Overzicht veelgestelde vragen over Leerlingenvervoer

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Begeleiding is primair een taak van de ouders. Blijken zij niet in staat te zijn te begeleiden, dan dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen (bijv. oppas, buren, familie). In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de hardheidsclausule (art. 23 Modelverordening). Aandachtspunt hierbij is dat veel gemeenten een soepeler begeleidingsbeleid hebben dan hier aangegeven. Is de gemeente soepel bij het toekennen van aangepast vervoer, terwijl eigenlijk openbaar vervoer met begeleiding passend is, dan kan de gemeente niet plotseling heel streng worden ten aanzien van begeleiding in het aangepast vervoer. Het gemeentelijk beleid is het kader.

Als een leerling samen met andere leerlingen in een bus(je) wordt vervoerd en daarbij, zoals de gemeente zelf stelt, moet worden begeleid vanwege de aanwezigheid van andere leerlingen, is de gemeente gehouden de begeleiding in het gecombineerde vervoer te verzorgen. Het gaat hier dus om begeleiding die niet nodig zijn als de leerling individueel zou worden vervoerd. Zie de uitspraak van de Raad van State van 16 april 2008, nr 200704263.

Medische zorgverlening valt niet onder het begrip 'passend vervoer', volgens een uitspraak van de rechtbank Zwolle d.d. 15 november 2007 (Awb 06/1788). De Raad van State heeft in een uitspraak van 8 oktober 1990 (R03.90.3061) bepaald dat ´passend vervoer onder omstandigheden ook de salariskosten van een begeleider kan omvatten´. Ook in deze zaak ging het om medische begeleiding.

Tweeënhalf procent van de scholieren is hoogbegaafd. Gemeenten worden regelmatig geconfronteerd met aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen die zich richten op hoogbegaafde kinderen, zoals Leonardoscholen.

In veel gevallen kunnen hoogbegaafde leerlingen met de juiste begeleiding en het juiste lesmateriaal op een reguliere, dichtbij gelegen school het bij hen passend onderwijs krijgen. Gemeenten dienen dan wel te onderzoeken of de begeleiding en het materiaal daadwerkelijk op deze school aanwezig is. De Raad van State heeft in een aantal zaken uitspraak gedaan omtrent het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule bij aanvragen tot bekostiging van vervoer naar scholen die zich richten op het onderwijs aan hoogbegaafden. In een uitspraak van 15 januari 2010 (nr. 200908583), stelde de Raad van State de gemeente op dit punt in het gelijk. Gemeente Boskoop had bij een aanvraag voor vervoer naar een ver weg gelegen school niet de hardheidsclausule toegepast. De gemeente had uit de verkregen informatie afgeleid dat de hoogbegaafde leerling ook op een dichterbij gelegen school met bepaalde begeleiding passend onderwijs kon krijgen. De uitspraak van 13 oktober 2010 (nr. 201001294, gemeente Emmen) stelde dat de gemeente de plicht had te onderzoeken of de noodzakelijk begeleiding op de dichtbij gelegen school daadwerkelijk aanwezig was, zoals door de rechtbank eerder was opgedragen. In deze casus had de gemeente moeten onderzoeken of een beroep op de hardheidsclausule gerechtvaardigd was. Zie nog de uitspraken van 13 juli 2011 (nr. 201007252 , gemeente Asten) en 30 november 2011 (nr. 201103705 , gemeente Utrechtse Heuvelrug), waar de gemeenten in het gelijk werden gesteld.

In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat scholen geld ontvangen voor de specifieke benadering van ‘zorgleerlingen’. Hieronder vallen ook hoogbegaafde kinderen. De praktijk leert echter dat veel scholen deze zorg alleen besteden aan moeilijk lerende kinderen of kinderen met gedragsproblemen en niet aan hoogbegaafde kinderen. Scholen kunnen hierop aangesproken worden (bijvoorbeeld in een OOGO).
Het ministerie van OCW heeft geld beschikbaar gesteld om projecten op te starten, gericht op het stimuleren van uitmuntende prestaties van toptalenten op basisscholen en het stimuleren van een omgeving waarin excellentie wordt gewaardeerd. Hiermee wordt ook tegemoet gekomen aan de wens vanuit het onderwijsveld om (hoog)begaafden meer uitdaging te bieden.

Voor informatie kan men contact opnemen met een schoolbegeleidingsdienst. Deze diensten weten welke scholen de beschikbare zogenaamde “verrijking, versnelling en verdiepingsmaterialen” in hun leerplan hebben opgenomen. Sommige reguliere basisscholen of samenwerkingsverbanden organiseren eens per week zogenaamde verdiepingsklassen, waar hoogbegaafde leerlingen aan deel kunnen nemen. Of de gemeente in dat geval vervoer bekostigt is aan de gemeente zelf om te beoordelen. Het Landelijke Informatiecentrum Hoogbegaafdheid raadt de verwijzing naar aparte scholen af: Kinderen moeten in de tijd dat ze opgroeien niet in aparte hokjes geplaatst worden.

