Organisatie

VNG en Ingrado

Publicatie soort

Handreiking

Jaar van uitgifte

2026

Aanleiding 

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de toepassing van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969. De Hoge Raad heeft daarbij het toetsingskader voor beroepen wegens richtingsbezwaren verduidelijkt en aangescherpt. 

De Hoge Raad overweegt dat ten aanzien van openbaar onderwijs slechts in uitzonderlijke gevallen nog met succes een beroep op artikel 5 onder b Lpw kan worden gedaan. Het recht op onderwijs mag niemand worden ontzegd en mag niet ondergeschikt worden gemaakt aan rechten van ouders. Het uitgangspunt (van de huidige wettelijke regeling) is dat het recht op onderwijs voor een kind wordt gegarandeerd door samen met andere kinderen deel te nemen aan het onderwijs op een school binnen een scholengemeenschap.

Daarmee heeft de uitspraak gevolgen voor de uitvoeringspraktijk van gemeenten, zowel voor beroepen die vanaf schooljaar 2026-2027 worden beoordeeld als voor kinderen die op het moment van de uitspraak al beschikten over een vrijstelling. Het ministerie van OCW heeft aangegeven niet te kunnen treden in de handhaving, omdat die is belegd bij gemeentes en verder verloopt via de strafrechtketen. Ondertussen moeten gemeenten beslissingen nemen op basis van de nieuwe realiteit die is ontstaan na de uitspraak van de Hoge Raad. Het Openbaar Ministerie heeft eerder in maart 2025 kenbaar gemaakt te stoppen met vervolging van zaken op basis van artikel 5b, vanwege het ontbreken van juridische houvast en de ongelijke behandeling van de beroepen op vrijstelling. Het arrest van de Hoge Raad biedt nu wel een duidelijk juridisch toetsingskader, het openbaar ministerie heeft bekend gemaakt op basis daarvan de strafrechtelijke vervolging te hervatten.

Juist in deze periode, waarin nieuwe beroepen op vrijstelling en beroepen op verlenging van die vrijstelling voor het aankomende schooljaar bij gemeenten binnenkomen, hebben gemeenten dringend behoefte aan een handelingskader hoe met deze zaken om te gaan. De bijgevoegde handreiking geeft gemeenten een advies hoe zij in deze onzekere periode om kunnen gaan met de nieuwe beroepen op, - en herhaalberoepen voor vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Lpw. 

Lokale verantwoordelijkheid 

Deze handreiking biedt gemeenten ondersteuning bij de uitvoering van de Leerplichtwet na het arrest van de Hoge Raad in de periode waarin landelijke beleidsontwikkeling nog gaande is en er sprake is van een gewijzigde situatie ten opzichte van voorgaande jaren.

Het is van belang dat handhaving zoveel mogelijk op een eenduidige manier gebeurt zodat er geen rechtsongelijkheid ontstaat doordat gemeenten verschillend met aanvragen omgaan. Dit geldt met name voor elk nieuw beroep op vrijstelling. De beoordeling van individuele situaties voor de al langer bestaande vrijstellingen is een verantwoordelijkheid van gemeenten binnen de geldende wettelijke kaders. Daarbij is het van belang dat juridische zorgvuldigheid hand in hand gaat met aandacht voor het leerrecht, de ontwikkeling en het toekomstperspectief van het kind. 

Tot slot 

Het arrest van de Hoge Raad geeft richting aan de juridische beoordeling van beroepen op artikel 5 onder b Lpw. De maatschappelijke opgave reikt echter verder dan de juridische vraag alleen. 
De gezamenlijke uitdaging voor gemeenten, onderwijs, samenwerkingsverbanden en andere partners is om ervoor te zorgen dat kinderen die langdurig buiten het onderwijs hebben gestaan weer in beeld komen en een passend onderwijs- en ontwikkelperspectief krijgen. 
Vanuit dat uitgangspunt kan worden gewerkt aan een zorgvuldige uitvoering van de uitspraak, waarbij zowel het belang van het kind als de bedoeling van de Leerplichtwet en het leerrecht centraal staan. 

Deze handreiking ondersteunt gemeenten bij de uitvoering van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969 na het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2026. Dit arrest biedt nu helderder kaders voor de beoordeling van nieuwe beroepen op vrijstelling wegens richtingsbezwaren en voor situaties waarin kinderen al langere tijd beschikken over een vrijstelling. Deze handreiking is nadrukkelijk een advies en is opgesteld in overleg met het ministerie van OCW en het Openbaar Ministerie.


Handreiking

Uitgangspunten 

Bij een zorgvuldige uitvoering van de Leerplichtwet staan de volgende uitgangspunten centraal: 

  • Ieder kind heeft recht op onderwijs en ontwikkeling. 
  • Het belang van het kind staat voorop. 
  • Kinderen mogen niet langdurig buiten beeld raken.
  • Gemeenten, onderwijs en samenwerkingsverbanden hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om onderwijsdeelname mogelijk te maken.
  • Ouders en hun kinderen moeten zorgvuldig worden meegenomen in de gevolgen van gewijzigde jurisprudentie. 
  • De overgang van vrijstelling naar onderwijs (op school) vraagt maatwerk en een zorgvuldige aanpak. 

