Overzicht veelgestelde vragen over Werk en inkomen

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Oordeel Rechtbank Midden-Nederland
Op 26 augustus 2014 oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland dat gemeenten boetebesluiten in WWB-zaken die gaan over uitkeringsfraude gepleegd vóór 1 juli 2014, niet kunnen baseren op het Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten.

Het Boetebesluit met ingang van 1 januari 2013 heeft in dit oordeel géén betrekking op bestuurlijke boetes op grond van de WWB. Volgens de Rechtbank is dit een gevolg van het feit dat artikel 6b (grondslag) van het Boetebesluit pas op 1 juli 2014 in werking is getreden.

Analyse uitspraak door ministerie van SZW
Naar aanleiding van dit oordeel is door het ministerie een analyse van de uitspraak gedaan. In deze analyse worden door het ministerie argumenten naar voren gebracht, op grond waarvan het ministerie het oordeel van de rechtbank in twijfel trekt.

In de aanhef van het wijzigingsbesluit van 13 oktober 2012, wordt verwezen naar de artikelen 20a IOAW, 20a IOAZ en 18a en 47g WWB, waarmee de delegatiegrondslag in feite wordt weergegeven.

Dit maakt dat, naar het oordeel van het ministerie, het Boetebesluit vanaf 1 januari 2013, ook voor bestuurlijke boetes op grond van de WWB, van kracht is.

Wat betekent dit voor gemeenten?
Het gaat hier om een uitspraak van de rechtbank en niet van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Zolang er nog geen finaal oordeel van de CRvB is, is het standpunt van het ministerie dat het Boetebesluit van kracht is vanaf 1 januari 2013.

Gemeenten dienen daarom besluiten te nemen op grond van het Boetebesluit, ook over de periode van 1 januari 2013 tot 1 juli 2014.

BKWI kan per bron aangeven wat de actualiteit van de gegevens is. In algemene zin worden de gegevens realtime getoond zoals bij de bron bekend. Let op dat er een verschil kan zijn omdat bijvoorbeeld gegevens over dienstverbanden door werkgevers worden doorgegeven in het kader van de loonaangifte. Voor meer informatie: www.bkwi.nl.

De zeven normen zijn door de Inspectie SZW geselecteerd ten behoeve van de door hen uitgevoerde onderzoeken. Deze selectie was gebaseerd op het ‘oude’ normenkader Suwinet dat in totaal uit 115 normen bestond waar gemeenten en ketenpartners zich al aan dienden te houden. Het nieuwe normenkader bestaat nog uit 26 normen. Deze 26 normen gelden vanaf 1 januari 2017 voor gemeenten.

Hiervoor is een notitie opgesteld door de VNG, te vinden op www.vng.nl/veiliggebruiksuwinet. Een accountant mag voor de verantwoording geen zelfstandige toegang hebben tot Suwinet-Inkijk

Alleen van personen die onderdeel uitmaken van de bijstandsuitkering of van invloed zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering mogen gegevens worden geraadpleegd (zie factsheet VNG). Voor personen die onderdeel uitmaken van de bijstandsuitkering mogen ‘alle’ relevante gegevens worden geraadpleegd. Voor personen die geen onderdeel uitmaken van de bijstandsuitkering maar wel op hetzelfde woonadres staan ingeschreven, mogen zeer beperkt gegevens geraadpleegd worden. Deze zijn opgenomen in de pagina kostendelerstoets in Suwinet-Inkijk.

Op dit moment is het niet toegestaan om Suwinet te gebruiken bij de uitvoering van de WMO en de Jeugdwet. Graag verwijzen wij naar de factsheet Suwinet op de site van VNG.

Op dit moment is dit op centraal niveau niet zichtbaar. Wel kun je via de specifieke rapportage zien wanneer iemand heeft ingelogd. Wanneer de persoon niet op de werkplek aanwezig was op het moment van inloggen dan is er vanaf een andere locatie ingelogd.

Nee, om in te loggen op Suwinet dient er eerst ingelogd te worden op een beveiligd netwerk (Gemnet, diginetwerk).

Suwinet is een elektronische infrastructuur. Er zijn verschillende voorzieningen om het netwerk te bereiken. Dit kan bijvoorbeeld via de applicatie Suwinet-Inkijk of via Suwinet-Inlezen. Bij Suwinet-Inlezen gebruik je een andere applicatie om gegevens op te vragen. Voor meer informatie hierover verwijzen wij graag naar www.bkwi.nl.

Hiervoor is een AMvB nodig, deze is er nog niet. Op dit moment vinden er oriënterende gesprekken plaats tussen de VNG en SZW om de mogelijkheden in dat kader te verkennen.

De gemeente is verantwoordelijk en is daarmee ook verantwoordelijk voor het afsluiten van een bewerkersovereenkomst met de externe organisatie. Een voorbeeld is te vinden op de site van het project implementatie 'Borging veilige gegevensuitwisseling via Suwinet'. Ook is deze informatie beschikbaar op de site van de IBD (www.ibdgemeenten.nl)

Op dit moment beschikken wij niet over de informatie over hoe het vervolg van de steekproef wordt vormgegeven. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de inspectie SZW.

De online tool biedt de mogelijkheid de specifieke rapportage digitaal via Suwinet op te vragen, zonder tussenkomst van BKWI. Het grote voordeel hiervan is dat deze dan sneller beschikbaar is. De verwachting is dat de tool eind dit jaar gerealiseerd is. Dan komt ook de handleiding beschikbaar.

Een bevraging binnen Suwinet-Inkijk is hetzelfde als een raadpleging. In de reguliere rapportage van de gemeente staat beschreven wat binnen Suwi verstaan wordt onder een ‘raadpleging’; Eén muisklik op de kolompagina of overzichtspagina in Suwinet-Inkijk wordt gezien als een raadpleging.