In ons land komen steeds meer werknemers uit het buitenland wonen met hun gezin. De kinderen zijn vaak aangewezen op een internationale schakelklas, omdat ze de Nederlandse taal nog niet beheersen.

Leerlingenvervoer wordt bekostigd naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort die de leerling nodig heeft en de richting die de ouders wensen, wanneer deze school zich buiten de afstandsgrens bevindt.

Wanneer voor deze kinderen de dichtstbijzijnde basisschool niet toegankelijk blijkt te zijn vanwege de taalproblematiek, kan dit er toe leiden dat een vergoeding leerlingenvervoer wordt verstrekt naar een internationale schakelklas.

Wanneer het om voortgezet onderwijs gaat, geldt het volgende: leerlingen die een school voor voortgezet onderwijs bezoeken komen slechts dan in aanmerking voor bekostiging van vervoer wanneer zij vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Zie ook de vraag “Voortgezet onderwijs”

Aanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar rijksbekostigde als particuliere scholen bestaan, mits de particuliere school een ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is. Bij de leerplichtambtenaar kan dit nagevraagd worden. Momenteel zijn het namelijk de individuele leerplichtambtenaren die beslissen of een particuliere school voldoende lijkt op bekostigde scholen.

Rol samenwerkingsverband
De zorgplicht van de school waar de leerling wordt aangemeld is een van de kernpunten van het passend onderwijs. Wanneer de school waar de leerling is aangemeld niet zelf in de benodigde onderwijsondersteuning kan voorzien, is het de verantwoordelijkheid van deze school om een andere school te vinden die wel een passende onderwijsplek kan bieden. Is het niet haalbaar om de leerling binnen het regulier onderwijs te plaatsen, dan kan een aanbod op het (voortgezet) speciaal onderwijs worden gedaan.
Bij de beoordeling of een school zelf in de benodigde ondersteuning kan voorzien vormt het schoolondersteuningsprofiel het uitgangspunt. In dit profiel wordt aangegeven welke ondersteuning deze school kan bieden. 

Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplan op waarin - onder meer – wordt aangegeven welk niveau van basisondersteuning voor elke school geldt, hoe de scholen met elkaar een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen hebben gecreëerd, op welke wijze verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs plaatsvindt en hoe zij ouders informeren. Uit het ondersteuningsplan blijkt welke scholen bepaalde ondersteuning kunnen bieden.

Op overeenstemming gericht overleg met gemeenten
In de wet is bepaald dat samenwerkingsverbanden over het concept van het ondersteuningsplan op overeenstemming gericht overleg (OOGO) voeren met de gemeente(n). Immers, het beleid van samenwerkingsverbanden en dat van gemeenten kan over en weer gevolgen hebben. Zo is de gemeente, behalve voor het leerlingenvervoer, ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht, de onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Bovendien is de gemeente per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd.

Het leerlingenvervoer is een van de thema’s die bij het op overeenstemming gericht overleg ter sprake kunnen komen. In het ondersteuningsplan  wordt aangegeven  op welke scholen extra ondersteuning wordt geboden en welke tussenvoorzieningen er zullen worden gecreëerd. Hiervan is een helder overzicht nodig, waaruit duidelijk valt op te maken wat de gevolgen zijn voor het vervoer van leerlingen.
Gemeenten zijn bij het op overeenstemming gerichte overleg én bij de voorbereiding daarvan met de scholen in gesprek. De partijen zijn zodoende van elkaars inspanningen en beleid op de hoogte. Uit het bovenstaande volgt logischerwijs dat de gemeente bij de beoordeling van een aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan betrekt, zoals is vastgelegd in het derde lid van artikel 3 van de modelverordening.

Instellingen voor cluster 1 en 2
Voor instellingen voor cluster 1 en 2 geldt het volgende: De instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt aan de hand van criteria of een leerling is aangewezen op onderwijs op de instelling of op begeleiding vanuit de instelling.
Als de leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders hun kind inschrijven bij een reguliere school of, als daar reden voor is, bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen daarbij advies krijgen van de commissie van onderzoek van de instelling. Bepaalt deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft op een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de instelling.

Van symbiose is sprake als een leerling is ingeschreven op een (v)so-school, en lessen volgt op een andere school waarmee de (v)so-school een overeenkomst gesloten heeft.Dit kan een school zijn voor regulier (voortgezet) onderwijs, maar ook een mbo-school.

