Wat betekent dit voor mijn gemeente?

Een door veel gemeenten gestelde vraag is waartoe gemeenten wel en niet verplicht zijn op grond van het VN-Verdrag. Het antwoord daarop is dat gemeenten verplicht zijn te werken aan geleidelijke verwezenlijking van het VN-Verdrag op de beleidsterreinen waarop zij verantwoordelijkheden hebben.

Dit houdt niet in dat alle voorzieningen in de gemeente direct volledig toegankelijk moeten zijn, maar het gaat om een geleidelijke verbetering. Van belang is wel dat het uitgangspunt ‘Nothing about us without us’ altijd wordt meegenomen: bij de ontwikkeling van nieuw beleid moet rekening gehouden worden met de positie van personen met een handicap. En moeten personen met een handicap of organisaties die hen vertegenwoordigen, betrokken worden.

De doelstelling van het VN-Verdrag – én ambitie van de Nederlandse staat – dat iedereen volwaardig mee kan doen, kan niet in een apart beleid worden gevat. Gemeenten hebben de vrijheid hoe zij de verplichtingen van het VN-Verdrag willen uitwerken. Daarbij is het goed te weten dat gemeenten niet op nul beginnen. Diverse gemeenten werken al jarenlang aan de inclusie van personen met een handicap. Sommige gemeenten werken met agenda 22, anderen met een lokale inclusie agenda. Daarnaast dragen reguliere taken zoals de uitvoering van de Wmo en Participatiewet ook bij aan de sociale inclusie.

Daarom geven we hieronder per beleidsterrein aan welke invloed het VN-Verdrag daarop heeft. En waar relevant verwijzen we naar aanverwante wetgeving waarmee gemeenten te maken hebben. In de loop van 2018 worden voor de beleidsterreinen ook verschillende kennisproducten gemaakt en voorbeelden gedeeld. Houd hiervoor de VNG-webpagina Iedereen doet mee!  in de gaten. 

Het is echter niet mogelijk om per beleidsterrein volledig uitputtend te zijn. Mede daarom is het zo belangrijk om bij de ontwikkeling en aanpassing van beleid, de mensen met een beperking – ofwel ervaringsdeskundigen – te betrekken.

De Lokale Inclusie Agenda

Met de ratificatie van het VN-Verdrag is in de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet de verplichting toegevoegd om in het (verplichte) periodiek plan op te nemen hoe de gemeenteraad uitvoering geeft aan het VN-Verdrag1. Daarnaast is met het ‘Amendement Van der Staaij en Bergkamp’ vastgelegd dat deze periodieke plannen samengevoegd dienen te worden tot één integraal plan voor het hele sociale domein2.

Een veel gebruikte naam voor dit integrale plan is  de Lokale Inclusie Agenda, maar gemeenten zijn vrij om de vorm en focus zelf te bepalen. Wel is het uitdrukkelijk de bedoeling dat zij personen met een handicap en vertegenwoordigende organisaties bij het opstellen hiervan betrekken3. Er is voor dit integrale plan geen vaste termijn opgenomen, om zo de flexibiliteit te houden vaker dan wel minder vaak het plan aan te passen.

De VNG werkt aan een proceshandreiking voor de Lokale Inclusie Agenda. Natuurlijk gezamenlijk met zowel ambtenaren als mensen met een beperking (en vertegenwoordigers), op dezelfde manier waarop aan de lokale inclusie agenda van een gemeente gewerkt zal worden. Eind 2018 wordt de handreiking beschikbaar voor alle gemeenten.

Bewustwording

Eén van de verplichtingen voor de overheid uit het VN-Verdrag is het werken aan bewustwording. Veelal is het geen onwil of bewuste uitsluiting die ten grondslag ligt aan ontoegankelijkheid, maar het simpele feit dat er niet aan de doelgroep is gedacht. Daarom is het belangrijk dat de gemeente de ambitie bepaalt en regelmatig bespreekt hoe het ervoor staat. Voorbeelden van acties rondom bewustwording zijn het opnemen in coalitieprogramma’s, als gemeente inclusief (personeels)beleid uitdragen en het starten van een bewustwordingscampagne.

