‘We staan aan de vooravond van een datarevolutie’

VNG Magazine nummer 7, 19 april 2019

Tekst: Cindy Castricum | Beeld: Planet

Begin dit jaar waren Nathan Ducastel en Hugo Aalders namens de VNG op studiereis naar Silicon Valley. Samen met hun reisgenoten van andere publieke organisaties keken ze hun ogen uit in het land van de onbegrensde mogelijkheden. Momenteel werken ze met alle deelnemers aan een manifest om anderen deelgenoot te maken van hetgeen ze in Amerika hebben opgestoken.
 

Het Amerikaanse bedrijf Planet heeft met private investeringen tweehonderd satellieten in stelling gebracht, die elke dag het hele aardoppervlakte fotograferen. Hier Westpoort, het havengebied van Amsterdam


Voor Nathan Ducastel – directeur Informatiesamenleving, Gemeenterecht, Lokale democratie en Veiligheid – en Hugo Aalders – directeur VNG Realisatie – was het de eerste keer dat ze samen op een buitenlandse trip waren. Intern bij de VNG proberen ze meer met elkaar op te trekken, en zij nemen de organisatieonderdelen waarvoor ze verantwoordelijk zijn daarin mee. ‘Nathan bedient Den Haag en Hugo de rest van het land’, zo typeren ze het zelf graag. De een is verantwoordelijk voor het beleid, de ander voor de uitvoering.

Gescheiden

Ducastel: ‘Bij de rijksoverheid zijn beleid en uitvoering strikt gescheiden van elkaar. Dat hebben wij losgelaten, we hebben het naast elkaar geplaatst. We trekken veel samen op om maatschappelijke meerwaarde te bieden en de opgaven waar gemeenten voor staan, te slechten. Het gaat met vallen en opstaan, maar het gaat de goede kant op.’ Aalders: ‘Ik ben tot in mijn vezels overtuigd van nut en noodzaak van goede gezamenlijke gemeentelijke uitvoering en het proces van samen organiseren. Onze leden hebben dat geïnitieerd en ervoor gezorgd dat daar middelen voor beschikbaar kwamen. Nu is het onze taak dat de wens van de leden ook in de Willemshof (het VNG-bureau, red.) een vertaling krijgt. Samen organiseren betekent ook het hier in huis samen doen.’
Zo bracht het tweetal eerder dit jaar drieënhalve dag door in Silicon Valley. Het reisgezelschap bestond uit vertegenwoordigers van publieke organisaties die zich bezighouden met geodata, zoals het Kadaster, maar ook van het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten. 

Tweehonderd satellieten

Op het programma stond onder meer een bezoek aan een aantal organisaties. Planet bijvoorbeeld, een bedrijf dat met private investeringen tweehonderd satellieten in de ruimte heeft gebracht en elke dag het hele aardoppervlakte fotografeert. ‘Door die foto’s hebben zij een enorme kennispositie’, zegt Ducastel. ‘Ze verkopen die data niet, maar iedereen die dat wil, krijgt tegen betaling toegang tot de foto’s. Daarmee zorgt het bedrijf voor een level playing field.’ Niet iedereen zal zich dat volgens Aalders realiseren. ‘ Je kunt je ogen sluiten voor dit soort ontwikkelingen, maar het is gáánde. Er hangen satellieten boven ons die ons in de gaten houden. We moeten nadenken over hoe we omgaan met dit soort partijen, die data genereren zonder dat we er grip op hebben. Angst is daarbij een slechte raadgever. Je kunt je ogen ervoor sluiten, omdat het zo groot en complex is dat we het niet kunnen overzien. Maar je kunt er ook naar kijken en met elkaar in gesprek gaan: welke mogelijkheden biedt het en met welke bestuurlijke vraagstukken worden we nu geconfronteerd?’

Je kunt je ogen sluiten voor dit soort ontwikkelingen, maar het is gáánde

Op de politieke agenda

Een andere observatie die het tweetal uit Amerika heeft meegenomen, komt voort uit een bezoek aan Omnisci, een softwarebedrijf dat supersnelle processoren gebruikt om big data te visualiseren. ‘In Amerika voelt niemand zich verantwoordelijk voor het geheel’, zegt Aalders. ‘Ze leggen wel verantwoording af over hun eigen stukje, maar hoe dat past in het geheel, interesseert ze eigenlijk niet. Er wordt daarvoor ook niet naar de overheid gekeken, zoals in Europa wel het geval is.’ Als voorbeeld noemt Aalders de wetgeving rondom kunstmatige intelligentie en alle mogelijkheden en randvoorwaarden die deze technologische ontwikkeling met zich meebrengt. ‘Daar worden echt stappen in gezet, al zijn we er nog lang niet.’
Ducastel veert op, want juist op dit vlak, kunstmatige intelligentie, is volgens hem een interessante ontwikkeling gaande. ‘Onlangs zijn er Kamervragen gesteld over het feit dat Amsterdam algoritmen wil laten controleren, bijvoorbeeld op discriminatie. Het feit dat de landelijke politiek dit vanuit de lokale praktijk oppikt, stemt me hoopvol.’ Volgens Ducastel is het heel belangrijk dat de mogelijkheden en bedreigingen van technologische ontwikkelingen op de politieke agenda komen. ‘Daarmee trekken we een discussie los. We moeten met elkaar in gesprek, want je kunt er echt over van mening verschillen. Er zijn echt politieke keuzes in te maken die van belang zijn voor de toekomst.’
Ducastel sprak laatst tijdens de Conferentie Nederland Digitaal in Hilversum iemand van Google. ‘Ik vroeg hem of de AVG volgens hem de economische innovatie remt. Daar antwoordde hij bevestigend op. Een bedrijf als Google brengt bepaalde diensten niet naar Europa omdat het te risicovol is, omdat de wetgeving te ingewikkeld is. Europa heeft jaren geleden een politieke keuze gemaakt, waar we nu mee geconfronteerd worden.’
Volgens Ducastel is het met digitalisering net zoals het vier jaar geleden met het klimaat was: de politieke prioriteit ontbreekt. ‘Iedereen vindt dat we zorgvuldig moeten kijken naar de morele en maatschappelijke consequenties van een samenleving die is georganiseerd rondom informatie. Maar intussen raast de trein die digitalisering heet voort en voor je het weet, zijn we te laat om er nog op te springen.’