Wanneer de leerling op grond van de verordening in aanmerking kwam voor een vervoersvoorziening naar de (v)so-school, is het redelijk ook een vervoersvoorziening toe te kennen naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is. Daarbij moet dan wel aan de voorwaarden worden voldaan die in de verordening staan vermeld. Denk hierbij aan de afstand en de schooltijden. Uitgangspunt is dat op ‘normale schooltijden’ wordt vervoerd, zodat zoveel mogelijk combinatieritten kunnen worden gereden.

Vervoer van de ene school naar de andere valt niet onder de verordening.

Wanneer een school verbouwd wordt en leerlingen op een andere locatie opgevangen worden, is het niet automatisch zo dat de gemeente alle leerlingen naar die locatie vervoert. Per leerling moet de verordening leerlingenvervoer van de gemeente waar het kind woont toegepast worden. Voor leerlingen die al een voorziening leerlingenvervoer kregen, geldt artikel 6 van de (VNG-Model)verordening. Hierin is bepaald dat bij een wijziging die van invloed is op de verstrekte bekostiging, de aanspraak op bekostiging vervalt en het college al dan niet opnieuw bekostiging voor vervoer verstrekt. Het college gaat dan dus opnieuw kijken of voldaan wordt aan de afstandsgrens (met name relevant als de nieuwe locatie dichterbij is) en het nog steeds gaat om de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting (vooral relevant als de nieuwe  locatie verder weg gelegen is). Wordt hieraan voldaan, dan bestaat er aanspraak op leerlingenvervoer.

Voor leerlingen die nog geen vervoersvoorziening kregen moet een aanvraag worden ingediend. De gemeente gaat deze aanvraag als iedere andere aanvraag toetsen. Ook hierbij wordt natuurlijk (onder meer) gekeken of voldaan wordt aan de afstandsgrens en of het om de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting gaat. Wanneer ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer kunnen maken moeten zij samen met de school bekijken hoe de eventuele extra kosten die zij voor vervoer maken opgevangen worden. Vaak regelen scholen zelf het vervoer tussen de oude en nieuwe locatie.

Wanneer de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Indien de wachtlijst is opgelost - de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan de bekostiging beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden (er is geen wachtlijst meer). Dit is onafhankelijk van het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, echter in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoerskostenvergoeding naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.

Het drempelbedrag wordt naar rato in rekening gebracht. De wetgever heeft bedoeld ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zgn. drempel. Het gaat om de kosten OV over de afstandsgrens. Indien een kind een heel schooljaar gebruik maakt van het leerlingenvervoer, kan men de prijs van een regionaal sterabonnement als drempelbedrag nemen, wanneer een dergelijk abonnement in het vervoersgebied wordt aangeboden. In andere gevallen zal men de kosten van het openbaar vervoer, die bij gebruik van een OV-chipkaart voor die bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, moeten bepalen.

Wordt slechts een deel van het jaar een beroep op het leerlingenvervoer gedaan (bijvoorbeeld na een verhuizing) dan moet het drempelbedrag naar evenredigheid berekend worden. Dit kan op verschillende manieren. Men kan uitgaan van maandkaarten (vooropgesteld dat deze worden aangeboden), of men kan de kosten van een jaarabonnement delen door het aantal schooldagen (200 per schooljaar) en vervolgens aan de hand van het aantal schooldagen dat een kind gebruik maakt van het vervoer het drempelbedrag berekenen.

Aan ouders van leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs (SBO) die op grond van de verordening aanspraak op leerlingenvervoer maken, mag in principe een drempelbedrag in rekening worden gebracht. Echter, ouders van SBO-leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of wegens een zodanige handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, hoeven geen eigen bijdrage te betalen (zie artikel 14, vijfde lid). Dit onderscheid gaat ook op voor leerlingen van het reguliere basisonderwijs. De inkomensafhankelijke bijdrage bij een afstand boven de 20 km (artikel 15) geldt niet voor SBO-leerlingen.

Het drempelbedrag wordt in principe per kind geheven. De gemeente kan ervoor kiezen per gezin een maximaal aantal keer het drempelbedrag te heffen. De inkomensafhankelijke bijdrage wordt sowieso per gezin in rekening gebracht. Dit vloeit voort uit de oude systematiek die gold voordat met de huidige tabellen gewerkt werd. De verordening is zo ingericht dat beide bijdragen naast elkaar geheven kunnen worden.

Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 23 van de modelverordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.

Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de regeling, zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF), als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de modelverordening opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 23 van de modelverordening om een beleidsbevoegdheid van het college. Het betreffende artikel van de WSF vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte, en kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te kiezen.

