Overzicht veelgestelde vragen over OZB

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

2006: In 2006 berekent men het percentage dat de waarde van de woondelen deel uitmaakt van de totale OZB-waarde. Het verschuldigde belastingbedrag (OZB-gebruikersbelasting niet-woningen) voor de hele onroerende zaak wordt hiermee verlaagd. Zie ook het rekenvoorbeeld hierna.

2007 en later: Voor de bepaling van de belastingschuld is de WOZ-waarde van de onroerende zaak het uitgangspunt. Hierop worden eerst de waarden van de OZB-vrijgestelde delen in mindering gebracht. De uitkomst (hierna: de OZB-eigenarenwaarde) is de basis voor de OZB-eigenarenbelasting. De OZB-eigenarenwaarde wordt verminderd met de waarden van de delen die in hoofdzaak tot woning dienen en die in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De resterende waarde is de heffingsmaatstaf voor de OZB-gebruikersbelasting. Aan de hand van deze heffingsmaatstaf OZB-gebruikersbelasting bepaalt men het aantal eenheden dat met het (enige) tarief voor de gebruikersbelasting wordt vermenigvuldigd. Zie ook het rekenvoorbeeld.

De indeling van de WOZ is niet automatisch toepasbaar bij de OZB. Toch kan de soort-objectcode van een onroerende zaak in veel gevallen wel een indicatie geven voor de heffing van de OZB-gebruikersbelasting. Een aanvullende toetsing is soms nodig.

Objectcode beginnende met Gevolg OZB-gebruikersbelasting
1: woning Geen OZB-gebruikersbelasting voor het gehele object.
2: gemengd object Nader onderzoek:
- 70% of meer woning: geen OZB-gebruikersbelasting voor het hele object;
- minder dan 70% woning: wel OZB-gebruikersbelasting, maar: gedeelten die in hoofdzaak dienen tot woning of dienstbaar zijn aan woondoeleinden blijven buiten de heffingsgrondslag [zie nadere uitleg onderaan pagina].
3: niet-woning Wel OZB-gebruikersbelasting,
maar: gedeelten die in hoofdzaak dienen tot woning of dienstbaar zijn aan woondoeleinden blijven buiten de heffingsgrondslag.De uitzondering vraagt voornamelijk (maar niet uitsluitend) om extra aandacht bij objecten met bijzondere woonfunctie.

Overigens is het voorgaande niet nieuw. Ook voor de afschaffing van de OZB-gebruikersbelasting op woningen was de soort-objectcode niet allesbepalend bij de tariefdifferentiatie.

Nadere uitleg
De hier beschreven situatie ziet op de belastingjaren 2007 en verder. Voor 2006 geldt dat een percentage wordt berekend waarmee het bedrag van de aanslag wordt verminderd (zie ook vraag 11).

Geen gebruikersbelasting bij:
Onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning als de WOZ-waarde voor 70% of meer kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning of die volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
[artikel 220, onderdeel a, jo. artikel 220a, tweede lid, Gemeentewet]

Minder gebruikersbelasting bij:
Onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, maar die delen (zie nadere uitleg onderaan pagina) bevatten die in hoofdzaak dienen tot woning of die in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
[belastingjaar 2006: artikel 220f, achtste lid, Gemeentewet; belastingjaar 2007 e.v.: artikel 220e, Gemeentewet]

Nadere uitleg
Voor 2006 spreekt de wettekst over delen; voor 2007 en later over gedeelten. Volgens de wetsgeschiedenis is er bewust onderscheid gemaakt tussen (zelfstandige) gedeelten en (onzelfstandige) delen [MvT, Kamerstukken II 1992/93, nr. 22 885, nr. 3, blz. 42-43]. De VNG heeft geen aanwijzingen dat de Kamerleden zich bewust zijn geweest van dit verschil en houdt het er vooralsnog op dat men in beide bepalingen de onzelfstandige delen voor ogen had. De zelfstandige gedeelten zijn immers aparte belastingobjecten.

