Overzicht veelgestelde vragen over Verkiezingen & referenda

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Dit onderzoek gebeurt in het kader van het geloofsbrievenonderzoek op grond van artikel V4 Kieswet.

In de toelichting bij artikel 5 van het Model-Regelement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2018 staat daarover het volgende.

'Artikel 5

Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten.

Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren.

Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid (Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 2014-0000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK. Zie:

https://vng.nl/files/vng/publicatie_bijlagen/2014/20140319-hertelling-gemraadsverk-bzk2014-0000116196.pdf

In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling.'

Er is dus wel een raadsbesluit nodig, zeker als er tot hertelling zou moeten worden besloten, maar ook als de raad oordeelt dat de raadsverkiezing rechtmatig is verlopen. Er is geen format voor een dergelijk besluit, het is dus vormvrij.

De ‘nieuwe’ raad zal moeten beslissen, maar mag de geloofsbrievencommissie, die is ingesteld door de ‘oude’ raad, een advies geven aan de “nieuwe” raad met betrekking tot de geloofsbrieven van een benoemd raadslid?

Antwoord:

De oude raad is in functie tot de dag bedoeld in art C4, tweede lid Kieswet aanbreekt. Vanaf die dag treedt de nieuwe raad aan (art 18 Gemeentewet) en kan de oude raad dus niet meer samenkomen. Hetzelfde geldt voor een commissie die door de oude raad was ingesteld. Het beslissen over de toelating moet dus uiterlijk op de laatste zittingsdag van de oude raad gebeuren, en wel door die oude raad, op advies van zijn eigen geloofsbrievencommissie.

Als dat niet lukt, dan kan het gekozen maar nog niet toegelaten lid zijn geloofsbrieven de volgende dag overhandigen aan de nieuwe raad in zijn eerste vergadering, zodra alle andere wel toegelaten leden de eed hebben afgelegd. Dan zijn er immers pas genoeg leden in functie om een beslissing te nemen. Lukt dit niet op die dag dan zal het lid pas in een volgende vergadering daarna  worden toegelaten en beëdigd. Er is dus waarschijnlijk een periode waarin het gekozen raadslid zijn functie nog niet kan uitoefenen.

Volgens het model-Regelement van Orde voor de raad onderzoekt de geloofsbrievencommissie de geloofsbrieven en adviseert hij de raad over de toelating. De raad moet zich door zijn eigen commissie laten adviseren. Dit volgt uit artikel 82 Gemeentewet en artikel 5, eerste lid van het model-RvO voor de raad. Het is dus niet zo dat de 'oude' commissie een advies kan uitbrengen aan de 'nieuwe' raad.

De nieuwe raad moet op korte termijn een geloofsbrievencommissie uit zijn midden instellen. Deze onderzoekt de geloofsbrieven en brengt advies uit aan de raad. De raad beslist daarop over de toelating van het raadslid en neemt hem de eed af.

Artikel C4, tweede lid Kieswet, artikel 18 Gemeentwet, artikel 82 en artikel 5 Model-RvO voor de raad 2018

Voorbeeld
Een partij heeft drie zetels behaald. Kandidaat 1, 2 en 5 zijn met voorkeursstemmen gekozen. Nummer 3 van de lijst is beoogd wethouder namens de partij. De partij wil daarom dat het centraal stembureau de kandidaten 1, 2 en 3 benoemt als raadsleden voor de drie zetels. De gemeente geeft aan dat dit niet mogelijk is. De beoogd wethouder staat weliswaar op een hogere plek op de lijst maar omdat kandidaat 5 de voorkeursdrempel heeft behaald wordt hij benoemd als raadslid. Klopt dit?

Antwoord
De kandidatenlijsten die een partij heeft samengesteld kunnen op basis van de verkiezingsuitslag door de kiezer gewijzigd worden. De kiezer is immers de baas, deze bepaalt wie er zitting mag nemen in de raad. De uiteindelijke rangschikking op basis van de verkiezingsuitslag wordt een aantal dagen na de verkiezingen bekend gemaakt. Dit gebeurt in 2018 op 23 maart tijdens de zitting van het centraal stembureau. Dit maakt de officiële uitslag van de verkiezingen bekend. De rangschikking die op 23 maart wordt vastgesteld vormt dan de rest van de raadsperiode (4 jaar) de basis bij tussentijdse benoemingen in de raad. Bij een vacature moet immers de eerstvolgende op de rangschikking worden benaderd.

Deze rangschikking komt als volgt tot stand. Allereerst wordt de voorkeursdrempel bepaald. Dat is 25% van de kiesdeler (bij raden met 19 of meer zetels) of 50% van de kiesdeler (bij raden met minder dan 19 zetels). Het centraal stembureau rangschikt vervolgens ten aanzien van iedere lijst waaraan zetels zijn toegekend de daarop voorkomende kandidaten. Bovenaan deze rangschikking staan de kandidaten die de voorkeursdrempel gehaald hebben, in volgorde van het behaalde aantal stemmen door de kandidaten. Daarna volgen de andere kandidaten op basis van de lijstvolgorde.

Voor een gedetailleerde uitleg van de zetelverdeling, zie:

Artikelen P 19 en P 15 van de Kieswet

Een raadslid mag niet werken als politieagent bij het korps in de politieregio waar de gemeente waar hij raadslid is deel van uitmaakt. De reden hiervoor is dat deze politieagent in die functie ondergeschikt is aan de burgemeester, terwijl de agent als raadslid de bevoegdheid heeft de burgemeester ter verantwoording te roepen over diens beleid.

Artikel 13, eerste lid onder o Gemeentewet

Dat kan. Een kandidaat komt bij een vacature opnieuw voor benoeming in aanmerking als hij het hoogst is geplaatst in de rangschikking die na de verkiezing is opgesteld. Een kandidaat wordt hierbij slechts overgeslagen als er sprake is van één van de in artikel W2 Kieswet genoemde gronden. Een eventuele verklaring van de kandidaat waarin deze aangeeft niet voor benoeming in aanmerking te willen komen wordt hierbij betrokken. Daarbij is het van belang of deze kandidaat heeft bedankt voor een specifieke benoeming of heeft aangegeven voor de hele raadsperiode niet meer benoemd te willen worden.

Artikel W 2 Kieswet

Inderdaad kunnen de geloofsbrieven van dit raadslid in de laatste vergadering van de oude raad goedgekeurd worden; de raad kan vervolgens beslissen dat hij wordt toegelaten. Het raadslid kan echter nog geen zitting nemen in de raad. Dat kan pas zodra hij de eed heeft afgelegd in fysieke aanwezigheid van de overige raadsleden en de voorzitter (artikel 14 Gemeentewet).

Als het raadslid op een later tijdstip wel fysiek in staat is om ondanks zijn ziekte naar een vergadering te komen om daar de eed af te leggen, dan kan hij vervolgens op grond van artikel X10, tweede lid van de Kieswet het verzoek bij de voorzitter indienen om zich te laten vervangen. Hij moet dan uiteraard wel aan de vereisten van artikel X10, tweede lid voldoen. Zie voor meer informatie over vervanging bij ziekte en zwangerschap/bevalling onze ledenbrief 2006/156: https://vng.nl//files/vng/vng//documenten/vngdocumenten/2006_lbr/ledenbrief_marz-cva-u20061689-v.pdf

Nee, dat kan niet. In artikel 10 van de Gemeentewet is bepaald aan welke eisen iemand moet voldoen om raadslid te kunnen zijn. Daarnaast noemt artikel 13 van de Gemeentewet de met het raadslidmaatschap onverenigbare betrekkingen. Artikel V4 van de Kieswet bepaalt dat de raad, in oude samenstelling, na de verkiezingen onderzoekt of het kandidaat-raadslid voldoet aan de eisen die worden gesteld in artikel 10 en artikel 13 van de Gemeentewet: dit is het geloofsbrievenonderzoek.

Het is aan de partijen die iemand op hun kandidatenlijst zetten om een onderzoek naar de antecedenten van die persoon te doen en eventueel een VOG te vragen.

Artikel 10, artikel 13 Gemeentewet; artikel V4 Kieswet

In artikel 23 Gemeentewet is bepaald dat de raad in het openbaar vergadert. De geloofsbrieven die de raad onderzoekt bestaan uit de kennisgeving aan de kandidaat dat hij benoemd is (art V1 Kieswet), de melding van de kandidaat dat hij de benoeming aanneemt (V2 Kieswet) en de stukken genoemd in art V3 Kieswet, waaronder de opgave van de openbare betrekkingen die de kandidaat bekleedt. Er is juridisch, maar ook praktisch, geen enkele reden om daarover achter gesloten deuren te praten en deze stukken geheim te houden. Dat geldt eens te meer vanwege de actuele discussies over het tellen van stemmen en de risico s van ondermijning in het lokaal bestuur. Maximale transparantie is ook in dat opzicht wenselijk.

Artikel 23 Gemeentwet.

