden op de nalatenschap en, als er geen nalatenschap is, op degenen die tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest (volgens Burgerlijk Wetboek Boek I art. 392-396). Als er niets te verhalen is blijven de kosten voor de gemeente.

Een aantal gemeenten heeft een begrotingspost hiervoor opgenomen. In de praktijk blijkt dat gemeenten die met dergelijke situaties te maken krijgen vaak meer moeten regelen dan uitsluitend de lijkbezorging. Denk hierbij aan ‘bereddering’ van de inboedel en woning. Formeel wordt, indien er geen erfgenamen zijn, de Staat verkrijger van de onbeheerde nalatenschap (artikel 4:189 BW). 

In geval van een onbeheerde nalatenschap kan als volgt worden gehandeld:

  • Allereerst wordt getracht om via verhaal op de nabestaanden de verhaalsvordering (d.w.z. de kosten van de begrafenis of crematie) te innen. Resteert daarna nog een vordering, dan wordt per geval beoordeeld of het noodzakelijk en doelmatig is om:

     
  • de rechtbank te verzoeken de gemeente te benoemen tot vereffenaar,
  • een notaris te verzoeken om de afwikkeling van de nalatenschap ter hand te nemen,
  • het Rijksvastgoedbedrijf in te schakelen om de afwikkeling ter hand te nemen.

Dit alles met het doel de kosten van de lijkbezorging etc. toch nog te kunnen verhalen.

Als meteen al duidelijk is dat er een onbeheerde boedel is die een hoge waarde vertegenwoordigt, kan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) worden verzocht om de afwikkeling van de nalatenschap ter hand te nemen. Het RVOB zal zich inspannen om erfgenamen te vinden en tot een wettelijke afwikkeling te komen. De verhaalsvordering van de gemeente zal daarin dan ook worden betrokken, conform de wettelijke rangorde.

Zie voor (veel) meer informatie over dit onderwerp de geactualiseerde ´Beleidsregels Wet op de lijkbezorging´, geschreven onder auspiciën van Stimulansz. Zie www.stimulansz.nl

Er zijn slechts twee artikelen in de Wet op de lijkbezorging die bepalen dat gemeenten iets moeten verordenen. Het gaat dan om het regelen van de tijden waarop begraven en gecremeerd kan worden (art. 35 en 56). Voor het overige is de beheersverordening voor de begraafplaats een zuiver gemeentelijke aangelegenheid.

Het is aan de gemeente om regels op te nemen over wie er begraven mag worden op de begraafplaats. Als daaromtrent niets wordt geregeld, kan in principe iedereen op de betreffende begraafplaats begraven worden. Er zijn gemeenten die de kring gegadigden beperken tot hun eigen burgers of mensen met een directe relatie met de gemeente. In de praktijk blijkt het lastig om dit voor alle betrokkenen naar tevredenheid te regelen.

In de verordening hoeft niets te staan over het herstel van vernielde graven. Vandalen kunnen via het Wetboek van Strafrecht worden aangepakt en aansprakelijk worden gesteld voor de toegebrachte schade. In het algemeen zullen gemeenten die met vandalisme te maken krijgen zorgen voor herstel van de grafmonumenten. Dat heeft uiteraard te maken met het aanzien van de begraafplaats, maar ook met gevoelens van piëteit naar de nabestaanden.

Nederland is partij bij enkele internationale overeenkomsten over lijkentransport. Meest relevant is de Overeenkomst van Straatsburg. Lijkentransport naar een van de aangesloten landen moet voldoen aan de bepalingen van de overeenkomst. Deze bevat regels over onder meer technische vereisten betreffende het lijkomhulsel en over de documenten (zogeheten ‘laissez-passer’) die getoond moeten kunnen worden. Dit laissez-passer wordt afgegeven door de burgemeester van de gemeente waar de akte in het register van overlijden is ingeschreven. De Benelux heeft eigen afspraken gemaakt. Een verlof tot begraving of crematie volstaat doorgaans. Voor transport naar overige landen moet ten behoeve van de douane een document worden bijgevoegd waarop gegevens van de overledene staan vermeld en de bestemming van het lijk wordt genoemd. Zie het Besluit op de lijkbezorging, art. 11 en 12. Verder is het verstandig kennis te nemen van de regels die luchtvaartmaatschappijen stellen voor lijkenvervoer. Dat kan per maatschappij verschillen.

Artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging geeft aanwijzingen met betrekking tot tijden waarop begraven kan worden. De gemeente mag de tijden bepalen waarop bezoek is toegestaan op de begraafplaats. Praktisch gezien zal er in ieder geval op werkdagen en zaterdagen gelegenheid tot bezoek zijn .

Er zijn geen uniforme tarieven voor lijkschouwing. GGD Nederland is wellicht op de hoogte van gemiddelde tarieven bij gemeenten.

Een gemeente kan een strooiveld aanwijzen op de begraafplaats. Van de verstrooiingen hoeft de gemeente geen register bij te houden. Artikel 50 (en ook artikel 65) van de Wet op de lijkbezorging voorziet in regels voor de houder van een crematorium (of houder van een bewaarplaats van asbussen) om bij te houden wat er met de asbus en de as gebeurt. Als een nabestaande as wil verstrooien op het strooiveld van de gemeentelijke begraafplaats zal elders dus al geregistreerd staan dat de as die bestemming heeft gekregen. De nabestaande heeft de asbus immers eerst op moeten halen.

In de wet staat dat het begraven van lijken dient te geschieden op een begraafplaats. Wat een begraafplaats is, bepaalt de gemeenteraad. Hieraan liggen overwegingen omtrent ruimtelijke ordening en welzijn aan ten grondslag. Men mag dus niet zelf een plekje kiezen voor de overledene. Maar het staat iedereen vrij om een verzoek aan de gemeenteraad te richten om een bepaald deel van de grond te bestemmen als begraafplaats. Hiervan zijn inmiddels meerdere voorbeelden in Nederland bekend. In sommige gevallen heeft de gemeenteraad ingestemd. Die zag dan geen bezwaar in het langdurig beslag op grond wat een begraafplaats met zich meebrengt. Een aparte situatie ontstaat wanneer ouders een doodgeboren kindje op een eigen, dierbaar plekje willen begraven. In de Wet op de lijkbezorging (art. 2) is bepaald dat een menselijke vrucht die na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken levenloos ter wereld is gekomen of binnen 24 uur na de geboorte is overleden niet als lijk in de zin van de wet wordt gezien. Deze kindjes vallen daarom niet onder de bepalingen van de Wet op de lijkbezorging. Ouders zullen als bewijs een doktersattest kunnen overleggen. Het begraven hoeft dus niet op een begraafplaats, maar mag ook elders, bijv. in de achtertuin. Begraven op een andere plek dan een begraafplaats is gebonden aan de toestemming van de eigenaar van die plek.

De rechthebbende heeft zeggenschap over het graf en bepaalt dus wie en wat er bijgezet wordt, een en ander onder de regels van de toepasselijke verordening. Als de (overige) nabestaanden het niet eens zijn met de rechthebbende, dient men daar onderling uit zien te komen. In het uiterste geval kan de familie proberen via de rechter de rechthebbende te dwingen toestemming te geven. De gemeente (i.c. de beheerder van de begraafplaats) blijft hier echter buiten.

De as van iemand die gecremeerd is mag worden verstrooid op het daartoe door de gemeente aangewezen strooiveld of boven open zee (art. 66a Wet op de lijkbezorging). Maar ook mag de nabestaande die de zorg voor de asbus op zich heeft genomen zelf een ‘dierbaar’ plekje zoeken voor de verstrooiing. Dit wordt ‘incidentele asverstrooiing’ genoemd. De gemeentelijke APV geeft uitsluitsel of de as op dat gekozen plekje verstrooid mag worden. De VNG heeft hiervoor modelbepalingen gemaakt. Indien de APV niets regelt over asverstrooiing mag de verstrooiing in principe overal plaatsvinden, tenzij andere regels zich er tegen verzetten. Indien men wil verstrooien op het grondgebied van een andere eigenaar dan de gemeente moet toestemming worden gevraagd aan die eigenaar. Zo mag verstrooien in een achtertuin alleen als de eigenaar daar toestemming voor heeft gegeven. In de model-APV heeft de VNG de begraafplaats uitgezonderd van de mogelijkheid om incidenteel te kunnen verstrooien. Het gaat er hierbij niet om geen asverstrooiing toe te staan op begraafplaatsen, maar het heeft als doel niet-beheersbare verstrooiingen tegen te gaan.

