Vraag & antwoord Wmo 2015

Vragen gesteld aan het OndersteuningsTeam Decentralisaties (OTD):

Aanbieders

  • V: Is er sprake van een wettelijke verplichting dat kleine innovatieve zorgaanbieders een kans moeten krijgen om opdrachten te krijgen van gemeenten?

    A: Gemeenten hebben binnen de wettelijke kaders van de Wmo 2015 de vrijheid hebben om zelf te bepalen welke aanbieders zij contracteren. Er is dus geen enkele wettelijke verplichting om kleine aanbieders te contracteren. We willen wel graag aandacht vragen voor kleine zorgaanbieders omdat er signalen zijn dat deze niet altijd op de radar staan bij gemeenten en het voor deze kleine aanbieders lastig is om in contact te treden met gemeenten.
     
  • V: Hoe moeten zorgaanbieders de inkoop van zorg regelen die zij bovenregionaal aanbieden?
     
  • A: Binnen de Wmo 2015 worden alleen landelijke inkoopafspraken gemaakt voor Zintuigelijk Gehandicapten (ZG). Alle overige ondersteuning waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn op grond van de Wmo 2015 moeten gemeenten zelf inkopen.

    Gemeenten kunnen er uiteraard voor kiezen om dit op regioniveau te doen. Dit houdt in dat een regionale zorgaanbieder inkoopafspraken moet maken met alle gemeenten/regio's waar de cliënten woonachtig zijn.


Beleidsregels

  • V: Komt er een model voor de beleidsregels voor de Wmo 2015?

    A: De huidige model-beleidsregels zijn door de Wmo 2015 achterhaald. De nieuwe Wmo en de procesmatige insteek van de nieuwe Wmo-modelverordening bieden weinig aangrijpingspunten voor de VNG om modelbeleidsregels te formuleren.

    Aan de ledenbrief over de modelverordenng hebben we wel een bijlage toegevoegd met de titel 'De reikwijdte van de gemeentelijke verantwoordelijkheid op grond van de Wmo 2015'. In deze bijlage (informatief van aard, zonder juridische status) bieden we een samenvattend overzicht van de stand van de Wmo- jurisprudentie en de huidige AWBZ- praktijk met betrekking tot de taken die naar gemeenten gaan.

    Toekomstige jurisprudentie zal de grenzen van de gemeentelijke verantwoordelijkheid verder moeten bepalen. Verder wijzen wij u op de handreiking van het Transitiebureau Wmo over cliëntprofielen. Deze bevat concrete en herkenbare beschrijvingen van cliënten die gemeenten kunnen gebruiken bij het opstellen van de beleidsregels en bij het inrichten van de toegang.


Berichtstandaarden en Gemeentelijk Gegevensknooppunt

  • V: Is gemeente verplicht om de berichtstandaarden voor Wmo en Jeugd te gebruiken?

    A: De ALV van de VNG heeft op 18 juni 2014 ingestemd met de resolutie Standaardisatie administratieve processen in het sociaal domein.

    Gemeenten kiezen daarmee voor de landelijk vastgestelde standaarden voor Wmo en Jeugd boven individuele afspraken in de declaratie- en facturatieprocessen tussen gemeenten en zorgaanbieders in het sociaal domein. Om te kunnen werken met de berichtstandaarden moeten de applicaties, die voor Wmo en Jeugd worden gebruikt, daarop worden aangepast.

    Om ervoor te zorgen dat de gegevensuitwisseling met zorgaanbieders en andere organisaties in het sociaal domein goed kan verlopen en om te voorkomen dat elke afzonderlijke gemeente dit allemaal moet gaan regelen, wordt een Gemeentelijk Gegevensknooppunt ingericht. In de komende maanden wordt gewerkt aan de eerste oplevering van het Gemeentelijk Gegevensknooppunt.

    Het is het doel om op 1-1-2015 in ieder geval de berichtstromen voor de Wmo en Jeugd via het knooppunt te faciliteren. Het gaat dan om het routeren van de toewijzings- en declaratieberichten voor Wmo en Jeugd volgens de vastgestelde standaarden.

    Stem binnen uw gemeente af met de informatiemanager en met uw ICT-leverancier om vast te stellen of uw applicaties (straks) kunnen werken met de vastgestelde berichtstandaarden voor WMO en Jeugd.

     

Beschermd wonen


Beschikkingen / Bezwaar en beroep

  • V: Hoe zit het met bezwaar, beroep en hoger beroep tegen besluiten op grond de Wmo?

