Overzicht veelgestelde vragen over Asielbeleid en integratie

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Het al dan niet vragen van bijdrage maatschappelijke begeleiding staat los van de huisvestingsplicht. Dus ook als de gemeente geen bijdrage vraagt, moet de gemeenten de jongvolwassenen huisvesten vanaf hun 18e verjaardag.

Natuurlijk kunnen gemeenten met andere gemeenten in de regio overleggen over het overnemen van jongeren. Uiteraard gaat het meetellen voor de taakstelling over naar de andere gemeente op het moment dat een gemeente een beroep doet op de voorzieningen van die andere gemeente.

Vestigen de jongeren zich echter elders, zonder dat ze een extra beroep op die andere gemeente doen, dan hoeft het meetellen voor de taakstelling niet overgeheveld te worden.

Ja. Zie de factsheet: ‘…. krijgen gemeenten in 2016 budget voor maatschappelijke begeleiding van vergunninghouders vanaf 16 jaar, dus ook voor amv’ers. Vanaf de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet Inburgering (vermoedelijk 1 juli 2017) verandert dit.’

Regime huidige regeling: Voor alle 16/17-jarigen krijgen gemeente geld voor maatschappelijke begeleiding.

Regime vanaf inwerkingtreding gewijzigde Wet Inburgering (vermoedelijk 1 juli 2017): De gemeente ontvangt geld voor maatschappelijke begeleiding voor alle inburgeringsplichtige vergunninghouders. Kwalificatieplicht is voor jongeren van 16 en 17 jaar (ze moeten dan een startkwalificatie halen op mbo2 of havo of vwo-niveau). Als er sprake is van leerplicht of kwalificatieplicht, dan is er ontheffing van de inburgeringsplicht. En als er ontheffing is van de inburgeringsplicht, dan komt de gemeente niet in aanmerking voor gelden voor maatschappelijke begeleiding.

Tot 16 jaar zijn jongeren leerplichtig, tussen 16 en 18 jaar zijn ze kwalificatieplichtig en hierdoor zijn ze niet inburgeringplichtig. Op het moment dat ze een startkwalificatie behalen (mbo2, havo, vwo) vervalt de kwalificatieplicht. Deze startkwalificatie geldt ook als vrijstelling van de inburgeringsplicht.

Zie bijgevoegde link (https://vng.nl/files/vng/20160526-overzicht-uitvoering-participatieverklaringstraject.pdf) voor het geheel, onderstaande passage daaruit over de leeftijd is in dit verband relevant.

Situatie 1: Periode 2016 tot de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet inburgering – medio 2017

Tot aan de inwerkingtreding van de wetswijziging ontvangen gemeenten voor alle inburgeringsplichtige vergunninghouders een bijdrage voor maatschappelijke begeleiding. In de periode tot aan de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet inburgering geldt dit ook voor 16- en 17-jarigen (voor 15-jarigen geldt dit niet). De hoogte van de maatschappelijke begeleiding hangt af van de vraag of de gemeente een plan van aanpak voor de implementatie van de Participatieverklaring heeft opgesteld. (Om voor de € 2370 in aanmerking te komen moet de gemeente vóór 1 september een plan voor de Participatieverklaring insturen aan het COA. Zie: https://vng.nl/onderwerpenindex/asiel/asielbeleid-en-integratie/nieuws/schrijfwijzer-en-bouwstenen-participatieverklaringstraject)

Situatie 2: Periode na inwerkingtreding van de gewijzigde Wet inburgering (vermoedelijke juli 2017)

Vanaf de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet inburgering krijgen gemeenten een bijdrage voor maatschappelijke begeleiding van inburgeringsplichtige vergunninghouders, ook als dat 16- en/of 17 jarigen zijn. Deze jongeren zullen over het algemeen echter leer-of kwalificatieplichtig zijn en daardoor vrijgesteld van de inburgeringsplicht; de gemeente ontvangt dan dus ook geen bijdrage voor maatschappelijke begeleiding. Voor 18+ geldt een ontheffing van de inburgeringsplicht wanneer zij onderwijs volgen dat resulteert in een startkwalificatie. Ook in dat laatste geval ontvangt de gemeente geen bijdrage voor de maatschappelijke begeleiding. Voor de overdracht tussen Stichting Nidos (voogd tot aan 18de verjaardag) en de gemeente wordt op dit moment een protocol opgesteld.

Nee, standaard niet; het verschilt per individueel geval. Begeleiding via bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk is vaak wenselijk. En indien er meer begeleiding nodig is, is het traject regulier (bijvoorbeeld via de Wmo)

Nidos heeft altijd een inspanningsverplichting bij het begeleiden van de amv’er naar huisvesting in een kamer. Denk hierbij aan ondersteuning bij de zoektocht naar een kamer, check van het huurcontract en hulp bij verhuizing. De inspanningsverplichting van Nidos geldt tot de amv’er 18 is geworden en is in het kader van de warme overdracht tussen Nidos (contractpartner) en gemeente.

Het blijkt dat begeleiding naar vervolghuisvesting door Nidos doorgaans lukt bij amv’ers die op jeugdige leeftijd in Nederland zijn aangekomen en dus al geruime tijd door Nidos en haar contractpartners worden begeleid. Er kan op tijd begonnen worden met het zoeken van passende woonruimte.

Dit wordt nader uitgewerkt in het protocol tussen VNG en Nidos.

De opvang van amv’ers is tot het 18e levensjaar de verantwoordelijkheid van het Rijk en wordt uitgevoerd door COA of Nidos. Vanaf het 18e levensjaar van amv’ers nemen gemeenten deze verantwoordelijkheid over. Het Nidos krijgt de taak om deze overgang tijdig te bespreken met gemeenten, zodat gemeenten tijdig huisvesting kunnen regelen voor de amv’ers die 18 jaar worden.

De beschermde opvang voor slachtoffers van mensenhandel is anders geregeld dan de reguliere beschermde opvang voor amv’ers. COA contracteert jeugdzorgaanbiedeers Jade of Xonar voor de beschermde opvang. Nidos is wel de voogd, maar heeft niet de opdrachtgeversrol zoals bij de kleinschalige opvang.

Als een jongere slachtoffer is van mensenhandel, 18 jaar wordt en nog steeds in een COA-locatie woont, geldt niet (automatisch) hetzelfde traject als voor de andere jongeren.

NB: Slechts een paar gemeenten in Nederland hebben een beschermde opvang voor slachtoffers van mensenhandel.

Het enige verschil tussen een amv’er en een kind in een gezin is de voogdij: bij een amv’er heeft de voogd de voogdij en in een ‘gewoon’ gezin hebben de ouders (normaliter) de voogdij.

Dat gaat hetzelfde als bij elke andere statushouder, namelijk via het Taakstelling Volg Systeem (TVS).

Voor het delen van informatie over vergunninghouders met gemeenten gebruikt het COA het TVS. Amv’ers die in kleinschalige opvang in de gemeente wonen, staan geregistreerd in het TVS.

Spoedig volgt ook de registratie van amv’ers die in een opvanggezin wonen. Het registreren van amv’ers in TVS wordt nu regulier proces.

De amv’ers die voor 1 januari 2016 al in opvang in een gemeente woonden, worden meegeteld voor de taakstelling. De betreffende gemeente is dus verantwoordelijk voor het regelen van vervolghuisvesting voor deze jongeren als ze 18 jaar worden.

Als een gemeente niet in staat is vervolghuisvesting te realiseren, en er is wel woonruimte beschikbaar in een naburige gemeente, dan kan in overleg met de amv’er en het Nidos de woonplaats gewijzigd worden. De nieuwe gemeente wordt dan geregistreerd voor de taakstelling.

Maar vooropgesteld blijft dat iedere gemeente zich moet inspannen om vervolghuisvesting te vinden voor de amv’er. Dat is in het belang van de continuïteit van opvang en integratie. Nidos, de amv’er en de jeugdzorgpartner gaan bijtijds (een halfjaar van tevoren) met de gemeente in gesprek voor een warme overdracht.

Denk daarbij aan amv’ers in opvanggezinnen en amv’ers in kleinschalige opvanglocaties van Nidos.

Alle amv’ers die nu in de kleinschalige opvang zitten, zijn meegeteld in de taakstelling van de betreffende gemeente. Voor amv’ers die nieuw geplaatst worden in kleinschalige opvanglocaties is het een regulier proces geworden om hen mee te laten tellen met de taakstelling.

Er wordt gewerkt aan het registreren van amv’ers in gezinnen, zodat na de zomer ook alle amv’ers in opvanggezinnen zijn meegeteld in de taakstelling.

Zodra een amv’er met een vergunning in een Nidos-opvanglocatie in de gemeente wordt geplaatst, telt deze meteen mee voor de taakstelling. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor vervolghuisvesting van amv’ers met vergunning vanaf het 18e levensjaar, zodat er in de kleinschalige opvang weer plekken kunnen vrijkomen voor andere amv’ers met vergunning.

Gemeenten kunnen een aanvraag doen voor het voorschot bijstand in verband met de verhoogde asielinstroom. Mag de directeur van een gemeenschappelijke regeling waaraan de uitvoering van de Participatiewet is opgedragen het aanvraagformulier ondertekenen?

Antwoord

Nee. Het gaat hier om een voorschot op de uitkering krachtens artikel 69, en die uitkering wordt nooit aan een gemeenschappelijke regeling verstrekt, maar altijd aan een individuele gemeente.

De paragrafen 7.1 en 7.3 (financiering en informatie) zijn ook uitgezonderd van de mogelijkheid om over te dragen aan een gemeenschappelijke regeling (zie artikel 8c, eerste lid, Participatiewet).

Gemeenten kunnen die bevoegdheid dus niet overdragen aan een gemeenschappelijke regeling.

De verrekening van de intertemporele tegemoetkoming vindt plaats in acht gelijke delen. Dat betekent dat de tegemoetkoming voor de statushouders die in 2016 in de gemeente gehuisvest worden, verrekend wordt tussen 2018 en 2025. De verrekening van de tegemoetkoming die gemeenten krijgen voor statushouders die in 2017 in de gemeente gehuisvest worden, zal een jaar later beginnen en daarom tussen 2019 en 2026 plaatsvinden.

Men gaat een overeenkomst aan met het COA betreffende tijdelijke opvang statushouders; men wil de statushouders in een voormalig pand van een verpleegtehuis onderbrengen. Van het COA krijgt men een vaste vergoeding. Hoe zit het dan met de btw. Kan men dit onder het BTW-compensatiefonds laten vallen. En doen andere gemeenten dit ook; hoe gaan zij hiermee om?

Het is helaas niet eenvoudig om de btw-positie van gemeenten bij de opvang van vluchtelingen volledig te duiden. We hebben deze vragen daarom voorgelegd aan de gemeentelijke commissie rijksbelastingen waarin btw-specialisten van met name grotere gemeenten deelnemen. Hun reactie hebben wij voorgelegd aan het ministerie van Financiën en de belastingdienst en hopen zo snel mogelijk meer duidelijkheid te kunnen geven.

Ter informatie hierbij de punten die spelen:

  1. Het recht op woonruimte lijkt een aangelegenheid tussen COA en statushouders.
  2. Dan zullen gemeenten een dienst verlenen aan het COA.
  3. Is dat uitsluitend a) verhuur van onroerend goed, of b) wordt van de gemeente verwacht dat de volledige zorg wordt aangeboden?
  4. Is de zorgrelatie dan een a) rechtstreekse met de statushouder, b) of ook via het COA?
  5. Ingeval van 3a) is sprake van btw vrijgestelde verhuur van onroerend goed, btw niet verrekenbaar of compensabel. In geval van 4a) is de btw deels compensabel bij de rechtstreekse zorgrelatie/overig dienstbetoon. Ingeval van 4b) is de btw ook deels verrekenbaar. Afhankelijk van de overeenkomst met COA is het wellicht volledig verrekenbaar als een soort totaal dienstverlening aan COA. Als gemeenten een all-in-pakket verzorgen lijkt gelet op het gelijkheidsbeginsel wel wat te zeggen voor het 6%-tarief van toepassing (op de vergoeding van COA) en derhalve volledige teruggaaf van alle btw (investering verbouwing en inrichting, voeding, recreatie, enz.).
  6. Investeringen in onroerende zaken hangen samen met vrijgestelde verhuur van woonruimte, dus noch verrekenbaar, noch compensabel. Dus voorlopig concluderen we dat de btw op opvangcentra niet verhaalbaar is op het BCF.
  7. Btw in overige kosten dan deels compensabel (4a) of verrekenbaar (4b), mits de dienst niet valt onder de uitsluiting van artikel 4 BCF. In ieder geval is de btw gemoeid met de taken van de gemeente te claimen bij het BCF. Dus bijvoorbeeld btw die een horeca in rekening brengt voor het gebruik van een zaal om omwonenden voor te lichten. En de btw op een wellicht ingehuurde medewerker die de regie vanuit de gemeente moet gaan voeren.