Na de crematie moet de as in een bus worden geborgen. Die bus moet minimaal één maand bewaard worden door de houder van het crematorium. Daarna kan de bus bijgezet worden op een bewaarplaats op de begraafplaats of bij het crematorium, kan de as verstrooid worden, of kunnen nabestaanden de zorg voor de asbus op zich nemen (d.w.z. mee naar huis nemen of zelf verstrooien). Ook kan de asbus op verzoek verzonden worden naar het buitenland. Het is ook mogelijk dat na de crematie op verzoek een deel van de as op een andere wijze wordt geborgen en direct aan de nabestaande ter beschikking wordt gesteld. Zie de Wet op de lijkbezorging, artikel 58 tot en met 61.

Hier wordt het scheiden van zowel de begrafenisrechten als de graf- en onderhoudsrechten voor begravingen en bijzettingen van urnen bedoeld. Het heffen van verschillende tarieven voor verschillende handelingen is inderdaad mogelijk.

n het kader van het armoedebeleid verlenen de meeste gemeenten kwijtschelding van een aantal gemeentelijke belastingen. Van retributies, zoals lijkbezorgingrechten, wordt doorgaans geen kwijtschelding verleend. De reden hiervoor is dat de retributie in feite betaling voor geleverde diensten is en geen algemene belasting. In de Modelverordening lijkbezorgingrechten is dan ook het volgende artikel opgenomen: 'Bij de invordering van de lijkbezorgingrechten wordt geen kwijtschelding verleend'.

In artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging is bepaald dat het uitsluitend recht op een graf voor onbepaalde tijd of voor een tijd van ten minste tien jaar kan worden verleend. In artikel 28 is verder geregeld dat het grafrecht verlengd kan worden. Dat kan telkens met perioden van ten minste vijf jaar en maximaal twintig jaar. Als een rechthebbende verzoekt om verlenging van het grafrecht moet daarmee worden ingestemd, aangezien het hier gaat om een imperatieve bepaling. Het is daarom niet mogelijk in de beheersverordening een bepaling op te nemen dat het recht slechts een aantal malen verlengd kan worden.

Wanneer sprake is van verwaarlozing kunnen, als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, de grafrechten vervallen. Artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging bepaalt het volgende:

De verwaarlozing wordt in een schriftelijke verklaring vastgelegd; deze wordt toegezonden aan de rechthebbende. Wanneer deze niet binnen één jaar na (bevestiging van) ontvangst in het onderhoud voorziet, vervalt het grafrecht. Wanneer de ontvangst van de verklaring niet wordt bevestigd, wordt deze gedurende vijf jaar bekend gemaakt bij het graf en bij de ingang van de begraafplaats. Als gedurende deze periode niet is voldaan aan de oproep het graf te onderhouden, vervalt het grafrecht. De minimale uitgiftetermijn dient dan wel te zijn verstreken. In de praktijk doen veel gemeenten oproepen om in het onderhoud van bepaalde graven te voorzien ook nog eens via regionale of landelijke media. Voor graven waarop voor 1 januari 2009 het recht is gevestigd, en ten aanzien waarvan voor 1 januari 2024 een verklaring van verwaarlozing wordt opgesteld, geldt een overgangsbepaling (artikel 84a van de Wet op de lijkbezorging): Het recht vervalt dertig jaar na de laatste begraving in dat graf, op zijn vroegst met ingang van 1 januari 2029.

Bij een particulier graf is er sprake van een beschikking waarin het grafrecht is vastgelegd. Die beschikking is gebaseerd op de regels die golden ten tijde van het afgeven van de beschikking. Het is van belang deze regels te achterhalen. Als daarin is bepaald dat het onderhoud (inclusief groot onderhoud) aan het graf volledig is afgekocht, kan de gemeente het grafrecht niet laten vervallen op grond van verwaarloosd onderhoud . De gemeente was immers zelf verplicht het graf te onderhouden.