Na een verkiezing moet het benoemde raadslid uiterlijk op de tiende dag na de dagtekening van de kennisgeving van zijn benoeming bij brief mededeling doen aan het vertegenwoordigend orgaan dat hij zijn benoeming aanneemt (artikel V 2, eerste lid, Kieswet).

De zitting van het hoofdstembureau ter vaststelling van de uitslag is op vrijdag 23 maart 2018 om 10 uur (zie art. O 1, eerste lid, Kieswet). De zitting van het gemeentelijk centraal stembureau is ook op 23 maart (zie art P 1, Kieswet). Aangezien het hoofdstembureau bij gemeenteraadsverkiezingen tevens als centraal stembureau optreedt, worden beide zittingen bij de verkiezingen gecombineerd (zie art E 11, vijfde lid, Kieswet). Uiterlijk de dag na de vaststelling van de uitslag wordt deze aan de benoemde uitgereikt of verzonden (V 1, eerste lid Kieswet).

Als de kennisgeving op vrijdag 23 maart is gedagtekend, dan heeft de benoemde tot en met dinsdag 3 april de tijd voor het aannemen van zijn benoeming (2 april is Tweede Paasdag; op grond van artikel Z 12, eerste lid wordt de termijn verlengd tot dinsdag 3 april). Als de kennisgeving op maandag 25 maart is gedagtekend dan heeft hij de tijd tot en met donderdag 5 april.

In de praktijk zullen de meeste raadsleden hun benoeming per ommegaande accepteren en de benodigde stukken overleggen. Dat is ook wenselijk met het oog op een snelle beëdiging van de nieuw gekozen raadsleden. De wetgever vindt het echter van belang dat een gekozene voldoende tijd heeft om na te gaan of hij daadwerkelijk zijn benoeming wenst te aanvaarden. Bij tussentijdse benoemingen wordt daarom ook een langere termijn gehanteerd (28 dagen).

Artikel O 1, P 1, V 1, eerste lid, V 2, eerste lid, Z 12, eerste lid Kieswet.

Het gemeentelijk centraal stembureau (= het hoofdstembureau) houdt op vrijdag 23 maart 2018 om 10.00 uur zitting en stelt dan de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen vast. In artikel V 1 van de Kieswet is bepaald dat de benoemingsbrief uiterlijk de dag na de uitslag van de verkiezingen of na de benoemd verklaring moet worden uitgereikt of aangetekend moet worden verzonden.

Wanneer een verrichting op grond van de Kieswet op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag valt, dan treedt de eerstvolgende dag die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, daarvoor in de plaats (artikel Z 12, eerste lid Kieswet).

Op vrijdag 23 maart of maandag 26 maart 2018 moet dus de kennisgeving van benoeming aan de verkozen kandidaat worden uitgereikt of verzonden (artikel V 1, eerste lid Kieswet).

Artikel O 1, eerste lid, P 1, Kieswet, P20, V 1 Kieswet, Z 12 Kieswet.

De gemeenteraad heeft de taak om het verloop van de verkiezingen te onderzoeken. De Kieswet stelt regels over het onderzoek van de geloofsbrieven en het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau (artikel V 4 Kieswet). De raad voert het onderzoek naar de geloofsbrieven uit. In het VNG model reglement van orde voor de raad is hiervoor een praktische uitwerking opgenomen. Vanuit de raad wordt een commissie benoemd die onderzoekt of de door de voorzitter van het centraal stembureau benoemde kandidaten ook voldoen aan de vereisten uit de Gemeentewet.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen op 21 maart 2018 heeft de raad in oude samenstelling tot en met woensdag 28 maart 2018 de tijd voor het onderzoek van de geloofsbrieven. Dit volgt uit artikel C 4, tweede lid, Kieswet. Daarin is bepaald dat de leden van de raad aftreden met ingang van donderdag 29 maart 2018. Voor die tijd moet het onderzoek zijn afgerond en moet omtrent de toelating van de nieuw gekozen leden zijn besloten. Doorgaans zal de oude raad voor het laatst bijeenkomen op de woensdag ervoor.

Vervolgens moet de raad voor de eerste maal in nieuwe samenstelling bijeenkomen op donderdag 29 maart 2018 (artikel 18 Gemeentewet). Tijdens die eerste zitting moet de beëdiging van de aanwezige leden, ook degenen die hiervoor al zitting hadden in de raad, plaatsvinden. Leden die niet aanwezig kunnen zijn, moeten bij een volgende vergadering de eed of belofte afleggen. Het is dus niet mogelijk dat de oude raad en de nieuwe raad op dezelfde dag bijeenkomen voor zowel het geloofsbrievenonderzoek als de beëdiging.

Artikel C 4, V 4 Kieswet, artikel 18 Gemeentewet

Volledige vraag
Is het mogelijk iemand "onvrijwillig" de plaats op de kieslijst af te laten staan of die persoon helemaal te verwijderen, bijvoorbeeld doordat de partij hem royeert?

Antwoord
Het kiesstelsel heeft de kiezer als uitgangspunt. De kiezer mag stemmen en bepaalt wie er in de raad komt. Dat politieke partijen een rol spelen doordat ze kandidatenlijsten samenstellen is bij wijze van spreken bijzaak. Een politieke partij kan een lid royeren of uit de fractie zetten, maar dat heeft geen enkele invloed op de invulling van de zetels in de raad. Er zijn zelfs partijen die kandidaten een overeenkomst laten tekenen waarbij een raadslid belooft bij onenigheid over de politieke koers zijn of haar zetel op te geven. Een dergelijk afspraak is echter juridisch niet bindend want in strijd met de wet.

De gemeente heeft geen bemoeienis met wat er binnen de politieke partijen gebeurt. Na de verkiezingen wordt de definitieve rangschikking vastgesteld op basis van de verkiezingsuitslag (de kandidaten kunnen nog wisselen als gevolg van voorkeurstemmen). Die lijst geldt dan voor vier jaar en wordt door de gemeente gevolgd in geval van een vacature. Of leden inmiddels geroyeerd zijn doet niet ter zake (voor de gemeente),. Een kandidaat kan wel uit eigen beweging een verklaring ondertekenen dat hij niet voor een raadszetel in aanmerking wil komen of een benoeming weigeren. Als een persoon geroyeerd is en zijn benoeming aanneemt gaat deze doorgaans als fractie in de raad onder de eigen naam (of zelf gekozen partijnaam).

Partijen worden geacht hun kandidatenlijsten zorgvuldig samen te stellen, leden te screenen etc., en dus vooraf heel zorgvuldig te werk te gaan, omdat na de verkiezingen de uitslag vaststaat en er niets meer gewijzigd kan worden.

In het geval er een vacature ontstaat en er op de betrokken lijst geen kandidaat meer benoembaar is (omdat er geen kandidaten meer zijn, of omdat geen van de kandidaten voor benoeming in aanmerking wenst te komen), wordt bezien uit hoeveel leden de gemeenteraad bestaat. Indien de gemeenteraad uit negen of elf leden bestaat, wordt door toepassing van artikel W 4 juncto P 10 van de Kieswet bepaald aan welke van de andere lijsten binnen de gemeente de zetel wordt toegekend. Dit komt er op neer dat gekeken wordt welke lijst voor een volgende restzetel in aanmerking zou zijn gekomen.

Bij gemeenteraden die uit meer dan elf leden bestaan vindt geen overgang plaats naar een andere lijst en blijft de plaats onbezet.

In geval de plaats onbezet blijft, dient het centraal stembureau het besluit te nemen dat er geen opvolger kan worden benoemd. Deze beslissing is definitief. Ook als later de partij toch weer de raad in wil wordt er geen nieuwe procedure gestart ter vervulling van een vacature.

Artikelen W 4 en P 10 van de Kieswet

NB: door inwerkingtreding van de wet van 28-06-2017, Stb 2017, 302, wordt de mogelijkheid om lijstencombinaties te vormen afgeschaft. Deze is op 1 december 2017 in werking getreden (23-10-2017, Stb. 2017, 415)

Iemand die nog geen ingezetene is van de gemeente  mag op de kieslijst staan, maar hij moet bij de kandidaatstelling een verklaring hebben ondertekend dat hij bereid is te verhuizen naar de gemeente waar hij raadslid wil worden. Ook kan deze persoon benoemd worden, tenzij hij verklaart dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te komen (bijvoorbeeld omdat hij bij nader inzien toch niet bereid is te verhuizen).

Vervolgens dient bij het geloofsbrievenonderzoek (dus na de verkiezingen) vastgesteld te worden of de persoon ook daadwerkelijk in de gemeente woont. Is dat niet zo, dan kan betrokkene geen raadslid worden. Het is immers één van de vereisten van het lidmaatschap dat een raadslid woont in de gemeente.

Artikel 10 Gemeentewet geeft geen mogelijkheden tot uitstel of een termijn waarbinnen betrokkene moet verhuizen. Indien bij het geloofsbrievenonderzoek blijkt dat hij niet in de gemeente woont, wordt hij niet toegelaten als raadslid en dient een andere kandidaat tot raadslid te worden benoemd.