In de Wet op het primair onderwijs (artikel 4, zevende lid) is bepaald dat er aan ouders van wie het inkomen boven een bepaald bedrag uitkomt een eigen bijdrage over de eerste kilometers gevraagd kan worden, het zogenaamde drempelbedrag. De hoogte van het genoemde inkomen zowel als de berekening van de hoogte van de bijdrage zijn wettelijk vastgelegd, en overgenomen in de modelverordening (artikel 14). Het is wel mogelijk een hoger inkomen in de verordening op te nemen. Het bedrag van het gezamenlijk inkomen wordt jaarlijks geïndexeerd op een door de wet voorgeschreven wijze.

In de Wet op het primair onderwijs is in het elfde lid van artikel 4 bepaald dat er, wanneer de afstand meer bedraagt dan 20 kilometer, een bijdrage van de ouders gevraagd kan worden, afhankelijk van de financiële draagkracht. Exacte bedragen en voorschriften voor de berekening zijn niet wettelijk vastgelegd. De modelverordening heeft hiervoor een regeling opgenomen in artikel 15. Deze draagkracht afhankelijke bijdrage mag volgens de wet alleen geheven worden van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken.

De gemeente kán een drempelbedrag en/of een draagkracht afhankelijke bijdrage instellen, maar het is niet verplicht. Een drempelbedrag kan in principe worden gevraagd voor leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs (bo en sbo). De draagkracht afhankelijke bijdrage kan echter alleen voor het regulier basisonderwijs (bo) worden gevraagd, dus niet voor het speciaal basisonderwijs (sbo).
Geen drempelbedrag of draagkracht afhankelijke bijdrage kan worden gevraagd voor leerlingen van scholen voor speciaal onderwijs (so), en voor leerlingen van een ander type onderwijs die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of wegens een zodanige handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

De gemeente kan ervoor kiezen per gezin een maximaal aantal keer het drempelbedrag te heffen. Ook wanneer er sprake is van bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer (artikel 13) kan een drempelbedrag worden gevraagd. Soms vervoeren ouders meer dan één leerling tegelijk. Er wordt dan bekostiging verstrekt voor het voertuig. In dat geval is het redelijk slechts één keer het drempelbedrag te heffen.

Voor informatie over het (onverwacht) veranderen van het inkomen zie de toelichting op artikel 14 van de modelverordening. De geïndexeerde bedragen worden jaarlijks in een ledenbrief aan de gemeenten bekend gemaakt.

Pleegouders kunnen als “ouders” in de zin van de verordening worden aangemerkt. Zij kunnen dus (als zij voldoen aan de voorwaarden) een tegemoetkoming in de vervoerskosten krijgen. Aan pleegouders mogen (net als aan “gewone” ouders) eventuele financiële verplichtingen die uit een toekenning van de aanvraag voortvloeien opgelegd worden. De gemeente kan pleegouders dus een eigen bijdrage in rekening brengen. Er zijn gemeenten die een uitzondering maken voor pleegouders.
Voogdij-instellingen worden ook als “ouder” aangemerkt. Ook zij kunnen een aanvraag indienen. Van hen kan echter geen drempelbedrag worden gevraagd, omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. Het gaat in deze wet alleen om natuurlijke personen.

Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de verordening. Bijvoorbeeld bij co-ouderschap, waarbij het kind structureel zowel bij de ene als bij de andere ouder verblijft, is er in feite sprake van twee hoofdverblijven. Indien leerlingenvervoer is gewenst, moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Het doet niet ter zake waar de leerling is ingeschreven. Het gaat om de feitelijke verblijfplaats van de leerling (modelverordening artikel 1). De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag elk aan de eigen verordening leerlingenvervoer. Hierbij bekijken ze onder meer of er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt regelmatig voor dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.

De aanvraag voor leerlingenvervoer moet ingediend worden in de gemeente waar de leerling feitelijk verblijft. Dit hoeft niet de gemeente te zijn waar de leerling staat ingeschreven. Dat doet niet ter zake; er wordt uitgegaan van het feitelijke verblijf. Soms verblijft een leerling tijdelijk in een andere gemeente. De gemeente waar de leerling tijdelijk verblijft moet een aanvraag voor leerlingenvervoer tijdens dat verblijf beoordelen volgens de gangbare criteria.

Zie ook de meest gestelde vraag omtrent tijdelijk verblijf.