Medewerkers die voor de uitvoering van hun wettelijke taken van hun gemeente een autorisatie hebben verkregen mogen raadplegingen doen. Voor meer informatie verwijzen wij graag naar de factsheet Suwinet.

Hier is geen eenduidig antwoord op te geven. Het normenkader spreekt over maandelijkse rapportage over logging zonder te specificeren naar generieke of specifieke rapportages. In algemene zin lijkt redelijk om toch een vaste frequentie vast te leggen in beleid en bijvoorbeeld themagedreven onderzoek te doen.

Ook bij gebruik van de whitelist blijft het nodig om te controleren of medewerkers niet buiten de wettelijke/functionele taken inkijken. De whitelist maakt het op dit punt makkelijker. Daarnaast is het nodig om te controleren op het gebruik van de escape.

Nee vanuit het programma BVGS er is geen richtlijn voor de exacte strafoplegging per situatie.

Het gebruik van Suwinet is niet toegestaan voor interne controle tbv rechtmatigheid of controle bij misbruik. Zie factsheet. Controle in de betekenis van een kwaliteitstoets tijdens bijvoorbeeld een aanvraagproces is wel toegestaan.

Het informeren van de OR is aan de orde aangezien BKWI voor de gemeente gegevens bijhoudt (logging) over het gebruik van gegevens door medewerkers en daarover rapporteert aan de gemeente. Dit geldt ook voor de wijze voor sanctioneren in het kader van misbruik en oneigenlijk gebruik van Suwinet-Inkijk.

Een gemeente dient de burger wiens BSN is gebruikt alleen te informeren wanneer er een kans bestaat op nadelige gevolgen. Dit staat omschreven in artikel 34a van de WBP 2. De verantwoordelijke, bedoeld in het eerste lid, stelt de betrokkene onverwijld in kennis van de inbreuk, bedoeld in het eerste lid, indien de inbreuk waarschijnlijk ongunstige gevolgen zal hebben voor diens persoonlijke levenssfeer.

Het advies is om de zorgvuldigheidsverklaring op te slaan in het HRM-dossier.

Moet dit "onzorgvuldig gebruik" ook onderdeel zijn van het sanctiebeleid bijv. bij herhaling?

Wij adviseren dit type gebruik ook op te nemen in het beleid.

Hoofdpunt is dat het opstellen van beleid een gemeentelijke aangelegenheid is. Vanuit ons advies om maatwerk te organiseren voor eventuele oplegging van maatregelen zullen wij geen advies geven om een exacte duiding op te nemen van de strafmaat in samenhang met de ‘zwaarte’ van het incident. Het normenkader geeft geen expliciete invulling van beleid bij misbruik en oneigenlijk gebruik op dit punt.

Wat zijn de gevolgen van een opgelegde bestuurlijke boete voor het tot stand komen van een minnelijke schuldenregeling of de toegang tot het gerechtelijk traject (WSNP)?


Artikel 60c Participatiewet:

Vanaf 1 januari 2016 (zie verzamelwet SZW 2016) is artikel 60c Participatiewet zo aangepast dat een gemeente voor een schuld wegens schending inlichtingenplicht waarvoor ook een boete is opgelegd, kan meewerken aan een minnelijke schuldenregeling voor zover hierbij geen finale kwijting wordt verleend.

Artikel 60c Participatiewet is negatief geformuleerd:

Artikel 60c. Geen schuldregeling bij overtreding informatieverplichtingen

Door het college wordt geen medewerking verleend aan een schuldregeling indien een vordering is ontstaan door het niet of niet behoorlijke nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichtingen aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering.

In deze situatie is het voor een gemeente in redelijkheid niet (meer) mogelijk om de medewerking aan een dergelijk schuldenregeling te weigeren.

Uit jurisprudentie blijkt als volgt:

Het weigeren van medewerking aan een minnelijke schuldenregeling is in beginsel gerechtvaardigd als aan een schuldeiser minder dan 100% van zijn vordering krijgt voldaan.

Door de wettelijke bepaling in artikel 60c Participatiewet dat geen finale kwijting mag worden verleend, kan de aflossing op de vordering van de gemeente na afloop van de schuldenregeling worden voortgezet en blijft voor de gemeente uitzicht op volledige voldoening.

Dit zal in de praktijk een theoretisch uitzicht zijn; de terugvordering is veelal omvangrijk en de aflosruimte op het inkomen van de belanghebbende beperkt.

Bovendien zal de gemeente uiteindelijk ook een beoordeling moeten doen op het gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid Participatiewet (zie artikel 58 lid 7 Participatiewet).

Weigert een gemeente toch medewerking, of weigert een andere schuldeiser medewerking, dan ligt het in de verwachting dat de schuldenaar aan de (insolventie)rechter zal verzoeken om door middel van een dwangakkoord alsnog een minnelijke schuldenregeling tot stand te laten komen.

In een dergelijke situatie heeft de Rechtbank Rotterdam al eens een kritische uitspraak gedaan, ten aanzien van vorderingen waarvoor geen kwijtschelding wordt verleend aan het einde van de schuldenregeling (ECLI:NL:RBROT:2015:7264).

De Rechtbank Rotterdam stelt dat in de gegeven situatie een ongelijke behandeling plaats vindt van schuldeisers.

Daarbij is noodzakelijk dat de (concurrente) schuldeiser die meewerkt aan een minnelijke schuldenregeling weet dat daarbij schuldeisers zijn die geen finale kwijting (mogen) verlenen. Hij moet vrijwillig instemmen met die ongelijke behandeling.

De Rechtbank Rotterdam trekt een parallel met de homologatie van een akkoord in een faillissementsprocedure.

De Rechter stelt dat het hem niet vrijstaat om een akkoord dwingend op te leggen als er verschil is in behandeling van schuldeisers.

