Grenzen aan gemeentelijke belastingen - algemene rechtsbeginselen

Informatie voor raadsleden

 

De gemeenteraad heeft grote vrijheden bij de samenstelling van het gemeentelijk belastingpakket. Toch is die vrijheid niet onbeperkt.

Er zijn twee beginselen die bij de belastingheffing regelmatig aan de orde komen: het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Gelijkheidsbeginsel

Het gelijkheidsbeginsel stimuleert dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van hun ongelijkheid. Van alle rechtsbeginselen is dit wel het meest belangrijke rechtsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel gaat hand in hand met het verbod op discriminatie: het ongelijk behandelen en achterstellen van (groepen) mensen op basis van kenmerken die er niet toe doen.
Bij belastingen is volgens de Hoge Raad een ongelijke behandeling van gelijke gevallen alleen verboden als voor die ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. Daarbij heeft de wetgever in het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid.

Voorbeeld schending gelijkheidsbeginsel
De gemeente heft alleen van eigen graven een bijdrage in het algemene onderhoud van de begraafplaats. Bij algemene graven blijft deze heffing achterwege. Omdat alle graven belang kunnen hebben bij het algemene onderhoud, is hier het gelijkheidsbeginsel geschonden. Het feit dat men bij een eigen graf een individueel gebruiksrecht en zeggenschap over het grafmonument heeft, legitimeert een verschil in belastingheffing niet.
[Hoge Raad 28 februari 2003, nr. 37716, ECLI:NL:HR:2003:AF5108]

Voorbeeld redelijke en objectieve rechtvaardiging
In het streven om het centrum van de stad aantrekkelijker te maken, wil de ondernemersvereniging activiteiten organiseren. Dit sluit aan bij de ambitie van de gemeente. Om free riders-gedrag te voorkomen, besluit de gemeenteraad een reclamebelasting in te voeren in het stadscentrum. Uit een enquête van de winkeliersvereniging blijkt daar ruime draagvlak voor te zijn.

Bij de beperking van de belastingheffing tot het centrumgebied is sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging. De gemeenteraad mag er in redelijkheid van uitgaan dat de belastingplichtigen degenen zijn die profijt kunnen hebben van de activiteiten die met de belastingopbrengsten worden georganiseerd.
[Hoge Raad 11 november 2011, nr. 10/04446, ECLI:NL:HR:2011:BR4564]

Evenredigheidsbeginsel

Het evenredigheidsbeginsel vereist dat de nadelige gevolgen van een besluit voor een of meer belanghebbenden niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Vertaald naar de belastingen houdt het evenredigheidsbeginsel in dat de maatstaven niet zodanig mogen worden vastgesteld dat de gevolgen voor een of meer belastingplichtigen onevenredig nadelig zijn in verhouding tot de doelen die met de belastingheffing worden gediend. Het evenredigheidsbeginsel houdt daarnaast ook in dat bij geconstateerde ongelijke gevallen geen sprake mag zijn van een overduidelijke, onevenredig ongelijke behandeling.

Voorbeeld evenredigheidsbeginsel
De gemeente heft een rioolafvoerrecht van de gebruikers van gebouwen. Het rioolafvoerrecht is afhankelijk gesteld van de hoeveelheid afgevoerd water. De eerste 500 kubieke meters zijn vrijgesteld; daarboven geldt een afnemend tarief. De gemeente heft geen rioolaansluitrecht van de eigenaren . De gekozen heffingssystematiek heeft tot gevolg dat bijna 99% van de belastingplichtigen (de kleine lozers) in feite buiten de heffing van het rioolafvoerrecht blijft. De kleine lozers voeren gezamenlijk zo'n 60% van de totale hoeveelheid geloosd afvalwater af. De grote lozers die wel in de heffing worden betrokken, maken ruim 1% van de belastingplichtigen uit. Zij voeren gezamenlijk zo'n 40% van de totale hoeveelheid geloosd afvalwater af.

Het feit dat een alleen gering percentage van de belastingplichtigen daadwerkelijk de belasting moet betalen, is volgens de Hoge Raad niet op voorhand in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zolang de belastingopbrengst die door de grote lozers wordt opgebracht niet uitstijgt boven de totale kosten die zijn toe te rekenen aan de lozingen van de grote lozers. Stijgt het verhaalsbedrag naar orde van grootte daar bovenuit, dan wordt het evenredigheidsbeginsel geschonden.
[Hoge Raad 10 december 2004, nr. 36805, ECLI:NL:HR:2004:AF7510]