Een logeerhuis is een woonvoorziening waar mensen met een verstandelijke handicap enige dagen per maand kunnen wonen. Deze logeerhuizen dienen met name gezinsondersteunend te werken. Zij hebben als belangrijkste doelstelling het gedurende korte tijd ontlasten van ouders en gezinsleden, waardoor verstandelijk gehandicapte kinderen uiteindelijk langer op een verantwoorde manier in het gezin kunnen blijven. Strikt genomen valt een logeerhuis niet onder het begrip ‘woning’, zoals gedefinieerd in de modelverordening leerlingenvervoer, aangezien het hier niet de plaats betreft waar de leerling feitelijk zijn hoofdverblijf heeft. Toch kan een redelijke toepassing van de verordening met zich meebrengen dat, indien het vervoer van logeerhuis naar school en terug past in het reeds door gemeente aangeboden vervoer, de leerling van logeerhuis naar school en terug door de gemeente wordt vervoerd. Indien er sprake is van bekostiging van de vervoerskosten tussen de (ouderlijke) woning en de school, kan overwogen worden die bekostiging door te betalen, ondanks het feit dat de leerling voor enkele dagen in een logeerhuis verblijft. Het komt ook wel voor dat een kind gedurende langere tijd, dus structureel, in een logeerhuis wordt opgevangen. Dan kan het logeerhuis als feitelijk verblijf worden aangemerkt.

De hoofdregel is dat daar waar de leerling feitelijk verblijft (structureel element, de inschrijving in de gemeente is niet relevant) door de ouders een aanvraag ingediend moet worden. De betreffende gemeente toetst deze aanvraag aan de verordening.

Om administratieve rompslomp te voorkomen adviseren wij echter een uitzondering op deze hoofdregel te maken indien:

  • het kind van het leerlingenvervoer gebruik maakt in gemeente A én
  • het van tevoren vaststaat dat het een korte periode (max. 6 weken) in een andere gemeente (B) zal verblijven én
  • het kind de oude school blijft bezoeken én
  • na de korte periode terug zal keren naar de oorspronkelijke gemeente (A).

In dit geval blijft gemeente A het vervoer bekostigen/verzorgen.

NB: De hierboven geadviseerde periode van max. 6 weken is per se niet bedoeld als overgangsperiode bij de wijziging in aanvraag en bekostiging van het leerlingenvervoer van de ene naar de andere gemeente!

De genoemde uitzondering geldt uiteraard niet wanneer het een leerling betreft die vanwege een vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft.

In alle andere situaties dat een kind tijdelijk elders verblijft geldt de hoofdregel. Bijvoorbeeld bij crisisopvang, als het niet duidelijk is waar het kind daarna terecht komt. Dan moet in de gemeente waar het kind verblijft (waar de crisisopvang is) een aanvraag ingediend worden. Een en ander betekent overigens niet automatisch dat de aanvraag ook toegekend wordt. De aanvraag kan worden afgewezen omdat de gemeente het geen “woning” vindt (onvoldoende structureel) of omdat het niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school betreft.

Leerlingen die vanwege een structurele handicap in het geheel niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening. Voor deze leerlingen geldt geen kilometergrens, drempelbedrag of inkomensafhankelijke bijdrage.

Wanneer een gemeente twijfelt of de leerling al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, kan de gemeente aan een onafhankelijke deskundige (bijvoorbeeld een GGD-arts) opdracht geven een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen.

Zie ook de vraag "Tijdelijke handicap".

Een leerling met een tijdelijke handicap, zoals een gebroken been of arm, komt niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening. In het leerlingenvervoer kennen we alleen de structurele handicap waarvoor een vervoersvoorziening kan worden toegekend. Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan, of een meervoudige ledenmatenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel. Deze leerling kan gedurende lange tijd niet (zelfstandig) van het openbaar vervoer gebruik maken. In dit geval kan een leerling een beroep doen op het leerlingenvervoer. De gemeente geeft dan een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op vervoer.

Een richtlijn voor de gemeente zou kunnen zijn:

  • Bij een tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op leerlingenvervoer.
  • Bij een tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor een vervoersvoorziening.

Om als leerling te worden toegelaten tot een basisschool of speciale school voor basisonderwijs moet een kind de leeftijd van vier jaar hebben bereikt (artikel 39, eerste lid Wet op het primair onderwijs). Dan kunnen ouders ook aanspraak maken op leerlingenvervoer. De toelatingsleeftijd voor kinderen voor het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van de Wet op de expertisecentra (Wec). Voor cluster 1, 3 en 4 geldt een leeftijd van vier jaar, voor cluster 2 (dove of slechthorende kinderen) een leeftijd van drie jaar. Vóór deze wettelijke toelatingsleeftijd vindt er geen bekostiging plaats van leerlingenvervoer, tenzij de inspecteur heeft toegestaan dat een kind eerder toegelaten wordt (Wec art.39 tweede lid).