Artikel 3 en artikel 10 Gemeentewet, artikel V 4, eerste lid Kieswet

Inderdaad moet de raad na de verkiezingen een oordeel geven over de rechtmatigheid van de verkiezingen. De organisatie en het verloop van de verkiezingen moeten op wettige wijze plaatsvinden. Het is aan de oude raad om daar een oordeel over uit te spreken. Dit gebeurt tijdens de laatste vergadering van de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad op 29 maart 2018.

Bij de parlementaire behandeling van art. V4 Kieswet is het volgende opgemerkt: "Bij de beoordeling van de verkiezingen ter gelegenheid van het onderzoek van de geloofsbrieven heeft het vertegenwoordigend orgaan zich slechts af te vragen of de stemming op wettige wijze is geschied en of de uitslag van de stemming juist is vastgesteld." Aan het oordeel van de raad zijn twee mogelijke consequenties verbonden. Mocht de raad tot het oordeel komen dat de uitslag niet juist is vastgesteld, dan wordt tot een hertelling besloten. Als de raad van mening is dat de verkiezing zelf ongeldig is, dan heeft dit tot gevolg dat een herstemming gehouden wordt.

In maart 2010 heeft de Commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven van de gemeente Rotterdam een duidelijk voorbeeld gegeven. Deze commissie heeft de raad geadviseerd over het verloop van de verkiezingen. Op basis van bezwaren (in het proces verbaal), meldingen, feiten en waarneming heeft de commissie een rapport opgesteld waarin zij een advies geeft over de mogelijke onjuistheid van de uitslag en een mogelijke ongeldigheid van de stemming. Hier was uiteraard sprake van een uitzonderlijke situatie. In de meeste gevallen zal er geen aanleiding zijn om te twijfelen aan een goed verloop van de verkiezingen.

De raad heeft de bevoegdheid om te besluiten dat de stemmen (deels) opnieuw geteld dienen te worden en de bevoegdheid om over te gaan tot (gedeeltelijke) herstemming. Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid.: Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 2014-0000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK.

In deze circulaire wordt o.m. uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling.

Artikel V 4 Kieswet

Artikel 18 van de Gemeentewet bepaalt dat de nieuwe raad vergadert op de eerste dag nadat de oude is afgetreden. De oude raad treedt af met ingang van donderdag 29 maart. Formeel is er dus een moment (van rechtswege op woensdag 28 maart om 24.00 uur) dat de oude raad verdwijnt en de nieuwe raad het gezag uitoefent. Er kan van een overlap geen sprake zijn.

De gemeenteraad is het hoogste orgaan in de gemeente, die bijvoorbeeld voor de burger bindende regels kan stellen (verordeningen) en vertrouwen in burgemeesters kan opzeggen. Ook al daarom is het onmogelijk dat er op enig moment twee gemeenteraden in functie zouden zijn.

In het onwaarschijnlijke geval dat de raad moet optreden na woensdag middernacht, is het de nieuwe raad die met spoed bijeen wordt geroepen. Dan zal eerst de installatie moeten plaatsvinden, daarna kunnen besluiten worden genomen over spoedeisende zaken.

Artikel C 4, tweede lid Kieswet, artikel 18 Gemeentewet

Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming. Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld (zie bijlage bij de Kies- en referendumregeling, http://wetten.overheid.nl/BWBR0034180/2017-07-20)

De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt. Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overgelegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden.

Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet.

Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties.

De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit aan de raad. Het instellen van een commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven is in het Model reglement van orde voor de raad uitgewerkt.

Artikel V 1, V 2 en V 3 Kieswet, artikel 10, 12, 13 en 15 Gemeentewet, artikel 5 Model Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2018.

Op grond van artikel V 4 van de Kieswet wordt bij het onderzoek van de geloofsbrieven nagegaan of de benoemde geen met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult.

Voor het raadslid gelden op grond van artikel 13, eerste lid Gemeentewet de volgende incompatibiliteiten (onverenigbare betrekkingen in Kieswettermen):

  • minister
  • staatssecretaris
  • lid van de Raad van State
  • lid van de Algemene Rekenkamer
  • Nationale ombudsman
  • substituut-ombudsman
  • Commissaris van de Koning
  • gedeputeerde
  • secretaris van de provincie
  • griffier van de provincie
  • burgemeester
  • wethouder
  • lid van de rekenkamer
  • gemeentelijk ombudsman of lid van de ombudscommissie
  • ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt

Een raadslid mag wel ambtenaar van de burgerlijke stand zijn, of uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verrichten, of werkzaam zijn voor een school voor openbaar onderwijs.

Een raadslid mag gedurende een korte periode tevens wethouder zijn. Dat is het geval indien een zittende wethouder na de verkiezingen raadslid is geworden. Bij de collegevorming zal deze persoon, in het geval hij zou kunnen doorgaan als wethouder, moeten kiezen tussen het raadslidmaatschap en de functie van wethouder. De uitzondering heeft dus betrekking op de periode na verkiezingen dat de wethouder demissionair is en geldt uitsluitend voor zover betrokkene raadslid en wethouder is in dezelfde gemeente. Het wethouderschap in de ene gemeente is in geen geval te verenigen met het raadslidmaatschap in de andere gemeente.

Daarnaast zijn er ook verboden handelingen voor een raadslid. Deze zijn opgenomen in artikel 15 van de Gemeentewet. Als hiervan sprake is op het moment van aanvaarding van het raadslidmaatschap zal hiervoor een oplossing gezocht moeten worden door de benoemde persoon voordat hij of zij daadwerkelijk als lid kan worden toegelaten. Zo zal bijvoorbeeld een advocaat die werkzaam is in een geschil ten behoeve van de gemeente dan wel de wederpartij de zaak kunnen overdragen aan een collega.

De raad stelt voor zijn leden een gedragscode vast, waarin bijvoorbeeld wordt aangegeven welke nevenfuncties wel of niet aanvaardbaar zijn.

Artikel V 4 Kieswet, artikelen 13, 15, 36a en 36b Gemeentewet

De gemeente heeft hier geen rol in. Politieke partijen zijn verantwoordelijk voor de samenstelling van de kandidatenlijsten en voor de screening van de personen die op de lijst geplaatst worden. Daarnaast heeft de kiezer natuurlijk de vrijheid om deze omstandigheid al dan niet bij het maken van zijn stemkeuze te betrekken.

Ook bij het geloofsbrievenonderzoek is het vermoeden van fraude geen reden om iemand niet te benoemen. Het is vooral de fractie die in gesprek kan gaan met de betreffende persoon om deze te bewegen om zijn zetel niet in te nemen of op te geven, mochten er bewijzen van fraude zijn.

Zie ook:
Model Gedragscode Integriteit volksvertegenwoordigers in gemeenten, provincies en waterschappen 2015. Deze is opgenomen in de SDU-Kennisbank decentrale regelgeving, waar de meeste gemeenten op geabonneerd zijn.

Nee, dit maakt geen onderdeel uit van het geloofsbrievenonderzoek. Ook als er een rechtszaak loopt tussen een benoemd raadslid en de gemeente is dat geen reden om een raadslid niet toe te laten.

Het is aan de politieke partij om kandidaten te selecteren en te screenen en te bepalen of iemand de partij kan vertegenwoordigen. Daarnaast heeft de kiezer natuurlijk de vrijheid om deze omstandigheid al dan niet bij het maken van zijn stemkeuze te betrekken.

Artikel X10 van de Kieswet regelt dat tijdelijke vervanging wegens zwangerschap op verzoek van een toegelaten raadslid kan plaatsvinden door de voorzitter: het tijdelijke ontslag wordt dan verleend op een in het verzoek vermelde dag die ligt tussen ten hoogste 6 en ten minste 4 weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum, tenzij het verzoek wordt gedaan op een tijdstip dat ligt binnen 16 weken voor het einde van de zittingsduur.

Voor vervanging is dus vereist dat het verzoek gedaan wordt door een toegelaten raadslid, en dat het verzoek eerder dan 6 weken voorafgaand aan de vermoedelijke bevalling gedaan wordt (het tijdelijk ontslag moet immers  ingaan tussen 6 en 4 weken vóór de vermoedelijke bevalling). Dat is in dit geval niet meer mogelijk. Hoewel de zwangerschap niet aan de toelating in de weg staat en het raadslid haar benoeming ook kan aanvaarden, kan zij vanwege haar bevalling niet de eed afleggen en geen zitting nemen in de raad. Concreet betekent dit dat als het kandidaat-raadslid haar benoeming aanvaardt, haar raadszetel leeg blijft tot zij in staat is naar de vergadering te komen om zich te laten beëdigen.

Artikel X10, eerste lid Kieswet

Het is niet mogelijk om de functie van volksvertegenwoordiger te delen. Zeker voor kleine of éénpersoonsfracties kan dit lastig zijn. Gemeenten die gebruik maken van raadscommissies (of andere vormen om de raadsvergaderingen voor te bereiden) treffen in de verordening op de raadscommissies doorgaans een regeling waarbij het mogelijk is dat een raadslid zich kan laten vervangen. Voor de vergaderingen van de raad is dit niet mogelijk. Alleen de gekozen volksvertegenwoordiger kan deelnemen aan een raadsvergadering en heeft stemrecht.