    A: Bezwaar en beroep zijn geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), daarom heeft de Wmo 2015 geen eigen bepalingen daarover. Als een aanvrager het niet eens is met een beschikking op grond van de Jeugdwet of de Wmo 2015, dan moet hij eerst bezwaar maken bij het college; dat is immers het bestuursorgaan dat die beschikking heeft gegeven (art 7:1 Awb). Als de bezwaarde niet tevreden is met de beslissing op bezwaar kan hij in beroep bij de rechter. Beroep tegen een beschikking op grond van de Wmo 2015 moet worden ingesteld bij de Rechtbank, sector bestuursrecht. Ook hier is de Centrale Raad van Beroep bevoegd als hoger-beroepsrechter.

Cliëntervaringsonderzoek

 


Financiën

  • V: De beleidsinformatie van Vektis wijkt af van bedragen die instellingen opgeven. Wat is hiervoor de verklaring?

    A: De beleidsinformatie is niet geschikt voor berekeningen van het benodigd budget. Het Rijk neemt bij de berekening en grotendeels ook bij de verdeling van het macrobudget Wmo 2015 niet Vektis-cijfers als uitgangspunt maar de gerealiseerde uitgaven 2013 op grond van de NZa. Ten aanzien van sectorvreemde ZZP’s (bijvoorbeeld een intramurale ggz-indicatie die vanwege pragmatische cliëntgebonden redenen in een instelling voor verpleging en verzorging wordt verzilverd) geldt dat de indicatie leidend is voor toewijzing van het budget aan het wettelijk kader (Wmo 2015, Wlz, Zvw en de Jeugdwet).

    D​aarnaast kunnen er verschillen zijn die samenhangen met:

    1) De gehanteerde afbakening: voor beleidsinformatie zijn alleen CIZ-indicaties in ogenschouw genomen, waardoor cliënten (vanaf 18 jaar) met een BJZ-indicatie buiten beschouwing zijn gebleven
    2) De aard van de gegevens (beleidsinformatie betreft declaraties versus kosten op basis van zorggebruik)
    3) De volledigheid van declaratiegegevens (in beleidsinformatie geen complete jaardekking en beeld van kapitaallasten)
    4) Uiteenlopende adresgegevens (bijvoorbeeld verschillen in de woonplaats van cliënten ten tijden van indicatiestelling en het adres waar zorg is ontvangen).

     
  • V: Op welke manier komt het extra beschikbaar gestelde budget van € 50 miljoen voor het vormen van wijkteams beschikbaar?

    A: Voor de ontwikkeling van de sociale wijkteams en de verbinding met de curatieve zorg zoals de wijkverpleging, heeft VWS een structureel bedrag ter beschikking gesteld dat oploopt van € 5 miljoen in 2015 tot € 50 miljoen in 2017. Het Rijk stort dit bedrag vanaf 2015 in het sociaal deelfonds.  Daarnaast is eind 2013 in het onderhandelingsakkoord tussen de VNG en VWS afgesproken dat in 2014 incidenteel € 7 mln beschikbaar wordt gesteld voor de implementatie van de wijkteams. Een deel daarvan gaat naar een landelijk ondersteuningsprogramma, de rest gaat naar het sociaal deelfonds.
     
  • V: Wat zijn de uitvoeringskosten voor Wmo en Jeugd? Zitten die in het macrobudget?

    A: De uitvoeringskosten zijn onderdeel van het macrobudget: € 3,4 miljard voor Wmo en € 3,9 miljard voor jeugd. De uitvoeringskosten komen daar dus niet meer bovenop komt via de Algemene uitkering.
     
  • V: Hoe wordt de integratie-uitkering sociaal domein geïndexeerd?

    A: De integratie-uitkering sociaal domein loopt niet mee in de accressystematiek. De trap-op trap-af methodiek is niet van toepassing. In ieder geval voor de jaren 2015 tot en met 2017 worden er aparte indexatieafspraken gemaakt.

    Over de nominale indexatie (loon- en prijs) zijn nog geen afspraken gemaakt, het is nog onderwerp van gesprek tussen VNG en Rijk. In het budget voor het sociaal domein dat in de septembercirculaire is gecommuniceerd zit de nominale indexatie 2015 nog niet verwerkt.

    In het budget voor het sociaal domein dat in de septembercirculaire staat is deels al rekening gehouden met volume-indexatie. Voor jeugd namelijk tot en met 2015 en voor Wmo tot en met 2016. Voor participatie is er geen volume-index toegepast.