Op grond van het bestuursakkoord ontvangen gemeenten voor de crisisopvang van asielzoekers € 100 per asielzoeker per dag van het COA.

Het COA heeft de wettelijke taak om asielzoekers en vergunninghouders op te vangen in afwachting van plaatsing in de gemeente. Het bedrag van € 100 is voor de kosten van huisvesting, begeleiding, voeding en publieke gezondheidszorg. De crisisnoodopvang vindt exclusief door gemeenten plaats.

De VNG heeft februari 2016 een aantal vragen hierover gesteld aan het Ministerie van Financiën en de Rijksbelastingdienst.

Vragen en antwoorden

De volgende vragen zijn door de VNG gesteld en door het ministerie en de Rijksbelastingdienst beantwoord.

1. Verrichten gemeenten als btw-ondernemer een met btw belaste dienst tegen vergoeding waarvoor het COA betaalt?

Net als de VNG meent het ministerie dat de gemeente geen btw is verschuldigd over de verrichte werkzaamheden in het kader van de crisisnoodopvang waarvoor het COA betaalt.

2. Hebben gemeenten volledig recht op btw-compensatie voor alle kosten die ze maken voor de opvang van asielzoekers?

In de Wet btw-compensatiefonds (BCF) geldt een uitzondering voor verstrekkingen van goederen en diensten aan één of meer individuele derden. Het ministerie is het eens met de VNG dat de steeds van samenstelling wisselende groep asielzoekers niet kwalificeert als individuele derde als bedoeld in de Wet op het BCF.

Er is dan geen sprake van de aanschaf van goederen of diensten waarvan bij de aanschaf al vaststaat dat de desbetreffende, ingekochte goederen en diensten als zodanig worden verstrekt aan een individu. Er is veel meer sprake van collectief ingekochte goederen en diensten die aan het collectief (alle asielzoekers) worden verstrekt. De BCF-uitsluiting geldt wel als sprake zou zijn van een specifieke aanschaf en verstrekking aan een individuele asielzoeker.

3. Moeten gemeenten een btw-herziening doorvoeren over gebouwen die gebruikt worden voor de crisisnoodopvang van de asielzoekers?

Het ministerie is het met de VNG eens dat een herziening niet aan de orde is. Als er btw-aftrek is genoten op de aanschaf van een gebouw dat de gemeente gebruikt voor belaste prestaties, en dat tijdelijk wordt gebruikt voor crisisnoodopvang, volgt in de btw geen herziening van de vooraftrek. Die herziening is wettelijk alleen mogelijk als de gemeente het gebouw gebruikt voor vrijgestelde verhuur en dat is niet het geval.

Als er voor de aanschaf van een gebouw btw is geclaimd via het btw-compensatiefonds (bijv. voor een gemeentehuis) dat tijdelijk en deels wordt gebruikt voor de huisvesting van asielzoekers in het kader van de crisisopvang, volgt ook geen herziening van de genoten btw-compensatie. Het gebouw wordt nog steeds gebruikt voor overheids- of niet-economische activiteiten. Ook is er geen BCF-uitsluitingsgrond van toepassing. Er is geen sprake van de verstrekking van een dienst aan een individuele derde en er is ook geen sprake van een overheidsprestatie, die vrijgesteld zou zijn geweest van btw als deze niet als overheid maar als btw-ondernemer zou hebben plaatsgevonden. Er is immers geen sprake van een echte verhuursituatie.

De terbeschikkingstelling gaat op in een complex van diensten die bij elkaar horen. Herziening van genoten btw compensatiefondsuitkering is wel aan de orde als de gebouwen vrijgesteld van btw worden verhuurd aan het COA.

Tot slot

Het Ministerie van Financiën neemt geen standpunt in over de noodopvang (6-12 maanden), omdat blijkt dat het COA (bijna) altijd deze kosten maakt en niet de gemeenten. Als in een uitzonderingsgeval de gemeente wel zelf kosten maakt voor de noodopvang raden wij aan de betreffende casus voor te leggen aan de belastingdienst.

Het Nibud heeft samen met VluchtelingenWerk lesmateriaal gemaakt over het omgaan met geld (project Euro-Wijzer). Met dit project worden vluchtelingen geholpen financieel zelfredzaam te worden.

Meer informatie

Nee, het partieel effect op het Gemeentefonds, wat in paragraaf 2.4 van het uitwerkingsakkoord (28 april 2016) wordt beschreven, is een incidenteel accres. Door de verhoogde uitgaven die het Rijk in 2015 heeft gedaan voor de opvang van asielzoekers is vorig jaar al € 178 miljoen toegekend aan gemeenten. In 2016 en 2017 zal daar respectievelijk nog € 90 miljoen en € 85 miljoen bij komen.

Via het gemeentefondsaccres komen extra middelen beschikbaar voor gemeenten doordat het Rijk door de verhoogde instroom van asielzoekers ook extra kosten heeft gemaakt. Voor 2015 tot en met 2017 gaat het om totaal € 353 miljoen:

  • 2015: € 178 miljoen
  • 2016: € 90 miljoen
  • 2017: € 85 miljoen

Meer informatie hierover vindt u in de VNG-ledenbrief van 29 april 2016.

Van deze € 353 miljoen is € 108 miljoen al bij de septembercirculaire 2015 uitgekeerd aan gemeenten. Omdat het Rijk toen al rekening hield met een verhoogde asielinstroom in 2016 en 2017, is voor deze jaren een verhoogd accres verwerkt in de accresramingen, maar niet als zodanig gecommuniceerd:

  • 2016: € 10 miljoen
  • 2017: € 38 miljoen

Hoe het partieel effect op het Gemeentefonds is geraamd isin onderstaande tabel samengevat:

Partieel effect gemeentefonds

2015

2016

2017

Cumulatief

Miljoenennota 2015 – miljoenennota 2016

108

10

38

156

Sinds miljoenennota 2016

70

80

47

197

Sinds miljoenennota 2015 (totaal)

178

90

85

353

Het college van B&W heeft de bevoegdheid en verantwoordelijkheid te beoordelen of en in welke mate iemand bijzondere bijstand krijgt ter dekking van de kosten van de inrichting van de woning. Het college kijkt dan naar de individuele omstandigheden van het geval. Bijzondere bijstand voor de duurzame gebruiksgoederen wordt doorgaans verstrekt ‘om niet’ in de vorm van natura, en in bijzondere omstandigheden in de vorm van een geldlening of borg.

Zijn gemeenten verantwoordelijk voor de kosten voor Jeugdzorg van minderjarige asielzoekers die worden opgevangen op een COA-locatie?

Het betreft een COA-locatie. In dat geval valt de Jeugdhulp onder de COA-regeling en wordt deze betaald door het COA.

Statushouders met kinderen kunnen in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke financiële tegemoetkoming in de kosten voor kinderen. Indien de rechthebbende geen toeslagpartner heeft is er recht op de zogenaamde ‘alleenstaande ouderkop’. Deze bedraagt in 2017 €3076,-. In veel gevallen wordt het kindgebonden budget automatisch door de Belastingdienst/Toeslagen toegekend, zodra er recht is op kinderbijslag.

Het kan voorkomen dat de gehuwde partner van de statushouder met kinderen (nog) niet in Nederland is. Zonder bewijsstukken kan er voor de in het buitenland verblijvende partner van de statushouder geen burgerservicenummer (BSN) worden aangevraagd. Dit BSN is nodig voor de Belastingdienst/Toeslagen om de partnerrelatie vast te leggen, maar is ook nodig om andere gegevens van de partner zoals het inkomen, te kunnen registreren. Omdat er geen partnerschap geregistreerd staat bij de Belastingdienst/Toeslagen wordt de statushouder met recht op kindgebonden budget aangemerkt als alleenstaande en ontvangt de alleenstaande ouderkop.

Als de partner later alsnog in Nederland aankomt, en een BSN krijgt toegewezen wordt het huwelijk met de partner die al in Nederland verblijf had voor de Belastingdienst/Toeslagen op basis van de huwelijksdatum met terugwerkende kracht zichtbaar. Daardoor wordt, conform de huidige wetgeving, de alleenstaande ouderkop automatisch teruggevorderd.

Deze terugvordering is onwenselijk indien de statushouder bij de gemeente of bij het aanvragen van toeslagen heeft aangegeven gehuwd te zijn. Het vraagstuk heeft vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Belastingdienst/Toeslagen de aandacht. Het is belangrijk dat mensen die door oorlogsomstandigheden hun thuisland zijn ontvlucht, financieel de nodige ondersteuning krijgen, en geen onnodige financiële belemmeringen ondervinden bij hun integratie in Nederland.

Op dit moment worden de juridische en uitvoeringstechnische aspecten van verschillende oplossingsmogelijkheden in kaart gebracht. De VNG verwacht dat er binnen een paar weken duidelijkheid komt over een oplossing. Uiteraard houden we u op de hoogte.

Het geld voor de opvang van asielzoekers komt uit de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ). Het budget van VenJ voor de opvang van asielzoekers is vergroot met geld uit het budget voor ontwikkelingsamenwerking. Dit geld is bestemd voor de 1e opvang van asielzoekers uit ontwikkelingslanden. Een overzicht van de uitgaven vindt u in artikel 37 van de Rijksbegroting 2016 van het ministerie van VenJ). De Europese Unie stelt geld beschikbaar voor speciale projecten. Zoals voor de herverdeling van asielzoekers binnen de EU.

Gemeenten blijken nog de nodige vragen te hebben over het Uitwerkingsakkoord Verhoogde Asielinstroom dat gemeenten en Rijk hebben gesloten. Deze vragen zijn gebundeld in één document.

De afgelopen jaren hadden gemeenten te maken met een basisinstroom van 8.000 à 9.000 statushouders per jaar. In 2016 zullen er naar verwachting 43.000 statushouders instromen bij gemeenten (zie huisvestingstaakstelling rijksoverheid). Er wordt rekening mee gehouden dat dit ook in 2017 het geval is.

In het uitwerkingsakkoord zijn alleen middelen beschikbaar gesteld voor de extra kosten die gemeenten moeten maken vanwege de verhoogde asielinstroom. De bedragen die in het uitwerkingsakkoord zijn afgesproken gaan dus uit van een instroom van:

(43.000 - circa 8.000) x 2 jaar = ongeveer 70.000 extra mensen

In paragraaf 2.4. wordt het partieel effect op het Gemeentefonds genoemd van € 353 miljoen. Welke onderwerpen vallen onder die € 353 miljoen van het Gemeentefonds en op welke onderwerpen wordt apart geïnvesteerd?

Antwoord

Als onderdelen van het partieel accres van € 353 miljoen zijn expliciet benoemd: bijzondere bijstand, voor- en vroegschoolse educatie (VVE), leerlingenvervoer, publieke gezondheid, jeugdgezondheidszorg (JGZ) en jeugdhulp.

Mogelijk dat uw gemeente nog andere kostenposten heeft die niet expliciet zijn genoemd in het Uitwerkingsakkoord. Ook voor die posten wordt het partieel accres geacht de dekking te zijn.

De volgende posten vallen niet onder het partieel accres, maar kennen separate financiering

  • Maatschappelijke begeleiding
  • BUIG-middelen
  • € 7 miljoen voor impuls preventie gezondheid
  • Participatiemiddelen € 140 miljoen
  • Middelen voor de regeling voor onderwijshuisvesting VO

Is dat dezelfde vergoeding als de ZZA-regeling bij familie of kan men direct aanspraak maken op een bijstandsuitkering in de gemeente van (tijdelijke) huisvesting?