In het geval een benoemd en toegelaten raadslid is verhinderd voor de eerste vergadering van de nieuwe raad op 29 maart, kan de installatie ook in een andere (eerstvolgende) raadsvergadering plaatsvinden.

Een raadslid kan zijn functie pas uitoefenen als hij de eed of belofte heeft afgelegd. Als een raadslid op een later moment beëdigd wordt, blijft bij de betreffende fractie een zetel leeg en heeft deze fractie tijdelijk een stem minder, want zonder eedaflegging kan het raadslidmaatschap niet worden uitgeoefend. Het is dus in het belang van het raadslid (en de fractie) dat dit snel gebeurt.

Artikel 14 Gemeentewet

Na de verkiezingen is met voorkeursstemmen een raadslid door het centraal stembureau benoemd verklaard. De commissie voor de geloofsbrieven heeft deze goedgekeurd en de benoemde toegelaten. Echter het raadslid heeft de eed/gelofte wegens ziekte nog niet afgelegd. Daarom is het raadslid nog niet begonnen met de feitelijke werkzaamheden.

De tekst van de Kieswet spreekt over een toegelaten raadslid dat zich kan laten vervangen. Om ‘echt’ aan de slag te kunnen als raadslid dient deze de eed of belofte te hebben afgelegd.

De Kiesraad en de VNG zijn van mening dat het niet bezwaarlijk is dat een raadslid dat niet beëdigd is zich laat vervangen op grond van de Kieswet. De tekst van de wet spreekt immers over een toegelaten raadslid. Het begin van het lidmaatschap van de raad wordt in de Kieswet ook uitgewerkt als het moment waarop bekend gemaakt is dat de betrokkene toegelaten is.

Artikel V 11 en X 10 Kieswet

Het gaat hier om de volgende stappen: de vaststelling van de uitslag, de kennisgeving van benoeming, de aanneming van de benoeming, de toelating tot de raad, en de eedaflegging. De vaststelling van de uitslag en de kennisgeving van benoeming gebeurt door de voorzitter van het centraal stembureau. Deze heeft uiterlijk op de dag na de vaststelling van de uitslag of na de benoemdverklaring in een tussentijdse vacature de benoemingsbrieven uitgereikt. De termijn tussen de kennisgeving en het aannemen van die benoeming is ten hoogste 10 dagen. Bij een tussentijdse benoeming geldt een termijn van 28 dagen tenzij sprake is van een tijdelijke vacature (dan wordt weer een termijn van 10 dagen gehanteerd).

Als de benoeming wordt aangenomen en de geloofsbrieven worden overgelegd is de raad aan zet. Deze besluit over de toelating. Dat doet de oude raad na de verkiezingen van 21 maart 2018 uiterlijk op 28 maart. Op 29 maart kan dan de eedaflegging van de nieuw benoemde raadsleden plaatsvinden.

Artikel P 20, V 1, V 2, X 12, Z 12, eerste lid Kieswet, artikel 18 Gemeentewet

Kan de ambtenaar wel raadslid blijven?

 

In beginsel mag een raadslid werkzaam zijn als ambtenaar van een gemeenschappelijke regeling, tenzij hij in de uitoefening van die functie onder direct gezag staat van de burgemeester of een portefeuillehouder die hij in de raad ter verantwoording kan roepen. Een raadslid die ook ambtenaar is van een gemeenschappelijke regeling, zal zich in zijn raadswerk moeten onthouden van stemmingen over de gemeenschappelijke regeling en mag zich niet inhoudelijk inlaten met overeenkomsten tussen de gemeente en de gemeenschappelijke regeling.

In dit geval, waarbij de gemeenschappelijke regeling gaat om gefuseerde ambtelijke organisaties, ontraden wij het raadslidmaatschap van de ambtenaar. Er is immers sprake van direct gezag van een of beide burgemeesters of portefeuillehouders van de gemeenten die de ambtelijke fusie aangaan. De burgemeesters of portefeuillehouders van de afzonderlijke gemeenten zijn dan immers vaak samen verantwoordelijk voor de gezamenlijke taakstellingen van de ambtelijk gefuseerde gemeente.

Strikt juridisch genomen is er geen beletsel, maar ons advies is om dit niet te doen, zeker in het licht van de huidige scherpe discussies over integriteit.

Artikel 13 Gemeentewet

De periode gedurende welke er een samenloop zal zijn tussen het wethouderschap en het raadslidmaatschap, vangt aan op het moment van de stemming voor gemeenteraadsverkiezingen en eindigt op het moment waarop de wethouders aftreden (artikel 36b, lid 2 onder a van de Gemeentewet).

Het moment waarop die periode aanvangt, is daarmee helder. Over het moment waarop die periode eindigt, valt het volgende te melden.

Die periode eindigt wanneer, na de verkiezing van de leden van de raad, de wethouders aftreden op het moment dat de raad ten minste de helft van het met inachtneming van artikel 36 van de Gemeentewet bepaalde aantal wethouders heeft benoemd en deze benoemingen zijn aanvaard.

De betreffende wethouder blijft dus in zijn of haar functie totdat de raad in nieuwe samenstelling het vereiste aantal wethouders heeft benoemd. Het einde van de periode is daarmee niet gelimiteerd. Artikel 37 van de Gemeentewet kent geen tijdstip meer waarop wethouders door de raad moeten worden benoemd. De periode gedurende welke het college demissionair is, is niet aan een termijn gebonden. Achtergrond hiervan is zo te voorkomen dat er een bestuursvacuüm kan ontstaan (II, kamerstukken 27 751, Stb. 111, 28 februari 2002).

Dat is alleen na de verkiezingen tijdelijk toegestaan en wel op grond van artikel 13 juncto artikel 42 van de Gemeentewet. De wethouder blijft in functie en kan tijdelijk ook als raadslid functioneren, totdat in de opvolging is voorzien.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Gemeentewet mag een raadslid niet tegelijkertijd het ambt van wethouder bekleden, noch in de gemeente waar hij raadslid is noch in een andere gemeente (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 88). Het tweede lid maakt hierop voor bepaalde gevallen tijdelijk een uitzondering. Een wethouder die bij de gemeenteraadsverkiezingen tot raadslid is gekozen kan gedurende de periode die begint op de dag van de stemming voor de gemeenteraadsverkiezingen tot het tijdstip waarop de wethouders aftreden beide functies tegelijkertijd vervullen. Op grond van artikel 42 van de Gemeentewet treden de wethouders af op het moment dat de raad in nieuwe samenstelling de helft van het aantal wethouders heeft benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen. Deze uitzondering geldt niet voor wethouders die in een andere gemeente, dan waarin zij wethouder zijn, tot raadslid zijn gekozen (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 88).

Artikel 13, tweede lid, artikel 42 Gemeentewet

Art X10, eerste lid Kieswet: het tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling wordt verleend op de in het verzoek vermelde dag die ligt tussen ten hoogste zes en ten minste vier weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling die blijkt uit een door het lid overgelegde verklaring van een arts of verloskundige. Het zwangere raadslid blijft dus in functie tot de datum van ontslag.

Pas als de vacature daadwerkelijk is ontstaan, en dat is met ingang van de ontslagdatum, kan de voorzitter van het centraal stembureau besluiten om een opvolger te benoemen. Zie X12, eerste lid van de Kieswet en artikel W 1 van de Kieswet.

Artikel X10, eerste lid, artikel X12 en artikel W1 van de Kieswet

Artikel 155a van de Gemeentewet regelt de instelling van een onderzoekscommissie door de raad. Op grond van dit artikel bestaat de commissie uitsluitend uit leden van de raad. Als leden van de raad na de verkiezingen niet meer terugkomen in de raad zullen deze in de commissie moeten worden vervangen.

De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van de raad (lid 6). In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt uitgelegd dat als onderzoeken gestart zijn onder de oude raad, deze na de verkiezingen worden voortgezet onder de nieuwe raad (zie Kamerstukken II 2000/01, 27 751, nr. 6, p. 36).

Artikel 155a Gemeentewet

De Kieswet sluit niet uit dat een raadslid zich afsplitst van zijn partij om tussentijds een nieuwe partij op te richten. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden gekozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet en artikel 129 Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen.

De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. De Kieswet zegt niets over de vraag of deze persoon dan wordt aangeduid als de woordvoerder van de nieuwe partij of blijft zitten als “onafhankelijk raadslid”. De daarvoor gelden de regels zijn doorgaans wel in het Reglement van Orde van de raad opgenomen. Het Model-reglement van orde van de raad geeft in artikel 7 een bepaling voor de te volgen procedure. In dit model van de VNG voor de raad is bepaald dat wanneer één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan optreden, twee of meer fracties als één fractie gaan optreden of één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie, zij hiervan schriftelijk mededeling doen aan de voorzitter. Met de veranderde situatie wordt dan rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling daarvan.

Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. De raad heeft geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties. In principe heeft de raad ook geen zeggenschap over de naamvoering van een fractie: deze zal dikwijls gelijk zijn aan de geregistreerde aanduiding. Ook indien een raadslid zich afsplitst, heeft hij het recht een eigen fractienaam te kiezen. De raad kan wel in het reglement van orde regelen dat de fractienaam moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel G 3, vierde lid van de Kieswet. Dit komt er op neer dat de naam van de nieuwe fractie onder meer wordt geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam.

Dit betekent ook dat:

  • kandidaten die op een kandidatenlijst staan en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met de Gemeentewet en de Kieswet;
  • personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen;
  • als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren.

Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kunnen diverse praktische gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en –faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door burgerraadsleden.

Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de rangschikking zoals die na de verkiezing is vastgesteld (zie artikel P 19 van de Kieswet). Het gaat daarbij om de lijst waarop degene die vervangen moet worden, oorspronkelijk is gekozen. Een tussentijds opgerichte partij heeft geen zetels behaald bij de laatst gehouden verkiezing en heeft dus geen faciliteiten bij de daaropvolgende verkiezingen. Deze partij zal ondersteuningsverklaringen moeten afleggen, een waarborgsom moeten betalen en moeten loten om een lijstnummer.

Artikel 7 van het Model Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2018; modelverordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2018, artikel 27 Gemeentewet; Artikel P 19 en W 1 Kieswet.

Ja, dat kan, als het een commissielid betreft dat niet raadslid is. Als de gemeenteraad artikel 10 van de Gemeentewet (het woonplaatsvereiste) niet van toepassing heeft  verklaard op commissieleden, dan hoeft een niet-raadslid dat commissielid is daar niet aan te voldoen, en kan hij als commissielid ook optreden als fractievertegenwoordiger.

Ja, dit is mogelijk op grond van artikel X10 e.v. van de Kieswet. Het zieke of zwangere raadslid moet de voorzitter van de raad om tijdelijk ontslag verzoeken en een verklaring van een arts of, bij zwangerschap, een verloskundige overleggen.

Meer informatie (procedure en rechtspositionele aspecten) vindt u in onze ledenbrief hierover (3 november 2006, nr 06/156). Daarnaast heeft de Raad van State een advies uitgebracht over de specifieke situatie dat een raadslid niet zelf in staat is om een verzoek om vervanging te doen.

Artikel X 10, X 11 en X 12  Kieswet. Raad van State Advies W04.13.0104/I, 28 juni 2013, ledenbrief 06/156.

Het lidmaatschap van een vertegenwoordigend orgaan begint zodra positief over de toelating is besloten en deze beslissing aan de benoemde is medegedeeld. Op basis van het geloofsbrievenonderzoek wordt door het orgaan in oude samenstelling een beslissing genomen over de toelating van nieuwe leden. De daadwerkelijke uitoefening van het raadslidmaatschap vangt aan nadat het raadslid de eed of belofte heeft afgelegd. Dan vangt ook het recht op vergoeding aan.

Artikel V 11 Kieswet, 18 Gemeentewet

Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt voor het bepalen van de opvolger teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen.

Artikel P 19 Kieswet

De term fractie is niet in de Kieswet of de Gemeentewet te vinden, noch in enige andere wet. In het Model-reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de VNG wordt dit begrip daarom ingevuld en worden enkele regels vastgelegd.

Na het vaststellen van de uitslag van de verkiezingen vindt de eerste zitting van de raad plaats. Bij de aanvang van deze zitting worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd.

De fractie gebruikt in principe in de raadsvergadering de aanduiding (of de afkorting daarvan) die de politieke groepering bij het centraal stembureau heeft geregistreerd en die dus boven de kandidatenlijst stond. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de kandidatenlijst voor de burger duidelijk.

Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de naam mee die zij in de raad wenst te voeren. De raad kan in zijn reglement van orde regelen dat de fractienaam moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel G 3 van de Kieswet.

Artikel 7 van het Model Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2018.

Het vereiste van ingezetenschap van de wethouder is vastgelegd in artikel 36a, eerste lid, van de Gemeentewet. De raad kan in bijzonder gevallen ontheffing verlenen, telkens met een periode van een jaar (tweede lid). De raad bepaalt of er sprake is van een bijzonder geval dat de afwijking rechtvaardigt van de wettelijke norm van het vereiste van ingezetenschap.

Artikel 36a van de Gemeentewet

Artikel 13 lid 1 sub l en artikel 36 lid 1 sub l Gemeentewet regelen over en weer dat het raadslidmaatschap en het wethouderschap onverenigbaar zijn. De leden 2 sub a van deze artikelen geven als uitzondering de periode na de verkiezing aan tot het moment van aftreden van de wethouders.

Voor raadscommissies regelt artikel 82 lid 2 Gemeentewet dat wethouders geen lid zijn van raadscommissies. Een uitzonderingsbepaling zoals bij de samenloop van raadslidmaatschap en wethouderschap in de periode na de verkiezing ontbreekt.

De vraag is of de uitzondering op de onverenigbaarheid ook (tijdelijk) geldt voor het lidmaatschap van een raadscommissie. Enerzijds kan geredeneerd worden dat wat voor een raadslid geldt, zeker ook geldt voor een lid van een raadscommissie. Een raadslid mag wethouder zijn in bijzondere omstandigheden, dus een commissielid mag ook wethouder zijn in diezelfde bijzondere omstandigheden. Anderzijds valt de volgende redenering te verdedigen:  de Gemeentewet verbiedt dat wethouders lid zijn van een raadscommissie, dus raadsleden die ook wethouder zijn mogen door die samenloop geen lid zijn van een raadscommissie.

Van belang is hier dat artikel 82 lid 2 van de Gemeentewet uitsluit dat het wethouderschap wordt gecombineerd met het lidmaatschap van een raadscommissie. Daarbij is niet -zoals in artikel 13 b Gemeentewet- een uitzondering gemaakt voor de wethouder-in-het-oude-college die in de nieuwe raad is gekozen. De wet is op dit punt duidelijk.

Dat valt ook wel rationeel te verklaren. Het is in het duale stelsel niet de bedoeling dat wethouders aan raadswerk doen (waardoor zij feitelijk zichzelf zouden controleren). Maar het zou bijzonder onpraktisch zijn als er in de periode tussen de raadsverkiezingen en het aantreden van het nieuwe college een interim-wethouder of een interim-raadslid zou moeten worden gezocht, of als een zetel tijdelijk onbezet zou moeten blijven (waardoor de democratisch bepaalde machtsverhouding in de raad zou verschuiven).

Het ligt dus voor de hand dat de wethouder wel tijdelijk de raadszetel mag bezetten, maar zolang hij of zij nog wethouder is zich niet bezig houdt met het handwerk van het raadslidmaatschap.

Artikel 13, 36 en 82 Gemeentewet

De vraag wanneer een nieuw college tot stand komt is aan de lokale politiek zelf. Het zou zinloos zijn om te proberen aan de collegeformatie een juridische deadline te stellen, al was het maar omdat je dan ook zou moeten invullen wat er moet gebeuren als die datum niet wordt gehaald, en men kan moeilijk iemand die dat niet wil dwingen een wethouderschap te aanvaarden.

De situatie in de tussenliggende periode is geregeld in artikel 42 Gemeentewet: in beginsel blijven de zittende wethouders in functie totdat de raad tenminste de helft van het nieuwe college heeft benoemd en die benoemingen zijn aanvaard. Op grond van het eerste lid treden na de verkiezingen de (zittende) wethouders af op het moment dat ten minste de helft van het in artikel 36 (Gemeentewet) bepaalde aantal (nieuwe) wethouders is benoemd en die benoemingen zijn aangenomen.

Op grond van het tweede lid  treedt de burgemeester in de plaats van het college als (in de tussenliggende periode) zoveel wethouders ontslag nemen of worden ontslagen dat het aantal onder de helft van het in artikel 36 (Gemeentewet) bepaalde aantal wethouders zakt.

Die kans wordt bij een zeer langdurige formatie uiteraard snel groter. De burgemeester treedt op dat moment in de plaats van het college en handelt vooral lopende zaken af. Het zou politiek onhandig zijn, hoewel juridisch toegestaan, om ingrijpende besluiten namens het college  te nemen.

Artikel 36 en 42 Gemeentewet

Wanneer een wethouder ontslag neemt of krijgt kan hij weer een raadszetel innemen, indien er een vacature is of een partijgenoot ontslag neemt.

Van belang is wel dat de wethouder op de kandidatenlijst van de partij staat. Als dat het geval is kan hij benoemd worden als raadslid wanneer er een vacature is. De vacature kan ontstaan doordat een ander raadslid ontslag neemt. Dan moet er een opvolger worden benoemd door de voorzitter van het centraal stembureau. De opvolger is de eerste op de lijst zoals die na de verkiezingen door het centraal stembureau is vastgesteld. Buiten beschouwing daarbij blijven uiteraard degenen die al in de raad zitten en (o.m.) degene die een verklaring heeft ingevuld dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te komen.

