Wethouder Hugo de Jonge van Rotterdam: ‘De kinderen rekenen op ons’

Nummer 7, 2016

Wethouders pakken hun verantwoordelijkheid. Sinds de jeugdzorg een taak van gemeenten is, rust op hun schouders de taak om het grote probleem van de kindermishandeling en –verwaarlozing aan te pakken.


Een kopgroep van veertien wethouders is, onder leiding van Hugo de Jonge uit Rotterdam, aan de slag gegaan.

Door: Leo Mudde

Jaarlijks zijn ongeveer 119.000 kinderen het slachtoffer van mishandeling of verwaarlozing. Dat duizelingwekkende getal wint nog eens aan kracht als het wordt vertaald naar een concrete, herkenbare situatie. Daarom zeggen hulpverleners vaak dat in elke schoolklas gemiddeld één kind zit dat wordt mishandeld.

Ook de Rotterdamse CDA-wethouder en oud-leraar in het basisonderwijs Hugo de Jonge noemt het ‘schoolvoorbeeld’ om de omvang van het probleem te benadrukken. De Jonge is lid van de Taskforce Kindermishandeling en seksueel misbruik en vanuit die rol nu voorzitter van een koplopergroep van veertien wethouders die het voortouw willen nemen bij de bestrijding van kindermishandeling en -verwaarlozing.

De overheid wil ouders ondersteunen bij de opvoeding van een kind en mishandeling eerder signaleren, en samenwerking tussen hulpverleningsorganisaties verbeteren. En als het om samenwerking gaat, komen al snel gemeenten in beeld. Zij zijn het immers die sinds begin vorig jaar, met de invoering van de Jeugdwet, verantwoordelijk zijn voor de zorg en veiligheid van hun jongste inwoners. Een zware verantwoordelijkheid, maar wel een die wethouders serieus willen oppakken, zegt De Jonge.

U werkt in een grote stad, zit in veel besturen. Had u het nog niet druk genoeg en dacht u: laat ik kindermishandeling er ook nog maar even bijnemen?

‘Het voorkomen of signaleren van mishandeling of verwaarlozing is onderdeel van mijn werk als wethouder, in die zin is dit niet extra. Maar het klopt, het onderwerp is wel zo urgent dat het een bijzondere aanpak verdient. Daar zet ik me graag voor in.’

Wanneer ontstond het idee van een koplopergroep van wethouders?

‘Op een congres van de VNG gaf ik een workshop over de gemeentelijke regie bij de aanpak van kindermishandeling. Daar gaf ik aan dat het mooi zou zijn als een aantal wethouders daarin voorop zou willen lopen. Spontaan meldden zich toen tien collega’s, inmiddels zijn het er veertien.’

Hoe voer je als gemeente de regie over het enorm grote aantal organisaties dat zich met jeugd en veiligheid bezighoudt?

‘Dat is best lastig. Een deel van de keten valt niet onder gemeenten maar zit in het justitieel domein, of in de gezondheidszorg – zoals de huisarts. Die laten zich niet zomaar door een wethouder aansturen, dus moet je het hebben van goede samenwerking.

Voor de gemeente is daarbij een aantal dingen van belang. Zo hebben wij een belangrijke rol als inkoper van zorg en als subsidieverstrekker aan tal van organisaties. Wij draaien, met andere woorden, aan de geldkraan en zijn in de positie om voorwaarden te stellen en sturing te geven. Zo kun je bij de inkoop van zorg eisen dat partijen zich houden aan de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en gebruikmaken van de Verwijsindex risicojongeren. Dat werkt, je kunt partijen eraan houden.’

Het gebruik van de Meldcode is verplicht, dus dat doen scholen, zorgaanbieders en jeugdorganisaties toch al?

‘Er zijn genoeg scholen die nog veel alerter moeten en kunnen zijn op signalen van huiselijk geweld, mishandeling of verwaarlozing. Financiering is een aangrijpingspunt van gemeenten om daar invloed op te hebben.’

Justitie, bijvoorbeeld, heeft geen financiële relatie met gemeenten. Hoe houd je die bij de les?

‘In het Veiligheidshuis zitten gemeenten aan tafel met organisaties als politie, justitie, kinderbescherming en welzijn. Dat is een prima plek om afspraken te maken. De vraag die je je eigenlijk moet stellen, is: hoe stop je kindermishandeling? Daar kun je met instanties en organisaties lang en breed over praten, maar uiteindelijk kom je uit bij die ene professional.

Jongeren die te maken hebben gehad met kindermishandeling zeggen vaak: “Er was maar één persoon nodig om het te doorbreken, er was één persoon die het zag en het verschil maakte.” Het zijn niet de organisaties die signalen moeten oppikken, de professionals zelf moeten alert zijn.’

Maar zelfs professionals zijn huiverig om een vermoeden van kindermishandeling te melden. Ze halen dan veel overhoop op het gevaar af mensen te beschadigen als er achteraf niets aan de hand blijkt te zijn.

‘Ik zou het om willen draaien. Echte buikpijn zouden professionals moeten krijgen van niets doen terwijl er van alles aan de hand blijkt te zijn. Je kunt, voor je met een organisatie in zee gaat, de aanwezigheid van een aandachtsfunctionaris als voorwaarde stellen.

Aandachtsfunctionarissen kunnen de professional begeleiden bij de stappen van de Meldcode, adviseren en meebeslissen of het vermoeden wordt gemeld. Echt, je kunt als gemeente veel invloed uitoefenen.’

Veel mishandeling vindt plaats achter de voordeur. Achter die deur gelden de privacyregels. Hoe ga je daar als gemeente mee om?