Er zijn bij de uitvoering van de WOZ en de OZB drie momenten waarop men het begrip 'tot woning dienen' toetst. Deze momenten zijn:

    Bij de keuze van de waarderingsmethode voor de Wet WOZ
    Bij de beslissing of een onroerende zaak als geheel voor de OZB een woning of een niet-woning is
    Alleen bij een niet-woning onder 2: bij de vraag of er delen van de waarde buiten de heffingsmaatstaf moeten blijven

Artikel 220f, achtste lid, Gemeentewet geeft evenmin een definitie van de begrippen 'woning' en 'dienen tot'. Voor de uitleg van deze begrippen moet ook hier bij het spraakgebruik worden aangesloten (zie vraag 6).

Nee. Bij de beoordeling voor de Wet WOZ wordt de vraag of een onroerende zaak een woning of een niet-woning is, getoetst aan het afgebakende object als geheel. Bij die toetsing sluit men aan bij het spraakgebruik. De hoofdfunctie van het geheel is dan doorslaggevend.

Bij de beoordeling voor de OZB ontleedt men het afgebakende object en toetst men de delen aan het spraakgebruik. Voor de bepaling van de belastingplicht en de van toepassing zijnde tarieven telt men na deze toetsing de waarden van de delen die tot woning dienen bij elkaar op, en bekijkt men of aan het 70%-criterium is voldaan. Het verschil in benadering kan leiden tot verschillende uitkomsten en daardoor is het onderscheid van de Wet WOZ niet altijd beslissend voor de OZB.

Bij braakliggende grond speelt de vraag of er überhaupt wel sprake van gebruik is. Deze vraag is niet nieuw. Voor grond waarop nog niet wordt gebouwd, is de vraag niet volmondig met een ja of nee te beantwoorden. In het arrest HR 22 juli 1985, nr. 22649, Belastingblad 1985, blz. 658, BNB 1985/258 (De Bilt) overwoog de Hoge Raad dat er geen sprake was van gebruik bij grond die voor handels- of beleggingsdoeleinden werd aangehouden. De VNG is echter van mening dat deze uitspraak achterhaald is. Nadat dit arrest is gewezen, heeft de wetgever namelijk aangegeven dat het uit speculatief oogpunt onbenut aanhouden van een onroerende zaak als gebruik moet worden gezien [MvA, Kamerstukken II 1996/97, nr. 25 037, nr. 6, blz. 12]. Daarom zijn braakliggende terreinen die de eigenaar om welke reden dan ook aanhoudt om op een later moment te gebruiken, bij die eigenaar in gebruik.

Zie vraag 14 voor de gevolgen voor de aanslagregeling.

Ja. De wetgever heeft voor de OZB aangegeven dat woningen in aanbouw als woning kwalificeren [MvT, Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 20 (Aanpassingswet Wet WOZ)]. En ook voor de uitvoering van de Wet WOZ wordt het onderscheid naar woning en niet-woning bij bouwactiviteiten gehanteerd. Het onderscheid komt daar vooral tot uitdrukking in de bronnen voor de gegevens over de stichtingskosten.

Als men woningen bouwt, kan van het bouwterrein geen OZB-gebruikersbelasting worden geheven. Bouwt men echter niet-woningen dan is belastingheffing wel mogelijk. Voor bouwterreinen waar men een combinatie van functies realiseert, zal de toetsing moeten plaatsvinden naar de stand van de bouw op 1 januari van het betreffende belastingjaar.

De Gemeentewet geeft evenals de Wet WOZ geen definitie van de begrippen 'woning' en 'dienen tot'. Voor de uitleg van deze begrippen moet daarom bij het spraakgebruik worden aangesloten (zie vraag 6).

Op het eerste oog lijkt artikel 220a, tweede lid, Gemeentewet een definitie, maar dit is niet het geval. Artikel 220a, tweede lid, Gemeentewet is slechts een arbitrair beslismodel. De zinsnede 'die dienen tot woning' en 'volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden' moet hier evenals bij de waardering naar het spraakgebruik worden beoordeeld.