Als de rechter het dwangakkoord afwijst, en de schuldenaar toegang krijgt tot de WSNP dan zal dwingend gelden dat finale kwijting wordt verleend.

In de casus betreft het een vordering van CJIB. De grondslag ligt hier in een convenant tussen CJIB en NVVK. De rechter beveelt dringend het CJIB aan om toch finale kwijting te verlenen.

Als geen dwangakkoord tot stand komt, dan zal de rechter de toelating tot het gerechtelijke traject van de WSNP moeten beoordelen.
Toelating voor het gerechtelijk traject is niet afhankelijk van de medewerking van het College en de belemmering van artikel 60c Participatiewet speelt dus geen rol.
De rechter zal beoordelen of belanghebbende bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is.

De terugvorderingen Participatiewet wegens schending inlichtingenplicht (fraude) zal niet als te goeder trouw worden beoordeeld als de ontstaans-(=besluit)datum korter dan 5 jaar geleden is.

Kwijtschelding boete – amendement Schouten, CU

Bij de parlementaire behandeling van de wijzigingen ‘Fraudewet’ en Boetebesluit sociale zekerheidswetten is via amendement aan artikel 18a Participatiewet, lid 13 en 14 toegevoegd.

Dit amendement regelt dat een bestuurlijke boete onder voorwaarden kan worden kwijtgescholden als het College meewerkt aan een minnelijke schuldenregeling. Als voorwaarden gelden hierbij:

  • Bij de terugvordering is geen sprake geweest van grove schuld of opzet;
  • Binnen een jaar nadat de boete is opgelegd is niet nogmaals een overtreding van de inlichtingenverplichting begaan;
  • Als binnen vijf jaar nadat kwijtschelding is verleend, belanghebbende opnieuw overtreding van de inlichtingenplicht begaat, dan dient de kwijtschelding weer te worden ingetrokken.

Het gevolg is dat een bestuurlijke boete waarvoor kwijtschelding wordt verleend niet als schuld in de schuldenregeling wordt aangemeld.

Lid 13 en 14 van artikel 18a Participatiewet zijn geformuleerd als ‘kan’-bepaling. De expertgroep Fraudewet adviseert gemeenten om over de wijze van uitvoering bepalingen in een beleidsregel op te nemen.

Wettelijke bepalingen:

  • Participatiewet, artikel 60c
  • Participatiewet, artikel 18a lid 13 en 14
  • Faillissementswet, Titel III (WSNP) artikel 284 e.v.

Juni 2017

 

Volledige vraag
Heb ik het goed begrepen dat alleen voor schending inlichtingenplicht een boete moet worden opgelegd? En dat, indien er sprake is van het niet nakomen van andere verplichtingen, zoals de sollicitatieplicht of meewerken aan je re-integratietraject, de afstemming gehandhaafd blijft?

Antwoord
Dat klopt inderdaad. Alleen bij schending van de inlichtingenplicht wordt een boete opgelegd. Het gaat om de schending van de verplichting van artikel 17, eerste lid Participatiewet en artikel 30c, tweede en derde lid Wet suwi. Bij een schending van alle andere verplichtingen (medewerkingsplicht, arbeidsplicht, re-integratieplicht, nadere verplichtingen tot vermindering van de bijstand) wordt nog steeds het maatregeltraject ingegaan.

Meer informatie
In hoofdstuk 2 van de Handreiking Fraudewet wordt uitgewerkt voor welke gedragingen een boete opgelegd wordt en voor welke gedragingen een maatregel.

Stroomschema voor het beoordelen of de Fraudewet van toepassing is.

Volledige vraag
De boete is een bestuursrechtelijke geldschuld en deze moeten uiteindelijk bij dwangbevel worden ingevorderd. Mag een boete worden ingevorderd door middel van vereenvoudigd derdenbeslag, of moet het dwangbevel door een deurwaarder worden betekend?

Antwoord          
Artikel 5:10 lid 2 Awb (jo artikel 5:2 lid 1, aanhef en onder a jo c Awb) bepaalt dat een boete bij dwangbevel wordt ingevorderd. De hoofdregel is dat dwangbevelen door een (gerechts)deurwaarder worden betekend.

In artikel 60 is -als lex specialis- een regeling opgenomen waarbij de kosten van bijstand, als bedoeld in artikel 58 en 59 bij dwangbevel kunnen worden ingevorderd, waarbij het dwangbevel bij gewone post bekend gemaakt kan worden. Dit geldt als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering.

Artikel 60 lid 5 PW is niet beperkt tot enkel terugvordering van te veel betaalde bijstand. Dat betekent dat naar onze mening ook voor de bestuurlijke boete vereenvoudigd derdenbeslag gelegd kan worden en dat geen betekening door een deurwaarder nodig is.

Meer informatie

Vraag
De boete is een bestuursrechtelijke geldschuld en moet uiteindelijk bij dwangbevel worden ingevorderd. Mag een boete worden ingevorderd door middel van vereenvoudigd derdenbeslag, of moet het dwangbevel door een deurwaarder worden betekend?


Volledige bespreking:

In de expertgroep is na uitvoerig beraad het volgende antwoord geformuleerd:
Artikel 5:10 lid 2 Awb (jo artikel 5:2 lid 1, aanhef en onder a jo c Awb) bepaalt dat een boete bij dwangbevel wordt ingevorderd. De hoofdregel is dat dwangbevelen door een (gerechts)deurwaarder worden betekend. In artikel 60 is - als lex specialis - een regeling opgenomen waarbij de kosten van bijstand, als bedoeld in artikel 58 en 59 bij dwangbevel kunnen worden ingevorderd, waarbij het dwangbevel bij gewone post bekend gemaakt kan worden. Dit geldt als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering.

