Overzicht veelgestelde vragen over Kindcentra

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

De gemeente moet dan aan de subsidie de voorwaarde verbinden dat een strikte financiële scheiding van het peuterspeelzaalwerk en de kinderopvang wordt aangehouden.

Ook kan de voorwaarde worden gesteld dat voor het peuterspeelzaalwerk een aparte stichting wordt opgericht. Er kan ook een koepelorganisatie worden opgericht bestaande uit een commerciële organisatie en een stichting. De gemeente dient dan aan de subsidie de voorwaarde te verbinden dat de organisatie een absolute scheiding van de boekhouding aanhoudt.

Gaat men over tot een verregaande vorm van integratie, dat wil zeggen dat de peuters worden opgevangen in de kinderopvanggroepen, dan dient de gemeente kostprijsafspraken met de organisatie te maken. De gemeente koopt dan in feite peuterspeelzaalplaatsen in bij de kinderopvangorganisatie. Het is wel belangrijk om beleidsinhoudelijk voorwaarden in de overeenkomst op te nemen.

De kinderen uit de kinderopvanggroep spelen soms in de ruimte van de peuterspeelzaal en vice versa, bijvoorbeeld om gezamenlijk VVE te volgen.

In principe is deze combinatie mogelijk. Echter voor kinderen van ouders die een belastingtoelage voor kinderopvang ontvangen is het noodzakelijk dat de opvang is opgenomen in het Register kinderopvang.

Volgens de interpretatie van het ministerie van OCW (thans SZW) is het in die zin niet toegestaan dat ‘kinderopvangkinderen’ een deel van de tijd doorbrengen in de peuterspeelzaal. Een combinatie andersom kan wel. Dus een gezamenlijke VVE groep kan wel in de kinderopvang worden ondergebracht.

De doelgroepbepaling is gemeentelijk beleid. Het ministerie stelt alleen minimum eisen betreffende het aantal doelgroeppeuters.

Deze biedt handvatten om de doelgroep te bepalen en er voor te zorgen dat alle doelgroepkinderen gebruik gaan maken van voorschoolse educatie. Via het LEA overleg kunnen afspraken gemaakt worden over het bepalen van de doelgroep. Met consultatiebureaus en CJG kunnen afspraken gemaakt worden over signalering, toeleiding naar - en werving voor de VVE.

 

De gemeente mag zelf dus bepalen welke doelgroepbepaling er aan wordt gehouden. Gemeenten hoeven alleen verantwoording af te leggen voor het aantal doelgroepkinderen, bepaald door de vertaling van de gewichtenregeling PO naar de voorschoolse educatie.

 

Er is 4 miljoen beschikbaar voor toezicht op peuterspeelzalen en 1 miljoen voor voorschoolse educatie. In de september circulaire van 2009 van het ministerie van BZK is de verdeling bekend gemaakt.

 

Wij adviseren gemeenten samenwerkingsconstructies voor kinderopvang en peuterwerk via een aanbestedingsprocedure toe te wijzen.

De ministeriele beleidsregels zijn het kader voor de toezichthouder. Het toezicht voor de peuterspeelzalen wordt net als bij de kinderopvang gedaan door de GGD. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de educatieve kwaliteit van de voorschoolse educatie, mede op basis van signalen van de GGD over de voorschoolse educatie.

Per 1 augustus 2010 is er een landelijk kwaliteitskader peuterspeelzalen waaraan alle peuterspeelzalen moeten voldoen:

  • Leidster kind ratio is 1:8
  • Maximale groepsgrootte is 16 kinderen
  • Minimaal 1 leid(st)er op een groep van maximaal 16 kinderen heeft een opleiding SPW-3 of vergelijkbaar

 

Volledige vraag
Heeft de gemeente een financiële verplichting om een peuterspeelzaal in stand te houden? Wij hebben twee peuterspeelzalen die resp. twee en vier ochtenden open zijn vanwege een te laag kindertal. Er zijn geen VVE-doelgroepkinderen aangemerkt in onze gemeente. De peuterspeelzaal is een onderdeel van een Stichting met kinderopvang en bso, de exploitatie wordt heel kostbaar.

Antwoord
Dat er geen VVE-doelgroepkinderen in uw gemeente zijn aangemerkt door het Ministerie, hoeft niet te betekenen dat u geen doelgroepkinderen in de gemeente heeft. Het Ministerie gebruikt voor het vaststellen van de subsidie de vuistregel van 75% van de gewichtenleerlingen in groep 1 en 2 om het aantal doelgroepkinderen in uw gemeente te berekenen. Dit betreft dus een berekening en geen feitelijk aantal.

U zult voor uw eigen gemeente dus feitelijk moeten bepalen hoeveel doelgroepkinderen u daadwerkelijk heeft. Hieruit kan blijken dat u inderdaad geen doelgroepkinderen heeft, maar het kan ook zijn dat u deze wel heeft. U voldoet ook pas aan uw wettelijke plicht als u voor alle doelgroepkinderen in uw gemeente een VVE-plaats heeft. U bent niet verplicht een peuterspeelzaal in stand te houden, maar wel dus voor wat betreft het VVE-aanbod, ook als u hier geen subsidie van het rijk voor ontvangt.

Volledige vraag
Is met de inwerkingtreding van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen de (grondslag voor) verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen vervallen? Of kunnen we nog op grond van die verordening handhavend optreden?

Antwoord
De artikelen over melding en registratie (en toezicht) zijn nog niet in werking getreden. Het landelijk register wordt in het 2e kwartaal 2011 ontwikkeld. Zodra het register gereed is zullen de artikelen in werking treden.