Artikel 17 Wet WOZ maakt verschil tussen woningen en niet-woningen. Artikel 17, derde lid, Wet WOZ spreekt daarbij over 'tot woning dienen'. De begrippen 'woning' en 'dienen tot' zijn in de Wet WOZ niet nader omschreven. Voor de uitleg van deze begrippen moet daarom bij het spraakgebruik worden aangesloten (zie vraag 6).

Nederland kent gebouwen waarbij het langdurig verblijf van mensen wordt gecombineerd met een andere functie. Te denken valt aan gevangenissen, kloosters, revalidatiecentra, tehuizen voor lichamelijk of verstandelijk gehandicapten en gezinsvervangende tehuizen. Bij deze instellingen waarbij de woonfunctie met een andere functie wordt verenigd en waarbij die andere functie in feite de hoofdfunctie is, is geen sprake van ‘dienen tot woning’.

Deze regel zal zich ook voordoen bij delen. Als bij een deel de woonfunctie niet overheerst, is er geen sprake van ‘dienen tot woning’. Zo zijn revalidatiecentra, verpleegtehuizen of tehuizen voor verstandelijk en lichamelijk gehandicapten geen woningen. De noodzakelijke zorg staat hier voorop en de inrichting van de onroerende zaken is hierop afgestemd.

Voor de betrokken patiënten bestaat niet de mogelijkheid om zelfstandig te leven ook al probeert men de patiënten zoveel mogelijk privacy te bieden. Dit is niet anders als deze zorg in enige mate met een woonachtige opzet is gecombineerd. Zo blijft een tehuis voor gehandicapten in veel gevallen ook een niet-woning als de gehandicapten in groepsverband een paviljoen bewonen waarbij men ernaar streeft zoveel mogelijk een thuis te realiseren. Daarbij spelen onder andere de omvang van de instelling, de personele wisselingen en de externe bemoeienis van leidinggevenden een rol.

Voorbeeld
Een illustratief voorbeeld waarbij wel sprake is van een woning, vindt men in de uitspraak Hof Arnhem 25 juni 2004, nr. 03/01877, LJN: AQ5187 (waterschap Veluwe).

Het gaat hier om een huis dat iets groter is dan een doorsnee huis en waarin vijf verstandelijk gehandicapten permanent wonen onder begeleiding van een inwonend echtpaar. Iedereen heeft een eigen (slaap)kamer maar alle overige ruimten worden gezamenlijk gebruikt. Het inwonende echtpaar beschikt niet over een eigen (zelfstandige) woonruimte.

Er is bewust gekozen voor een leefvorm in gezinsverband waarbij de verzorging van binnenuit plaatsvindt. Daartoe biedt het echtpaar aan de gehandicapte bewoners doorlopend intensieve begeleiding. Wassen, koken en eten vinden steeds plaats als vormden de bewoners een gezin. Ook de overige activiteiten vinden gezamenlijk plaats.

Volgens het hof was hier sprake van een woonruimte omdat de leefeenheid bewust kleinschalig is opgezet en omdat het wonen in gezinsverband gericht is op een duurzaam samenleven. Daaraan doet niet af dat de bewoners 24-uursbegeleiding nodig hebben, omdat die begeleiding van binnenuit door het op hetzelfde adres inwonend echtpaar wordt verschaft en niet bestaat uit toezicht van buitenaf door telkens wisselende personeelsleden van een derde.

Met woordenboeken en fiscale jurisprudentie is de volgende omschrijving van het begrip 'woning' te geven:

'Een woning is een bouwwerk of bouwsel dat door de geboden beschutting tegen klimaats- en weersinvloeden geschikt is om te dienen voor langdurig individueel verblijf door mensen.'