Het VN-Verdrag en de verkiezingen (VN-Verdrag artikel 9 en artikel 29)

Mensen met een beperking moeten net als iedereen toegankelijke informatie krijgen over de verkiezingen, juist ook om het recht op politieke participatie goed uit te kunnen oefenen.
De Kieswet, waarmee gemeenten bij elke verkiezing te maken heeft, ziet op de organisatie rondom verkiezingen. Uit het VN-Verdrag vloeien drie verplichtingen voort die hierop van toepassing zijn: de  toegankelijkheid van de stemlokalen, dat kiezers met een handicap in het geheim en zonder intimidatie kunnen stemmen en ondersteuning toe te staan aan kiezers met een handicap bij het uitbrengen van hun stem.

(Fysieke) toegankelijkheid stemlokalen

Momenteel moet minimaal 25% van alle stemlokalen volledig toegankelijk ingericht zijn zodat kiezers met lichamelijke beperkingen zoveel mogelijk hun stem zelfstandig kunnen uitbrengen4. Vanaf 1 januari 2019 gaat een wetswijziging in waardoor dit percentage wordt opgeschroefd naar 100%5. Toegankelijkheid van stemlokalen wordt gemeten aan de hand van de Checklist Toegankelijkheidscriteria stemlokalen. Momenteel lopen gesprekken om de checklist aan te passen. Hierover informeert BZK in het najaar van 2018. Voor meer informatie zie dit VNG-bericht (pdf).

Ondersteuning van kiezers met een handicap op verzoek en stemmen in het geheim en zonder intimidatie

Er is enige tegenstrijdigheid in deze twee verplichtingen. Zo kan het toestaan van ondersteuning aan personen die (fysiek) niet in staat zijn zelf een stembiljet in te vullen,6 inhouden dat zij niet in het geheim hun stem kunnen uitbrengen. Daarom wordt er in de Kieswet onderscheid gemaakt tussen ondersteuning in het stemhokje voor degenen die hier fysiek niet toe in staat zijn (hierbij wordt alleen de handeling ondersteund) en ondersteuning vóór het stemmen. De ondersteuning vóór het stemmen gebeurt met name door informatieverschaffing (in gemakkelijke taal), zodat iedereen begrijpt op welke wijze te stemmen. Momenteel speelt maatschappelijk de discussie of ondersteuning in het stemhokje wel of niet breder moet worden toegestaan. Op 20 maart 2018 heeft minister van Binnenlandse Zaken Ollongren aangegeven de mogelijkheden voor ondersteuning in het stemhokje te onderzoeken7

Toegankelijkheid (VN-Verdrag artikel 9, artikel 21 en artikel 20)

Toegankelijkheid omvat meer dan de fysieke leefomgeving, hoewel deze toegankelijkheid ook essentieel is. Maar het gaat ook over de toegankelijkheid tot vervoer, informatie en communicatie. Zo zijn lange brieven vol ambtelijk taalgebruik lastig te begrijpen door mensen met een (licht) verstandelijke beperking (en personen die de Nederlandse taal nog niet onder de knie hebben). Het gebruik van internet (en de toegang tot de zich daar bevindende informatie) is vaak problematisch voor blinden en slechtzienden.
Enkele onderwerpen waar gemeenten omtrent toegankelijkheid mee te maken hebben, zijn:

  • Fysieke toegankelijkheid van openbare ruimtes. Denk hierbij aan blindegeleidestroken, brede stoepen zonder drempels en obstakels, en harde ondergrond van wandelpaden (bijvoorbeeld door natuurgebied).
  • Dienstverlening door gemeenten. Hierbij gaat het over lagere balies voor inwoners in een rolstoel zodat ook zij de baliemedewerker goed kunnen zien, communicatie in eenvoudige taal of door het gebruik van pictogrammen. Ook is er inmiddels een wettelijke verplichting tot een toegankelijke website: vanaf 2019 voor nieuwe websites, vanaf 2020 ook voor bestaande websites en vanaf 2021 voor mobiele apps8.
  • Vervoer. Denk er hierbij aan dat niet alleen de bussen, trams en treinen toegankelijk moeten zijn, maar ook de haltes, stations en de wegen daarnaartoe, alsook (voldoende) parkeerplekken.
  • Samenwerken met partners. Het betrekken van de doelgroep bij beleid en uitvoering is verplicht, maar denk ook aan samenwerking met de detailhandel, door bijvoorbeeld een uitgaans- of winkelgebieden toegankelijk te maken (inclusief winkels en horeca), en door in subsidieverlening op te nemen dat de geleverde dienst of activiteit voor iedereen toegankelijk moet zijn. Ook is het van belang de eis van toegankelijkheid bij elke inkoopprocedure mee te nemen.

In dit kader is het goed te weten dat ook het Besluit Toegankelijkheid invulling geeft aan de verplichting tot het geleidelijk realiseren van algemene toegankelijkheid.