Voor de GZZA (die afloopt per 31 december 2015) en voor GVA (die ingaat per 1 januari 2016) ontvangt de statushouder van COA een bedrag van € 50, - leefgeld per week.

Voor wat betreft de huisvestingsvoorziening geldt dat de statushouder aanspraak maakt op een bijstandsuitkering (waarbij wel de kostendelersnorm aan de orde is).

De subsidieregeling Huisvestingsvoorziening zal nog dit jaar worden gepubliceerd. Daarnaast werkt het ministerie van VenJ, samen met het Platform Opnieuw Thuis en de VNG aan een factsheet GVA. Zodra documenten gereed zijn, publiceren wij dit op onze website.

Moet dit door de gemeente geregeld worden of is dit een taak van COA?

De aansprakelijkheidsverzekering van vluchtelingen die in de noodopvang verblijven is geregeld via COA. Het COA heeft voor de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid een stappenplan opgesteld. Het volgende stappenplan geldt hiervoor:

  • Stap 1 - De benadeelde (lees: gemeente) dient het COA schriftelijk aansprakelijk te stellen.
  • Stap 2 - Na ontvangst van de aansprakelijkheidsstelling wordt vanuit het COA het COA Schadeaangifteformulier m.b.t. de Wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen naar de assurantie tussenpersoon verzonden.
  • Stap 3 - Daar wordt dan beoordeeld of de aansprakelijkheid wordt erkend en of tot vergoeding van de geleden schade wordt overgegaan.
  • Stap 4 - De benadeelde partij wordt vervolgens van de uitkomst op de hoogte gesteld.

Vervolgstappen

Vanuit VNG zijn wij druk bezig om de nodige onduidelijkheden weg te nemen. Eén daarvan is wat de consequentie is van bovenvermeld stappenplan over het onderscheid die wordt gemaakt tussen asielzoekers die langere tijd in de gemeente verblijven en voor vluchtelingen die slechts 72 uur in de gemeente worden opgevangen.

Daarnaast hebben wij vanuit VNG voorgesteld om een 'gemeentevriendelijke' schadeprotocol op te stellen, waardoor de kans wordt verminderd dat een gemeente van "het kastje naar de muur worden gestuurd”.

Welke verzekeringen moeten worden afgesloten als een pand in bruikleen wordt gebruikt voor tijdelijke opvang?

Als de gemeente een pand in bruikleen krijgt, dan hoeft alleen een brandverzekering worden afgesloten voor de inventaris. De eigenaar van het gebouw zal het gedeelte voor de opstalverzekering voor zijn rekening moeten nemen.

In de akkoorden verhoogde asielinstroom is opgenomen dat:

  1. het budget voor maatschappelijke begeleiding wordt verhoogd van € 1.000 naar € 2.370 per vergunninghouder;
  2. het partieel effect op het accres plus de extra participatie- en integratiemiddelen verdeeld worden volgens de formule 'geld volgt vergunninghouder'. In de septembercirculaire 2016 is duidelijk geworden dat gemeenten hiervoor € 4.430 per vergunninghouder ontvangen. Zie: VNG-nieuwsbericht Uitwerking ‘geld volgt statushouder’ gereed (21 september 2016)

De doelgroep die meegeteld wordt, is verschillend evenals de wijze van uitbetalen. Maar gemeenten kunnen uit beide onderdelen middelen krijgen.

Ad 1

Doelgroep

Gemeenten ontvangen deze middelen per gehuisveste, inburgeringsplichtige vergunninghouder.

In 2016 gaat het om alle vergunninghouders van 16 jaar en ouder, tot aan pensioengerechtigde leeftijd. Vanaf de inwerkingtreding gewijzigde Inburgeringswet geldt het voor inburgeringsplichtigen van 18 jaar en ouder, tot aan pensioengerechtigde leeftijd. Dit bedrag wordt dus niet uitgekeerd voor kinderen en ouderen.

Gemeenten ontvingen al € 1000 per statushouder. Daarnaast wordt, zodra ze een plan van aanpak Participatieverklaring hebben ingediend bij het COA, het extra bedrag van € 1370 uitgekeerd (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016). De meeste gemeenten hebben dit plan voor 1 september 2016 ingediend bij het COA.

Looptijd

In het uitwerkingsakkoord was de verhoging van het bedrag alleen voor 2016 en 2017 afgesproken. Maar later heeft het Ministerie van SZW besloten dat het bedrag structureel wordt verhoogd, dus ook na 2017 kunnen gemeenten rekenen op € 2.370 per inburgeringsplichtige vergunninghouder.

Wijze van uitbetalen

Gemeenten ontvangen de bijdrage voor de maatschappelijke begeleiding al jarenlang via het COA. Dat verandert naar alle waarschijnlijkheid per 1 juli 2017: dan wordt deze bijdrage opgenomen als decentralisatie-uitkering in het Gemeentefonds.

Ad 2

Deze middelen zijn beschikbaar voor integratie en participatie, maar ook voor andere gemeentelijke voorzieningen voor statushouders zoals leerlingenvervoer, bijzondere bijstand, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp (zie paragraaf 2.4 uitwerkingsakkoord).

Doelgroep

Gemeenten ontvangen deze middelen per gehuisveste vergunninghouders, ongeacht leeftijd, geslacht etc.

Looptijd

Deze afspraak geldt voor 2016 en 2017 (waarbij in mei 2018 voor het laatst wordt uitbetaald over het aantal vergunninghouders dat gemeenten eind 2017 hebben gehuisvest).

Wijze van uitbetalen

Deze middelen worden achteraf via een decentralisatie-uitkering binnen het Gemeentefonds aan gemeenten toegekend.

Bijzonderheden

Let op de wijze waarop achterstanden (niet) en voorsprong (wel) op de huisvestingstaakstelling tot en met 2015 worden meegenomen bij ‘geld volgt vergunningshouder’. Het kan dus zijn dat een gemeente meer of juist minder ontvangt dan verwacht op basis van de gerealiseerde taakstelling in 2016.

Hoe kunnen gemeenten statushouders actief betrekken bij gezondheidsbeleid?

Gezondheid en de mate waarin een statushouder integreert en meedoet in de Nederlandse samenleving hangen met elkaar samen. Door met hen in gesprek te gaan, wordt enerzijds duidelijk welke competenties en talenten individuele statushouders hebben en anderzijds met welke gezondheidsproblemen zij kampen en wat daaraan te doen is.

Een goede manier om statushouders te bereiken en te betrekken bij gezondheidsbeleid is de inzet van sleutelpersonen.

Meer informatie

Hoe is de gezondheidszorg voor asielzoekers en statushouders geregeld?

Asielzoekers

Asielzoekers die in een opvanglocatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) verblijven kunnen, net als ieder ander, naar bijvoorbeeld de huisarts, de verloskundige, de jeugdgezondheidszorg of het ziekenhuis gaan. Het COA is verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de curatieve en publieke gezondheidszorg aan asielzoekers.

De huisartsenzorg wordt uitgevoerd door het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GC A). De publieke gezondheidszorg wordt uitgevoerd door de GGD’en.

Statushouders

Zodra statushouders in de gemeente gehuisvest worden, is de gemeente verantwoordelijk voor de organisatie en uitvoering van de publieke gezondheidszorg. De publieke gezondheidszorgtaken zijn over het algemeen belegd bij GGD’en. Voor curatieve zorg sluiten statushouders een zorgverzekering af en maken zij gebruik van de gebruikelijke zorgverleners.

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft een pagina gemaakt over asielzoekers en infectieziekten met actuele informatie over infectieziekten en risico’s op infectieziekten.

Vragen over infectieziekten kunt u stellen aan de lokale GGD. Kijk op www.ggd.nl voor de contactgegevens van de GGD in uw regio.

Ja. Zodra asielzoekers zich in een centrale opvanglocatie (COL) melden, worden zij indien zij afkomstig zijn uit een land waar tuberculose veel voorkomt, gescreend op tuberculose door de GGD. Hiervoor wordt een longfoto gemaakt.

LHBTI-vluchtelingen hebben vaak slechte ervaringen met de overheid in het land van herkomst. Ze voelen daardoor een drempel om informatie van overheidsinstanties te vragen. Het Ministerie van OCW heeft in samenwerking met COC en COA en met input van tien vluchtelingen de app Rainbow Refugees NL ontwikkeld. De app bevat onder meer informatie over discriminatie, gezondheid, veiligheid en de asielprocedure in Nederland.

Meer informatie

Kan het medisch dossier van een (nieuwe) statushouder in de gemeente opgevraagd worden?

Behandelend zorgverleners of asieladvocaten kunnen het medisch dossier van een statushouder – met toestemming van de patiënt – opvragen bij het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GC A). Wanneer een asielzoeker in het asielzoekerscentrum medisch is onderzocht, wordt deze informatie in dit dossier opgeslagen.

Het GCA geeft er de voorkeur aan om gericht medische vragen te beantwoorden in plaats van het hele medische dossier te delen, in verband met privacy. Huisartsen die een patiënt hebben die medische zorg heeft ontvangen van GC A kunnen het medisch dossier opvragen bij GC A.

Meer informatie

Krijgen nareizende gezinsleden een gezondheidsscreening als ze Nederland binnenkomen?

Alle nareizigers gaan als ze Nederland binnenkomen in eerste instantie naar Veenhuizen voor een gezondheidsscreening (TBC-screening en medische intake). De maatschappelijk begeleider kan hen daarna helpen om het gezin aan te melden bij medische diensten in de woonplaats (huisarts, tandarts etc.).

Als er specifieke zaken moeten worden geregeld (bijvoorbeeld voor ouderen, gehandicapten of chronisch zieken) is het verstandig snel een bezoek te brengen aan de huisarts. Wanneer de intake met de huisarts binnen twee weken na inreis plaatsvindt, worden de tolkkosten nog vergoed.

Zie ook

Expertisecentrum gezondheidsverschillen Pharos heeft een aantal (voorlichtings)materialen verzameld om hulpverleners te helpen bij het signaleren van psychische problematiek bij statushouders. Zie:

Hoe is de tolkenvergoeding bij de huisarts, verloskundige of in het ziekenhuis geregeld voor statushouders die in de gemeente wonen?

Wanneer een statushouder die in de gemeente woont een tolk nodig heeft bij een huisartsenbezoek of opname in een ziekenhuis, dan moet de tolkenvergoeding betaald worden door de huisartsenpost/het ziekenhuis/de zorginstelling. Meestal heeft een ziekenhuis hier een speciale regeling voor of een contract met een tolk en een vertaalcentrum.

Deze kosten komen dus niet voor rekening van de gemeente. Tolkgebruik bij een ziekenhuisopname of behandeling is onderdeel van goed hulpverlenerschap en informatieplicht (informed consent) van de arts.

10 november 2016 is bekendgemaakt dat er een nieuwe tolkvoorziening komt voor statushouders in de gemeente, die de huisarts bezoeken. Vluchtelingen met een verblijfsvergunning kunnen gedurende zes maanden van een tolk gebruikmaken tijdens een consult van de huisarts. Er zijn nog geen afspraken gemaakt over een tolkvergoeding voor consulten bij andere zorgverleners (GGZ, Jeugdgezondheidszorg, verloskundige etc.).

 

Asielzoekerskinderen van 0 tot 19 jaar krijgen binnen zes weken na aankomst in Nederland een intake Jeugdgezondheidszorg aangeboden in een COA opvangcentrum. Het starten van het Rijksvaccinatieprogramma vormt hiervan een onderdeel.

Andere vaccinaties, zoals een griepvaccinatie, worden aangeboden op indicatie door de huisarts.

In sommige asielzoekerscentra (AZC’s) zijn in een aantal gezinnen problemen met huiselijk geweld gesignaleerd. Waar liggen de verantwoordelijkheden voor het inzetten van hulp?

De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente waar de betreffende personen verblijven. Maar ook Veilig Thuis kan hierin een rol hebben.