     


Gegevensoverdracht (beleids- en cliëntgegevens)

 

  • V: Welke beleidsgegevens zijn beschikbaar?

    A: De beleidsinformatie die gemeenten ontvangen komt uit drie bronnen: 1. het CIZ (de indicatiegegevens), 2. het CAK (zorgconsumptie van cliënten die eigen bijdrage betalen) en 3. Vektis (declaratieberichten van aanbieders). ​De meest recente cijfers hebben betrekking op de periode t/m juli 2013. 

    Het CIZ-bestand kunt u vinden op de website van het CIZ. Het bestand van het CAK  heeft u in januari ontvangen. U kunt met uw wachtwoord van het CAK (hoogstwaarschijnlijk bekend bij de administratie van uw gemeente) inloggen op het CAK.-portaal. Het Vektis-bestand is medio april opgeleverd NB.: zie ook de eerste vraag bij Financiën (hieronder)!

    Om gemeenten te ondersteunen in het interpreteren en begrijpen van de gegevensbestanden verschenen medio april 2014 een handleiding en instructievideo's. Na publicatie van het wetsvoorstel ontvangen gemeenten de gegevens op cliëntniveau.
  • V: Is het mogelijk dat de centrumgemeente de bestanden met klantgegevens inzake beschermd wonen van de individuele gemeenten die behoren tot de regio van de centrumgemeente rechtstreeks bij het CAK kan downloaden? Wat moet ik hiervoor doen?

    A: Een individuele gemeente kan een centrumgemeente machtigen om haar Centrumgemeente-bestanden rechtstreeks in Porta op te laten halen. De servicedesk van het CAK kan uitleggen hoe deze machtiging werkt. Het CAK plaatst de bestanden dus wel in het portaal van de gemeente zelf, maar de centrumgemeente kan op basis van de machtiging dan zelf de bestanden eruit halen.

    Aanvullend: Een centrumgemeente moet expliciet aantonen dat zij gemachtigd zijn door de gemeenten voor Porta. Dit dient schriftelijk bij het CAK te worden aangetoond. Als een gemeenten een machtiging verstrekt, dan is dit een machtiging voor het gehele Porta portaal, dus niet alleen voor de gegevensoverdracht. Wellicht is een machtiging voor een bepaalde periode daarom beter.
     

  • V: De gemeenten ontvangen 4 keer een totaalbestand. Hoe kunnen gemeenten de verschillen tussen de bestanden achterhalen bij indicatie, zorg in natura en Pgb. Bijvoorbeeld een klant die tussentijds stopt?

    A: Door de individuele bestanden uit de verschillende leveringen met elkaar te vergelijken worden de verschillen zichtbaar. Als een klant tussentijds stopt met zorg afnemen, dan is afhankelijk van de reden waarom wordt gestopt de klant al dan niet zichtbaar in de nieuwe uitlevering. Als de klant stopt omdat zijn indicatie is verlopen, dan is de klant in de volgende uitlevering niet meer zichtbaar. Als de klant stopt, maar zijn indicatie blijft geldig, dan zal de klant zichtbaar zijn in het indicatiebestand, zijn declaratiehistorie zal geen actuele declaraties tonen, maar wel eerdere declaraties.

  • V: Er zijn aanbieders met meerdere AGB-codes. Is er een lijst van alle aanbieders met AGB-code? Is hierop ook zichtbaar welke AGB-code per aanbieder gehanteerd dient te worden door gemeenten indien een aanbieder meerdere AGB-codes heeft?

    A: De zorgaanbieder moet voor de Wmo activiteiten over een nieuwe AGB code beschikken.
     

  • VWelke cliënten zitten in de GO-levering? (gevensoverdracht individuele cliënten)

    A: Bij elke GO-levering is voor het selectieproces gekeken naar de actieve indicatiebesluiten op de peildatum van de levering. Bij de laatste GO levering is dit 24 februari 2015. Dus alleen de cliënten met een geldig indicatiebesluit op deze datum zijn zichtbaar in deze GO levering.

    De indicatiebesluiten die tussen vierde gegevensuitleving (januari 2015, peildatum 31 december 2014) en de laatste gegevensuitlevering (begin maart, peildatum 24 februari) zijn afgelopen, zitten dus niet in deze laatste levering.
     


