Verleiden tot bewegen

Nummer 15, 6 oktober 2017

Tekst: Leo Mudde | Beeld: Jaap Spieker

Zorgen voor vierkante meters speelruimte is niet voldoende meer. Kinderen moeten worden verleid om te spelen en te bewegen, en niet alleen in speeltuinen of op schoolpleinen. Universiteit Wageningen onderzoekt hoe gemeenten dat het best kunnen doen. 

De theory of affordance, grofweg te vertalen als ‘gebruiksmogelijkheden’, is onder sociaal wetenschappers een bekend begrip. Halverwege de vorige eeuw was het de Amerikaanse psycholoog James Gibson die de term muntte. Hij doelde ermee op de mogelijkheden die een omgeving biedt om in actie te komen. Objecten kunnen, door hun gebruiksmogelijkheden, aanleiding zijn tot bepaald gedrag. Wie een boom ziet, denkt niet meteen aan het hout van de stam of aan de bladeren, maar aan de mogelijkheden die hij biedt: wat kan ik ermee?
Yentl te Riele, student Gezondheid en Maatschappij aan Wageningen Universiteit, gebruikte de theorie om te kijken naar speelruimtes, in het kader van een onderzoek van de Wetenschapswinkel naar hoe kinderen spelen en, vooral, bewegen. Volgens Gibson leidt de aanwezigheid van dingen onvermijdelijk tot actie, zegt zij: ‘Een glijbaan is maar voor één activiteit bedoeld: glijden. Een boom kan vanuit eigen intiatief worden benut als object voor spel, dat stimuleert de creativiteit.’
Haar boodschap aan gemeenten: wil je dat kinderen meer naar buiten gaan en meer gaan bewegen, focus dan op de natuur. Want de natuur, en daarvan afgeleide materialen als hout, zand en water, biedt meer uitdaging en diversiteit dan welke schommel, glijbaan of draaimolen ook.
Gemeenten nemen speelruimte steeds meer mee in hun afweging van de diverse belangen. Maar vierkante meters reserveren voor ruimte is niet genoeg, het gaat om wát je daar aanbiedt om spelen en bewegen voor kinderen interessant en aantrekkelijk te maken, vindt Te Riele, die het onderzoek deed in het kader van haar bachelorscriptie.

Speelroutes

Soms zoeken gemeenten de oplossing in de aanleg van speelroutes, kindvriendelijke looproutes met speelelementen waarlangs kinderen zelfstandig en toch veilig van huis naar school, speeltuin of sportclub kunnen lopen. De speelelementen moeten kinderen verleiden tot extra bewegen, wat weer goed is om gezondheidsproblemen en overgewicht te voorkomen. 
Delft was een van de eerste gemeenten die zo’n speelroute aanlegde. Uit een evaluatie, uitgevoerd door een groep Wageningse masterstudenten in het kader van het onderzoek Anders buiten spelen en het vak Settings for Health Promotion van de Universiteit Wageningen, blijkt dat het initiatief goed was, maar ook vatbaar voor slijtage. Letterlijk, omdat een groot deel van de tegels die de route markeren, is beschadigd. En figuurlijk, omdat de speelroute na een kleine tien jaar heeft ingeboet aan aantrekkelijkheid, bekendheid en herkenbaarheid. De kinderen voor wie ze oorspronkelijk was bedoeld, ontgroeiden de route. Het lijkt erop, constateerden de studenten voorzichtig, dat er daarna weinig is geïnvesteerd in het promoten ervan bij de nieuwe aanwas van kinderen. 
De studenten vergeleken Delft met Tilburg, waar in de wijk Stokhasselt een relatief nieuwe speelroute is aangelegd. Die is in ieder geval herkenbaarder en kent meer speelelementen. De Tilburgse les voor Delft en andere gemeenten: zorg voor variatie, voeg af en toe iets nieuws toe, en maak één persoon of organisatie verantwoordelijk voor onderhoud en promotie.