Alle aanbiedingen zijn welkom. Indien er een religieuze achtergrond speelt geeft dit via de mail door aan het COA. (Bron: COA)

Het COA vraagt om opvanglocaties voor de korte en langere termijn. Dit zijn feitelijk de crisisnoodopvanglocaties tot en met de reguliere aanvragen voor asielzoekers met vergunning. COA vraagt dus aan de veiligheidsregio’s om enerzijds, op korte termijn, per veiligheidsregio minimaal 500 noodopvangplaatsen te organiseren voor een periode vanaf drie maanden en anderzijds ook kortdurende crisisnoodopvang ter beschikking te blijven stellen.

De VNG vraagt in haar ledenbrief “oproep gemeenten beschikbaar stellen verblijfseenheden” van 16 september 2015 om tijdelijke huisvestingsmogelijkheden voor asielzoekers mét vergunning in de gemeente waaraan deze zijn gekoppeld, om meer ruimte te krijgen in de opvang, zodat er minder gebruik hoeft te worden gemaakt van crisisnoodopvang.

De antwoorden op deze vragen zijn terug te vinden op www.coa.nl. Er zijn op deze verschillende factsheets te vinden, die geregeld geactualiseerd worden.

VNG en COA hebben samen een model-Bestuursovereenkomst ontwikkeld inzake de vestiging van een opvanglocatie voor asielzoekers. Dit model biedt gemeenten een helder overzicht van zaken die wel en niet opgenomen worden in een bestuursovereenkomst.

Ook geeft het model aan welke onderwerpen elders zijn geregeld en vastgelegd.

  • Er gaat direct contact komen tussen COA en een centraal punt binnen de veiligheidsregio.
  • In dit directe contact kunnen afspraken worden gemaakt.

COA heeft geen bevoegdheden om mensen in hun bewegingsvrijheid te belemmeren. Vluchtelingen mogen zich in beginsel vrij bewegen. De burgemeester zou, in uitzonderlijke gevallen - wanneer er een duidelijke aanleiding bestaat voor een verstoring van de openbare orde of een gezondheidsgevaar- , ervoor kunnen kiezen om proportionele noodmaatregelen te treffen. (Bron: COA, VNG)

COA heeft momenteel alle capaciteit nodig om alle eigen locaties te beheren. COA gaat er van uit dat zelfvoorzienende crisisopvanglocaties ook volledig worden beheerd vanuit de gemeente. Uiteraard is COA op afstand bereikbaar voor vragen. Hebt u vragen over crisisnoodopvang dan is het COA bereikbaar op 088-7156789 en noodopvangveiligheid@coa.nl. (Bron: COA).

COA ondersteunt niet met de communicatie rondom een crisisnoodopvanglocatie. Voor de andere vormen van opvang kunnen er binnen het reguliere traject afspraken worden gemaakt. Ook zijn er op www.coa.nl factsheets geplaatst (Bron: COA).

In beginsel is er afgesproken dat de gemeente voor 72 uur de vluchtelingen opvangt en dat ze daarna doorstromen naar een van de andere opvangmogelijkheden. Een gemeente kan aanbieden om de crisisnoodopvang langer open te houden om COA iets meer tijd te geven om de reguliere opvang te organiseren. De gemeente beslist in deze.

Uiteraard wordt enige flexibiliteit gevraagd bij de doorstroom. Het zou natuurlijk ook 70, 71 73 of 74 uur kunnen worden.

COA voert de financiële afhandeling namens het Rijk uit. De vergoeding betreft 40 euro p.p.p.n. Ook hiervoor geldt dat dit het aantal plaatsen betreft waarvan COA u daadwerkelijk (uiterlijk 16.00u op dezelfde dag) gevraagd heeft om beschikbaar te stellen. Hebt u vragen over crisisnoodopvang dan is het COA bereikbaar op 088-7156789 en noodopvangveiligheid@coa.nl. (Bron: COA).

COA beschikt momenteel niet over voldoende nood- of reguliere opvangcapaciteit om alle vluchtelingen die in crisisnoodopvanglocaties zijn opgevangen hier naartoe te laten doorstromen. De hoogste prioriteit ligt op dit moment op het kunnen onderbrengen van alle vluchtelingen, zodat niemand op straat komt te staan. Helaas is de enige wijze waarop dit op dit moment mogelijk is het verlengen van de 72-uurs termijn voor crisisnoodopvang, of als dit niet mogelijk is, vluchtelingen onder te brengen in een andere crisisnoodopvanglocatie. Op dit moment overleggen COA en VenJ met veiligheidsregio's en provincies over meer langdurige (crisis)noodopvang om dit te voorkomen.

COA is bereikbaar op 088-7156789 en noodopvangveiligheid@coa.nl voor afstemming over crisisnoodopvang. We merken momenteel dat vragen via allerlei kanalen het COA bereikt. Dit verstoort de overige processen. Het verzoek is dan ook om alleen bovengenoemde kanalen te gebruiken. Het LOCC is bereikbaar via onze piketlijn 088 662 8048 en locc@nctv.minvenj.nl. Het verzoek is om zoveel mogelijk te mailen.

De overheid is momenteel druk bezig deze buitengewoon grote instroom van vluchtelingen in goede banen te leiden en moet alle zeilen bijzetten om ervoor te zorgen dat voor alle instromende vluchtelingen een (tijdelijk) onderdak kan worden geboden, zodat geen vluchteling op straat hoeft te slapen. Uiteraard zal er alles aan worden gedaan om de tijd die moet worden doorgebracht in een (crisis)noodopvang zo kort mogelijk te houden. Uiteindelijk zal COA informatie verschaffen over de uiteindelijke huisvesting bij het COA.

De 72 uur gaat in principe in als de eerste vluchteling op crisisnoodopvanglocatie aankomt. (Bron: COA)

Er kunnen zich situaties voordoen dat het openbaar vervoer niet beschikbaar is om de vluchtelingen door te laten reizen. Denk hierbij aan de nachtelijke uren. In sommige steden/eenheden is hier een voorziening voor getroffen en is lokaal vervoer naar een noodlocatie mogelijk. In andere regio’s wordt geadviseerd om de vluchtelingen enkele uren te laten wachten in de balie van het politiebureau totdat het openbaar vervoer weer beschikbaar komt. Dit zal afhangen van het aantal vluchtelingen en gemoedstoestand.

Uitgangspunt is dat er geen vluchtelingen letterlijk in de kou komen te staan. Omdat niet alle situaties op voorhand te schetsen zijn, zal gezond verstand en een nauwe samenwerking met ketenpartners tot een oplossing moeten leiden. In de komende periode zal vanuit het NSGBO in nauwe afstemming met de eenheden een inventarisatie worden gemaakt die duidelijkheid verschaft over hoe/wat er geregeld is in de respectievelijke eenheden. (bron: Handelingskader en bejegeningsprofiel asielstroom en mensensmokkel – NSGBO Politie)

Het aanwezige materiaal gaat weer terug naar de eigenaar. Dit kan de gemeente zelf zijn, maar bijvoorbeeld ook het Nederlandse Rode Kruis, Het Ministerie van Defensie* of het Instituut Fysieke Veiligheid. De eigenaar kan vervolgens aan LOCC aangeven óf – en wanneer – het materiaal elders kan worden ingezet. LOCC coördineert vervolgens eventuele daadwerkelijke inzet elders.

*Het IFV haalt de bedden van Defensie op, maakt deze schoon en geeft ze weer uit.

We gaan ervanuit dat een zelfvoorzienende locatie wordt aangeboden, waarbij de gemeente zorgt voor de inrichting van de ruimte, catering en toezicht.

  • bedden en dergelijke regionaal zijn uitgeput.
  • Als er regionaal geen voorraad meer is, loopt de bijstand aanvraag via artikel 51 Wet veiligheidsregio’s formeel door voorzitter veiligheidsregio. Als praktische richtlijn is het handig via de gepiketteerde bevolkingszorgfunctionaris hetzij de coördinator bevolkingszorg, contact op te nemen met het LOCC. Het LOCC coördineert het bijstandsverzoek. Zie ook: https://www.nctv.nl/onderwerpen/crisisbeheersing/operationele-coordinatie/bijstand/index.aspx
  • De landelijke voorraad is niet onuitputtelijk. Als er geen bedden in de voorraad, meldt het LOCC dat in LCMS.
  • Het LOCC, het IFV en het Nederlandse Rode Kruis hebben gewerkt aan een Instructie Middelen Crisisnoodopvang. Deze instructie is te vinden op de landelijke LCMS-activiteit van het LOCC.

Aan de crisisnoodopvang worden er geen nadere eisen gesteld dan bed, bad en brood. Met andere woorden er wordt van uitgegaan dat er naast slaapvoorzieningen sanitaire faciliteiten zijn en dat voedselvoorziening mogelijk is. Ook gaan we ervan uit dat de crisisnoodopvanglocatie voldoet aan de brandveiligheidseisen. GGDGHOR Nederland zorgt dat PGA-professionals werkinstructies krijgen (Bron: COA, GGDGHOR Nederland).

Het COA spoort de vergunninghouder aan om zich zo snel mogelijk te melden bij de gemeente waarin het azc ligt voor inschrijving in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). De vergunninghouder moet zich binnen vijf dagen na het verkrijgen van de vergunning melden. De snelheid van inschrijven hangt af van de betreffende gemeente. Indien de vergunninghouder nog niet is ingeschreven, neemt het COA meteen contact op met de gemeente die voor inschrijving moet zorgen.

De verblijfspas kan uiterlijk twee weken na het slaan van de beschikking opgehaald worden, mits de vergunninghouder is ingeschreven in het GBA. Het COA wijst de vergunninghouder er op dat het openen van een eigen bankrekening een voorwaarde is om uitkering te kunnen ontvangen.

Vraag

In de factsheet GVA staat onder het kopje ‘Woonruimte voor tijdelijke huisvesting’ dat woonruimte aan de voorwaarden voor het Gemeentelijk versnellingsarrangement (GVA) voldoet als er geen woonbestemming op zit.

Maar wat als in een gemeente een leegstaand zorgvastgoed staat dat voldoet aan artikel 57 b/c/d van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 en artikel 1 onderdeel d van de Leegstandwet waar wel een woonbestemming op ligt? Komt dat pand dan wel of niet in aanmerking voor het GVA?

Antwoord

Bij de recente wijziging van het GVA is zorgvastgoed toegevoegd aan de toegestane bestemmingen voorafgaand aan het gebruik voor vergunninghouders:

1. In het eerste lid wordt na ‘niet zijnde huisvesting die bestemd of geschikt is voor permanente bewoning’ ingevoegd: , tenzij het een gebouw betreft dat bestemd is voor bewoning door personen als bedoeld in artikel 57, onderdelen b, c en d, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 en dat leegstaat als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Leegstandwet.

Kortom, dit pand komt in aanmerking voor het GVA.

Ja, er zijn wijzigingen aanstaande. Woensdag 29 juni 2016 is tijdens de landelijke regietafel, afgesproken dat het gemeentelijk versnellingsarrangement (GVA) wordt verruimd. De vergoeding wordt met terugwerkende kracht verhoogd naar € 75 per week per volwassene en € 37,50 per week per minderjarige (was respectievelijk € 50 en € 25 per week).

Tevens mag de regeling nu onder voorwaarden ook worden ingezet bij leegstaand zorgvastgoed; dit was tot nu toe niet het geval. En het COA heeft aangegeven er zorg voor te dragen dat elke gerealiseerde GVA-plek twee jaar lang gevuld is.

Nadere uitwerking van bovenstaande maatregelen volgt half augustus 2016.

Het COA stelt een informatieprofiel op over de vergunninghouders. Hierin worden gegevens opgenomen die voor de gemeente relevant zijn, zoals gezinsgrootte en -samenstelling, herkomstland, taal, opleiding, werkervaring en eventuele zichtbare lichamelijke beperkingen. Op basis van dit informatieprofiel zoekt de gemeente geschikte woonruimte.

Sinds kort tellen de AMA’s (alleenstaande minderjarige asielzoekers) mee voor de taakstelling inzake de huisvesting van statushouders. De opvang en voogdij zijn in Nederland in handen gegeven van Stichting Nidos.