Onderwijs (VN-Verdrag artikel 24)

De rol van gemeenten op het gebied van onderwijs ligt met name bij de huisvesting. Gezien de geleidelijke verandering naar een inclusieve samenleving is er geen verplichting direct alle onderwijsgebouwen te verbouwen, maar een moment van verhuizing of verbouwing dient wel aangegrepen te worden om de toegankelijkheid van begin af aan mee te nemen. Dan zijn op een later moment geen (of minder) aanpassingen nodig voor die ene leerling of docent, maar is de toegankelijkheid duurzaam geborgd. Bij toegankelijkheid onderwijs hoort ook de aansluiting op het openbaar vervoer, toegankelijk lesmateriaal en bejegening van personen met een beperking.
Andere punten met betrekking tot onderwijs en het VN-Verdrag:

  • De gemeente kan als partner van onderwijsinstellingen ook op andere manieren bijdragen, zoals door bemiddeling bij of faciliteren van stages voor leerlingen en studenten met een beperking.
  • Ook is het van belang dat de gemeente de juiste begeleiding biedt aan leerlingen met een beperking die van school of studie de overstap naar werk gaan maken.
  • Daarnaast hebben gemeenten taken rondom leerlingenvervoer.
  • Nederland kent een duaal onderwijssysteem. Dit houdt in dat kinderen naar regulier onderwijs gaan waar dat kan (Passend onderwijs) en naar speciaal onderwijs als dat echt nodig is9. Binnen het regionale samenwerkingsverband moet een passende plek gevonden worden voor een leerling die bij een van de scholen is aangemeld (zogenoemde ‘zorgplicht’)10. Daarbij wordt ook afgestemd met gemeenten over de inzet van en afstemming met (jeugd)zorg11. Het VN-Verdrag en het Kinderrechtenverdrag stellen inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs voor iedereen tot doel. Daar is geen blauwdruk voor.
  • Nu het UWV niet meer een studietoelage geeft aan studenten met een beperking, ligt deze verantwoordelijkheid bij gemeenten. Op dit moment verschilt deze toelage per gemeente en is voor veel studenten niet helder hoe ze deze toelage kunnen krijgen.

Werk en werkgelegenheid (VN-Verdrag artikel 27)

De gemeente is een belangrijke werkgever. Vanuit die rol heeft zij ook de verantwoordelijkheid een divers personeelsbeleid te hebben en niet te discrimineren op grond van een handicap.

Daarnaast is de gemeente op grond van de Participatiewet verantwoordelijk om inwoners met een (arbeids)beperking deel te laten nemen aan de arbeidsmarkt. Gemeenten hebben daarom de verantwoordelijkheid gekregen over de uitvoering van verschillende uitkeringen en moeten ervoor zorgen dat ook mensen met een beperking deelnemen aan de arbeidsmarkt.

Gerelateerd aan de Participatiewet is de Banenafspraak. Met deze afspraak is overeengekomen dat zowel de markt als de overheid banen creëren voor personen met afstand tot de arbeidsmarkt. De overheid heeft de gestelde doelstellingen niet gehaald, waardoor de Quotumregeling voor overheidswerkgevers in januari 2018 is ingegaan12. Dit houdt in dat overheden een vastgesteld percentage (beginnend met 1,93%) werknemers met een (arbeids)handicap in dienst moet hebben.

Cultuur, vrije tijd en sport (VN-Verdrag artikel 30)

Mensen met een beperking willen net zoals iedereen in hun vrije tijd naar het theater, sporten (al dan niet in verenigingsverband) en een dagje uit. Zij ondervinden hier echter vaak obstakels bij. Vaak komt dat door problemen bij de fysieke toegankelijkheid, zoals de gebouwen, geen of beperkt geschikt vervoer maar ook omdat de (hard)looproutes slecht begaanbaar zijn. Maar vaak is ook de digitale informatie over waar en wanneer activiteiten plaatsvinden slecht toegankelijk. Denk aan online kaartverkoop of de aankondiging van een (buurt)festival.

De gemeente is verantwoordelijk voor het faciliteren van sport voor inwoners. Het is tegelijkertijd een mooi aanknopingspunt om toegankelijkheid voor en acceptatie van personen met een handicap (in sport) te integreren. Meer informatie hierover en bestaande voorbeelden vindt u op de webpagina VN-Verdrag Handicap van de VNG.