‘Ik begrijp dat er grote zorgen bestaan over een overheid die te stevig ingrijpt in het persoonlijk domein. Maar vraag mensen wat zij van de overheid verwachten en dan zullen ze zeggen: zorgen voor veiligheid. Als je vervolgens weet dat het grootste veiligheidsvraagstuk huiselijk geweld en kindermishandeling is, dan wordt het lastig om níet achter die voordeur te kijken.

Of je nou Rotterdammer of Hagenees bent, je loopt thuis de meeste kans om met geweld te worden geconfronteerd – niet op straat, ook niet door een overval of een inbraak. Privacy is niet belangrijker dan veiligheid, eigenlijk is het een schijntegenstelling. Het recht op privacy is nooit bedoeld geweest om leed en onveiligheid niet aan te kunnen pakken.’

Wat wilt u met uw kopgroep van wethouders concreet bereiken?

‘Eind 2016 moeten in ieder geval zestig tot tachtig gemeenten echt de regie pakken, wat betekent dat zij een visie hebben en een actief  beleid voeren. De wethouders van de kopgroep vervullen hierbij een ambassadeursrol. Als tweede resultaat willen we een handreiking voor alle gemeenten met onze bevindingen zodat overal in Nederland op gemeentelijk niveau aandacht is voor de aanpak van kindermishandeling.’

U praat hier met veel passie over. Is kindermishandeling op dit moment uw grootste zorg?

‘Kijk, ik ben leraar geweest. Als je dan weet dat in elke klas waaraan je lesgeeft een kind zit dat wordt mishandeld... Dat laat mij niet onberoerd. Leraren, huisartsen, scouting en kinderopvang – iedereen moet daar veel alerter op zijn. Dat zijn ze nog onvoldoende, er zijn heel veel organisaties die nog nooit een melding hebben gedaan. Dat klopt niet.

Je kunt het allemaal heel ingewikkeld maken, maar uiteindelijk is er vaak maar één persoon nodig om de spiraal te doorbreken. Leraren zijn bij uitstek de professionals die dat kunnen. Niets doen is geen optie, de kinderen rekenen op ons.’

Groningen na Daniëlla

In juli 2013 kwam er in Groningen een eind aan het leven van de verstandelijk gehandicapte Daniëlla. Doodgeslagen door haar stiefvader, met een honkbalknuppel – een triest einde van een lange periode mishandeling.

Het was een vals slotakkoord in een lange rij van momenten waarin hulpverlenende organisaties ernstig tekortschoten. Wethouder Mattias Gijsbertsen (GroenLinks) was destijds raadslid in Groningen en kan zich de impact die de zaak-Daniëlla op de stad had, nog goed herinneren. ‘Het was hartverscheurend’.

Gemeenten waren toen nog niet verantwoordelijk voor de jeugdhulp. Sinds 2015 wel, en op wethouders als Gijsbertsen rust nu de zware taak om dit soort zaken te voorkomen. Hij is lid van de koplopergroep van veertien wethouders om kindermishandeling aan te pakken. Daniëlla’s zaak heeft z’n uitwerking op hem niet gemist. ‘Vijf rijksinspecties hebben over de casus een gezamenlijk rapport uitgebracht. Steeds blijken dezelfde fouten te worden gemaakt. Gebrek aan regie is daarvan een heel belangrijke.’

Het is aan Gijsbertsen om de regie te pakken in het overleg tussen partijen die in 2013 nog langs elkaar heen werkten. ‘Het positieve is, dat iedereen die regie ook wil. Niemand wil een herhaling van deze zaak. Waar het nu op aankomt, is de afstemming en durven doorzetten als praten niet meer werkt.’

Dat is een ‘enorme opgave’, beseft de wethouder. ‘De sleutel ligt bij de wijkteams, in Groningen WIJ-teams geheten. Daar moet het principe van één regisseur, één plan vorm worden gegeven.’
Gijsbertsen is optimistisch over het werk van de WIJ-teams. ‘We hebben ze de afgelopen 15 maanden opgebouwd. Veel zijn er al aan de slag, een aantal is nog in oprichting. Allemaal met de focus op onze inwoners in de leeftijd van min 9 maanden tot 100 jaar.’

Stoppen met babbelen

Daar vallen dus ook de kinderen onder. Belangrijk is volgens Gijsbertsen dat de professionals die bij mensen in huis komen, zoals de wijkverpleegkundige of de schuldhulpverlener, weten waar ze op moeten letten en hoe het overleg in het WIJ-team werkt, bij wie ze terechtkunnen als ze signalen hebben van mishandeling of verwaarlozing. ‘Dat betekent concreet: stoppen met babbelen en je afvragen hoe je tot actie moet overgaan.’ Hij heeft de afgelopen tijd intensief met alle partijen gesproken. ‘Allemaal zijn ze voor regie, maar er is niet altijd een gedeeld beeld over hoe de gemeente wil dat die regie eruit moet zien.’

Wat in ieder geval moet worden voorkomen, is dat melders in bijvoorbeeld onderwijs en zorg niet handelen uit angst voor het traject waar ze mogelijk in terechtkomen. ‘Hij mag niet bang zijn te worden gestraft voor zijn handelen.’

De gemeente is regisseur – maar de echte regie ligt in de teams, bij de professionals. Daar moeten ook de concrete beslissingen over de hulp worden genomen. Ik ben als wethouder wel verantwoordelijk voor de werking van het systeem. Dat een zaak als die van Daniëlla nooit meer voorkomt, kan ik niet garanderen. Maar als wethouders kunnen we er wel alles aan doen om te voorkomen dat het systeem niet werkt. Als de gemeente geen verantwoordelijkheid neemt, doet niemand het.’