Maar hoe wordt een en ander geregistreerd? En hoe kan de provincie controleren of de AMA’s zijn meegenomen in de huisvestingstaakstelling?

Antwoord

Het gaat hier om AMA’s die een status hebben. Zij komen onder de voogdij van Nidos te vallen en Nidos organiseert ook onderdak. Zolang AMA’s onder de 15 zijn, streeft Nidos ernaar om hen in gastgezinnen te plaatsen.

AMA’s die ouder dan 15 zijn (de meesten zijn rond de 16), worden op een begeleid-wonenlocatie geplaatst.  Dit gaat altijd in overleg met gemeenten. Vergelijk het met begeleid-wonenlocaties voor autochtone jongeren. Nidos neemt dan contact op met de gemeente.

Registratie in de gemeente: COA houdt bij hoeveel statushouders naar de gemeente worden geplaatst. Deze tellen mee zodra de vergunninghouder is uitgeschreven bij het COA. Dit geldt ook voor AMA’s.

Daarnaast worden deze AMA’s ook gewoon bij de gemeente ingeschreven. Gemeenten kunnen zelf dus ook bijhouden hoeveel personen zij hebben gehuisvest.

Gemeenten stemmen over de taakstelling en huisvesting af met de regievoerder van COA.

Ongeveer vijftig procent van de vergunninghouders krijgt een positieve beschikking binnen acht dagen na hun aankomst in Nederland. Met uitzondering van personalia, is in eerste instantie weinig informatie beschikbaar. Tijdens gesprekken met de vergunninghouder verzamelt het COA informatie. Dit wordt verwerkt in een standaard informatieformulier welke binnen twee weken na het toekennen van de beschikking door de regievoerder wordt overgedragen aan de gemeente. Als er in de loop van de tijd meer informatie over de persoon bekend is, wordt het informatieformulier geüpdate.

Gemeenten hebben gemiddeld twaalf weken de tijd voor het vinden van woonruimte en de verhuizing van de vergunninghouder. Tien weken voor het vinden van woonruimte en twee weken voor de verhuizing naar de nieuwe woning. Na het ingaan van een huurovereenkomst heeft de vergunninghouder twee weken om te verhuizen.

De regio-indeling bij het koppelen van vergunninghouders aan gemeenten is:

  1. Friesland, Groningen, Drenthe

  2. Overijssel, Gelderland

  3. Noord-Holland, Flevoland, Utrecht

  4. Zeeland, Zuid-Holland

  5. Noord-Brabant, Limburg

Nee, een gemeente kan een koppeling niet weigeren. Zodra het informatieformulier met het profiel van de vergunninghouder verzonden wordt, moet de gemeente deze accepteren en de vergunninghouder huisvesten. De regievoerder maakt een zo goed mogelijke match aan de hand van zijn kennis over de vergunninghouders en de regio (taakstelling gemeente, lokale woningmarkt etc.).

Komt er een voorbeelddocument vanuit de VNG waarmee het gemeentebestuur kan besluiten statushouders als een van de urgente woningzoekende groepen aan te merken?

Ja, de modelhuisvestingsverordening van de VNG wordt aangepast.

Daarnaast wordt een model voor gemeenten ontwikkeld die geen huisvestingsverordening hebben. Zij kunnen een aparte urgentieregeling vaststellen waarin bepaalde categorieën woningzoekenden voorrang wordt gegund.

De aanpassing van de Huisvestingswet treedt per 1 juli 2017 in werking. Voor die tijd worden gemeenten via een VNG-ledenbrief over de aangepaste verordening en het model geïnformeerd.

Vergunninghouders hebben het recht om zelf huisvesting te zoeken. Uitgangspunt is dat zodra de vergunninghouder is gekoppeld aan een gemeente (binnen twee weken na de toekenning van een vergunning door de IND), een andere gemeente de vergunninghouder niet in behandeling neemt. In het Taakstelling Volg Systeem (TVS) wordt inzichtelijk gemaakt of een vergunninghouder al is gekoppeld aan een gemeente. Als een vergunninghouder een getekend huurcontract kan tonen voor een woning in een andere gemeente dan waaraan hij of zij gekoppeld is, dan wordt de bemiddeling gestaakt.

Is het mogelijk particuliere woningen door corporaties te laten verhuren voor het huisvesten van vergunninghouders?

Woningcorporaties mogen het beheer van andermans panden doen als het gaat om de huisvesting van vergunninghouders. Dat is zo geregeld in een experimenteerartikel in aanvulling op de Woningwet. De regeling geldt vanaf 1 december 2015 en moet het creëren van woonruimte voor vergunninghouders stimuleren.

Onder de regeling vallen diensten voor bewoners in panden van derden. Namelijk technisch, sociaal en financieel beheer, huurincasso en toewijzing. Bijvoorbeeld schoonmaakkosten voor collectieve ruimtes, werkzaamheden van huismeesters (overlast tegengaan, voorlichting geven) en administratie.

Het beheer zou ook door de eigenaar van het pand kunnen worden geregeld of door een private beheerder.

Zie ook

Gemeenten zijn wettelijk verplicht om vergunninghouders te huisvesten. Halfjaarlijks stelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hiervoor een landelijke taakstelling vast. De minister voor Wonen en Rijksdienst bepaalt daarna de taakstelling per gemeente, naar rato van het aantal inwoners.

Om ervoor te zorgen dat gemeenten tijdig aan hun taakstelling kunnen voldoen en om de sociale huursector zoveel mogelijk te ontzien, wordt een subsidie verstrekt aan verhuurders voor nieuwe woonvoorzieningen voor vergunninghouders.

Met deze subsidieregeling wordt een versnelde realisatie van extra huisvestingscapaciteit gestimuleerd.

De subsidieregeling betreft een bedrag van € 6250 per gehuisveste vergunninghouder van 18 jaar of ouder. Om aanspraak te maken op subsidie voor de huisvestingsvoorziening moet uiteraard aan een aantal voorwaarden worden voldaan.

Brochure BZK

In de brochure Subsidieregeling huisvesting vergunninghouders van het Ministerie van BZK vindt u alle informatie over de tijdelijke regeling: de voorwaarden, voorbeelden van business cases en een aantal faq’s.

Meer informatie

Vragen over de subsidieregeling huisvestingsvoorziening ingedeeld in de volgende rubrieken:

  • Huisvestingsvoorziening en taakstelling
  • Relatie GVA en huisvestingsvoorziening
  • Bijstand en toeslagen
  • Maximale huur
  • Zelfstandige versus onzelfstandige woonruimte
  • Tijdelijke huurcontracten
  • Rollen gemeenten en woningcorporaties
  • Het beheer van woonvoorzieningen
  • Overig

Vraag en antwoord subsidieregeling huisvestingsvoorzieningen (VNG, Platform Opnieuw Thuis, BZK, V&J, augustus 2016)

Hoe kunnen vergunninghouders huur- en zorgtoeslagen aanvragen?

Het aanvragen van huur- en zorgtoeslagen voor vergunninghouders die de opvang verlaten, gebeurt sinds 1 februari 2017 door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Uit een pilot bleek dat het veel oplevert voor vergunninghouders én samenleving als de aanvragen centraal worden gedaan door het COA. Nu het COA de toeslagen aanvraagt, hoeven vergunninghouders niet meer bij een balie van de Belastingdienst/Toeslagen langs want het COA beschikt al over alle relevante, geverifieerde gegevens waarmee de aanvragen kunnen worden gedaan. Dit bekort de procedure aanzienlijk.

Vergunninghouders die zelfstandig gaan wonen, moeten zelf een zorgverzekering afsluiten en huur betalen. Zij hebben vaak onvoldoende inkomsten om dat te kunnen doen. Ze zijn dan aangewezen op zorgtoeslag en huurtoeslag om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen.

Zodra het COA het ondertekende huurcontract krijgt, start de procedure voor aanvraag van huur- en zorgtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen herkent de aanvragen vanuit het COA en kan daardoor vaak snel besluiten. Het bespaart werk en kosten voor de Belastingdienst/Toeslagen en voor gemeenten die nu niet meer of maar heel kort hoeven bij te springen. En de zorgverzekeraars en verhuurders kunnen op tijdige betaling rekenen.

Voor vragen over het huisvesten van vergunninghouders kan contact worden opgenomen met helpdeskuitvoering@coa.nl of 0800-238023. (Bron: V&J)

Er is een leegstaand gebouw van een zorginstelling aangeboden aan de gemeente voor statushouders. De gemeente heeft vervolgens aan een commerciële vastgoedbeheerder gevraagd of hij dit wil verhuren aan statushouders en of hij het wil beheren.  Dit heeft niet geleid tot een deal met de zorginstelling/eigenaar van het gebouw. De gemeente heeft dezelfde vraag vervolgens aan een corporatie voorgelegd. Die wijst de gemeente erop dat de gemeente een markttoets moet doen. De corporatie wil er zeker van zijn dat de markt het niet oppakt.

Is het eerdere verzoek aan de commerciële vastgoedbeheerder nu voldoende om aan de markttoets te hebben voldaan?

Antwoord

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom van 27 november 2015 is vastgelegd dat corporaties op twee manieren een rol kunnen krijgen bij het inzetten van gebouwen van derden voor de opvang van vergunninghouders.

  1. De eerste rol die corporaties kunnen spelen is het leveren van diensten aan bewoners van zulke gebouwen.
  2. De tweede rol is het verhuren, beperkte verbouw en het verrichten van onderhoudswerkzaamheden in gebouwen van derden.

De eerste rol is direct geregeld door gebruik te maken van een experimenteerbepaling in het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting. De regeling is te vinden in de Staatscourant van 30-11-2015, nr. 43549. Op basis hiervan kan de corporatie diensten leveren als het bijhouden van de administratie, het schoonmaken van collectieve ruimten en huismeesterwerkzaamheden.

De tweede rol kan na wijziging van de Woningwet per 1 juli 2017 worden opgepakt.

In beide gevallen moet de gemeente een lichte markttoets organiseren.

NB: Het gaat om alle panden die niet van een corporatie zijn. Dus zeker niet alleen gemeentepanden.

Reactie ministerie

De VNG heeft aan het ministerie gevraagd hoe zo’n markttoets er uit kan zien. Wij kregen daarop de volgende reactie (toegespitst op de taken van verhuur, verbouw en onderhoud voor derden):

  • De pandeigenaar geeft bij de gemeente aan (waarschijnlijk na overleg met de gemeente en de corporatie) welk pand beschikbaar komt en voor hoe lang. Hij geeft aan hoe hij wil dat het pand na de contractduur wordt opgeleverd. Er is geen uitgebreide opdrachtbeschrijving nodig.
  • De gemeente publiceert deze informatie op een duidelijk vindbare plek (openbare bekendmaking met een reactietermijn van 14 dagen).
  • Marktpartijen zien welk pand er beschikbaar komt en kunnen zelf bepalen of ze met de eigenaar in contact willen komen om zich aan te bieden.
  • Meldt zich geen marktpartij, is de corporatie in beeld.
  • Meldt zich wel een marktpartij, is het aan de pandeigenaar om te bepalen met wie hij in zee wil. Hiervoor zijn geen criteria, de pandeigenaar maakt zelf uit welke voorwaarden hij stelt. Dat mogen dus ook eisen zijn ten aanzien van integriteit, omzet, financiële situatie en ervaring met soortgelijke werkzaamheden.
  • Wil de marktpartij met de corporatie in zee, dan moet de gemeente bij de Autoriteit Woningcorporaties verklaren dat de werkzaamheden nodig zijn om te voldoen aan de taakstelling en dat bovenstaande procedure is doorlopen.
  • De Autoriteit geeft toestemming indien aan de voorwaarden is voldaan.

Afsluitend, als antwoord op de vraag: de lichte markttoets vereist openbare bekendmaking met een reactietermijn van 14 dagen. Gemeenten kunnen niet volstaan met benadering van één partij.

Zie ook

Het huisvestingsproces stopt als het COA de vergunninghouder heeft uitgeschreven. Dit gebeurt nadat de gemeente bij afmelding voor de taakstelling heeft verklaard dat gezorgd is voor een woning, voor inkomen en voor GBA-inschrijving. Hierna wordt de vergunninghouder meteen digitaal aangemeld voor de taakstelling.