Voor langdurig verblijf door mensen is vereist dat men over noodzakelijke basisvoorzieningen kan beschikken en dat men als individu (of in eigen gezinsverband) vrijelijk kan leven. Wat tot de basisvoorzieningen behoort, wordt naar de hedendaagse levensstandaard bepaald. Tot de basisvoorzieningen voor een langdurig verblijf behoren een slaapgelegenheid, sanitair (wc en wasgelegenheid), een kookgelegenheid en de beschikking over relevante nutsvoorzieningen zoals water en energie (gas, olie en/of elektriciteit). De geschiktheid voor individuele bewoning komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het zelfstandige gebruik van de basisvoorzieningen en de afsluitbaarheid van de ruimte. Ook gebouwde en ongebouwde eigendommen die dienstbaar zijn aan woondoeleinden worden voor de WOZ-waardering en de OZB tot de woning gerekend. Voor de OZB komt dit tot uitdrukking in de woorden 'dienstbaar zijn aan woondoeleinden'.

'Dienen tot' staat voor: bruikbaar zijn voor. Daardoor is de feitelijke situatie van een zaak van belang om te beoordelen waarvoor de zaak wordt gebruikt. Mogelijke alternatieve aanwendingen van de onroerende zaak zijn daarbij niet van belang.

Dienen tot woning is dus op te vatten als: een gebouw of bouwsel dat door de feiten, kenmerken en omstandigheden daadwerkelijk wordt gebruikt om beschutting te bieden tegen klimaats- en weersinvloeden en daarmee langdurig individueel verblijf door mensen mogelijk maakt.

Op deze regel heeft de wetgever voor de WOZ en OZB twee aanvullingen gegeven. Ook recreatiewoningen en woningen in aanbouw zijn aan te merken als woning (zie vraag 14 en vraag 16).

Naar de letter van de wet mag het niet. In de meeste gevallen zal de uitkomst echter weinig verschil uitmaken. Omdat de wet vereist dat het aanslagbiljet alleen het eindbedrag vermeldt (en niet de berekeningswijze), hoeft toepassing van de verminderingswijze 2007 geen problemen op te leveren (hoewel er afrondingsverschillen kunnen ontstaan; zie rekenvoorbeeld vraag 11).

2006: In 2006 berekent men het percentage dat de waarde van de woondelen deel uitmaakt van de totale OZB-waarde. Het verschuldigde belastingbedrag voor de hele onroerende zaak wordt hiermee verlaagd. Zie ook het rekenvoorbeeld hierna.

2007 en later: Voor de bepaling van de belastingschuld is de WOZ-waarde van de onroerende zaak het uitgangspunt. Voor de OZB-eigenarenbelasting is deze waarde de heffingsmaatstaf. Voor de OZB-gebruikersbelasting wordt deze WOZ-waarde verminderd met de waarden van de delen die in hoofdzaak tot woning dienen en die in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De resterende waarde is de heffingsmaatstaf OZB-gebruikersbelasting. Aan de hand van deze heffingsmaatstaf bepaalt men het aantal eenheden dat met het (enige) tarief voor de gebruikersbelasting wordt vermenigvuldigd.

    Zie ook het rekenvoorbeeld

Doordat de wetgever zich realiseerde erg laat te zijn met de aanpassingen van de OZB, is voor 2006 de verminderingsregel voor woondelen in niet-woningen vormgegeven als een verzoek. Belastingplichtigen die menen voor een vermindering van de belastingaanslag in aanmerking te komen, moeten binnen 6 weken na de dagtekening van de aanslag een verminderingsaanvraag indienen (art. 220f, achtste lid, tweede volzin, Gemeentewet). Op het verzoek moet de heffingsambtenaar binnen 8 weken beslissen (art. 4:13, tweede lid, Awb).

De verzoekmogelijkheid houdt geen beleidsvrijheid voor gemeenten in om de vermindering wel of niet toe te passen. Verzoeken van gebruikers van niet-woningen waarin delen tot woning dienen, krijgen op verzoek altijd een vermindering. De beslissing op het verzoek (de aanvraag) is een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 242 Gemeentewet).

Overigens hoeft de gemeente het verzoek niet af te wachten. Vermindering op eigen initiatief (bij de aanslagoplegging of bij een latere beslissing) is altijd mogelijk (artikel 65, eerste lid, tweede volzin, AWR).