Voor leerlingen die zijn toegelaten op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd hebben bereikt of al voorbij zijn, kunnen de ouders, indien zij voldoen aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken op bekostiging van de vervoerskosten.

Voor het regulier voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op een school voor voortgezet onderwijs en dus 'leerling' is van zo'n school, er aanspraak kan bestaan op bekostiging van vervoer. Dit geldt wanneer de leerling door zijn structurele handicap in het geheel niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken.

Er zijn twee groepen te onderscheiden:

  1. Leerlingen die in een noodopvang of AZC verblijven: Doorgaans is er een basisschool in of dichtbij het asielzoekerscentrum. Vervoer is dan niet nodig. Is vervoer van leerlingen vanuit een AZC toch noodzakelijk (de leerling is gehandicapt en kan daardoor niet zelfstandig de school bereiken, en/of de school is ver weg), dan bekostigt het COA dit vervoer. De gemeente kan desgewenst het vervoer regelen, en stuurt vervolgens de rekening naar het COA.
  2. Leerlingen die niet in een noodopvang of AZC verblijven: Voor hen geldt de verordening leerlingenvervoer van de gemeente waar zij verblijven, ongeacht het feit of zij een vluchtelingenstatus hebben.

Een centrale taalklas, schakelklas of Internationale Schakelklas (ISK) kan beschouwd worden als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. Deze leerlingen kunnen immers in ‘reguliere’ klassen vanwege taalproblemen geen ‘passend’ onderwijs krijgen.
Leerlingen van het voortgezet onderwijs die een Internationale Schakelklas bezoeken vallen voor het leerlingenvervoer onder het voortgezet onderwijs. Dat wil zeggen dat in principe alleen leerlingen die gehandicapt zijn en daardoor niet zelfstandig de school kunnen bereiken in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening van de gemeente.

Soms volgen kinderen een taalklas slechts gedurende een dagdeel. In principe zijn gemeenten niet verantwoordelijk voor het vervoer gedurende de schooldag van de ene school naar de andere. Gemeenten kunnen over dit vervoer wel afspraken maken met de scholen.

Een gevolg van de 'verhoogde instroom' zal zijn dat gemeenten meer geld uitgeven aan leerlingenvervoer, omdat de taal- of schakelklassen en ISK's vaak verder weg liggen dan reguliere scholen. Gemeenten worden hiervoor gecompenseerd via het gemeentefonds: er wordt een extra som uitgekeerd voor alle extra kosten die gemeenten maken voor het onderwijs aan (kinderen van) asielzoekers.

Wanneer nieuwkomers met schoolgaande kinderen in de gemeente komen wonen, is het aan te bevelen dat scholen en gemeente met elkaar om de tafel gaan, om de mogelijke problemen bespreken. Een belangrijk onderwerp is dan het vervoer naar en van de school. Zo is, wanneer ouders en/of kinderen niet bekend zijn met het openbaar vervoer of het gebruik van een fiets, voorlichting aan en begeleiding van ouders en/of leerlingen gewenst.

Een vervoersvoorziening in het kader van leerlingenvervoer wordt slechts verleend voor de ná de aanvraag ontstane kosten. Indien een aanvraag in de loop van het schooljaar wordt ingediend, bepaalt de gemeente de datum van ingang van de voorziening. Veelal wordt de datum genomen die in de aanvraag wordt genoemd. Die datum kan echter niet liggen vóór de datum waarop de aanvraag wordt gedaan. De gemeente moet binnen 8 weken een beschikking afgeven. Dit kan nog 4 weken verdaagd worden.

Alleen “leerlingen” in de zin van artikel 1 van de modelverordening kunnen eventueel aanspraak maken op leerlingenvervoer. In het geval van gewenning/observatie is het kind in het algemeen (nog) niet ingeschreven op de betreffende school, is het (nog) geen leerling van die school en kan het kind niet in aanmerking komen voor het leerlingenvervoer.

Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen. Van daar worden de leerlingen met de taxi of bus vervoerd. De leerlingen worden dus niet thuis voor de deur opgehaald, maar zij dienen zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.

Reistijd naar opstapplaats: De Raad van State deed al op 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) een uitspraak over opstapplaatsen. Voor de reis te voet van huis naar de opstapplaats werd dertig minuten nog redelijk gevonden.

Veiligheid en begeleiding: Wanneer het college kiest voor het aanwijzen van opstapplaatsen kan men denken aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten. Daarbij is beschutting van de halteplaats tegen weer en wind natuurlijk van belang. Het feit alleen dat de opstapplaats aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen worden verwacht dat zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het moment dat hun kinderen in het voertuig stappen. Zie de uitspraak van de Raad van State van 24 augustus 1992, nr. R03.90.1504/83-105.