Huishoudelijke hulp

Op het gebied van de aangepaste Wmo (Wmo 2015) komen bij de VNG veel vragen binnen over de huishoudelijke hulp, vooral juridische. We hebben de vragen en antwoorden verzameld:

 


Inkoop

  • V: Over welke vormen van ondersteuning zijn landelijke inkoopafspraken gemaakt?
     
  • A: Dit betreft de specialitische begeleiding voor mensen met een zintuiglijke handicap. Daar is nu ook een raaomovereenkomst en programma's van eisen voor opgegesteld.
     

Klachtrecht & cliëntondersteuning


Kortdurend verblijf

  • V: Hoe is de bekostiging van kortdurend verblijf opgebouwd?

    A: De bekostiging van kortdurend verblijf bestaat uit vier componenten: 
    1.    Verblijfscomponent: hierin zitten de kosten die gemaakt worden voor het verblijf. Denk bijvoorbeeld aan voeding, huishoudelijke verzorging of welzijnsactiviteiten.
    2.    Normatieve huisvestingscomponent: hieruit worden de kapitaalslasten gefinancierd.
    3.    Inventariskosten die nu nog niet cliëntgebonden zijn, maar berekend zijn op €3,87 per dag. Zie ook Inkoop intramurale jeugdhulp (pdf).
    4.    Zorgkosten, bijvoorbeeld begeleiding individueel of groep. De zorg voor een cliënt is nu niet inbegrepen bij de prijs voor het verblijf en wordt dus apart bekostigd.

Mantelzorgwoningen


Modelverordening Wmo 2015

NB zie ook:
Vragen & antwoorden VNG-ledenbrief Modelverordening en -besluit (pdf)
 

  • V: Is het mogelijk is om één integrale verordening voor de decentralisaties op te stellen? 

    A: Het maken van één verordening voor de drie decentralisaties is toegestaan. De wetten regelen enkel dat er bepaalde zaken bij verordening geregeld moeten of kunnen worden, niet hoe gemeenten dit verder vormgeven. Bij het OTD is niet bekend of er gemeenten zijn die één '3D-verordening' maken. (Gemeenten die daaraan werken kunnen contact opnemen met het OTD:  otd@vng.nl, tel. 070- 373 83 98
     
  • V: Beschikt de VNG over een integrale 3D-modelverordening?

    A: De VNG streefde in eerste instantie naar één modelverordening Jeugdwet/Wmo 2015. Dit streven bleek niet haalbaar vanwege de verschillen tussen de wetten en de verschillende snelheden van de parlementaire behandeling daarvan. Waar mogelijk hebben we identieke uitwerkingen/bepalingen in beide modelverordeningen opgenomen.
  • V: Is het verplicht om inspraak te verlenen aan inwoner bij de vast te stellen verordening?

    A: De inspraak is geregeld in art 2.1.3 en 2.5. 1 van de Wmo 2015.  Deze bepalingen gelden echter pas vanaf 1 januari 2015. Tot die tijd is de gemeentelijke Inspraakverordening bepalend voor het antwoord op deze vraag. In de meeste inspraakverordeningen is het niet verplicht om een ontwerpverordening ter inzage te leggen voor inspraak, maar het is niet uitgesloten. Het ligt echter meer voor de hand om inwoners de gelegenheid te geven te reageren op de voorgenomen inhoudelijke uitgangspunten die in de verordening hun beslag gaan krijgen.

  • V: Wat geldt voor delegatie en mandaat?

    A: Zowel artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet als artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 betreffen een delegatieverbod (delegatie = door anderen), geen mandaatverbod (mandaat = namens het college). Zou dat anders zijn, dan zou het college daadwerkelijk alle beschikkingen zelf af moeten gaan geven (‘derden’ zijn immers ieder andere dan het college zelf).

    Omdat artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 geen mandaatverbod betreft, maar het door de wetgever wel wenselijk werd geacht om mandatering aan enige beperkingen te onderwerpen, is artikel 2.6.4, eerste lid, in de wet opgenomen. Overigens, wij interpreteren deze bepaling zo dat mandatering aan aanbieders mogelijk is (zoals expliciet in de bepaling zelf staat), maar dat mandatering aan ondergeschikten binnen de organisatie niet is uitgesloten. Dit omdat dit in principe altijd mogelijk is, maar ook omdat het er anders op neerkomt dat er wel gemandateerd moet worden aan de aanbieders (het college gaat het immers niet zelf doen.

 


Overgangsrecht

  • V: Verplicht het overgangsrecht tot het handhaven van dezelfde aanbieder? 