Bij het COA werken ‘regievoerders’. Zij zijn dé contactpersonen voor de gemeenten. Aan de hand van zijn of haar kennis over de vergunninghouders en de regio, brengt de regievoerder een zo goed mogelijke match tot stand tussen een vergunninghouder en een gemeente.

Met het programma Voorbereiding op inburgering wil het COA vergunninghouders beter voorbereiden op de eerste maanden van het wonen in Nederland. Het programma bestaat uit drie onderdelen:

  1. Taalles
  2. Training kennis Nederlandse Samenleving
  3. Individuele begeleiding

Op de website van het COA vindt u alle informatie over het Programma Voorbereiding op inburgering (inclusief een reeks veelgestelde vragen en antwoorden).

Voor verschillende groepen zijn er verschillende mogelijkheden voor diplomawaardering. Alle informatie over het aanvragen van een diplomawaardering of indicatie onderwijsniveau voor inburgeraars en vluchtelingen is te vinden op de website van IDW: Internationale Diplomawaardering (een samenwerkingsverband tussen SBB en Nuffic).

U vindt hier ook informatie over:

Sommige gemeenten financieren integratieprojecten voor statushouders met subsidie van het Europees Sociaal Fonds (ESF). Hoe kunnen gemeenten aanspraak maken op ESF-subsidie en deze inzetten voor statushouders?

Antwoord

Er komt een nieuwe call voor projecten onder het programma actieve inclusie/sociale innovatie. In totaal wordt er € 116 miljoen beschikbaar gesteld voor projecten. Dit geld kan dus ook ingezet worden voor het naar werk geleiden van statushouders.

De centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio’s kunnen van 17 mei 2016 tot en met januari 2017 subsidie aanvragen voor hun projecten.

Alle informatie hierover is te vinden op de website van het Agentschap SZW te vinden.

NB: Centrumgemeenten moeten lopende projecten afronden voordat ze subsidie kunnen aanvragen voor nieuwe projecten subsidie.

Kan een gemeente starten met de maatschappelijke begeleiding van asielzoekers als ze nog in een asielzoekerscentrum (AZC) verblijven? Of moet de gemeente hiermee wachten tot de statushouder daadwerkelijk een woning/adres in de gemeente heeft?

Antwoord

De maatschappelijke begeleiding kan starten op het moment dat een vergunninghouder woont in de gemeente waar hij blijft wonen, dus waar hij uitgeplaatst wordt. Als een vergunninghouder dus woont in een AZC dat in dezelfde gemeente staat als waar hij uiteindelijk een woning krijgt dan zou de maatschappelijke begeleiding al kunnen starten. In de praktijk zal dat echter niet vaak voorkomen.

Belangrijk is het om te weten dat per inburgeringsplichtige vergunninghouder de maatschappelijke begeleiding maar door één gemeente kan worden uitgevoerd. Bovendien is de administratieve procedure van het COA nu zo ingericht dat gemeenten pas bericht krijgen dat ze in aanmerking komen voor een financiële bijdrage nádat daadwerkelijk een huurcontract in een gemeente is ondertekend.

Geldt het participatieverklaringstraject ook voor een jongere (AMV’er) die vanuit een Nidos-opvanglocatie in de gemeente komt wonen (vanaf 18 jaar)? Moet deze jongvolwassene ook de participatieverklaring ondertekenen?

Het participatieverklaringstraject moet aangeboden worden aan inburgeringsplichtige statushouders.

Jongeren onder de 18 jaar zijn vrijwel altijd nog kwalificatieplichtig. Zij moeten de internationale schakelklas (ISK) afmaken en stromen daarna in in het reguliere onderwijs in. Dit onderwijstraject (behalen startkwalificatie) komt dan in de plaats van het inburgeringstraject. De participatieverklaring is dan ook niet van toepassing.

Statushouders ouder dan 18 jaar die geen onderwijs volgen en geen startkwalificatie hebben behaald, worden weer inburgeringsplichtig. Zij moeten dan wel een participatieverklaringstraject aangeboden krijgen.

Kortom, het hangt van de individuele situatie van een jongvolwassene af of hij/zij nog moet inburgeren en dus ook het participatieverklaringstraject moet volgen.

Zijn nieuwkomers verplicht de participatieverklaring te ondertekenen?

Gemeenten bieden in 2016 het participatieverklaringstraject aan voor vergunninghouders die zich per 1 januari 2016 in de gemeente hebben gevestigd. Dat is afgesproken in het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom. Het participatieverklaringstraject is bedoeld om nieuwkomers vroegtijdig kennis te laten maken met de Nederlandse kernwaarden.

Gemeenten mogen zelf kiezen hoe ze het traject invullen. Het is nu niet wettelijk verplicht de participatieverklaring te ondertekenen, maar het verhoogde budget voor maatschappelijke begeleiding (inclusief de participatieverklaring) is al vanaf 1 januari 2016 van toepassing.

Gemeenten komen vanaf die datum voor het verhoogde budget in aanmerkingen als ze het plan van aanpak op tijd hebben aangeboden aan het COA. Daarmee stemt de gemeente ermee in om dat budget ook voor de participatieverklaring in te zetten.

Op de website van de Rijksoverheid staat dat het streven is om vanaf 1 juli 2017 de participatieverklaring op te nemen in de Wet Inburgering. De participatieverklaring wordt dan verplicht voor alle nieuwkomers, voor asielmigranten, maar ook voor migranten die komen in het kader van gezinsvorming of gezinshereniging.

 

Gepland was per 1 juli 2017, maar dit is gewijzigd naar 1 oktober 2017 omdat de parlementaire behandeling meer tijd in beslag neemt dan voorzien. Lees het VNG-nieuwsbericht van 1 juni 2017

Het OTAV (OndersteuningsTeam Asielzoekers en Vergunninghouders) heeft mei/juni 2016 een reeks regionale bijeenkomsten georganiseerd over het Participatieverklaringstraject voor vluchtelingen.

De vragen die tijdens deze bijeenkomsten werden gesteld zijn door OTAV gebundeld in één document: Vragen en signalen van gemeenten naar aanleiding van de regionale bijeenkomsten Participatieverklaringstraject.

De vragen zijn in het document onderverdeeld in drie paragrafen:

1. Tot aan de wijziging van de Wet Inburgering per 1 juli 2017

2. Plan van aanpak/brief participatieverklaringstraject en inbedding maatschappelijke begeleiding

3. Vanaf de wijziging van de Wet Inburgering per 1 juli 2017

NB: In dit document zijn de bijeenkomsten verwerkt die gehouden zijn in Houten, Castricum, Teylingen, Haren, Hellendoorn, Amsterdam, Sittard-Geleen, Renkum, Tholen en Breda.

OTAV heeft een factsheet gemaakt over de Participatieverklaring: Samenvatting Handreiking Participatieverklaring.

Onze gemeente wil graag aan de slag met het participatieverklaringstraject. In de brief Uitvoering maatschappelijke begeleiding en participatieverklaring (Rijksoverheid, 18 januari 2016) staat dat er voor de uitvoering van de participatieverklaring al verschillende materialen beschikbaar zijn. En dat deze materialen per direct via OTAV op verzoek te verkrijgen zijn. Waar zijn die materialen te vinden?

Antwoord

Het participatieverklaringstraject kan op verschillende manieren worden ingevuld. In de Handreiking Participatieverklaring staan de landelijke onderdelen en de mogelijke lokale invulling beschreven.

ProDemos heeft in opdracht van SZW een workshop ontwikkeld als invulling van het participatieverklaringstraject. De toolkit Participatieverklaring is te vinden via Materialen ProDemos workshop participatieverklaring online (VNG,17 februari 2016).

Asielzoekers mogen vrijwilligerswerk doen. Hiervoor is geen tewerkstellingsvergunning vereist. Wel toetst UWV of er sprake is van vrijwilligerswerk. Daarom heeft een organisatie een vrijwilligersverklaring nodig wanneer een asielzoeker er vrijwilligerswerk gaat doen.

UWV toetst vrijwilligerswerk

De organisatie waarvoor de asielzoeker vrijwilligerswerk gaat doen, vraagt een ‘vrijwilligersverklaring’ aan bij UWV. UWV toetst of het vrijwilligerswerk aan bepaalde voorwaarden voldoet. Is dat het geval, dan geeft UWV de vrijwilligersverklaring af aan de organisatie.

Criteria vrijwilligerswerk

De eisen van UWV aan vrijwilligerswerk zijn:

  • Het werk is meestal onbetaald
  • De organisatie heeft geen winstoogmerk
  • Het werk is goed voor de samenleving. Bijvoorbeeld werk in een buurtcentrum, of wandelen met ouderen

Geen nieuwe vrijwilligersverklaring

Een organisatie hoeft niet opnieuw een vrijwilligersverklaring aan te vragen als meer asielzoekers hetzelfde vrijwilligerswerk gaan doen.

Vrijwilligerswerk zonder vrijwilligersverklaring

Laat een organisatie asielzoekers vrijwilligerswerk doen zonder vrijwilligersverklaring van UWV? Dan is er sprake van overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen. De organisatie kan dan een boete krijgen.

Als een asielzoeker een verblijfsvergunning heeft, is er geen vrijwilligersverklaring meer nodig om vrijwilligerswerk te mogen doen. Op zijn verblijfsvergunning staat dan: ‘arbeid vrij toegestaan, geen twv vereist’.

Bron

In de akkoorden verhoogde asielinstroom is opgenomen dat:

  1. het budget voor maatschappelijke begeleiding wordt verhoogd van € 1.000 naar € 2.370 per vergunninghouder;
  2. het partieel effect op het accres plus de extra participatie- en integratiemiddelen verdeeld worden volgens de formule 'geld volgt vergunninghouder'. In de septembercirculaire 2016 is duidelijk geworden dat gemeenten hiervoor € 4.430 per vergunninghouder ontvangen. Zie: VNG-nieuwsbericht Uitwerking ‘geld volgt statushouder’ gereed (21 september 2016)

De doelgroep die meegeteld wordt, is verschillend evenals de wijze van uitbetalen. Maar gemeenten kunnen uit beide onderdelen middelen krijgen.

Ad 1

Doelgroep

Gemeenten ontvangen deze middelen per gehuisveste, inburgeringsplichtige vergunninghouder.

In 2016 gaat het om alle vergunninghouders van 16 jaar en ouder, tot aan pensioengerechtigde leeftijd. Vanaf de inwerkingtreding gewijzigde Inburgeringswet geldt het voor inburgeringsplichtigen van 18 jaar en ouder, tot aan pensioengerechtigde leeftijd. Dit bedrag wordt dus niet uitgekeerd voor kinderen en ouderen.

Gemeenten ontvingen al € 1000 per statushouder. Daarnaast wordt, zodra ze een plan van aanpak Participatieverklaring hebben ingediend bij het COA, het extra bedrag van € 1370 uitgekeerd (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016). De meeste gemeenten hebben dit plan voor 1 september 2016 ingediend bij het COA.

Looptijd

In het uitwerkingsakkoord was de verhoging van het bedrag alleen voor 2016 en 2017 afgesproken. Maar later heeft het Ministerie van SZW besloten dat het bedrag structureel wordt verhoogd, dus ook na 2017 kunnen gemeenten rekenen op € 2.370 per inburgeringsplichtige vergunninghouder.

Wijze van uitbetalen

Gemeenten ontvangen de bijdrage voor de maatschappelijke begeleiding al jarenlang via het COA. Dat verandert naar alle waarschijnlijkheid per 1 juli 2017: dan wordt deze bijdrage opgenomen als decentralisatie-uitkering in het Gemeentefonds.

Ad 2

Deze middelen zijn beschikbaar voor integratie en participatie, maar ook voor andere gemeentelijke voorzieningen voor statushouders zoals leerlingenvervoer, bijzondere bijstand, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp (zie paragraaf 2.4 uitwerkingsakkoord).

Doelgroep

Gemeenten ontvangen deze middelen per gehuisveste vergunninghouders, ongeacht leeftijd, geslacht etc.