Artikel 60 lid 5 WWB is niet beperkt tot enkel terugvordering van te veel betaalde bijstand. Dat betekent dat naar onze mening ook voor de bestuurlijke boete vereenvoudigd derdenbeslag gelegd kan worden en dat geen betekening door een deurwaarder nodig is. Het dwangbevel kan dan ook per gewone post aan belanghebbende bekend gemaakt worden.

Is artikel 60 lid 5 WWB wel van toepassing bij de invordering van de boete?
Uit de reacties uit het land is gebleken dat er nog wat twijfel bestaat over de vraag of artikel 60, vijfde lid WWB wel van toepassing is bij de invordering van de boete. De stelling van de expertgroep is dat dit artikel wel van toepassing is bij de invordering van de boete.

Vanaf 1 januari 2013 is de titel bij artikel 60 WWB gewijzigd in: 'Besluit tot terugvordering en betaling bestuurlijke boete'. Hieruit volgt reeds dat de wetgever heeft bedoeld artikel 60 van toepassing te laten zijn op de bestuurlijke boete.

In verband hiermee verwijzen wij ook naar de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 33207, blz. 46, onderdelen H en I: In verband met de invoering van de regeling van de bestuurlijke boete zijn de regels met betrekking tot verrekening zoals opgenomen in de artikelen 60 en 60a ook van toepassing op de bestuurlijke boete, bedoeld in de artikelen 18a en 47g.

Alleen in artikel 60 lid 2 en lid 7 is nadrukkelijk opgenomen dat die bepalingen alleen van toepassing zijn op de (terugvordering van) kosten van bijstand.

Artikel 60 lid 2: Hier is alleen bepaald dat de kosten van bijstand bedoeld in artikel 58 en 59 kunnen worden ingevorderd bij dwangbevel. 

Een bepaling over de bevoegdheid om een opgelegde bestuurlijke boete in te vorderen bij dwangbevel is hier niet van toepassing omdat deze bevoegdheid reeds blijkt uit de bepaling van artikel 5:10 lid 2 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 60 lid 7: Alleen aan terugvordering van kosten van bijstand is bevoorrechting toegekend. Dit betekent dat aan de vordering in verband met boete geen bevoorrechting toekomt zodat de boete een concurrente vordering is.

In artikel 60 lid 5 WWB is aan het College de bevoegdheid toegekend voor invordering door middel van vereenvoudigd derdenbeslag. Geen onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen de terugvordering en de bestuurlijke boete.

Ook voor de bevoegdheid om het dwangbevel bekend te maken per gewone post in plaats van bij deurwaardersexploit (voorzover er beslag wordt gelegd op de vereenvoudigde wijze), spreekt artikel 60 lid 5 neutraal over 'het dwangbevel'.

Uit de wettekst noch uit de Memorie van Toelichting blijkt dat er een verband bestaat c.q. moet worden gelegd tussen lid 5 en lid 2 van artikel 60 WWB.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat artikel 60 lid 5 WWB (ook) van toepassing is op de vordering van de bestuurlijke boete.

Visie ministerie SZW
Het ministerie SZW heeft aangegeven dat ze de visie van de expertgroep in deze delen.


Bespreking
De minimale boete is als gevolg van de uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) komen te vervallen. Dat betekent dat voor de hoogte van de boete altijd aangesloten wordt bij het benadelingsbedrag. Daarvoor geldt hetzelfde als voor alle andere boetes. Is sprake van opzet, dan is de boete maximaal 100% van het benadelingsbedrag, bij grove schuld maximaal 75%. Is er sprake van opzet noch grove schuld, dan is de boete maximaal 50% van het benadelingsbedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid is het maximaal 25% van het benadelingsbedrag. Zie ook paragraaf 3.2.1 van de Handreiking aanscherping handhaving en sanctiebeleid.

Omdat de uitspraak zegt dat in alle gevallen een individuele toets moet plaatsvinden en er van een gefixeerd boetesysteem geen sprake is, kan niet automatisch een minimum standaardboete worden opgelegd. Bovendien werd een minimumboete opgelegd voor overtredingen met een benadelingsbedrag onder de € 150, -. Als dan een minimumboete wordt opgelegd, is dat altijd meer dan 100% van benadelingsbedrag en dat kan dus niet langer. De minimumboete komt dus niet meer terug.

Meer informatie

Volledige vraag
De per 2013 ingevoerde Fraudewet verplicht gemeenten om bij geconstateerde informatiefraude een boete op te leggen. De vraag is nu wat de gemeenten kunnen doen met de uit boeten ontvangen gelden? Is dit vrij besteedbaar voor gemeenten? Moeten deze middelen als inkomsten voor het budget BUIG aangemerkt worden? Voorts de vraag hoe en waar dit (juridisch) is vastgelegd.

Antwoord
Informatie van SZW leert dat de geïncasseerde boete-opbrengsten volledig ten bate van gemeenten zijn. Afdracht aan het Rijk is, net als bij andere ontvangsten, niet aan de orde. De besteding is vrij. Vanaf 2014 zullen gemeenten de opgelegde boeten wel moeten verantwoorden via de gebruikelijke SiSa-verantwoording. Dat de gelden vrij zijn volgt uit de bestaande systematiek van budgetering.

(bron Stimulansz)

Volledige vraag
In artikel 18a vijfde lid WWB staat:
Het college legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.

Biedt deze formulering van ‘ten hoogste 150 procent’ ruimte aan de gemeente om de recidiveboete vast te stellen op een lager percentage?