Afstand en totale reistijd: Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt ingediend, geldt de afstand tussen de woning en de school; het instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Voor het berekenen van de totale reistijd telt de tijd die gemoeid is met het bereiken van de opstapplaats mee.

Met ingang van 1 augustus 2014 is de wetswijziging passend onderwijs van kracht geworden. Voor het leerlingenvervoer is er in de tekst van de wet weinig veranderd.

Het gaat om de volgende punten:

  • De gemeentelijke verordening moet rekening houden ‘met de van de ouders redelijkerwijs te vergen inzet’.
  • Voor leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs geldt dat zij slechts aanspraak op bekostiging van vervoerskosten kunnen maken ‘wanneer zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken’. Leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs worden voor het leerlingenvervoer dus gelijkgesteld aan leerlingen van het regulier voortgezet onderwijs.
  • De commissie voor de indicatiestelling voor het speciaal onderwijs verdwijnt.

In januari 2014 is er een nieuwe modelverordening leerlingenvervoer gepubliceerd, waarin de genoemde wijzigingen zijn verwerkt.

Algemene verordening gegevensbescherming

Artikel 46 van de Uitvoeringswet AVG (UAVG) voorziet in een algemene regeling voor gebruik van identificatienummers, waaronder als belangrijkste het burgerservicenummer (BSN). Het artikel komt overeen met het niet meer geldende artikel 24 van de Wet bescherming persoonsgegevens, Artikel 46 van de UAVG is gebaseerd op artikel 87 van de AVG.

Artikel 46, van de UAVG, geeft aan dat wanneer een identificatienummer, zoals het Burgerservicenummer, is voorgeschreven bij wet, dit nummer slechts gebruikt mag worden ter uitvoering van die wet, dan wel voor doeleinden die bij wet zijn bepaald. Voor andere dan in de wet voorgeschreven doelen is het verwerken ervan niet toegestaan. Voorbeelden van wetten waarin het gebruik van het BSN is geregeld zijn de Wet algemene bepalingen Burgerservicenummer, de Wet gebruik Burgerservicenummer in de zorg en de Wet persoonsgebonden nummers in het onderwijs. Daarnaast zijn in diverse specifieke wetten bepalingen opgenomen over gebruik van het BSN. Deze speciale wetten gaan voor op algemene bepalingen uit voornoemde algemene wetten.

Leerlingenvervoer

Gemeenten zijn op grond van de Wet primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs verplicht om een regeling vast te stellen op basis waarvan ouders van leerlingen – onder bepaalde voorwaarden – aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerskosten van en naar school.

Specifieke bepalingen over gebruik van het BSN zijn opgenomen in de artikelen 178e van de Wet op het primair onderwijs en 103f van de Wet op het voortgezet onderwijs. Geen van deze artikelen bevatten een bepaling over gebruik van het BSN in het kader van het leerlingenvervoer. Als de wetgever dit anders had bedoeld, dan zou dit zijn genoemd in deze artikelen.

Geconcludeerd kan worden dat gemeenten het BSN niet mogen gebruiken in hun beschikkingen in het kader van het leerlingenvervoer. Ook mag het BSN niet gebruikt worden bij de aanvraag en het hele afhandelingsproces.

Met betrekking tot het openbaar vervoer is een reistijdcriterium in de modelverordening opgenomen: er bestaat aanspraak op aangepast vervoer bij een reistijd met het openbaar vervoer van meer dan 1,5 uur, die met aangepast vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht.
Er geldt geen algemene maximum reistijd in het aangepast vervoer. Uitgangspunt is een zo kort mogelijke reistijd. De gemeente heeft echter ook rekening te houden met de beschikbare financiële middelen. Zo kan het leerlingenvervoer efficiënter worden uitgevoerd door bijvoorbeeld het combineren van leerlingen.
Soms geldt voor een leerling, door zijn handicap al dan niet in combinatie met zijn leeftijd, een bepaalde maximum reistijd. De gemeente moet dan zorg dragen voor passend vervoer voor deze leerling, ook al brengt dit wellicht extra kosten met zich mee.

Vanaf 1 augustus 2006 hebben scholen in het primair onderwijs meer vrijheid om, in samenspraak met ouders, de schooltijden zelf in te vullen. Zo is het mogelijk om voor alle groepen naast de woensdagmiddag een tweede vrije middag in te voeren, of de verplichte lesuren in vier dagen per week te verzorgen. Een school kan ook kiezen voor een zesdaagse lesweek.
Bovendien kunnen scholen een extra vakantieweek inplannen of het totale aantal lesdagen terugbrengen naar 180 in plaats van de huidige 200. Indien een school van de nieuwe regelgeving gebruik maakt en dat vastlegt in de schoolgids, dient de gemeente bij het vervoer hier rekening mee te houden.