Vaak zal een wethouder bovenaan de lijst hebben gestaan en dus automatisch de eerstvolgende op de lijst zijn die voor benoeming in aanmerking komt. In het geval hij niet de eerstvolgende op de lijst is moeten de kandidaten die eerder aan de beurt zijn dus meewerken door te bedanken voor het raadslidmaatschap voor deze vacature.

Als het nieuwe raadslid de benoeming aanneemt dient (weer) een geloofsbrievenonderzoek plaats te vinden. De vereisten voor een wethouder zijn in grote lijn gelijk aan dat van een raadslid maar over bijv. nevenfuncties kan anders gedacht worden; dit dient dus opnieuw bekeken te worden.

Artikel P 19, W 1, W 2 Kieswet

Nee, juridisch gezien kan je niet zeggen dat de wethouders demissionair zijn; de Gemeentewet kent deze term niet. Bij reguliere verkiezingen geeft de Gemeentewet aan dat de 'oude' wethouders in functie blijven totdat de nieuwe wethouders door de nieuwe raad worden benoemd.

De term demissionair verwijst naar de situatie dat het dagelijks bestuur het vertrouwen heeft verloren van de volksvertegenwoordigers. Dit komt formeel alleen voor op het niveau van de Tweede Kamer. Voor dit orgaan is immers geregeld dat als het vertrouwen is verloren er nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven.

In de tijd tussen het opzeggen van het vertrouwen (doorgaans gepaard met het ontslag van (een deel van) het kabinet) en de benoeming van de nieuwe ministers, worden de zittende ministers aangeduid onder vermelding van het woord demissionair.

In het spraakgebruik wordt overigens ook op gemeentelijk niveau wel gesproken van demissionaire wethouders.

Volledige vraag
Het kan voorkomen dat gekozen, benoemde en toegelaten  raadsleden in het nieuwe college wethouder worden. Op het moment dat het college benoemd wordt zijn zij nog raadslid. Mag raadslid X dan bij het benoemingsbesluit meestemmen over de benoeming van wethouder X (raadslid en wethouder X zijn dezelfde persoon).

Antwoord
De Gemeentewet regelt dat voor deze specifieke situatie een wethouderschap en lidmaatschap van de raad tijdelijk geen onverenigbare betrekkingen zijn (artikel 13 lid 2 Gemeentewet). Daarnaast mag de aanstaande wethouder meestemmen over de eigen benoeming, hoewel men zou kunnen redeneren dat het een zaak is die hem of haar rechtstreeks aangaat.

De formele reden is dat het hier gaat om een vrije stemming (men zou andere kandidaten kunnen aandragen en op hen stemmen).

De praktische en staatsrechtelijke reden is dat een andere conclusie bijzonder onwenselijke gevolgen zou hebben: als de kandidaat-wethouder immers niet zou meestemmen, verschuift de machtsverhouding in de raad, zeker als de beoogde coalitie een krappe meerderheid heeft van één stem. De uiterste consequentie zou zijn dat er dan geen college tot stand kan komen, hoewel daarvoor wel een (zij het minieme) meerderheid in de raad is.

Artikel 13, 30 en 31 Gemeentewet

Volledige vraag
Er is een wethouder die per 1 april vertrekt naar het buitenland. Er wordt vermoed dat de coalitievorming dan nog niet afgerond is. De betreffende partij komt waarschijnlijk ook niet meer in de raad.

Antwoord 
Er is hiervoor geen wettelijke regeling. In de regel dient een wethouder een maand opzegtermijn in acht te nemen, of minder dan een maand afhankelijk van de vraag wanneer zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen (artikel 43 Gemeentewet).

In de periode tussen de raadsverkiezingen en de vorming van een nieuw college kunnen de huidige coalitiepartijen besluiten dat het toch zinvol is om, ondanks de beperkte tijd, een opvolger voor de vertrekkende wethouder aan te wijzen.

Anderzijds kan het vanuit praktische overwegingen raadzaam zijn om de portefeuille van de aftredende wethouder voor een korte periode te verdelen onder de overgebleven leden van het college. Bij die afweging spelen ook vaak politieke motieven mee, zoals de positie van de partij in het college en de eventuele besluiten die het college nog wil en kan nemen.

Artikel 43 Gemeentewet

Het kan voorkomen dat de te benoemen wethouders in het nieuwe college ook wethouder waren in het oude college. De vraag is of zij opnieuw worden benoemd en beëdigd, of dat dit vereiste alleen voor de nieuwe wethouders geldt. Kan dezelfde redenering worden gevolgd voor (terugkerende) raadsleden?

Raadsleden en wethouders treden automatisch af na de verkiezingen. Raadsleden treden automatisch af in de nacht van 28 op 29 maart. Op dat moment zijn ze van rechtswege geen raadslid meer. Voor wethouders is een regeling neergelegd in artikel 42 Gemeentewet.

Artikel 42 legt vast dat alle wethouders aftreden, ook al kan het in de praktijk zo zijn dat ze wederom als wethouder benoemd worden. De raad benoemt de wethouders. Op 29 maart treedt een nieuwe raad aan die nieuwe wethouders benoemt. Ook het geloofsbrievenonderzoek en de beëdiging moet voor alle wethouders gebeuren, het maakt daarbij niet uit of iemand al eens wethouder is geweest. Portefeuilles kunnen wisselen, evenals nevenfuncties. Daar moet opnieuw goed naar gekeken worden bij het geloofsbrievenonderzoek.

Eenzelfde redenering geldt voor raadsleden. Voor alle benoemde raadsleden moet het geloofsbrievenonderzoek plaatsvinden om te beoordelen of ze toegelaten kunnen worden. Ook zij moeten allemaal de eed afleggen, ook al zijn ze in een eerdere periode raadslid geweest.

Artikel 14, 41a en 42 Gemeentewet

Een voorbeeld: sinds de raadsverkiezingen vormt de voormalige oppositie een ruime meerderheid. Dat is de nieuwe beoogde coalitie. Zij willen dat de huidige/voormalige coalitie geen besluiten meer neemt. Wat zijn de mogelijkheden van het controversieel verklaren op gemeentelijk niveau?

De situatie dat er verkiezingen zijn geweest is anders dan dat er een college is gevallen. Het is niet zo dat het oude college geen (lopende) zaken kan behandelen. Wel kan het zo zijn dat de voormalige oppositie een ruime meerderheid van de stemmen heeft gekregen en waarschijnlijk een nieuw college zal vormen.

Een week na de verkiezingen, op donderdag 29 maart, wordt de nieuwe raad geïnstalleerd. Deze raad zou kunnen besluiten dat bepaalde onderwerpen “stil gelegd” moeten worden. Vervolgens is het vooral van belang dat de nieuwe raad zich inspant om snel een nieuw college te vormen.

Om als raadslid te worden toegelaten moet de kandidaat ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Gemeentewet, de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Minderjarigen mogen ingevolge artikel H7, eerste lid, van de Kieswet als kandidaat op de kandidatenlijst worden opgenomen als zij tijdens de betreffende zittingsperiode de vereiste leeftijd van 18 jaar zullen bereiken. Op grond van artikel V4, eerste lid, van de Kieswet kunnen zij echter niet als raadslid tot de raad toetreden: dat kan eventueel via lijstopvolging met ingang van het moment waarop de kandidaat meerderjarig wordt (Hoofdstuk W van de Kieswet).

Als de minderjarige die is gekozen nog voordat hij is toegelaten zijn raadslidmaatschap opzegt, dan wordt in de vacature voorzien op de gebruikelijke manier: degene die het hoogst is geplaatst op de lijst waarop de minderjarige die moet worden opgevolgd, is gekozen.

Artikel W1, eerste lid, arikel H7, eerste lid Kieswet, artikel 10, eerste lid Gemeentewet, artikel V4, Kieswet

De leden van de raad stemmen zonder last. Het is prima om al vooraf kandidaten in te vullen op basis van de coalitieonderhandelngen/meerderheid, maar het is een vrije stemming; men kan ook zelf namen toevoegen en op een andere kandidaat stemmen.

Wanneer in een opengevallen plaats moet worden voorzien, wordt nagegaan of er een opvolger beschikbaar is op de lijst waarop degene die moet worden vervangen, is gekozen. Van belang voor opvolging is de volgorde van de lijst zoals die is vastgesteld na de verkiezingen door het centraal stembureau. In deze rangschikking, die dus gedurende de gehele zittingsperiode gelijk blijft, wordt van de kandidaten nagegaan of zij voor benoeming in aanmerking komen.

