Samen aan de slag

Nummer 5, 24 maart 2017

Commentaar: Jantine Kriens

De afgelopen vier jaar zijn gemeenten een (nog) belangrijker onderdeel van de overheid geworden door de uitbreiding van hun verantwoordelijkheden in het sociaal domein. Die beweging zet door met de Omgevingswet. Het is de kracht van de lokale overheid om in onze heterogene, geïndividualiseerde samenleving mensen te verbinden en elke stem te laten horen. Daar heb je wel ander samenspel voor nodig, andere interbestuurlijke verhoudingen. De aanpak van het vluchtelingenvraagstuk was in dat opzicht een oefenplaats: bij zo’n enorme maatschappelijke urgentie stappen we over grenzen heen en gaan we samen aan tafel zitten. Bij samenwerking tussen overheden zijn wel een paar dilemma’s aan de orde: samenwerking mag niet vrijblijvend zijn, mag geen doel op zichzelf zijn en moet ervoor zorgen dat het land beter bestuurd wordt.

De Tweede Kamer speelt daarin een belangrijke rol. De Kamer heeft ingestemd met de decentralisaties en zou dus vaker moeten zeggen: dit hebben we gedecentraliseerd, daar gaan nu gemeenteraden over. Dat gebeurt nog onvoldoende. De NRC-reportage van een paar weken geleden over het pgb-proces is daar een goed voorbeeld van. In de kop wordt gesproken van ‘de missers van de staatssecretaris’. Maar dat is mij te makkelijk. Ik heb meerdere malen ervaren hoe de staatssecretaris onder druk van de Kamer met ons in een gesprek terechtkwam waarbij we allebei zeiden: ‘Dat zou niet moeten kunnen. Maar ja, de Kamers wil is wet.’ Welke positie hebben gemeenteraden om de Kamer terug te geven dat de consequentie van de decentralisatie is dat de Kamer de volksvertegenwoordigers in de gemeenten niet voor de voeten moet lopen? Wie kan die rol op zich nemen? Wie heeft die positie? Ik vind dat een buitengewoon ingewikkeld dilemma, maar wel een dilemma dat geadresseerd moet worden.

Bij gemeenten ligt de vraag: hoeveel verschil kunnen we aan?

Bij gemeenten ligt de vraag: hoeveel verschil kunnen we aan? Misschien moeten we hier als gemeenten wel de hand in eigen boezem steken. We hebben zelf niet altijd vastgesteld hoeveel verschil we lokaal accepteren: wat is onze visie op lokaal beleid, wat is goed welzijn en binnen welke bandbreedte organiseren we dat? Waar zijn verzekerde rechten van onze inwoners aan de orde en waar gaan we condities op maat realiseren? Welke kwaliteit streven we na in onze lokale samenleving?

De verkiezingen zijn achter de rug. Het is duidelijk dat er minimaal vier partijen nodig zijn om een nieuwe regering te vormen. Maar welk kabinet er ook gaat komen, in de nieuwe interbestuurlijke verhoudingen moeten we sámen aan de slag. De effectiviteit van het volgende kabinet wordt bepaald door de kwaliteit van de samenwerking met andere overheden.

Jantine Kriens, algemeen directeur van de VNG, jantine.kriens@vng.nl, @kriens