Serie #GR2018: Kwaliteitsbewaker van de democratie

Nummer 15, 6 oktober 2017

Tekst: Peter van Noppen | Beeld: Hans Sprangers

Een derde van de raadsleden ziet de gemeenteraad in de praktijk niet als meest invloedrijke bestuursorgaan. Toch zien betrokkenen nog genoeg perspectieven om de raad meer te laten groeien in zijn rol als hoogste bestuursorgaan van de gemeente.

Met de raadsverkiezingen van volgend jaar voor de boeg komt de uitkomst van recent onderzoek van Raadslid.Nu niet erg gelegen. Veel raadsleden relativeren het belang van de raad wel erg sterk. Een geluid dat overigens al eerder te horen viel. Dat is zorgelijk, vindt Dirk Jan Pruim, griffier van de gemeenteraad van Almere.

‘Gemeenteraden zijn misschien nog wel meer een vertegenwoordiging van de samenleving dan we beseffen. Ook veel inwoners hebben nauwelijks het besef waar de raad voor staat.’ Raadsleden mogen zich daar wel wat vaker rekenschap van geven. ‘Je mag van hen tegelijkertijd verwachten dat ze meer dan gemiddeld besef hebben van de waarde van de instituten van onze democratie. Dat gevoelen zou de urgentie bij raadsleden moeten bewerkstelligen om er wat aan te doen. Dat we dat te weinig zien, is zorgelijk.’

Ook Linze Schaap, hoofddocent bestuurskunde aan Tilburg University, is niet verbaasd over de uitkomsten van het onderzoek. Het is volgens de wetenschapper ‘betreurenswaardig’ dat zo veel raadsleden op deze manier naar de gemeenteraad kijken. Schaap: ‘Gemeenteraden sluiten zich veel te veel op in de vergaderzalen. Vergaderen is niet onbelangrijk, maar ze zouden ook meer contact met de samenleving kunnen hebben en zelfstandig op zoek kunnen gaan naar informatie.’ Volgens Schaap komen raadsleden daar te weinig aan toe. Hij vervolgt, stellig: ‘De gemeenteraad is een van de vele partijen bij wat er lokaal en regionaal besloten wordt. Het is van belang dat het inzicht beklijft dat niet gemeenteraden de lokale democratie vormen, maar dat de lokale democratie een samenspel tussen heel veel gremia is en dat raden daarin een duidelijke positie moeten innemen.’

De drang om te vergaderen is enorm

Schaap heeft wel een aantal tips die leiden tot een andere opstelling van raadsleden. Zo zouden zij niet meer alle stukken moeten lezen die ze ontvangen. ‘Waarom zouden gemeenteraden zich überhaupt vooral richten op de informatie uit het college, als zelfstandig bestuursorgaan?’ vraagt hij zich hardop af. ‘Als raad zou je er juist voor kunnen en moeten zorgen dat je aanvullende informatie uit de samenleving krijgt, met werkbezoeken en hoorzittingen. Dan krijg je een interessant debat, niet alleen in de raad, maar ook tussen de raad en het college. Zo is ons duale stelsel bedoeld.’

Daarnaast vindt de bestuurskundige dat raadsleden niet alles zelf hoeven te doen. Schaap: ‘Ze zouden zich nu eens echt tot de hoofdlijnen moeten beperken en natuurlijk stevig controleren. Sinds de invoering van de dualisering heeft de gemeenteraad de beschikking over een lokale rekenkamerfunctie, maar nogal wat raden zien daar niet of onvoldoende het belang van in. Het kost geld zeggen ze dan. Tja, kwalitatief goed bestuur kost geld.’

Andere mechanismen

Als het aan Schaap ligt, worden gemeenteraden de kwaliteitsbewakers van de lokale democratie. ‘Er zijn andere mechanismen mogelijk die misschien nog wel betere medezeggenschap, inspraak, coproductie en controle opleveren dan als je het allemaal laat afhangen van de gemeenteraad.’ Als voorbeeld noemt hij de zorg. ‘Bij veel naar de gemeenten gedecentraliseerde zorgtaken gaat het om dienstverlening. Daar houden heel veel belangengroepen zich ook mee bezig. Een flink deel van de controle en het meedenken op dat terrein zou je kunnen overdragen aan cliëntenraden en medezeggenschapsraden.’ Die moeten volgens Schaap dan wel goed geëquipeerd worden. ‘De gemeenteraad moet het orgaan zijn dat daar zicht op houdt en bewaakt dat de hulpstructuren goed functioneren.’