Bespreking:

Opvatting SZW

  • Uiteraard is door SZW met ‘ten hoogste’ bedoeld dat de boete in individuele gevallen lager kan worden vastgesteld wegens dringende redenen of verminderde verwijtbaarheid. 'Ten hoogste' in artikel 18a lid 5 WWB worden gelezen in relatie met artikel 18a lid 7, waarin het College bevoegd is om in individuele gevallen wegens dringende redenen of verminderde verwijtbaarheid, geen danwel een lagere boete (ook bij recidive) op te leggen).
  • Volgens mij gaan alle gemeenten dat ook zodanig toepassen. In het algemene deel van de MvT staat ook een aantal keer dat de boete “in beginsel” 100 of 150% is. Bovendien is het in het parlement ook zodanig besproken: “boete is 100/150, behalve als sprake is van enz”.

Opvatting expertgroep

  • Wat opvalt is dat artikel 18a lid 1 de formulering bevat: 'Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag'. In artikel 2 lid 1 van het boetebesluit is bepaald dat de boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Voor de hoogte van de recidiveboete bevat het boetebesluit zo'n bepaling echter niet.
  • In artikel 18a lid 9 WWB is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. De bepaling van artikel 18a lid 9 WWB is heel stellig geformuleerd en dus geen 'kan'-bepaling.In artikel 2 van het boetebesluit Sociale Zekerheidswetten is nader ingevuld dat de bestuurlijke boete feitelijk dient te worden vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. In dit artikel wordt bovendien dwingend bepaald dat de bestuurlijke boete wordt verlaagd bij verminderde verwijtbaarheid, terwijl in artikel 18a lid 7 aanhef en onder a. WWB dit als een bevoegdheid van het College was beschreven.
  • Voor de bestuurlijke boete bij recidive bepaalt artikel 18a lid 5 dat het College een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag. Hoewel in artikel 18a lid 9 WWB is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete, is in het boetebesluit Sociale Zekerheidswetten de feitelijke hoogte van de bestuurlijke boete bij recidive niet nader ingevuld.
  • Nu artikel 2 van het boetebesluit Sociale Zekerheidswetten zo nadrukkelijk bepalingen bevat voor nadere vaststelling van de omvang van de 'gewone' boete, geeft het ontbreken in het boetebesluit Sociale Zekerheidswetten van een bepaling omtrent de feitelijke hoogte van de bestuurlijke boete bij recidive formeel-juridische ruimte om de recidive-boete door middel van een beleidsregel door het College nader vast te stellen op een lager percentage dan 150% anders dan de verlaging wegens verminderde verwijtbaarheid (lijn Klein Egelink).
  • Voorzover het de bedoeling van de wetgever is geweest om de boete vast te stellen op 100% respectievelijk 150% voor de recidive-boete, blijkt dit niet uit de formele bepalingen van de wet en het boetebesluit. Juist het ontbreken in het boetebesluit van een bepaling voor de recidive-boete, die voor de 'gewone' boete wel zo nadrukkelijk is opgenomen, geeft aanleiding voor de discussie.
  • Had het niet voor de hand gelegen om in artikel 2 van het boetebesluit een gelijke bepaling voor de recidive-boete op te nemen? Nu lijkt dit een omissie in de regelgeving. Ook UWV en SVB zijn van oordeel dat er ruimte is voor eigen invulling van de hoogte van de recidive-boete. Zij bereiden beleidsregels voor.

Opvatting gemeenten

  • In het algemeen blijken gemeenten er van te zijn uitgegaan dat de boete bij recidive bepaald dient te worden op 150% van het benadelingsbedrag.

Bespreking
In artikel 18a, lid 5 PW is geregeld wanneer de recidivetermijn start. De tekst van dit artikel bleek op verschillende manieren geïnterpreteerd te worden. Om die reden hebben we de vraag voorgelegd aan het ministerie van SZW.

Vanuit het ministerie SZW werd het volgende geantwoord:

  • De recidivetermijn start op de datum waarop de eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd.
  • Maar de recidiveboete kan pas worden opgelegd wanneer de eerdere boete onherroepelijk is.

Het al dan niet onherroepelijk zijn van de eerdere boete heeft geen invloed op de recidivetermijn. Deze wordt slechts bepaald door de dag van oplegging van de eerste boete en de datum van het begaan van de nieuwe overtreding. Wel is de onherroepelijkheid van de eerdere boete een voorwaarde om te kunnen spreken van recidive, dus op het moment dat je de tweede boete oplegt moet de eerste boete inmiddels onherroepelijk zijn.

Een voorbeeld
De boete voor schending inlichtingenplicht is opgelegd op 1 april 2013. Na bezwaar, beroep en hoger beroep is de boete onherroepelijk op 1 december 2015. De recidivetermijn start nu op 1 april 2013 en loopt door tot 1 april 2018. Maar de recidiveboete kan enkel in de periode van 1 december 2015 tot 1 april 2018 worden opgelegd.

Kanttekening van de expertgroep
Het nadeel van deze uitleg van de recidivetermijn is dat er een perverse prikkel in zit. Het loont namelijk om zo lang mogelijk te procederen, omdat daarmee de periode waarin de recidiveboete opgelegd kan worden verkort.

Volledige vraag
Als je als gemeente (helemaal) geen gebruik wilt maken van de bevoegdheid om de bestuurlijke boete volledig te verrekenen met de uitkering voor een tijdvak van maximaal drie maanden, en de beslagvrije voet ook gedurende deze periode wilt blijven hanteren, moet je dit dan ook regelen in een verordening?

Antwoord          
Het antwoord is eigenlijk heel kort: ja. Je bent op grond van artikel 8, eerste lid onder i PW verplicht om een verordening te maken in verband met de verrekening van de recidiveboete. Dus ook als je geen gebruik wil maken van die bevoegdheid. Ik wil wel graag nog een overdenking meegeven. Het is uitdrukkelijk de wens van de wetgever dat die bevoegdheid wel wordt gebruikt.