Kandidaten komen niet in aanmerking indien een van de gevallen genoemd in het eerste lid van artikel W 2 van de Kieswet zich voordoet. Met name de grond dat een kandidaat heeft verklaard niet voor benoeming in aanmerking te willen komen, is een reden die nogal eens voorkomt bij het vervullen van een tussentijdse vacature. De kandidaat die het hoogste op de desbetreffende lijst is geplaatst en waarbij de omstandigheden van artikel W 2, eerste lid, van de Kieswet niet van toepassing zijn, wordt benoemd verklaard door de voorzitter van het centraal stembureau. Benoemde heeft dan 28 dagen de tijd om zijn benoeming al dan niet te aanvaarden (10 dagen in geval van een tijdelijke benoeming wegens zwangerschap of ziekte). Tegelijk met de mededeling dat benoemde zijn benoeming aanneemt overlegt hij de stukken die nodig zijn voor het geloofsbrievenonderzoek. Indien de raad besluit tot toelating, kan het nieuwe lid nog in diezelfde raadsvergadering worden beëdigd.

Artikelen P 19, X 1, X 2, V 1, V 2, V 3, V 4, W 1, W 2 en X 12 van de Kieswet

Als er een vacature ontstaat en er op de betrokken lijst geen kandidaat meer benoembaar is (omdat er geen kandidaten meer zijn, of omdat geen van de kandidaten voor benoeming in aanmerking wenst te komen), dan wordt bezien uit hoeveel leden de gemeenteraad bestaat. Indien de gemeenteraad uit negen of elf leden bestaat, wordt door toepassing van artikel W 4 juncto P 10 van de Kieswet bepaald aan welke van de andere lijsten binnen de gemeente de zetel wordt toegekend. Dit komt er op neer dat gekeken wordt welke lijst voor een volgende restzetel in aanmerking zou zijn gekomen.

Bij gemeenteraden die uit meer dan elf leden bestaan vindt geen overgang plaats naar een andere lijst en blijft de plaats onbezet.

Als de plaats onbezet blijft, dan dient het centraal stembureau het besluit te nemen dat er geen opvolger kan worden benoemd.

Artikelen W 3, W 4 en, P 10 en P 13 van de Kieswet

Het kan voorkomen dat een raadslid niet per direct maar met ingang van een bepaalde datum ontslag neemt. De procedure bij zo’n tussentijdse vacaturevervulling op termijn is gelijk aan een normale tussentijdse vacaturevervulling, maar het centraal stembureau kan niet eerder een opvolger benoemen dan op de dag met ingang waarvan deze termijn is verstreken. De officiële procedure van benoeming kan dus pas starten op de datum die het raadslid dat ontslag gaat nemen, heeft aangegeven in zijn brief.

Artikel X 2 en W 1 van de Kieswet

Een raadslid dat ontslag heeft genomen blijft gedurende de gehele zittingsperiode op de lijst staan zoals die na de verkiezing is vastgesteld door het centraal stembureau. Bij een andere openvallende vacature moet dit raadslid, indien geen hoger geplaatste kandidaat voor benoeming in aanmerking komt, worden benoemd. Het is echter mogelijk dat een raadslid een verklaring heeft getekend waarin staat dat hij niet voor benoeming in aanmerking wenst te komen. Deze verklaring kan aangeven dat betrokkene niet voor een specifieke vacature (bijvoorbeeld de vacature ontstaan door het vertrek van raadslid X) in aanmerking wil komen of voor alle vacatures die nog zullen openvallen op de lijst waarop betrokkene is geplaatst.

Artikel W 2, eerste lid onder d, van de Kieswet

Nee. Een lid van de gemeenteraad dat zijn ontslag heeft ingediend, blijft lid van de raad totdat is besloten tot toelating van zijn opvolger. Dit geldt ook als hij ontslag heeft genomen met ingang van een bepaald tijdstip.

Het lidmaatschap eindigt wel onmiddellijk zodra onherroepelijk is komen vast te staan dat het lid van het vertegenwoordigend orgaan een van de vereisten voor het lidmaatschap niet (meer) bezit of dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult. Ook al dient betrokkene in het laatstgenoemde geval eventueel ook een ontslagbrief in, toch eindigt zijn lidmaatschap onmiddellijk en blijft betrokkene niet aan totdat beslist is over toelating van zijn opvolger.

Artikelen X 6, X 1, en X 5 van de Kieswet

Zodra onherroepelijk is komen vast te staan dat een raadslid één van de vereisten voor het lidmaatschap niet bezit of dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, houdt hij van rechtswege op lid te zijn. De zetel wordt niet behouden tot de onherroepelijke toelating van de opvolger. Voordat dat het lidmaatschap eindigt moet betrokkene zelf de gemeenteraad inlichten en daarbij ook de reden vermelden. Doet hij dat niet, terwijl de voorzitter van de raad van mening is dat betrokkene niet aan de eisen voldoet, dan waarschuwt deze hem schriftelijk. Indien het raadslid aan deze waarschuwing geen gehoor geeft, geeft de voorzitter van de raad na acht dagen aan de voorzitter van het centraal stembureau kennis van het einde van het lidmaatschap. In andere gevallen doet de voorzitter van de raad deze kennisgeving na de beslissing van de raad.

Het staat betrokkene vrij de zaak uiterlijk op de achtste dag na dagtekening van de waarschuwing te onderwerpen aan het oordeel van de gemeenteraad. Belanghebbenden kunnen zowel tegen het besluit van de raad als tegen de waarschuwing van de voorzitter van de raad in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Pas hierna staat onherroepelijk vast dat niet aan de eisen is voldaan en eindigt het lidmaatschap van rechtswege. Het centraal stembureau beslist vervolgens over de invulling van deze vacature.

Pleegt een raadslid een verboden handeling als bedoeld in artikel 15 Gemeentewet, dan kan hij door de voorzitter van de raad in zijn betrekking worden geschorst. Vervolgens kan het vertegenwoordigende orgaan hem van zijn lidmaatschap vervallen verklaren, mits de geschorste in de gelegenheid is geweest zich mondeling te verdedigen. Ook tegen dit besluit is beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikelen X 5, X 8 van de Kieswet

Artikelen 10, 13 en 15 van de Gemeentewet

Raad van State: Poorter vs. Het college van B&W van Zaanstad (22 februari 2005), ECLI:NL:RVS:2005:AS8391

Een wethouder kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan schriftelijke mededeling aan de raad. In de Gemeentewet is bepaald dat de wethouder met onmiddellijke ingang ontslag kan nemen (artikel 43, tweede lid). In andere gevallen gaat het ontslag in met ingang van de dag gelegen een maand na de dag waarop de wethouder ontslag heeft genomen of zo veel eerder als de opvolger van de wethouder de benoeming heeft aangenomen. Met de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur (2002) is een wethouder geen raadslid meer. Wel kan het voorkomen dat de nieuwe wethouder vanuit de raad wordt benoemd. Dan ontstaat de situatie dat de wethouder tevens raadslid is, tot het moment dat in de vacature van het raadslid is voorzien.

Indien er een wethouder van buiten wordt benoemd (een kandidaat die geen raadslid is), ligt het voor de hand een commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven in te stellen. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, zegt de Kieswet hier niets over. De Gemeentewet geeft in artikel 46 alleen aan dat de wethouder geen onverenigbare betrekkingen mag vervullen. In het model-reglement van orde van de VNG is opgenomen dat bij de benoeming van een wethouder een commissie de geloofsbrieven onderzoekt; ook in het geval van een raadslid die wethouder wordt. De incompatibiliteiten zijn weliswaar grotendeels vergelijkbaar met die voor het raadslidmaatschap, maar dienen toch opnieuw beoordeeld te worden gezien de wijziging van functie.

Artikel 13, 36a, 36b, 39, 41b en 43 van de Gemeentewet

Leden van een stembureau worden benoemd door het college. Ze zijn in die functie dan ook bestuursorgaan in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht. Het staat gemeenten vrij om een presentievergoeding te verstrekken aan de stembureauleden en de hoogte van deze vergoeding te bepalen. Hiervoor zijn geen kaders of richtlijnen gesteld door de VNG. De vergoeding wordt door de gemeente bruto uitgekeerd, maar moet door de ontvanger wel opgegeven worden als inkomen.

Voor een ieder die werkzaamheden verricht voor een stembureau en hier een vergoeding voor ontvangt, geldt dat de belastingdienst de vergoeding beschouwt als ‘een resultaat uit een werkzaamheid’ en daarmee belast in box 1.

Sommige gemeenten verstrekken het presentiegeld als vrijwilligersvergoeding. Het beschouwen van leden van stembureau als vrijwilligers is op zich mogelijk en kan fiscaal aantrekkelijk zijn voor de ontvanger. De vrijwilligersvergoeding is in de Wet Loonbelasting 1964 geregeld. De gemeente zal dan als inhoudingsplichtige geen loonheffing afhouden van de vergoeding (belastingvrij).

Het gerechtshof Amsterdam heeft onlangs geoordeeld dat de vergoeding voor de werkzaamheden verricht als lid van een stembureau niet kwalificeert als een onbelaste vrijwilligersvergoeding in de loonbelasting . De vrijwilligersvergoeding is alleen toegestaan, indien de vergoeding binnen de grenzen van de fiscale voorwaarden blijft. Indien de gemeente een vergoeding verstrekt, dan moet de gemeente als inhoudingsplichtige bepalen wat het uurloon is. De vergoeding per uur kan worden berekend door het aantal feitelijk gewerkte uren op het stembureau te delen door de vergoeding die wordt gegeven.