Op voorwaarde dat de termijn van grafrust (tien jaar na de laatste begraving) wordt gerespecteerd kunnen, wanneer de grafrechten zijn vervallen, de graven worden geruimd. Er zijn immers geen rechthebbenden meer aan wie toestemming gevraagd moet worden.

Hoe te handelen als de rechthebbende is overleden?

In de Model-beheersverordening van de VNG is een bepaling opgenomen dat na het overlijden van de rechthebbende de nabestaanden zelf het initiatief moeten nemen het recht op het particuliere graf op een andere naam te zetten (artikel 17). De aanvraag daartoe dient dan binnen zes maanden na het overlijden van de rechthebbende te worden gedaan. Als de rechthebbende zelf in het graf moet worden begraven, dient het verzoek tot overschrijving van het recht vóór de begrafenis te worden gedaan. Wanneer het verzoek tot overschrijving niet binnen de genoemde termijnen wordt gedaan vervalt het grafrecht en kan de gemeente het graf na afloop van de grafrusttermijn (10 jaar) ruimen.

Als de gemeente een dergelijke bepaling niet heeft vervalt het grafrecht na afloop van de termijn waarvoor het recht was verleend. Hierbij moet de gemeente wel rekening houden met de verplichting, genoemd in artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging om minstens een jaar voor afloop van de termijn de rechthebbende te informeren. Als die is overleden is het kies om de nabestaanden op de een of andere manier van de afloop van de termijn in kennis te stellen en de mogelijkheid van verlenging te bieden (zie ook weer artikel 28). Dat is mogelijk door middel van een bordje bij het graf en een bericht op het mededelingenbord bij de ingang van de begraafplaats. Ook een bericht in de media behoort tot de mogelijkheden. Als daar geen reactie op komt, kan het grafrecht na afloop van de termijn als vervallen worden beschouwd.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat het uitgangspunt van de wet is: eens begraven blijft begraven. Toch kunnen er situaties zijn waarin het nodig is een lijk op te graven, bijvoorbeeld in het geval van strafrechtelijk onderzoek. Een officier van justitie kan daartoe dan bevel geven. Maar ook nabestaanden kunnen een motief hebben om een lijk op te laten graven.

Het is volgens artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging aan de burgemeester om te beslissen op een verzoek daartoe van de nabestaanden. Voor deze beslissing is geen goede handreiking te geven. De jurisprudentie over toepassing van artikel 29 is wisselend van karakter. Uitgaande van de wetsgeschiedenis heeft de beslissing de vorm ‘nee, tenzij…..’. Het ‘tenzij’ slaat dan op de specifieke omstandigheid.

Stel dat een overledene (onbedoeld) in het verkeerde graf is begraven, of in een algemeen graf terwijl men een particulier (‘eigen’) graf wenste. In dergelijke gevallen ligt het in de rede om in te stemmen met het verzoek om opgraving. Ook als een nabestaande zwaar zou lijden onder de omstandigheid dat de overledene niet opgegraven en herbegraven mag worden, zou dat een grond kunnen zijn voor een positieve beslissing.

Maar wat te doen als de nabestaanden verhuizen en zij wensen dat de overledene 'mee verhuist'? Men dient te bedenken dat een opgraving op een dag gelegen tussen twee maanden en tien jaar na de begrafenis de grafrust van de overledene in ieder geval zal verstoren. De eerste maanden na de begrafenis is een kist gewoonlijk nog intact en kan, zonder de inhoud te hoeven beroeren, uit een graf worden genomen. Na tien jaar is de kist meestal vergaan en is het stoffelijk overschot geskeletteerd. In hoeverre dit inderdaad het geval is hangt overigens sterk af van de grondsoort.

Vóór de laatste wetswijziging diende de burgemeester voor een opgraving nog advies te vragen aan de regionale inspecteur van het ministerie van VROM. De adviestaak van de (voormalige) Inspectie Milieuhygiëne is echter vervallen, en daarom ook niet meer in de huidige wet opgenomen. De Inspectierichtlijn Lijkbezorging blijft dienst doen als bron van antwoorden voor vragen uit de praktijk.