Volledige vraag
Als er sprake is van een boete die moet worden ingehouden op de uitkering en (enige tijd) daarna krijgt iemand een maatregel opgelegd (in het kader van re-integratie), wat is dan de juiste volgorde? Moet dan eerst rekening worden gehouden met de maatregel en later weer de boete worden geïnd?

Antwoord
Een boete moet worden verrekend met de uitkering met inachtneming van de beslagvrije voet. Op het moment dat een maatregel wordt opgelegd, wordt de uitkering lager en daarmee ook de beslagruimte. Dat betekent dat -afhankelijk van de hoogte van de maatregel- de boete in die maand voor een lager bedrag of zelfs helemaal niet verrekend moet worden.

Dus: de maatregel wordt volgens de normale procedure opgelegd. Over die maand wordt de beslagvrije voet opnieuw berekend. Aan de hand daarvan wordt het bedrag waarmee de boete wordt verrekend aangepast, of de verrekening wordt opgeschort tot ná de maatregel.

Volledige vraag
Kan iemand mij zeggen of er regels zijn m.b.t. de volgorde van verrekening met de bijstandsuitkering van een boete c.q. terugvordering op grond van de nieuwe Handhavingswet? Eerst afboeken op de terugvordering is gunstiger voor de klant (netto/bruto). Uit de wet (art 60b)maak ik op dat bij recidive de boete eerst (3 mnd) moet worden verrekend. In het geval dat er geen sprake is van recidive én bij recidive na 3 maanden lijkt dat voorrang kan worden gegeven aan afboeking op de terugvordering. Klopt dit?

Antwoord  
Hoewel ik je vraag en je redenering begrijp zit er toch een dikke adder onder het gras. De bijstandsterugvordering is op grond van artikel 60 lid 6 WWB (thans artikel 60 lid 7 PW) bevoorrecht. De wetswijziging ivm de "fraudewet" voorziet niet in een wijziging van dat artikel.

Daarnaast heb je artikel 4:92 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht "Indien een schuldenaar verschillende geldschulden heeft bij dezelfde schuldeiser, kan de schuldenaar bij de betaling de geldschuld aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegerekend." Daarin staat dus eigenlijk dat de klant mag bepalen op welke vordering hij eerst aflost. Dat betekent ook dat als een preferent schuldeiser (zoals de belastingdienst) beslag legt op de WWB-uitkering hij naar mijn mening de verrekening van de boete "wegdrukt". Dat is weer niet het geval als de gemeente verrekent tbv de "fraudeschuld". Die vordering is namelijk wel preferent en dan geldt dat verrekening voor beslaglegging gaat.

Dus wat is dan wijsheid. Je zou zeggen: boete is lik op stuk, dus die zou ik eerder moeten willen incasseren maar aan de andere kant kan je daarmee "in de wielen worden gereden" door een preferent schuldeiser. Bovendien kan het ook zo zijn dat als je eerst de boete verrekent en daarna pas de fraudeschuld dat de vordering zou moeten worden gebruteerd omdat deze niet is afgelost in het jaar waarop deze betrekking heeft. De klant zou dan kunnen aangeven dat dat hem niet kan worden verweten omdat de gemeente eerst de boete incasseert. Hoe de rechter daar tegen aan kijkt durf ik niet te zeggen.

Ga je eerst de terugvordering incasseren dan is de waarde van de verrekening gedurende de eerste drie maanden (op basis van de verordening) natuurlijk nagenoeg niks omdat je dan gedurende die drie maanden zowel de terugvordering incasseert met beslagvrije voet en de overige ruimte inneemt voor betaling van de boete, maar na afloop van die drie maanden je weer niet incasseert voor de boete.

Kortom: de wet biedt hierover geen duidelijkheid en gemeenten zullen daar beleid op moeten gaan maken.

Opmerking vanuit een gemeente
Het antwoord op de vraag (boete of terugvordering eerst) gaat m.i. fout waar het gaat om de relatie met verrekening. Verrekening levert een feitelijke preferentie op. De bevoegdheid tot verrekening kan ook worden ingeroepen tegen "preferente schuldeisers" zoals de Belastingdienst.

Reactie op opmerking vanuit de gemeente
Weliswaar kent de terugvordering wel een preferentie en de boete niet maar omdat verrekenen nu eenmaal voor beslaglegging gaat is die preferentie niet bepalend maar de "bevoorrechting" die door de verrekening bestaat.

Ter vergelijking het volgende: als de gemeente verrekent ivm een bijstandsvordering en de belastingdienst wil beslag leggen dan zal die belastingvordering een hogere preferentie hebben dan de bijstandsvordering. Voor zover de gemeente verrekent is echter geen beslag mogelijk. De aard van de vordering (preferent en welke rangorde dan ook of concurrent) maakt dus niet uit: verrekenen gaat voor op beslaglegging.

Volledige vraag
Mijn vraag heeft betrekking op de verrekening van boetes met uitkeringen in geval van recidive en toepassing van robuuste incasso door bijvoorbeeld UWV. Indien een belanghebbende in een dergelijke situatie algemene bijstand aanvraagt, kan de gemeente deze aanvraag niet afwijzen op grond van artikel 15 PW. De MvT verwijst daarvoor naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 20 juni 2000, nr. 98/5545 NABW; USZ 2000/196). Wel kan de gemeente in dergelijke situaties een maatregel opleggen vanwege een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en/of om dezelfde reden bijstand in de vorm van een geldlening verstekken.

Wat ik in dit kader mis is artikel 14 sub b PW. In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend de betaling van een boete. Naar mijn mening kan in het voorbeeld dat de MvT geeft, dan ook geen algemene bijstand verleend worden op grond van artikel 14 sub b PW. Ook niet op grond van zeer dringende redenen. De CRvB oordeelt dat het zich niet met de doelstelling van artikel 16 Abw (huidig artikel 14 PW) verdraagt om aan het college een bevoegdheid te geven, ook niet in zeer dringende gevallen, van die bepaling af te wijken (CRvB 07-03-2006, nr. 05/319 NABW). Klopt mijn redenering of sla ik de plank volledig mis?