Tot die tijd kunt u uw eigen systeem handhaven. Maar, let wel op dat de kwaliteitsregels, met uitzondering van de ruimte- en inrichtingseisen, thans in en van uit de wet vastgesteld zijn. Een vergunning moet dus verstrekt worden op basis van de landelijke regels en de aanvullende lokale bepalingen (modelverordening). Op grond hiervan kunt u dus ook handhavend optreden.

De Wet is in deze echt leidend, u kunt dit dus niet anders aanpakken. Zie hiervoor de Beleidsregels kwaliteit peuterspeelzalen.

Stagiaires kunnen boventallig worden ingezet. Zij hebben ?on the job? begeleiding nodig. Een vrijwilliger kan daarom geen stagiair zijn. In tegenstelling tot een vrijwilliger kost een stagiaire de nodige opleidingstijd, dit betekent extra belasting van de beroepskracht.

 

In de Wet kinderopvang en kwaliteit peuterspeelzalen staat in Artikel 2.1 het begrip beroepskracht uitgewerkt: Beroepskracht: Degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid. In de wet staat dus dat een beroepskracht bezoldigd moet zijn.

 

 


 

 

In de AMvB staan de volgende kwaliteitseisen:

Voorschoolse educatie omvat per week ten minste vier dagdelen van ten minste 2,5 uur of per week ten minste 10 uur aan activiteiten, gericht op het stimuleren van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

  • De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in een groep waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden bedraagt ten minste één beroepskracht per acht kinderen.
  • Een groep kinderen waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen.
  • De beroepskracht voorschoolse educatie bezit een getuigschrift voor het behalen van de SPW3 opleiding of een gelijkwaardige opleiding, waarbij ten minste één module over het verzorgen van voorschoolse educatie is gevolgd.
  • De houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden stelt jaarlijks een opleidingsplan op.
    Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.
  • Voorschoolse educatie vindt plaats in een kindercentrum of peuterspeelzaal (niet bij gastouders).
 

Onderdeel van de wet is een landelijk kwaliteitskader voor peuterspeelzalen. Hierin is opgenomen dat de leidster kindratio van 1 op 8 moet zijn bij een maximale groepsgrootte van 16 kinderen. Dus twee leidsters per groep, waarvan minimaal één met een opleiding op SPW-3 niveau of gelijkwaardig. Voor de laatste eis geldt een overgangstermijn tot 1 augustus 2011. Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende eisen. Daarnaast gelden nog overige kwaliteitseisen, zoals:

  • Het personeel is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.
  • Een schriftelijke risico-inventarisatie van de opvang van kinderen.
  • Mogelijkheid van gemeenten tot het stellen van regels over administratie, om zo nodig, monitoren mogelijk te maken.
  • Informatieplicht aan ouders over beleid.
  • Voorschriften over de voertaal.
  • Instellen van een vorm van oudervertegenwoordiging, inclusief klachtenregeling voor niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. Peuterspeelzalen die worden gesubsidieerd vallen onder de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen.
  • In het landelijk kwaliteitskader worden geen eisen voor ruimte en inrichting voor peuterspeelzalen opgenomen. Dit blijft gemeentelijk beleid. Hiervoor heeft de VNG een modelverordening gemaakt.

 


 

Alle peuterspeelzalen zijn verplicht een oudercommissie in te stellen. Voor de gesubsidieerde peuterspeelzalen (vanuit de Wet Maatschappelijk Ondersteuning) is dit feitelijk al geregeld in de Wet Cliëntenrecht. In deze wet wordt voor alle organisaties gesproken van een cliëntenraad.

Omdat niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen niet onder deze wet vallen is voor deze peuterspeelzalen een verplichting in de Wet kinderopvang en kwaliteit peuterspeelzalen opgenomen. Thans ligt er een voorstel tot wijziging van de Wet Cliëntenrecht in de Tweede Kamer, waarin is ge kozen voor het opnemen van de verplichting voor alle peuterspeelzalen in de Wet kinderopvang etc.

 

De gemeente kan de peuterplaatsen onderbrengen bij de kinderopvang en hiervoor subsidieplaatsen inkopen. Of voor ouders die niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag een compensatieregeling te maken. Doen ze dit niet, dan is er straks geen opvang meer mogelijkheid voor kinderen waarvan de ouders niet werken of niet beide werken.

Ja, dat mag, zolang het maar niet in de reguliere kosten van de kinderopvang is. Voor een aanvullende activiteit, zoals VVE mag de gemeente een specifieke subsidie toekennen. De kinderopvangorgansatie moet de subsidie en de uitgaven voor de VVE activiteiten wel afgescheiden in de boekhouding opnemen.

In het landelijk beleidskader voor de kwaliteit van peuterspeelzalen, dat in werking is getreden op 1 augustus 2010, zijn inderdaad geen eisen gesteld aan de ruimte en inrichting van peuterspeelzalen. De VNG is echter van mening dat het voor de veiligheid van jonge kinderen belangrijk is dat naast de andere kwaliteitsnormen voor peuterspeelzalen ook voldoende en passend ingerichte speel- en buitenruimte aanwezig moet zijn. Vandaar dat er een aparte modelverordening voor in het leven is geroepen. Voor de inspectie op deze verordening heeft GGD Nederland een fakultatief onderdeel opgenomen in het Toetsingskader.

De houders van een peuterspeelzaal hebben de zorgplicht voor verantwoord peuterspeelzaalwerk. Verantwoord peuterspeelzaalwerk draagt bij aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. Houders van peuterspeelzaalwerk zijn dus zelf verantwoordelijk voor de eigen kwaliteit van het aanbod. Hierbij gelden de volgende globale kwaliteitseisen:

Verantwoorde opvang wordt getoetst aan de inzet van personeel zowel kwalitatief als kwantitatief (opleidingseisen en groepsgrootte), de verantwoordelijkheidstoedeling (leidster kindratio) en het pedagogisch beleid.