Precontractuele fase - goedkeuring raad

Artikel 169 lid 4 Gemeentewet regelt de informatieplicht van het college aan de raad bij privaatrechtelijke rechtshandelingen. Bij het sluiten van een overeenkomst moet het college de raad vooraf informeren als de raad daar om vraagt of als de overeenkomst ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In dat laatste geval neemt het college pas een besluit nadat het de raad in de gelegenheid heeft gesteld zijn wensen en bedenkingen te uiten.

Het college kan er soms voor kiezen – en is daar ook vrij in – om zijn bevoegdheid om een overeenkomst aan te gaan, te laten afhangen van de instemming van de raad. Dit moet uiteraard wel voldoende kenbaar zijn gemaakt aan de wederpartij. Zo kwam de rechter bijvoorbeeld  begin 2017 met de gemeente tot de conclusie dat er geen samenwerkingsovereenkomst tot stand was gekomen omdat de raad er niet mee instemde. Het college had de wederpartij van meet af aan duidelijk gemaakt dat het alleen bereid was tot het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst als de raad akkoord zou gaan (Hof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1530, VNG-6665).

Volgens de Hoge Raad houdt de zelfstandige beslissingsbevoegdheid van de raad in dat een wederpartij er niet op mag vertrouwen dat handelingen van het college de instemming van de raad hebben ‘indien dat vertrouwen niet mede wordt ontleend aan toedoen van de raad zelf’ (HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737, VNG-6344).

Meer informatie

  • Raadgever Overeenkomsten: Niet de raad maar het college is bevoegd om te besluiten een overeenkomst aan te gaan. In deze raadgever wordt uitgelegd welke instrumenten de raad tot zijn beschikking heeft om hier toch invloed op uit te oefenen
  • Van Contact naar Contract (VNG, pdf, 2013): Deze handreiking gaat uitgebreid in op de bijzondere positie van gemeenten in het contractenrecht