Antwoord          
De Participatiewet bepaalt inderdaad dat je geen bijstand mag betalen voor een boete. Een simpel voorbeeld: iemand rijdt door rood, krijgt een bekeuring, en heeft bijstandsuitkering. Dan mag bijstand verstrekt worden voor het betalen van de boete.

In de M.v.T. op dat artikel 14 is destijds o.a. hierover opgenomen:
"Alleen de belangrijkste kostensoorten die in de jurisprudentie consequent als niet noodzakelijk worden aangemerkt, zijn opgenomen. Indien iemand reeds een algemene bijstandsuitkering ontvangt en deze uitkering mede voor een van de genoemde kostensoorten wenst aan te wenden, staat dit betrokkene uiteraard vrij. Bedoelde aanwending mag evenwel niet vervolgens tot een toekenning van extra bijstand leiden, aangezien dan alsnog langs indirecte weg bijstand voor deze kosten zou worden verleend."

Dat is dus een verbod om rechtstreeks bijstand voor de boete te betalen. Maar dat is niet aan de orde (dat rechtstreekse) als de WW niet uitkomt tot betaling aan de klant wegens verrekening met de boete. De WW wordt dan nl. wel betaald maar wordt als aflossing afgeboekt op de vordering. Het UWV zal dan ook wel een jaaropgave afgegeven met het WW fiscale bedrag; alleen heeft de klant dat niet ontvangen.

Ik ben het met je eens dat deels op hetzelfde neerkomt maar omdat artikel 14 het heeft over geen bijstand in de boete (niet rechtstreekse betaling van die boete dus) kan je niet met dat artikel uit de voeten als je het hebt over het niet uitbetalen van WW aan een klant wegens verrekening met de boete. De WW wordt normaliter aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 PW, maar dat is dus niet het geval als deze wegens verrekening van een boete niet aan de klant wordt uitbetaald.  Dat is een subtiel verschil dus met artikel 14.

Overigens is juist die verrekening met de WW voor ons de aanleiding om te adviseren de maatregelverordening op dat aspect aan te passen. Zou je dat niet doen dan zal waarschijnlijk gelden dat de meeste gemeente de maatregel zouden  beperken tot 1 maand. Wij adviseren dus die maatregelperiode op te rekken tot 3 maanden. Zou je die wijziging niet doorvoeren dan krijgt de klant dus maandenlang geen WW, gaat bijstandsaanvraag doen en als hij daar recht op heeft wordt er maar een maand een maatregel toegepast en daarmee zo ongeveer (op een maand na) de verrekening van het UWV ongedaan gemaakt. 

Volledige vraag
Als de klant om gegevens wordt gevraagd en hij levert deze niet tijdig in, dan leggen we nu een hersteltermijn op. Als de klant dan wel gegevens aanleverd, kun je als gemeente volgens mij kiezen of je dan toch een sanctie op wilt leggen of dat je het met een waarschuwing afdoet.

Vraag: zijn we bij nieuwe boeteregels verplicht om bij de 1e keer gegevens niet inleveren een verplicht boetetraject in te gaan (of kunnen we zelf bepalen of we dat niet willen bestraffen, zelfs niet met een waarschuwing).

Antwoord 
Er is in dat geval sprake van nulfraude. De eerste keer kun je volstaan met geven van een waarschuwing. Wordt het Rechtmatigheidsonderzoeksformulier (ROFje) binnen twee jaar weer niet tijdig ingeleverd dan zal een boete van € 150,- moeten worden opgelegd. Het is wellicht handig om de bewindvoerders die veel van jullie cliënten begeleiden hierover te informeren. Met name bij uitkeringsgerechtigden die onder bewind staan gaat hierin wat mis.

Volledige vraag
Een sociale recherche die werkt voor meerdere gemeenten. Veel gemeenten wensen de sociale recherche de boetezaken te laten afhandelen. In alle gemeenten zijn de sociale recherches als toezichthouder benoemd (op functie, dus niet op naam). Hoe dient de aanstelling van de boeteambtenaar geregeld te worden. Is per gemeente de aanpassing van het mandaatregister voldoende?

Antwoord
Zoals bekend zal zijn vereist artikel 10.3 lid 4 Awb een personenscheiding. Een boete die maximaal hoger is dan € 340,- moet dus worden opgelegd door een ander dan die over de overtreding heeft gerapporteerd. Dat zal ook in het mandaatregister tot uitdrukking moeten komen. Ik kan me voorstellen dat de sociale recherches ook over de overtredingen rapporteren. Dat betekent dat een andere sociale recherche de boete moet behandelen.

Nu de sociale recherche namens meerdere gemeenten werk verricht is het dan noodzakelijk dat in al die gemeenten die mandaatregeling wordt aangepast. Volstaan kan worden met een mandaat dat recht doet aan artikel 10.3 lid 4 Awb. Je zou dus de mandaatregeling zo kunnen vormgeven in die gemeenten dat daarin komt te staan dat de sociale recherche een boete oplegt voorzover die persoon niet de overtreding heeft gerapporteerd (of als alternatief: voor zover de maximale op te leggen boete niet meer is dan € 340,- zodat die sociale recherche die de overtreding heeft gerapporteerd wel een boete op kan leggen als die boete niet hoger kan zijn dan die € 340,-.

Antwoord
In deze is van belang artikel 10.3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht: "4. Indien artikel 5:53 van toepassing is, wordt mandaat tot het opleggen van een bestuurlijke boete niet verleend aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt."