Solidariteit onder druk

Die boodschap geeft het tweetal graag mee aan gemeentebestuurders. ‘We staan aan de vooravond van een datarevolutie’, benadrukt Aalders. ‘Er komt zo veel open data beschikbaar, inclusief de capaciteit die snel te analyseren en koppelen, dat er oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken kunnen worden gevonden die we nu nog niet kunnen zien. Het belang van open data wordt wellicht groter dan dat van data die nu in basisregistraties zijn opgeslagen.’
‘Daarbij moeten we wel opletten’, vult Ducastel aan. ‘De solidariteit komt er gigantisch door onder druk te staan. We hebben nu al goedkopere autoverzekeringen voor hoger opgeleiden, blijkbaar maken zij minder ongelukken. En je weet straks precies vanwege een koelkast die op het internet is aangesloten wat iemand eet. Stel, iemand sport niet, maar eet wel heel vet, kunnen we ons solidaire zorgstelstel dan nog volhouden? Dit soort ontwikkelingen gaat ons politieke systeem nog enorm testen. Dat is niet erg, er komen zowel kansen als bedreigingen uit voort, maar we moeten het gesprek erover voeren.’

Manifest

Om dit gesprek te voeden, werken Ducastel en Aalders samen met hun reisgenoten aan een manifest. Het is nog te vroeg om concreet iets over de inhoud te zeggen, maar de ervaringen die ze in Amerika hebben opgedaan, komen erin terug. ‘Wat we in Silicon Valley gezien en gehoord hebben is overigens niet het belangrijkst van deze reis’, zegt Aalders. ‘Er is een heel nieuw netwerk ontsloten van partijen waarmee we in de dagelijkse praktijk moeten samenwerken. Bijvoorbeeld in de voorbereiding van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Dat we elkaar nu kennen, helpt daar enorm bij.’ 
Ducastel weet dat dit soort studiereizen in het verleden tot ‘best wel grote innovaties’ heeft geleid. ‘Het stelsel van basisregistraties is tot stand gekomen nadat er een delegatie in Denemarken was geweest en de Berichtenbox komt voort uit een reis naar Oostenrijk.’ 
Hoe kijken we over vijf jaar tegen de trip naar Silicon Valley aan? ‘Dit is misschien wel de studiereis waarbij we beter grip hebben gekregen op wat de bestuurlijk vraagstukken op het gebied van digitalisering en data zijn die zich de komende jaren voordoen. Dat past goed in de transitie die we momenteel doormaken: van het bouwen van voorzieningen zodat inwoners beter kunnen inloggen bij de overheid of makkelijker diensten kunnen afnemen. tot een veel integraler beeld van wat er met digitalisering gebeurt in de manier waarop we met elkaar samenwerken.’

De impact van 5G


Wat hebben Apeldoorn, Den Haag en Eindhoven met elkaar gemeen? Het zijn gemeenten die onlangs via ronkende persberichten lieten weten de mogelijkheden van 5G te verkennen. Volgens het meest optimistische scenario van Agentschap Telecom zou landelijke dekking van de 3,5 GHz-band (de frequentie die nodig is voor 5G) echter pas in 2028 een feit zijn. Lopen deze gemeenten niet enorm voor de troepen uit en kunnen ze niet beter even wachten tot een en ander zich heeft uitgekristalliseerd? 
‘Ik vind het juist fantastisch dat er gemeenten zijn die nu al onderzoeken welke gevolgen 5G gaat hebben’, reageert Ducastel. ‘5G is groots, het is een toepassing die veel impact zal hebben. Er komt veel werk op het bordje van gemeenten terecht. Denk alleen al aan het feit dat de industrie zich zorgen maakt dat ze straks 355 keer een vergunning moeten aanvragen voor het ophangen van antennes. Dit vraagstuk leent zich bij uitstek voor Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering.’ 
Ook Aalders is tevreden dat deze gemeenten voorop willen lopen. ‘De drie gemeenten doen het niet alleen voor henzelf, maar doen het ook voor andere gemeenten. Het is goed om dit soort ontwikkelingen te verdelen. Je hoeft niet alles te weten, maar kunt van elkaar leren. Je moet erop vertrouwen dat als Eindhoven ergens mee experimenteert, je die ervaring kunt gebruiken in je eigen beleid. Dat is precies de kern van samen organiseren.’