Looptijd

Deze afspraak geldt voor 2016 en 2017 (waarbij in mei 2018 voor het laatst wordt uitbetaald over het aantal vergunninghouders dat gemeenten eind 2017 hebben gehuisvest).

Wijze van uitbetalen

Deze middelen worden achteraf via een decentralisatie-uitkering binnen het Gemeentefonds aan gemeenten toegekend.

Bijzonderheden

Let op de wijze waarop achterstanden (niet) en voorsprong (wel) op de huisvestingstaakstelling tot en met 2015 worden meegenomen bij ‘geld volgt vergunningshouder’. Het kan dus zijn dat een gemeente meer of juist minder ontvangt dan verwacht op basis van de gerealiseerde taakstelling in 2016.

Hoe moeten gemeenten omgaan met een WOB-verzoek, ontvangen van Platform de onderste Steen m.b.t. opvang van asielzoekers?

De VNG heeft een online Forum WOB opgericht waarvoor iedere gemeenteambtenaar zich kan aanmelden. Veel vragen en problemen rond de Wob-verzoeken worden op dit forum door gemeenten zelf onderling besproken en opgelost. U kunt zich voor dit Forum aanmelden.

Op 15 oktober startte er op dit Forum Wob een discussie over de door u genoemde zaak onder de naam ‘Verzoek platform de onderste steen’. Kern van het advies van de VNG is als volgt:

  • Er lijkt hier geen sprake van evident misbruik. Hoewel het gaat om 63 verzoeken en subvragen en de verzoeker expliciet wijst op de afhandelingstermijn, kan misbruik zeer moeilijk worden aangetoond. Zie hiervoor ook onze factsheet over misbruik.
  • Bij de meeste gemeenten zal de gevraagde informatie niet, of slechts in zeer beperkte mate, in bestaande documenten aanwezig zijn. Er is in dat geval ook geen verplichting om hiervoor een document op te stellen.
  • Voor de afhandeling verwijzen wij naar onze handreiking Wob en het bijbehorende stappenplan, met als hoofdlijn:
    1. - Bevestiging verzoek met de aankondiging dat de gemeente verwacht binnen de wettelijke termijn van 4 (of na verlenging van de termijn 8 weken) een besluit zal nemen;
    2. - Voor elk van de vragen zal moeten worden bekeken of hier informatie over is opgenomen in bestaande documenten. Dit ter beoordeling van vakafdeling. Een aantal vragen heeft bijvoorbeeld het karakter van een open vraag (zie bijvoorbeeld vraag 7, 25, 27) of er zal anderszins geen document over beschikbaar zijn (vragen 17 en 18);
    3. - Voor zover de informatie wel beschikbaar is in documenten, moet worden beoordeeld of er absolute of relatieve gronden zijn om openbaarmaking te weigeren. Ook hier is de inbreng van de vakafdeling onontbeerlijk;
    4. - Voor zover de vraagstelling onduidelijk is, is er de mogelijkheid een specificatieverzoek te doen onder het geven van een hersteltermijn (artikel 3 lid 4 Wob en artikel 4:5 Awb);
    5. - Sommige gemeenten werken een concept-besluit. Zie hiervoor topic ‘werken met concept-wobbesluit’ op het forum’. Dit is geen verplichting, maar het biedt de mogelijkheid om te verifiëren of het verzoek goed is begrepen en of de verzoeker met de beantwoording uit de voeten kan. Een dergelijke handelswijze schort de afhandelingstermijn niet op, maar vermindert de kans op een gegrond bezwaar.

Het COA geeft aan dat er ‘iets’ geregeld is voor de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid.

Het volgende stappenplan geldt hiervoor:

Stap 1 - De benadeelde (lees: gemeente) dient het COA schriftelijk aansprakelijk te stellen.

Stap 2 - Na ontvangst van de aansprakelijkheidsstelling wordt vanuit het COA het COA Schadeaangifteformulier m.b.t. de Wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen naar de assurantie tussenpersoon verzonden.

Stap 3 - Daar wordt dan beoordeeld of de aansprakelijkheid wordt erkend en of tot vergoeding van de geleden schade wordt overgegaan.

Stap 4 - De benadeelde partij wordt vervolgens van de uitkomst op de hoogte gesteld.

Vervolgstappen: Vanuit VNG zijn wij druk bezig om de nodige onduidelijkheden weg te nemen. Daarnaast hebben wij vanuit VNG voorgesteld om een 'gemeentevriendelijke' schadeprotocol op te stellen, waardoor de kans wordt verminder dat een gemeente van "het kastje naar de muur worden gestuurd".

Op welke juridische grondslag was het besluit van de Staatssecretaris van V&J gebaseerd om de gemeente Midden Drenthe te verplichten om 700 extra asielzoekers in Oranje te huisvesten? Dit voor het geval dat dit ook bij andere gemeenten wordt gedaan.

De rechtsgrond bestaat niet, de gemeente is niet verplicht om gebouwen en/of grond af te staan aan de Rijksoverheid. De gemeente kan wel een overeenkomst met het Rijk sluiten en de gemeente is verplicht om een vastgesteld aantal statushouders te huisvesten. Er is echter geen rechtsgrond op basis waarvan de minister van Justitie gemeenten kan dwingen om grond of gebouwen af te staan, dan wel te vorderen.

Onze particuliere sporthal vraagt voor noodopvang een hoger bedrag dan de inkomsten vanuit het COA. Is er jurisprudentie over wat redelijke kosten zijn die je mag rekenen als je een sporthal voor deze kwestie zou vorderen?

Er bestaat helaas geen jurisprudentie op dit terrein.

Beschikt u over een modelbesluit van de burgemeester o.g.v. artikel 172 Gemeentewet waardoor een sporthal kan worden aangewezen als noodopvanglocatie?

De VNG beschikt helaas niet over een dergelijk model.

Het COA kan elk moment berichten dat er 150 vluchtelingen onderweg naar de gemeente zijn. De opvang zal tijdelijk plaatsvinden in een sporthal, maar dit is in strijd met het bestemmingsplan. Zou een omgevingsvergunning af moeten worden gegeven of kan de burgemeester zijn noodbevoegdheid gebruiken? Hoe denkt de VNG hierover?

Op 17 september jl. deed de directeur-generaal Vreemdelingenzaken een beroep op de Veiligheidsregio's om in het kader van de acute problemen noodopvang beschikbaar te stellen. Dit verzoek is verstuurd aan de voorzitters van de Veiligheidsregio's.

In de brief komt de "acute crisissituatie" duidelijk naar voren.

De bevoegdheid om acute noodopvang - voor kortere duur - te realiseren, ligt besloten in artikel 5 Wvr. De wet Veiligheidsregio's spreekt in dat artikel weliswaar over een ramp, maar daarin zijn, conform de memorie van toelichting, de crises inbegrepen voor zover de burgemeester geen inbreuk maakt op de crisisbevoegdheden van andere overheden.

De MvT zegt hierover:
Ten slotte zij opgemerkt dat de voorgestelde opperbevelbevoegdheid niet is verbreed tot crisissituaties waarbij andere dan OOV-bevoegdheden aan de orde zijn. In een crisis ligt de verantwoordelijkheid voor het beheersen van de crisis primair bij bestuursorganen die over de bevoegdheden beschikken om de noodzakelijke maatregelen te nemen, bijvoorbeeld bij de minister van LNV in het geval van een MKZ-crisis). Het is van groot belang dat tijdig overleg met de burgemeester plaatsvindt, zodat de implicaties van de door hem ter beheersing van de crisis noodzakelijk te nemen maatregelen, waaronder die ter handhaving van de openbare orde, onder ogen kunnen worden gezien.

Voor zover crises door andere overheden (COA/ministerie VenJ) worden aangestuurd, wordt de burgemeester geacht om binnen die bandbreedte de maatregelen te nemen die hij/zij noodzakelijk acht. Naar analogie bij dierziekten: de bestrijding van dierziekten wordt aangestuurd door de minister van Economische Zaken, maar een lokale noodverordening die de ruiming mogelijk moet maken wordt door de burgemeester afgekondigd.

In dit geval lijkt kortdurende, acute noodopvang op basis van art 5 Wvr passend. Het alternatief, de lichte bevelsbevoegdheid uit de Gemeentewet (Gemeentewet 172 lid 3) is optioneel, ware het niet dat het nadrukkelijker is bedoeld voor situaties waarin de openbare orde in het geding is of komt, waar hier geen sprake van lijkt

Overzicht van de vragen die aan de ketenservicelijn gesteld kunnen worden over administratieve processen rondom asielzoekers en vluchtelingen:

Via deze link: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2015/04/09/brief-taakstelling-huisvesting-vergunninghouders-2e-halfjaar-2015-en-1e-halfjaar-2016 vindt u de brief taakstelling huisvesting vergunninghouders, 2e helft 2015 en 1e helft 2016.

Onder de brief staat onder andere de bijlage met de het overzicht van de taakstelling huisvesting vergunninghouders per gemeente voor de 2e helft 2015.

OTAV heeft een handreiking gemaakt over de besluitvorming rond de opvang van asielzoekers en de huisvesting van vergunninghouders met stappen in het proces, keuzes, overwegingen, tips etc.: Handreiking Besluitvorming opvang asielzoekers en huisvesting statushouders

In een gemeente staat een AZC gepland, maar het college van B&W heeft de raad hierover pas geïnformeerd op het moment dat er vergevorderde plannen zijn: er is met het COA overeenstemming over locatie, aantal jaren en aantal asielzoekers.

De vraag is of de gemeenteraad niet eerder op de hoogte had moeten worden gesteld? Welke rol moet een gemeenteraad hebben als er plannen zijn voor het vestigen van een AZC? Is daar ergens informatie over beschikbaar? Zo ja, waar?

Antwoord

Over de taakverdeling tussen raad en college het volgende.

Het college is bevoegd overeenkomsten aan te gaan. Indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente geeft het college de raad vooraf inlichtingen. Het college neemt geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Zie hiervoor de Gemeentewet, art. 169, lid 4.

Overigens zou het college ondanks wensen en bedenkingen van de raad toch kunnen besluiten om te tekenen, dus de uiteindelijke bevoegdheid ligt bij het college.

In veel gevallen past een AZC niet in het vigerende bestemmingsplan (het gebruik wijkt af of het - nieuwe - gebouw past niet). Vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is een bevoegdheid van de raad. In bepaalde situaties - bijvoorbeeld bij afwijkend gebruik - is afwijking van een bestemmingsplan mogelijk, dit is een bevoegdheid van het college. Soms is dan overigens een verklaring van geen bedenkingen van de raad vereist.

Het Ministerie van V&J heeft een reeks vragen van gemeenten over verblijfsdocumenten van vergunninghouders en de inschrijving in het Basisregister Persoonsgegevens (BRP) gebundeld.

De vragen die aan de orde komen zijn bijvoorbeeld:

  • Er is een woning maar nog geen BRP-inschrijving. Wachten of zelf inschrijven?
  • De gemeente wil zelf inschrijven in de BRP maar ziet onbekende documenten.
  • De naam op het verblijfsdocument klopt niet. Wat kan de gemeente doen?
  • De gemeente heeft een vraag over administratieve processen en die vraag staat niet hierboven.

Hieronder de link naar het overzicht van alle vragen en antwoorden over verblijfsdocumenten en inschrijving BRP:

 

Wie is aansprakelijk als er iets gebeurt in een speelzaal in een asielzoekerscentrum (waar veelal wordt gewerkt met vrijwilligers)? Denk bijvoorbeeld aan een ongeluk of een zedenzaak.

Een speelzaal in een asielzoekerscentrum valt onder de verantwoordelijkheid van het COA, gemeente valt bij incidenten niks te verwijten. Het COA is derhalve aansprakelijk in voorkomende gevallen.

Wie is bevoegd tot het nemen van een besluit voor het uitbreiden van een AZC, is dat de Raad of het College? De Raad beslist op een voorstel van het College over uitbreiding van een AZC.

