Workshop 13: Voorinburgering in het asielzoekerscentrum

De Blauwe Map (en zoveel meer)

Met inburgering kun je eigenlijk niet snel genoeg beginnen. Zeker als een vluchteling uit een totaal andere cultuur dan de Nederlandse komt. Zie je weg maar eens te vinden in het mondige, moderne en strak georganiseerde land.  De vroegtijdige inburgering kent grote uitdagingen. Judith Pritzkuleit en Milka Yemane vertellen hoe het COA dit oppakt.

Casemanager Participatie zijn ze. Judith doet dit werk voor de asielzoekerscentra in Dronten en Zeewolde, Milka in Amsterdam en Almere. In de boardroom van Spant! in Bussum vertellen ze op 19 juni over voorinburgering. Hun publiek, bestaand uit medewerkers van gemeenten, Vluchtelingenwerk en woningcorporaties, krijgt te horen wat en hoe statushouders al hebben geleerd over Nederland voordat ze ‘verder de keten’ in gaan. Dat blijkt niet gering, maar daarover verderop meer.

De blauwe map als heilige graal

Halverwege de workshop houdt Milka een belangrijk dossier omhoog: de blauwe map. Oftewel het Persoonlijk Informatiedossier (PID). Elke statushouder heeft er als het goed is één. Het bevat onder meer diploma’s, certificaten en informatie over werkervaring en kansen op de arbeidsmarkt. Milka houdt het omhoog als een heilige graal. ‘Zo beschouwen statushouders het ook. Ik ken een verhaal van een statushouder die de map niet wilde afgeven aan een klantmanager bij een gemeente. “Nee, die map is van mij!”, zei hij. Dat geeft wel aan hoe belangrijk de inhoud voor hem was.’ Opvallende waarneming: de meeste workshopdeelnemers kennen de blauwe map niet. Nieuwsgierig wordt een voorbeeldmap, met een fictieve casus rond een Iraanse statushouder, bestudeerd.  De blauwe map is een cruciaal onderdeel in de nagestreefde “warme overdracht” van het COA naar gemeenten en andere ketenpartners rond een statushouder

Cijfers vroege participatie positief

Terug naar de inhoud. Want in de map zit een hoop bewijs van de inspanningen die het COA zich getroost om statushouders zo goed mogelijk voor te bereiden op de Nederlandse samenleving. Dat inburgeringstraject duurt 14 weken. Het omvat naast taalcursussen (NT2) ook de module Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en de Oriëntatie Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA). Later leren statushouders ook ‘soft skills’ (denk bijvoorbeeld aan de typische omgangsvormen in het Nederlandse bedrijfsleven) in de training VOORwerk. Doel is dat tachtig procent van alle statushouders de voorinburgering doorloopt. Judith: ‘De trend is goed. In 2016 zaten wij al op zeventig procent.’ Ook andere cijfers rond vroegtijdige participatie zijn gunstig. Zo biedt het COA de mogelijkheid om al in het azc vrijwilligerswerk te doen, of snuffelstages.

Maatwerk leveren te midden van spanningsvelden

Tegelijkertijd, zo maken Judith en Milka duidelijk, is voorinburgering niet eenvoudig. Een voorbeeld? De samenstelling van de klas wisselt steeds omdat statushouders vertrekken uit het azc. Bovendien is de samenstelling van de klas wisselend van niveau en ambitie, al probeert het COA zo goed mogelijk te clusteren. ‘We proberen maatwerk te leveren, maar het blijft een spanningsveld.’

Een ander issue is de sociaal-psychische gesteldheid van de statushouder. Milka: ‘Kun je van iemand die bezig is om zijn gezin over te laten komen uit een oorlogsgebied verwachten dat de stof rond de aanvraagprocedure voor huurtoeslag beklijft?’ Een andere hindernis vormt een achtergrond uit een dictatuur. De Hollandse mondigheid en het gegeven dat je zèlf verantwoordelijkheid moet nemen, kan lastig zijn als je afkomstig bent uit een land komt juist zelfredzaamheid structureel de kop wordt ingedrukt. Judith: ‘Ik ben zelf opgegroeid in de DDR en weet hoe groot die overstap is.’

Vragen uit de zaal

Tijdens en na de workshop is er ruimte voor vragen uit de zaal. Die gaan met name over het plaatsingsbeleid. Als een statushouder het asielzoekerscentrum verlaat, waar komen ze dan terecht? En wordt er dan ook gekeken naar ervaringen in het traject van de voorinburgering? ‘Bij voorkeur wel’, zegt Judith. ‘Al blijft de plaatsing het resultaat van een complexe afweging van factoren. Maar als je postbode bent, dan is het slim om in een wijk of een dorp te gaan wonen, waar ze zitten te springen om een postbode. Ben je technisch geschoold werktuigbouwkundige dan is het kansrijk om in een regio te gaan wonen, waar behoefte is aan die kennis en kunde.’

De deelnemers aan de workshop zijn na afloop tevreden en spreken van een duidelijke en eerlijke presentatie. Ineke van Blokland van een wooncorporatie: ‘Ik snap nu veel beter met welke bagage een statushouder bij ons arriveert en wat ik wel en ook niet kan verwachten.’