De VNG heeft met de ANWB, HISWA-RECRON, en de gezamenlijke initiatieven voor vitale vakantieparken aan minister Keijzer (Wonen) haar zorgen overgebracht om voor alle recreatieparken permanente bewoning toe te staan. De organisaties willen dat het besluit daartoe bij gemeenten moet blijven.

Niet de gewenste oplossing

De voorgestelde instructieregel (een AMvB) lijkt op het eerste gezicht een praktische oplossing voor woningnood, rechtszekerheid en het voorkomen van gedwongen uithuiszettingen. De organisaties hebben begrip voor dit uitgangspunt, maar het generiek toestaan van permanente bewoning op vakantieparken biedt niet de gewenste oplossing. De organisaties waarschuwen dat de maatregel kan leiden tot risico’s op sociale problematiek, onveiligheid en juridische procedures en tot afname van recreatieve vitaliteit, regionale werkgelegenheid en leefbaarheid. Dat staat in het position paper dat de voorzitter van de VNG-commissie Ruimte, Wonen en Milieu, Jan Martin van Rees, overhandigde aan minister Keijzer.

Position paper

In het Position paper Permanente bewoning vakantieparken (pdf, 851 kB) geven de partijen aan dat permanente bewoning niet overal past binnen het toekomstbeeld van het park. En daar waar het kan, biedt de bestaande gemeentelijke instrumentarium al mogelijkheden. De organisaties stellen voor om de instructieregel op onderdelen aan te passen, zodat gemeenten de regie kunnen behouden, maatwerk kunnen leveren en er een tijdelijk en voorwaardelijk legalisatiebeleid komt. Dit zorgt voor een betere balans tussen het aanpakken van de woningnood en het behoud van vitale vakantieparken.

Update 16 juli 2025: zienswijze VNG en IPO op consultatieversie instructieregel

De VNG en het IPO stuurden minister Keijzer op 16 juli hun zienswijze (pdf, 456 kB) op de consultatieversie van de instructieregel die het toestaan van permanente bewoning van recreatiewoningen mogelijk zou moeten maken. We betogen daarin dat de voorgenomen instructieregel ondoelmatig, juridisch onzorgvuldig en bestuurlijk onuitvoerbaar is. De maatregel doorkruist bestaand gemeentelijk en provinciaal beleid, ondermijnt succesvolle gebiedsgerichte aanpakken en biedt geen structurele oplossing voor het woningtekort. Integendeel: het belemmert transformatie, vergroot risico’s op ondermijning en heeft negatieve effecten op recreatie, economie en leefomgeving. Er heeft ook geen wettelijk vereiste uitvoerbaarheidstoets (UDO) plaatsgevonden terwijl de impact op decentrale overheden aanzienlijk is.