Er wordt fiscaal voldaan aan de eisen van een vrijwilligersvergoeding (safe harbour toets) indien een medewerkers van 23 jaar of ouder maximaal € 4,50 per uur krijgt met een maximum van € 150 per maand en € 1.500 per jaar. Voor de actuele bedragen: zie het zesde lid van artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964: wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01 

Gemeenten moeten bij het bepalen en toekennen van de vergoeding voor werkzaamheden op het stembureau dus eerst toetsen aan de vrijwilligersregeling. Hierbij zijn twee uitkomsten mogelijk:

a. Indien de vergoeding per uur onder de €4,50 per uur blijft, dan is een vrijwilligersvergoeding mogelijk, indien aan de eisen wordt voldaan. De gemeente hoeft dan de vergoeding niet op te geven via een IB-47 formulier aan de Belastingdienst. De medewerker geniet dan de vergoeding belastingvrij.

b. Indien de vergoeding per uur boven de €4,50 per uur uitstijgt, dan kan de vrijwilligersregeling geen toepassing vinden. De gemeente moet dan de vergoeding wel opgeven via een IB-47 formulier aan de Belastingdienst als betaling aan derden. De medewerker betaalt dan over de vergoeding in de aangifte inkomstenbelasting.

Het stembureaulid moet de vergoeding voor de werkzaamheden in de jaarlijkse aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen altijd zelf controleren en zo nodig corrigeren. Het stembureaulid blijft namelijk altijd zelf verantwoordelijk voor een juiste aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen.

Artikel E 1 van het Kiesbesluit bepaalt dat elk stembureau in gelijktijdige zitting uit ten minste drie leden bestaat en ten hoogste zeven. Artikel E 3, derde lid van de Kieswet bepaalt dat één van die leden voorzitter is. Artikel E 4 van de Kieswet bepaalt dat het college tijdig voor iedere verkiezing de leden van elk stembureau en een voldoende aantal plaatsvervangend leden benoemt. Het aantal stembureauleden ligt dus op drie; het aantal plaatsvervangers is onbepaald. Met het oog op de langere openingstijden is het raadzaam om voldoende plaatsvervangende leden te benoemen, zodanig dat gerouleerd kan worden met de leden van het stembureau.

Artikelen E 1 Kiesbesluit; E 3 en E 4 van de Kieswet

De Kieswet laat niet toe dat kiezers aanwezig zijn bij het totaliseren van de uitslagen van de stembureaus en het (twee maal) invoeren in OSV. In de Kieswet is bepaald dat de zitting van het stembureau openbaar is (J35), en ook de zitting van het hoofdstembureau waarin de uitslag bekend wordt gemaakt (O1), maar niet de tussenliggende periode waarin de werkzaamheden van het hoofdstembureau plaatsvinden om te komen tot de uitslag en de zetelverdeling.

In de cao gemeenten (CAR-UWO) is hierover geen centrale afspraak gemaakt. Dat betekent dat de invulling berust op lokaal beleid. Er zijn verschillende mogelijkheden, afhankelijk van de vraag waar de medewerker werkzaamheden verricht. Dit kan een stembureau zijn in de gemeente waar de medewerker is aangesteld of een stembureau in een andere gemeente, bijvoorbeeld de gemeente waar de medewerker woont.

1. Indien het stembureaulid is benoemd in een stembureau in een andere gemeente dan waar de medewerker ambtelijk is aangesteld. De medewerker kan:

  • Wettelijk vakantieverlof opnemen op grond van artikel 6:2 e.v. CAR-UWO. Dit verlof wordt door de gemeente toegekend indien het bedrijfsbelang zich hiertegen niet verzet. Het salaris en salaristoelagen van de medewerker worden doorbetaald.
  • Het Individueel Keuzebudget (IKB) gebruiken om bovenwettelijke verlofuren te kopen en op te nemen. Dit verlof wordt door de gemeente toegekend ,indien het bedrijfsbelang zich hiertegen niet verzet. Het salaris en salaristoelagen van de medewerker worden doorbetaald.
  • Buitengewoon verlof aanvragen al dan niet met doorbetaling van salaris om in een stembureau zitting te nemen op grond van artikel 6:4:5 CAR-UWO. In dit artikel van de CAR-UWO wordt de mogelijkheid geboden om buitengewoon verlof voor overige redenen toe te kennen aan de medewerker. De gemeente kan dit verzoek aanvaarden en nadere afspraken maken over het wel of niet doorbetalen van het salaris en de salaristoelagen.

2. Indien het stembureaulid is benoemd in een stembureau in dezelfde gemeente waar de medewerker ambtelijk is aangesteld. De medewerker kan:

  • Werkzaamheden uitvoeren als taak binnen de aanstelling, indien de gemeente de medewerker heeft aangewezen om werkzaamheden te verrichten. In dit geval zal de medewerker geen verlof op hoeven te nemen. De werkzaamheden kunnen worden verricht op grond van artikel 2:1B, tweede lid, CAR-UWO.

In de praktijk blijkt verwarring te bestaan over de vraag of raadsleden lid mogen zijn van een stembureau. Het antwoord hierop is: ja, raadsleden kunnen benoemd worden als lid van een stembureau, als ze geen blijk geven van hun politieke voorkeur.

De onduidelijkheid is ontstaan doordat in het wetsvoorstel Wet inrichting verkiezingsproces stond opgenomen dat raadsleden geen stembureaulid mogen zijn bij raadsverkiezingen. Dit om de schijn van partijdigheid te vermijden. De VNG heeft in haar advies over dit wetsvoorstel aangeven het hier niet mee eens te zijn. In onze Buitengewone Algemene Ledenvergadering op 26 september 2008 is een motie  van die strekking aangenomen. De regering heeft overigens besloten het wetsvoorstel niet bij de Tweede Kamer in te dienen; dit naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Zie Staatscourant 2010 Nr. 19451, 8 december 2010.

Dit is nog slechts een wetsvoorstel: de bepaling heeft nog geen rechtskracht. Het is juridisch op dit moment nog altijd toegestaan om als raadslid in een stembureau zitting te nemen.

Ja, vrijwillige medewerkers van stembureaus vallen onder de VNG Vrijwilligersverzekering. Bij verkiezingen maken gemeenten veel gebruik van vrijwillige medewerkers bij stembureaus. Deze vallen onder de dekking als gemeenten een vrijwilligersverzekering hebben gesloten. Zij zijn dus verzekerd zoals alle andere vrijwilligers in de gemeente.

Voor nadere inlichtingen: VNG Verzekeringen, 070-3738298 of 070-3738535

Of een vergoeding kan worden verstrekt aan een medewerker die werkzaamheden verricht op een stembureau is afhankelijk van de gemeente waar de medewerker is aangesteld:

a.  Indien de medewerker werkzaamheden verricht in een stembureau in de gemeente waar de medewerker  is aangesteld, dan is er geen recht op een vergoeding. Je krijgt dan al een salaris van de gemeente en de werkzaamheden op het stembureau worden vervuld vanuit het takkenpakket behorend bij de functie. De medewerker bespreekt de wens om zitting te nemen op het stembureau met de leidinggevende, waarbij de leidinggevende medewerkers kan aanwijzen.

b. Het stembureaulid wil werkzaamheden verrichten in een andere gemeente dan de gemeente waar het stembureaulid is aangesteld. Het werk voor het stembureau zal in dit geval losstaan van de reguliere functie. Indien de medewerker zitting neemt in een stembureau in een andere gemeente dan waar de werkzaamheden worden verricht, dan heeft de medewerker wel aanspraak op een vergoeding.

Voorbeeld
Een gemeenteambtenaar woont in de gemeente Zoetermeer, maar wenst zitting te nemen in het stembureau in de gemeente Delft om aldaar werkzaamheden te verrichten voor de verkiezingen. De medewerker wordt benoemd in de gemeente Delft. Het is in dit geval de gemeente Zoetermeer die het verlof moet goedkeuren en de gemeente Delft die de vergoeding aan de medewerker verstrekt.

Om benoemd te kunnen worden als (plaatsvervangend) lid van het stembureau moet men de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt op de dag van de stemming. Er geldt dus wel een minimum- maar geen maximumleeftijd. Ook moet men een training hebben gevolgd.

Artikel E 4, tweede lid Kieswet

Een handreiking of publicatie rondom het thema ''coalitievorming'' bestaat niet, simpelweg omdat de procedure daarvoor niet in een wet vastligt en in elke gemeente anders verloopt.

U kunt de VNG Databank Praktijkvoorbeelden raadplegen voor voorbeelden van diverse gemeenten: http://praktijkvoorbeelden.vng.nl/.

Ook de opleidingsinstituten van de politieke partijen hebben daarover publicaties uitgebracht.