Een zorgvuldige uitvoering vraagt daarnaast dat gemeenten en samenwerkingsverbanden vooraf gezamenlijk afspraken maken over de wijze waarop kinderen, die als gevolg van de uitspraak mogelijk terugkeren naar onderwijs, worden begeleid. Een integrale aanpak voorkomt dat in individuele situaties ad hoc naar oplossingen moet worden gezocht. 

Beroepen die worden beoordeeld voor schooljaar 2026-2027 

Voor nieuwe beroepen op artikel 5 onder b Lpw die worden beoordeeld voor schooljaar 2026-2027 geldt het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader. 
Wanneer binnen redelijke afstand (voor het primair onderwijs is dit 6 kilometer en voor het voortgezet onderwijs 20 kilometer) van de woning openbaar onderwijs beschikbaar, ligt het niet voor de hand dat een beroep op artikel 5 onder b Lpw slaagt. Uitgangspunt is immers, dat het openbaar onderwijs in Nederland voldoet aan de door de Hoge Raad genoemde criteria dat het onderwijs, dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Gemeenten beoordelen deze beroepen binnen de geldende wettelijke kaders en op basis van de actuele jurisprudentie. 

Kinderen met een bestaande vrijstelling 

Voor kinderen die op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad al beschikten over een vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Lpw is een zorgvuldige overgang noodzakelijk. 
In veel gevallen gaat het om kinderen die gedurende meerdere jaren niet zijn ingeschreven bij een school. Voor deze kinderen kan de stap naar onderwijs groot zijn. Tegelijkertijd brengt de uitspraak met zich mee dat opnieuw moet worden gekeken naar de mogelijkheden om deelname aan onderwijs te realiseren. De gemeente zal deze groep in kaart moeten brengen en vervolgens met ouders van kinderen die een vrijstelling hebben in overleg moeten treden om te bezien op welke wijze in de individuele situatie uitvoering kan worden gegeven aan de uitspraak. 

Gemeenten kunnen als startpunt van dit traject alle ouders van deze kinderen actief benaderen. Dat begint met een brief waarin de gemeente aankondigt dat er bij hen sprake is van een overgangssituatie en dat het uitgangspunt is dat zij in principe moeten voldoen aan de uitspraak van de Hoge Raad en dat de (verlenging van de) vrijstelling dus niet vanzelf ontstaat. In die brief wordt duidelijk aangeven dat er voor het komend schooljaar 2026-2027 nog geen consequenties zijn en dat de gemeente samen met de ouders een individueel plan van aanpak gaat maken. Tenslotte kondigt de brief aan dat zij binnen afzienbare tijd zullen worden uitgenodigd voor een gesprek hierover.

In dat gesprek met ouders kunnen gemeenten toelichten welke gevolgen de uitspraak van de Hoge Raad heeft en welke stappen nodig zijn om te komen tot een passend onderwijs- en ontwikkelperspectief voor hun kind(eren). 

Het uitgangspunt daarbij is dat wordt toegewerkt naar deelname aan onderwijs. Het gesprek met ouders richt zich daarom niet uitsluitend op de juridische gevolgen van de uitspraak, maar vooral op de mogelijkheden om te komen tot een passende onderwijsplek. 

Betrekken van het samenwerkingsverband 

Het ligt voor de hand om het samenwerkingsverband passend onderwijs te betrekken bij situaties waarin kinderen gedurende langere tijd zijn vrijgesteld geweest van de inschrijvingsplicht. 
Samenwerkingsverbanden beschikken over expertise bij het organiseren van passende ondersteuning en kunnen een belangrijke rol spelen bij het vinden van een passende onderwijsplek en het begeleiden van de overgang naar onderwijs. Waar nodig kunnen ook andere partners worden betrokken, zoals jeugdhulp, jeugdgezondheidszorg of andere lokale voorzieningen. 

Overgangsperiode 

Voor kinderen die al langere tijd gebruikmaken van een vrijstelling op grond van artikel 5 onder b Lpw kan een overgangsperiode van een jaar bijdragen aan een zorgvuldige terugkeer naar onderwijs. De overgang (terug) naar school zal in de meeste gevallen om maatwerkoplossingen vragen. Deze overgangsperiode is nadrukkelijk geen voortzetting van de bestaande situatie, maar een traject waarin actief wordt toegewerkt naar onderwijsdeelname. Het is wenselijk dit van het begin af aan duidelijk te communiceren naar de ouders.

Gedurende deze periode maken ouders, gemeente, samenwerkingsverband en eventuele andere betrokken partijen afspraken over de stappen die nodig zijn om te komen tot inschrijving op een passende school of onderwijsvoorziening. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan oriĆ«nterende gesprekken, kennismaking met scholen, onderzoek naar ondersteuningsbehoeften en het opstellen van een ontwikkel- of onderwijsplan. 

Een zorgvuldige uitvoering vraagt dat gemeenten en samenwerkingsverbanden vooraf gezamenlijk bepalen hoe ondersteuning, plaatsing en begeleiding worden georganiseerd. Daarmee ontstaat voor ouders en kinderen duidelijkheid over hun route richting onderwijsdeelname. Het verdient aanbeveling om met de ouders afspraken vast te leggen over doelen, verantwoordelijkheden, evaluatiemomenten en het beoogde moment van inschrijving.