    A: Het overgangsrecht verplicht niet tot het handhaven van dezelfde aanbieder. Mocht de cliënt moeten wisselen van aanbieder, dan zijn de gemeente en aanbieder wel verantwoordelijk voor een zorgvuldige overdracht.

  • V: Kunnen we als gemeente resultaatgerichte inkoop met een vast maandbedrag per cliënt al per 1 januari 2015 laten ingaan óók voor de overgangscliënten? 

    A: Uitgangspunt van het overgangsrecht is dat mensen met een AWBZ indicatie die in 2015 doorloopt, de uit die indicatie voortvloeiende rechten en plichten (zoals de omvang van de aanspraak en de te betalen bijdrage) behouden tot het einde van de indicatie, maar uiterlijk tot 1 januari 2016. Het overgangsrecht regelt niks over de manier waarop dit wordt ingekocht. Gemeenten zijn dus vrij om de financieringsvorm te bepalen waarop het overgangsrecht wordt ingekocht, zolang is gegarandeerd dat bijvoorbeeld de aanbieder dezelfde omvang van de aanspraak blijft leveren.

  • Vragen en antwoorden overgangsrecht thuiswonend cliënten met laag zzp (pdf)
     

Persoonlijke Verzorging

  • V: Zoals bekend gaat het grootste gedeelte van de AWBZ-functie Persoonlijke Verzorging (PV) naar de Zvw/zorgverzekeraars, welk onderdeel valt straks onder de Wmo/gemeenten? 

    A: Het ministerie van VWS heeft hierover een informatiekaart uitgebracht.
     

Pgb


Productcodes iWmo en iJw

Meer informatie
 


Regresrecht


Risicoverevening


Sensoor


Toegang

  • V: Hoe ga ik als gemeente het gesprek aan met burgers en professionals over het organiseren van de toegang tot de zorg?

    A: Neem het initiatief en organiseer een bijeenkomst voor het raadplegen van professionals en burgers. Voor de inhoud van de consultatie zijn de volgende vragen relevant:

    Vragen aan burgers

    1. Met welke vragen/problemen zou u terecht willen bij de gemeente? Bijvoorbeeld op het gebied van zorg en welzijn, werk en inkomen, schulden of opvoeding en school.
    2. Op welke locatie zou u uw vragen willen stellen, op welk tijdstip en op welke manier. Bijvoorbeeld mondeling, schriftelijk, telefonisch, e-mail, door middel van sociale media of tijdens huisbezoek?
    3. Hoe en door wie zou uw vraag moeten afhandelen? Wanneer bent u tevreden over de afhandeling van uw vraag?
    4. Eigen kracht en samenredzaamheid staan voorop. Wat kunt u zelf doen in het kader van de afhandeling van uw vragen/probleem? Wat kunt u samen met uw familie, buren en vrienden doen?
    5. Hoe kan de gemeente daar op inspelen? Hoe kan de gemeente dat ondersteunen? Wat moet de gemeente vooral doen of laten?

    Vragen aan de professionals

    1. Hoe organiseert de gemeente de toegang tot hulpverlening en zorg? Bijvoorbeeld in de vorm van een ‘centrale intake- en verwijsfunctie’ (een loket) of door middel van een ‘(multidisciplinair, sociaal) team’ in de wijk. Of anders?
    2. Over welke kennis en vaardigheden beschikken de medewerkers van de ‘centrale intake- en verwijsfunctie’? En de medewerkers van het ‘(sociaal) team’?
    3. Welke disciplines maken deel uit van het ‘(sociaal) team’? Hoe werken zij samen en hoe stellen zij daarbij de burger centraal? Wie voert de regie over het team?
    4. Welke vragen spelen de medewerker(s) van de ‘centrale intake-en verwijsfunctie’ of het ‘(sociaal) team’ terug naar de burger met zijn netwerk (aanspreken ‘eigen kracht’), welke vragen handelen zij zelf af en welke sturen zij door naar specialisten?
    5. Hoe wordt gewaarborgd dat de medewerker(s) van de ‘centrale intake- en verwijsfunctie’ of het ‘(sociaal) team’ de juiste vragen toegespeeld krijgen? Hoe wordt gewaarborgd dat zij doorverwijzen naar de best passende hulpverlener/zorgaanbieder?
     