De rol die Schaap voor gemeenteraden ziet, is koren op de molen van raadsgriffier Pruim van Almere. Zelf heeft hij niet te klagen, vindt hij. ‘Ik ben een van de weinige griffiers, zo niet de enige, die in zijn instructie heeft staan dat ik verantwoordelijk ben voor het aanreiken van ideeën en het signaleren van ontwikkelingen die bijdragen aan de vitalisering van het lokaal bestuur.’

 Participatie moet geen zaak zijn van vooral bestuurders en ambtenaren

Als oorzaak van het treurige beeld dat veel raadsleden van hun eigen positie schetsen, ziet Pruim dat gemeenteraden over steeds minder gaan. ‘Er is steeds vaker sprake van medebewind, er wordt meer beleid op regionaal niveau vastgesteld en er zijn meer maatschappelijke organisaties die eigenstandig beleid maken. Bovendien bieden de gemeentebegrotingen gemeenteraden weinig speelruimte.’

Pruim heeft echter het geluk, vindt hij zelf, dat hij werkt in een gemeente die niet bang is te zoeken naar nieuwe wegen en ook naar een manier van politiek bedrijven die beter past bij deze tijd. ‘In het programma De raad 2020 zijn we aan het zoeken naar hoe we als raad beter het contact met maatschappelijke organisaties en de regio’s kunnen organiseren en hoe we beter kunnen aansluiten op de agenda van de stad, van de inwoners. Die noodzakelijke omslag is superingewikkeld, want de drang om te vergaderen is in het gemeentehuis enorm. Het is een gulzige minnares.’ Een raadslid zei een keer tegen Pruim dat de raad niet voor hem bestaat, maar de raadsvergaderingen wel. ‘Daar is alles mee gezegd’, meent Pruim. ‘Dat het raadswerk alleen maar gezien wordt als vergaderen in het stadhuis. Terwijl de wereld daarbuiten volop in beweging is.’

Nadrukkelijker positie

Aan de voorkant van beleidsprocessen zou beter nagedacht moeten worden over de rol van de raad, meent Pruim. ‘Participatie moet geen zaak zijn van vooral bestuurders en ambtenaren, wat nu overal wel het geval is. Als je als raad waarde aan je gemeente wilt toevoegen en de kwaliteiten van dorp of stad wilt zien, activeren en ontwikkelen, moet je erin staan.’ Raadsleden, oppert hij, zouden in het begin van een beleidsproces een nadrukkelijker positie krijgen in plaats van een wijkwethouder of wijkmanager. In Almere verkent de raad nu veel meer met groepen inwoners onderwerpen, zoals de jeugdzorg of bouwgrond. ‘Dat is niet sensationeel’, erkent Pruim, ‘maar het zijn kleine dingen die bijdragen aan een raad die zijn eigen duale rol oppakt.’ Het vraagt van de griffie overigens veel voorbereiding om die raadsleden en burgers zo optimaal mogelijk te faciliteren en zo efficiënt mogelijk te laten werken. ‘Voor de meeste griffies is dat niet weggelegd. Ze hebben het allemaal druk.’ Tot slot vindt Pruim dat iedereen die in het lokaal publieke domein actief is – woningcorporaties, onderwijs- en welzijnsinstellingen – zich bij de raad zou moet verantwoorden over zijn maatschappelijke waardetoevoeging. ‘Dan krijg je als gekozene echt zeggenschap over het lokale publieke domein.’

Besluitvormingsmachine

Dat het nog een hele weg te gaan is om een gemeenteraad anders gepositioneerd te krijgen, ontkent Pruim niet. Colleges zouden volgens hem moeten stoppen met het voorleggen van voorstellen die ze erdoor willen jassen. In plaats van de raad te gebruiken als een besluitvormingsmachine zouden ze voorstellen moeten indienen op basis waarvan het goede gesprek gevoerd kan worden, waar de politieke verschillen duidelijk worden. Op basis van dat ‘goede gesprek’ zouden colleges stappen kunnen nemen. Daarbij zou het helpen, denkt Pruim, als ‘burgemeesters en gemeentesecretarissen de vitalisering van de politieke democratie als hun verantwoordelijkheid zien’.

Serie #GR2018

In aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen op 22 november 2017 en 21 maart 2018 publiceren we een serie artikelen over de positie en de rol van de raad. Net als vier jaar geleden organiseert de redactie een wedstrijd voor het mooiste campagneaffiche. Hierover later meer informatie.

Alle artikelen in de serie zijn hier online te lezen.