Een boom stimuleert de creativiteit meer dan een glijbaan

Algemene ontwikkeling

In juli rondde Te Riele haar bachelor af met de thesis The outdoor play environment waarin zij inging op de factoren in de buitenruimte die kinderen aanzetten tot verschillende vormen van spelen en bewegen.  Daarin concludeert zij dat buiten spelen van groot belang is voor de algemene ontwikkeling van kinderen – niet alleen, benadrukt ze, de fysieke ontwikkeling.
‘Het beleid van veel gemeenten lijkt nu te zijn gericht op het realiseren van gestructureerde en georganiseerde speelplekken. Maar uit onderzoek blijkt dat kinderen het liefst op ongestructureerde plekken spelen, op parkeerplaatsen, op de stoep of tussen bosjes. Of op plaatsen met veel losse objecten die ze kunnen optillen en verplaatsen. Juist op dat soort plekken worden ook andere dan alleen de fysieke capaciteiten van kinderen gestimuleerd. Er is meer interactie en samenwerking dan op een georganiseerde speelplek met een schommel en een klimrek waar kinderen vaker op zichzelf gericht zijn.’

Tijgerpad

Frank Hulleman is landschapsontwerper bij het Nijha Expertisecentrum dat organisaties adviseert en begeleidt bij onderwerpen als sport, spelen en bewegen. Hij zit namens de Brancheorganisatie Spelen en Bewegen in de begeleidingscommissie van het onderzoek van Wageningen dat op verzoek van Spelen en Bewegen wordt gehouden.
Hij verwacht dat het onderzoek antwoord geeft op de vraag: wat werkt wel en wat niet, als het gaat om ‘anders’ buiten spelen. Dat zou gemeenten ook duidelijke handvatten geven bij het vormgeven van hun beleid. ‘Wij hopen straks op een rapport waarmee we gemeenten gericht kunnen vertellen hoe ze het moeten aanpakken en waar ze in moeten investeren.’

Je kunt kinderen niet dwingen van a naar b te lopen

Hulleman is de bedenker van het ‘tijgerpad’ in Leeuwarden, een zebrapad maar dan met een tijgerprint. Het is onderdeel van de Speelwijk Huizum die het voor kinderen leuker en veiliger maakt om over straat te gaan. Niet door hier en daar speeltoestellen neer te zetten, maar door ze ‘speelaanleidingen’ te bieden waarlangs ze al spelend en bewegend door de wijk kunnen lopen. Zoals het tijgerpad, speelvijvers en een tot speelruimte (inclusief boomhut) omgetoverd plantsoen. 
Dat tijgerpad wordt als een succes ervaren, zegt Hulleman. Kinderen vinden het leuk om daar over te steken en door de afwijkende vorm valt het ook automobilisten beter op dan het traditionele zebrapad. Dat betekent niet dat andere gemeenten het tijgerpad zomaar kunnen kopiëren. ‘De Speelwijk, met daarin het tijgerpad, is namelijk via een lang en intensief proces gerealiseerd, met inbreng van veel deskundigen, bewoners en kinderen.’

Mierenpaadje

De fout die volgens Hulleman op de loer ligt, is dat gemeenten ‘speelroutes’ of ‘beweeglinten’ gaan maken van a naar b, bijvoorbeeld van een sportzaal of speeltuin naar de school. ‘Je kunt kinderen niet dwingen van a naar b te lopen. Ik denk eerder aan een ontwerp dat lijkt op een mierenpaadje waar links en rechts andere paadjes op uitkomen en afsplitsen. Ik geloof niet in routes, waar het om gaat is dat er vlak bij huis aanleidingen zijn om te gaan spelen, dat je niet eerst tien minuten moet lopen om bij een speeltuin te komen.’

Adviezen

Tot slot een paar adviezen aan gemeenten. Van student Yentl te Riele: ‘Durf buiten de lijntjes te treden. Het gaat er niet alleen om kinderen te laten spelen om gezond te blijven, het moet gaan over de algemene ontwikkeling, niet alleen over het tegengaan van obesitas. Prikkel ze om creatief te zijn. Ontwikkel een visie op de relevantie van buiten spelen, met wat mij betreft de focus op natuur.’
En van Frank Hulleman: ‘Als je een speelroute of speelwijk hebt, onderhoud die dan ook goed. Zorg dat de route weer wordt hersteld nadat bijvoorbeeld werkzaamheden aan het riool zijn uitgevoerd.
'En nog veel belangrijker: blijf de route onder de aandacht brengen bij nieuwe generaties kinderen en buurtbewoners, bijvoorbeeld tijdens de lessen op school. Daarmee zorg je ervoor dat de route haar functie behoudt.'