Er vindt een zogenaamde startregistratie plaats. In beginsel van elke vluchteling zijn naam en nationaliteit bekend. (Bron: COA)

Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht om Vluchtelingenwerk in te schakelen. Veel gemeenten doen dit wel omdat Vluchtelingenwerk veel expertise heeft als het om maatschappelijke begeleiding van vluchtelingen gaat.

Hoe is de jeugdzorg voor kinderen die in een COA-voorziening verblijven geregeld? Wie is verantwoordelijk?

Het COA regelt de jeugdzorg in de COA-opvang. Dat gebeurt op basis van een tijdelijke bestuurlijke afspraak tussen Rijk en VNG die in elk geval doorloopt tot en met 2017 (over het vervolg vindt overleg plaats) met geld uit het Gemeentefonds. COA heeft de inkoop uitbesteed aan Menzis COA Administratie (MCA). Gemeenten blijven formeel-juridisch verantwoordelijk voor jeugdhulp aan alle rechtmatig en niet rechtmatig verblijvende jeugdigen.

Wie van de vluchtelingen heeft er recht op gezinshereniging? Hoe lang duurt de procedure voor gezinshereniging? Krijgen nareizigers een zelfstandige verblijfvergunning? Wie betaalt de kosten voor gezinshereniging? Worden alle nareizende gezinsleden opgevangen in een AZC?

Dat zijn slechts enkele van de vele vragen die gemeenten hebben over nareizende gezinsleden.

OTAV heeft een groot aantal vragen voor u uitgezocht en verzameld in een overzicht.

Achtergrond

Door de instroom van vluchtelingen is er sprake van een toenemend aantal ISK-VO-leerlingen. Aan de ene kant is er een huisvestingsproblematiek: er is niet zonder meer ruimte voor de extra ISK-leerlingen. Aan de andere kant is er een probleem ten aanzien van de bekostiging die een jaar later volgt. Scholen die wel willen en ook de ruimte hebben, kunnen de voorbekostiging niet doen. In sommige gevallen vindt men dit gemeentelijke verantwoordelijkheid, want geen passend onderwijs en geen zorgbehoefte. Leerlingen melden zich op een ISK-school en worden doorverwezen naar de leerplichtambtenaar. In een ander geval voelt het samenwerkingsverband zich wel verantwoordelijk, ook vanwege het feit dat ze toeleiding, tests en deels leerlingen bekostigen.

Antwoord

Op dit moment zijn wij bezig om te kijken welke gevolgen de instroom van nieuwe kinderen van vluchtelingen betekent voor het onderwijs. Daarnaast kijken we naar aanleiding van de vragen die nu leven, welke informatie we daarover kunnen geven. Omdat dit onderwerp op het snijvlak zit van onderwijs, gemeenten, asielzoekersbeleid etc. hebben we even tijd nodig hierover intern en met externen te schakelen. Zodra er meer informatie is komt dat op www.vng.nl te staan.

Er bestaat geen financiële regeling voor de kosten voor huisvesting voor en eerste inrichting van voortgezet onderwijs aan asielzoekers. Asielkinderen in het voortgezet onderwijs tellen mee voor de reguliere vergoeding in het Gemeentefonds vanaf  1 oktober volgend op de datum dat het onderwijs is gestart.

  • Bij kleine aantallen kan in eerste instantie worden bezien of plaatsing binnen de bestaande scholen mogelijk is.
  • In tweede instantie kunnen lokalen worden gehuurd in andere scholen voor (primair) onderwijs.
  • In derde instantie kan worden overgaan tot het plaatsen van noodlokalen.

De kosten voor het eerste jaar onderwijshuisvesting en eerste inrichting voortgezet onderwijs komen voor rekening van de gemeente, tenzij tussen gemeente en COA anders wordt afgesproken.

De VNG is in overleg met het ministerie van OCW over  een maatwerkregeling bekostiging huisvesting en eerste inrichting voortgezet onderwijs voor gemeenten.

Er zijn twee groepen te onderscheiden:

  1. Leerlingen die in een noodopvang of AZC verblijven: Doorgaans is er een basisschool in of dichtbij het asielzoekerscentrum. Vervoer is dan niet nodig. Is vervoer van leerlingen vanuit een AZC toch noodzakelijk (de leerling is gehandicapt en kan daardoor niet zelfstandig de school bereiken, en/of de school is ver weg), dan bekostigt het COA dit vervoer. De gemeente kan desgewenst het vervoer regelen, en stuurt vervolgens de rekening naar het COA.
  2. Leerlingen die niet in een noodopvang of AZC verblijven: Voor hen geldt de verordening leerlingenvervoer van de gemeente waar zij verblijven, ongeacht het feit of zij een vluchtelingenstatus hebben.

Leerlingen van het voortgezet onderwijs die een Internationale Schakelklas bezoeken vallen voor het leerlingenvervoer onder het voortgezet onderwijs. Dat wil zeggen dat in principe alleen leerlingen die gehandicapt zijn en daardoor niet zelfstandig de school kunnen bereiken in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening van de gemeente.

Heeft de gemeente een rol bij het oplossen van knelpunten die scholen ervaren bij de financiering van onderwijs aan asielzoekers?

OCW heeft voor de knelpunten in de bekostiging van onderwijs aan asielzoekerskinderen in primair en voortgezet onderwijs de volgende maatregelen getroffen:

  • OCW heeft art. 45 van de Regeling bekostiging personeel Primair Onderwijs  2014 - 2015 aangepast. De aanpassing maakt het mogelijk dat er extra bekostiging ter hoogte van € 782 per leerling wordt toegekend voor de instroom na 1 oktober. Basisscholen kunnen met terugwerkende kracht voor het huidige schooljaar (2014 - 2015) een beroep doen op deze regeling.
  • Voor het voortgezet onderwijs zijn de Regeling eerste opvang vreemdelingen en de Regeling Nieuwkomers VO in het algemeen toereikend. Wel doen zich knelpunten voor bij grote fluctuaties in leerlingenaantallen. Hiertoe voert OCW in de Regeling nieuwkomers voortgezet onderwijs een tweede peildatum (1 april) in.  Deze tweede peildatum zorgt ervoor dat scholen die onderwijs aan nieuwkomers bieden een deel van de aanvullende bekostiging sneller ontvangen.
  • OCW zorgt er met maatwerk voor dat in de bekostiging van scholen in primair en voortgezet onderwijs en mbo-instellingen rekening kan worden gehouden met de dynamiek rondom de instroom van asielzoekers en vergunninghouders.

OCW is bereid om maatwerkoplossingen te verkennen met scholen die knelpunten ondervinden.

Of de gemeente een voorfinancieringsfunctie kan vervullen, is een vraag die alleen de gemeente zelf kan beantwoorden. Er zijn financiële risico’s aan verbonden als aanvullende financiering niet wordt toegekend, of als de aanvullende financiering niet afdoende is. De vraag is dan of deze risico’s voor kosten van de gemeente komen, voor kosten van de school of scholen, of voor beiden. Het is niet aannemelijk dat als OCW een maatwerkoplossing heeft overwogen en deze niet wordt toegezegd of niet voldoet, de gemeente wel voor vergoeding van het Rijk in aanmerking komt.

Wie is verantwoordelijk voor het vervoer van asielzoekerskinderen die in een AZC verblijven en die naar een school voor speciaal onderwijs moeten?

In principe is het COA verantwoordelijk voor het noodzakelijke vervoer naar school van kinderen die in een AZC verblijven. Wanneer de gemeente al kinderen naar de (speciale) school vervoert kan het praktisch zijn om deze leerling in het vervoersschema op te nemen; uiteraard in overleg met het COA. De kosten van dit vervoer worden dan door het COA vergoed.

Nee, niet automatisch. De asielpeuters vallen volgens de definitie van het OAB (onderwijsachterstandenbeleid) niet altijd onder deze doelgroep. Alleen kinderen van laagopgeleide ouders vallen onder het OAB. Wel heeft de gehele groep asielkinderen een hoog risico op achterstanden. Het is belangrijk dat aan deze groep de noodzakelijke voorschoolse educatie wordt geboden om achterstanden te voorkomen en te beperken. Zonder dat dit ten koste gaat van de huidige kinderen en voorzieningen. De VNG wil daarom erkenning van vluchtelingenleerlingen als kwetsbare groep.

Voor vluchtelingenkinderen geldt in principe de leerplichtwet zodra zij in Nederland zijn.

Uiteraard vormt het inrichten van onderwijsvoorzieningen bij grote instroom een knelpunt. Duidelijk moet worden wat gezien de omstandigheden een realistische termijn is waarbinnen volwaardig onderwijs aan asielkinderen kan aanvangen. De eerste dagen kan ook worden gedacht aan een vorm van educatieve dagbesteding. Het Rijk, de Inspectie voor het Onderwijs, Ingrado en de VNG zijn hierover in gesprek.

Op grond van internationale verdragen hebben asielzoekers tot 18 jaar recht op onderwijs, ongeacht hun verblijfstatus. Zodra kinderen in Nederland zijn, vallen zij onder de leerplicht en wordt onderwijs voor hen georganiseerd. We gaan ervan uit dat dit zo snel mogelijk gebeurt, maar in de praktijk kan het enkele weken duren tot een nieuwe onderwijslocatie is opgezet. Alle kinderen zijn in principe leerplichtig, ook die in de noodopvang. Kinderen kunnen naar school gaan nadat ze zijn geregistreerd en door de GGD zijn gescreend op besmettelijke ziekten.

De gemeente is ervoor verantwoordelijk dat leerplichtige kinderen naar school gaan, en gaat daartoe met schoolbesturen in overleg. In principe wordt eerst gekeken of er aangesloten kan worden bij een reeds bestaande eerste opvang onderwijsvoorziening.

Het college van B&W heeft de bevoegdheid en verantwoordelijkheid te beoordelen of en in welke mate iemand bijzondere bijstand krijgt ter dekking van de kosten van de inrichting van de woning. Het college kijkt dan naar de individuele omstandigheden van het geval. Bijzondere bijstand voor de duurzame gebruiksgoederen wordt doorgaans verstrekt ‘om niet’ in de vorm van natura, en in bijzondere omstandigheden in de vorm van een geldlening of borgtocht.

Iemand die studeert kan meestal aanspraak maken of studiefinanciering. Als een vergunninghouder studiefinanciering ontvangt, is er geen recht op bijstand.
De gemeente kan scholing of opleiding bieden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

De gemeente heeft 8 weken de tijd om het recht op een bijstandsuitkering vast te stellen. Om deze periode te overbruggen moet de gemeente een voorschot betalen uiterlijk binnen vier weken na de datum van de aanvraag. Dit voorschot is in de vorm van een renteloze lening.

Is dit de datum van het tekenen van het huurcontract of is dit het moment van vertrek uit het AZC?

De ingangsdatum is het moment van melden bij de gemeente/UWV. Als er nog een voorliggende voorziening is (regeling verstrekking asielzoekers) kan er geen bijstand verstrekt worden.

De GZZA-regeling geldt als een voorliggende voorziening voor de bijstand. Gebruikers van de GZZA- regeling krijgen om die reden geen bijstand.

 

Het Ministerie van SZW heeft een reeks vragen van gemeenten over de bijstand aan vluchtelingen met een verblijfsvergunning (vergunninghouders) gebundeld.

De vragen die aan de orde komen zijn bijvoorbeeld:

  • Krijgen vergunninghouders de inrichtingskosten vergoed?
  • Wat is de ingangsdatum van de uitkering van een vergunninghouder?
  • Wanneer heeft een vergunninghouder recht op een voorschot?
  • Krijgen vergunninghouders voor de inburgering de reiskosten en eigen bijdrage kinderopvang vergoed?

Hieronder de link naar het overzicht van alle vragen en antwoorden over de bijstand:

Nee. De reden voor de kostendelersnorm is dat als er meer personen in een woning wonen, zij de woonkosten kunnen delen. Dat is niet anders bij vergunninghouders die een woning delen.

Uitgezonderd van de kostendelersnorm zijn:

  • Jongeren tot 21 jaar
  • Kamerhuurders met een commercieel contract (en die een commerciële huurprijs betalen)
  • Studenten die een opleiding volgen die recht kan geven op studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten
  • Studenten die een Beroeps Begeleidende Leerweg volgen (BBL-studenten)