Toezicht

  • V: De gemeente overweegt in de organisatie van de taken van de toezichthoudende ambtenaar in de zin van de Wmo een onderscheid te maken tussen taken in relatie tot de cliënt en tot de zorgaanbieder en die onder te brengen bij verschillende organisatieonderdelen (SoZa resp. bedrijfsvoering). Is dit een zinvol (organisatorisch) onderscheid?

    A: Als organisatorisch uitgangspunt is een dergelijk onderscheid denkbaar. De toezichthoudende ambtenaren werkzaam bij SoZa kan dan worden beschouwd als de frontoffice en de medewerkers van bedrijfsvoering als backoffice. Eerstgenoemde ambtenaren zullen in de praktijk vooral in contact komen met cliënten; in het kader van hun onderzoek zullen zij echter ook in contact (moeten) treden met de zorgaanbieder. In het onderstaande wordt dit toegelicht.
    De door het college van B&W aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo (art. 6.1). De ambtenaren die de gemeente wil onderbrengen bij SoZa moeten als zodanig worden aangewezen. Het toezicht in de Wmo heeft (onder meer) betrekking op de toekenningsprocedure voor maatwerkvoorzieningen (art. 2.1.3, 2a), de vaststelling van de hoogte van het PGD (art. 2.1.3, 2b) en de kwaliteitseisen die worden gesteld aan voorzieningen, waaronder de deskundigheid van beroepskrachten (art. 2.1.3, 2c). Het toezicht heeft ook betrekking op misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet, waaronder het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een PGB (art. 2.1.3, 4). Naar verwachting zal in de praktijk het zwaartepunt liggen op het kwaliteitstoezicht en fraudebestrijding. 

    Het toezicht omvat in de kern: informatie verzamelen, beoordelen en interveniëren. In dit kader zullen de toezichthouders (eigener beweging of naar aanleiding van klachten) werkbezoeken afleggen aan cliënten, het zorgdossier bestuderen evenals de afspraken die de gemeente (in het kader van de aanbesteding) heeft gemaakt met de zorgaanbieder. In het kader van hun onderzoek zullen zij ook contact hebben met de zorgaanbieder, bijvoorbeeld om de afspraken en gang van zaken te verifiëren (hoor en wederhoor).

    Uit oogpunt van objectiviteit en professionaliteit verdient het aanbeveling om deze taken te scheiden van taken als het ontwikkelen van het Wmo-beleid, de zorginkoop en de toekenning van voorzieningen (bijv. door de Wmo-consulent of leden van een wijkteam). De toezichthouder moet zijn werk, weliswaar onder uiteindelijke verantwoordelijkheid van het college, onbevangen kunnen doen. De slager keurt immers niet zijn eigen vlees. Het is zeker denkbaar deze taken onder te brengen bij de afdeling die is belast met het toezicht op de Wet werk en bijstand. Denkbaar is ook de GGD die toezicht houdt op de naleving van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. De toezichthouders van deze afdelingen hebben immers al enige ervaring met het houden van toezicht. 

    De toezichthouders zullen van hun werkzaamheden een rapport opmaken, waarin zij de feiten en context beschrijven en gemotiveerd aangeven wat goed gaat en/of wat beter kan. Denkbaar is dat zij een misstand constateren, waarbij mogelijk sprake is van een overtreding van bovengenoemde voorschriften uit de Wmo. Zij sturen hun rapport ter verdere afhandeling door naar de juridische afdeling van hun organisatie of een vergelijkbare afdeling (bijv. bedrijfsvoering) (de backoffice). Daar wordt, op basis van een nadere beoordeling, een vervolg gegeven aan de bevindingen uit het toezichtrapport. Zo kan, in geval van een overtreding, een waarschuwingsbrief worden verzonden of een (voornemen tot een) sanctiebesluit. In het kader van het kwaliteitstoezicht zal dit in de regel aan de zorgaanbieder zijn, in het kader van de fraudebestrijding kan dit echter ook de cliënt zijn. 

    Het ligt in de rede om de beleidsafdeling/de Wmo-consulent of het wijkteam achteraf te informeren over de in het kader van het toezicht ondernomen stappen en het resultaat daarvan, zodat (in algemene zin of in het bijzonder ten aanzien van de betreffende aanbieder) lessen kunnen worden getrokken in het kader van het beleid c.q. de toekenning van voorzieningen. 
     

Wmo en Wlz

  • V: Hoe zit het met de afbakening tussen Wlz en Wmo m.b.t. acute opname? 

    A: Lees hierover onze Informatiekaart Spoedzorg (pdf) 3e herziene en aangevulde versie, juli 2015