Het leerlingenvervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals dat is vastgelegd in de schoolgids. Alleen wanneer de structurele handicap van een leerling het volgen van het volledige onderwijsprogramma onmogelijk maakt kan hiervan worden afgeweken. Zo wordt voorkomen dat ouders op basis van sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen voor het vervoer tijdens de schooltijd, bijvoorbeeld omdat de leerling te jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen.

Bij een tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden kan de gemeente besluiten af te wijken van de reguliere schooltijden, wanneer hierom wordt gevraagd. Zie onder ‘Tijdelijke handicap’.

Examens zijn alleen aan de orde voor de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs, tijdens een beperkte periode. Examens vinden vaak plaats buiten het reguliere rooster om, maar zijn onderdeel van het schoolprogramma. Het is dan redelijk om bij het vervoer zo veel mogelijk rekening te houden met de afwijkende tijden. Vaak zijn, wanneer leerlingen enige tijd op elkaar kunnen wachten, combinaties mogelijk. Dit zou dan in overleg met de leerlingen, de ouders en de school uitgewerkt kunnen worden. Voor proefwerkweken dienen leerlingen, ouders en school in principe andere oplossingen te zoeken.

Voor leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs (vso), uitstroomprofiel arbeidsmarkt, is sinds 1 augustus 2013 een stage verplicht. Deze stage geldt vanaf 14 jaar, met een maximum van 4 dagen per week.

Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in beginsel aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.
De stage kan plaatsvinden op andere tijden dan de officiële schooltijden. De gemeente kan scholen erop attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen voor gemeenten kan hebben. Scholen kunnen dan dit aspect mee laten wegen in de plaatsing van leerlingen, bijvoorbeeld zo mogelijk een stageplaats op de route van leerlingenvervoer.

In principe begeleidt de chauffeur de leerlingen. Ouders moeten hun kinderen instrueren zich zo te gedragen dat tijdens het vervoer geen ongeregeldheden ontstaan. Blijkt - in verband met het gedrag van een leerling - toch aanvullende begeleiding nodig te zijn, dan stelt de gemeente de ouders een of meer zitplaatsen ter beschikking (zie ook onder ‘Begeleiding’). Het is aan te raden dit schriftelijk te bevestigen, zodat de gemeente kan aantonen dat aan de wettelijke zorgplicht passend vervoer aan te bieden voldaan is. Daarbij dienen de ouders meteen gewaarschuwd te worden dat de gemeente het vervoer stopzet als de ouders niet voor begeleiding zorgdragen.

Het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs vallen onder het regulier voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs). Gemeenten hebben geen zorgplicht in het kader van het leerlingenvervoer voor leerlingen die het reguliere voortgezet onderwijs bezoeken.
Een uitzondering geldt voor leerlingen die vanwege een structurele handicap in het geheel niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Zij hebben wel recht op een vervoersvoorziening.

Leerlingen die een school voor voortgezet onderwijs bezoeken komen slechts dan in aanmerking voor bekostiging van vervoer wanneer zij vanwege een structurele handicap in het geheel niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
Voor deze leerlingen geldt geen kilometergrens, drempelbedrag of inkomensafhankelijke bijdrage. Wanneer een gemeente eraan twijfelt of de leerling al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, kan de gemeente aan een onafhankelijke deskundige (bijvoorbeeld een GGD-arts) opdracht geven een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen.
Zie ook de vraag ‘Tijdelijke handicap’.

Weekend (en vakantie-) vervoer wordt slechts toegekend indien de leerling in een internaat of pleeggezin verblijft met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Woont de leerling niet meer bij zijn ouders om sociale of medische redenen (denk aan uithuisplaatsing, crisisopvang, behandeling), dan wordt het weekend- en vakantievervoer niet door de gemeente vergoed in het kader van het leerlingenvervoer.

Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Een voorbeeld: een leerling van 10 jaar is aangewezen op onderwijs voor dove kinderen. Vanuit de ouderlijke woning is de instelling redelijkerwijs niet bereikbaar met dagelijks vervoer. Verblijf in een internaat of een pleeggezin in de buurt van een geschikte school is daarom noodzakelijk. De ouders kunnen dan in de gemeente waar zij wonen een aanvraag voor weekendvervoer indienen.

NB: Leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs die zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen hebben volgens de wet en de modelverordening geen recht op bekostiging van vervoer. Er bestaat dan ook geen recht op weekend- en vakantievervoer.