Ook bij het vergeven van andere vergunningen en subsidies in de culturele en vrijetijdssector kan de gemeente eisen stellen, zoals het faciliteren van een gebarentolk bij voorstellingen en aankondigingen op verschillende manieren om zo alle inwoners te bereiken. Vaak zijn vrijwilligers- en cliëntenorganisaties actief met het organiseren van activiteiten. Gemeenten kunnen onderzoeken of zij zich daarbij kunnen aansluiten.

Zelfstandig wonen (VN-Verdrag artikel 19)

Mensen met een beperking hebben net als ieder ander het recht in de samenleving te wonen en ook de keuze hebben te wonen waar zij willen. Hierbij zijn twee aspecten van belang, namelijk de beschikbaarheid van geschikte woningen en het aanpassen van woningen om deze geschikt te maken.

Voor gemeenten betekent dit dat zij rekening moeten houden met mensen met een beperking bij hun taken bij het toezicht houden op de woningbouw. Door hierover afspraken te maken met woningcorporaties en in bestemmingsplannen rekening te houden met de doelgroep13. Zo heeft de gemeente invloed op het aantal beschikbare geschikte woningen en moeten bij nieuwbouw de criteria worden meegenomen zoals deze in het Bouwbesluit zijn opgenomen. Ook bij het toedelen van woningen moet er rekening worden gehouden met de individuele wensen en behoeften van de inwoner14. En dan is ook de bereikbaarheid van werk en andere activiteiten van groot belang.

Daarnaast vraagt de Wmo van gemeenten hun inwoners te helpen bij het zelfstandig (blijven) wonen. Door middel van aanpassingen in het huis (bijvoorbeeld een traplift of aangepaste keuken) en door ondersteuningen (zoals hulp met het huishouden). Hierbij is het van belang dat er gekeken wordt naar de individuele situatie van de aanvrager. Dezelfde oplossing is niet voor iedere twee personen de beste. En wanneer er bij nieuwbouw direct al rekening wordt gehouden met algemene standaarden voor personen met een beperking, kunnen aanpassingen op grond van de Wmo afnemen.

Gezondheid  en welzijn (VN-Verdrag artikel 25)

Artikel 25 van het VN-Verdrag bepaalt dat ‘personen met een handicap zonder discriminatie op grond van hun handicap recht hebben op het genot van het hoogst haalbare niveau van gezondheid.’

Voor gemeenten zit deze verantwoordelijkheid onder andere in de uitvoering van de Wmo en Jeugdwet. Welzijn (een gevoel van welbevinden) vloeit voort uit meer dan fysieke gezondheid. Acceptatie en participatie in de samenleving zijn essentieel om iedereen het gevoel te geven er bij te horen.

  1. Art. 2.1.2 lid 2 sub H Wmo en art. 2.2 lid 2 sub f Jeugdwet.
  2. Toelichting bij Amendement Van der Staaij en Bergkamp.
  3. Idem.
  4. Artikel J 4 lid 2 Kieswet.
  5. Nieuwsbericht Rijksoverheid, ‘Alle stemlokalen moeten toegankelijk’, 20/3/2018, via: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/03/20/alle-stemlokalen-moeten-toegankelijk?utm_source=e-mailnieuwsbrief&utm_medium=email&utm_campaign=Regeringsnieuws.
  6. Artikel J 28 Kieswet.
  7. Kamerbrief ‘Toegankelijkheid verkiezingsproces’, kenmerk 2018-0000019728, 20/3/2018.
  8. Nieuwsbericht Rijksoverheid ‘Wettelijke plicht: websites en apps van overheid toegankelijk en bruikbaar voor mensen met handicap’, 2/2/2018, via https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/02/02/wettelijke-plicht-websites-en-apps-van-overheid-toegankelijk-en-bruikbaar-voor-mensen-met-handicap.
  9. Plan van Aanpak Passend Onderwijs 2014-2020, inleiding.
  10. Memorie van Toelichting Wet passend onderwijs p. 1, via https://www.passendonderwijs.nl/wp-content/uploads/2013/09/Wet-passend-onderwijs-MvT.pdf.
  11. Rapportage VN Verdrag handicap in Nederland 2017, hoofdstuk 3, p.17.
  12. Art. 2 Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 oktober 2017, nr. 2017-0000161523, tot wijziging van de Regeling Wfsv in verband met activering van de quotumheffing voor de sector overheid.
  13. Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gemeenten/taken-gemeente.
  14. Gemeenten delen woningen toe wanneer aanpassingen in de oude woning onvoldoende bijdragen de zelfredzaamheid.