In artikel 31 van de Wet op de lijkbezorging wordt beschreven onder welke voorwaarden een graf mag worden geruimd. Het ruimen van een graf geschiedt op last van de houder van de begraafplaats, waarbij rekening wordt gehouden met een termijn van tien jaar (de grafrust) nadat in het graf voor het laatst een lijk is geplaatst. Indien het een particulier graf betreft, is toestemming van de rechthebbende noodzakelijk. De verplichting om de VROM-inspectie van het voornemen om het graf te ruimen op de hoogte te stellen is komen te vervallen.

Voordat wordt overgegaan tot ruiming dient een termijn in acht te worden genomen, afhankelijk van datgene wat hierover in de beheersverordening begraafplaatsen is opgenomen. In de Model-beheersverordening begraafplaatsen van de VNG wordt in art. 24 bepaald dat het voornemen tot ruiming ten minste een jaar voordat het graf geruimd zal worden aan de nabestaanden bekend gemaakt moet worden.

Wanneer het een algemeen graf betreft moeten, volgens artikel 27a van de Wet op de lijkbezorging, de nabestaanden ten minste zes maanden en maximaal een jaar voor het verstrijken van de uitgiftetermijn van het graf schriftelijk daarvan op de hoogte worden gesteld. Hierbij kan dan gelijktijdig de mededeling worden gedaan dat t.z.t. de grafbedekking zal worden verwijderd en het graf zal worden geruimd. Wanneer het een particulier graf betreft moet de rechthebbende, volgens artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging, minstens een jaar voor het verstrijken van de termijn van het recht op het graf op de hoogte worden gesteld van dit feit, en van de mogelijkheid verlenging van het recht te vragen. Er kan dan gelijktijdig de mededeling worden gedaan dat, wanneer niet om verlenging wordt verzocht, t.z.t. de grafbedekking zal worden verwijderd en het graf zal worden geruimd.

In artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging is bepaald dat de burgemeester toestemming kan geven een lijk op te laten graven. Deze toestemming zal enkel worden verleend als ook duidelijk is wat er met het lijk gebeurt. Opgraving geschiedt immers met het oogmerk het lijk elders opnieuw te begraven of te laten cremeren.

In artikel 31 van de Wet op de lijkbezorging staat dat graven na verloop van tien jaar nadat er voor het laatst iemand is begraven, onder bepaalde voorwaarden geruimd mogen worden. De periode van tien jaar wordt de grafrusttermijn genoemd. Het oogmerk van ruimen is niet, zoals bij opgraven wel het geval is, dat de resten herbegraven worden. De bedoeling is dat er grafruimte vrijkomt voor nieuwe begraving. Normaliter is hiervoor geen toestemming van de burgemeester nodig. Uiteraard worden de geruimde resten wel weer ter aarde besteld (bijvoorbeeld in een verzamelgraf) of - op verzoek van de nabestaanden - gecremeerd.

Het verschil tussen opgraven en ruimen lijkt duidelijk, maar toch is er af en toe verwarring. Vaak wordt gedacht dat het ‘opgravingartikel 29’ enkel geldt voor lijken die minder dan tien jaar in het graf hebben gelegen. Na die tijd zou geen toestemming van de burgemeester meer nodig zijn en zou het regime van artikel 31 gelden. Dat is niet juist. Als een stoffelijk overschot uit het graf gehaald wordt met het doel herbegraven of gecremeerd te worden, is er altijd sprake van opgraving en is toestemming van de burgemeester nodig. Ook al gaat het om een stoffelijk overschot dat er al honderd jaar ligt.

Nabestaanden hebben geen récht op opgraving of ruiming. Nabestaanden die verlangen dat een graf geruimd wordt, ontberen een wettelijke grondslag. Het is aan de houder van de begraafplaats om te beslissen over ruiming. Als een graf vol is, vragen nabestaanden vaak om het graf te ruimen teneinde er nieuwe bijzettingen in te kunnen laten plaatsvinden. Het graf kan dan worden ‘geschud’. ‘Schudden’ is in feite een vorm van ruimen van een graf, waarbij de verzamelde resten dieper onder hetzelfde graf ter aarde worden besteld. Die resten tellen dan niet meer als een bijzetting. Zo is er in het graf ruimte gemaakt voor nieuwe begravingen.