Ter info: artikel 5:53 luidt als volgt: "1. Dit artikel is van toepassing indien voor de overtreding een bestuurlijke boete van meer dan € 340 kan worden opgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 2. In afwijking van artikel 5:48 wordt van de overtreding steeds een rapport of proces-verbaal opgemaakt. 3. In afwijking van afdeling 4.1.2 wordt de overtreder steeds in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen."

Dit betekent dat als de maximaal op te leggen boete meer is dan € 340,- dat dan geen mandaat kan worden verleend tot het opleggen van een boete aan degene die het een rapport van die overtreding heeft opgemaakt. Er is dus dan geen sprake van een functie maar van een personenscheiding. Een collega met dezelfde functie zou dus wel een boete kunnen afwerken; het hoeft dus niet perse iemand te zijn die alleen maar gemandateerd is voor het opleggen van bestuurlijke boete. Je hoeft dus niet perse een boeteambtenaar aan te stellen. Wel moet het mandaatregister worden aangepast. Degene die de boete oplegt moet dus daarvoor gemandateerd zijn.

Volledige vraag
Diegene die de schending inlichtingenplicht constateert en van deze constatering een rapport maakt is niet bevoegd om een besluit te nemen over het opleggen van een boete.

Gaat het nu goed als: klantmanager constateert en rapporteert over deze gedraging, geeft ambtenaar terugvordering opdracht tot het opstellen van herziening/intrekking van het recht, terugvordering, boetegesprek en oplegging boete?

Antwoord
Het antwoord hierop is eigenlijk heel eenvoudig: Ja, op die manier voldoe je aan de verplichting. Waar het om gaat is dat er wel de extra waarborg is van een tweede persoon om nogmaals naar het traject en een eventuele boete te kijken. Ik denk dat je hiermee een zeer praktische en werkbare oplossing hebt gevonden.

Antwoord        
Duidelijke richtlijnen voor een opleidingsvereisten voor boete-ambtenaren zijn er niet. Verondersteld mag wel worden dat ze qua competenties gelijkwaardig zijn aan die van bijv. bijstandsconsulenten. Van belang is namelijk dat ze een onderscheidend vermogen hebben in het beoordelen van verwijtbaarheid van een gedraging. Om een voorbeeld te geven: schending van een inlichtingenplicht zou volledig te goeder trouw kunnen zijn en is dus feitelijk (je hebt niet gedaan wat je zou moeten doen)maar daarmee is nog niet gezegd dat die gedraging dan ook automatisch verwijtbaar is.

Het is het dus kunnen beoordelen van de antwoorden op de "waarom- vraag". In het verleden (we kenden namelijk eerder ook boetes bij de bijstand) werden de boetes behandeld door de medewerkers terugvordering die immers ook de feiten kennen mbt de terugvordering. Dat is nu ook mogelijk als maar een knip wordt gemaakt in de feiten (de terugvordering) en de beoordeling van al of geen boete. Voor dat laatste geldt dus de cautie en het zwijgrecht.

Volledige vraag
Gemeenten leggen bij een "2e waarschuwing" een boete op van € 150,00. Kan deze boete wel geregistreerd worden?

Antwoord
Ja, als een vordering met een ontstaansgrond code 59 ‘boete niet wegens fraude’.

Meer informatie

Nee. Boetes van het OM moeten niet bij gemeenten opgevoerd worden als vordering.

In de factsheet komen de volgende vragen aan de orde: wie mag Suwinet gebruiken, wie mag Suwinet niet gebruiken, waar mag ik Suwinet voor gebruiken, waar mag ik Suwinet niet voor gebruiken?

Wanneer een nieuwe rol succesvol is aangemaakt, zie je bovenaan de pagina de volgende tekst: ‘wijziging is opgeslagen’.

Ja. U dient nog wel de rollen aan te maken behorend bij de functies. Het is vooral interessant wanneer er sprake is van veel medewerkers met dezelfde functie. Maakt u gebruik van submappen? Let dan wel op dat u de rollen in de hoofdmap aanmaakt! Zodat de rollen in alle submappen zichtbaar zijn.

Volledige vraag
Graag "Datum automatisch blokkeren op" bij de accounts ook vermelden op eerste overzicht Gebruikersadministratie; deze informatie is nu pas te zien als je het gebruikersaccount opvraagt.

Antwoord
De VNG neemt deze wens mee om als wijziging in te dienen.

Volledige vraag
Hoe controleer je of medewerkers Suwinet alleen gebruiken voor de toegestane taken, dus Participatiewet, IOAW of IOAZ? Medewerkers met een ruimer takenpakket (bv. ook schuldhulpverlening en Wmo) kunnen in theorie ook Suwinet gebruiken voor schuldhulpverlening en Wmo. Terwijl dat niet is toegestaan...

Antwoord
Controle van medewerkers met verschillende wettelijke taken (zoals bijvoorbeeld Participatiewet en WMO) is een bekend en lastig fenomeen. Van belang is hier veelvuldig over te communiceren en dit middels casussen aan de orde te brengen tijdens werkoverleggen. Niet de controle is belangrijk maar het bewustzijn bij medewerkers is belangrijk. Wanneer zij weten wat wel en niet mag en waarom, kunnen zij hier ook naar handelen. Het gebruik maken van Whitelisting voor de klanten van werk en inkomen kan hierbij ook helpen.

Op dit moment niet. De VNG is hierover in gesprek met SZW.

Dit kunt u het beste bespreken met uw leidinggevende en het management van de lijnorganisatie. Een gemeente is zelf verantwoordelijk voor een goede en up-to-date gebruikersadministratie, waarin alleen medewerkers staan die vanuit hun wettelijke taken toegang hebben tot een account met autorisaties, passend bij deze taken.

BKWI is voornemens een upgrade te doen voor de Gebruikersadministratie. Daarin wordt deze wens meegenomen.

In de nieuwe gebruikersadministratie komt een mogelijkheid voor export.

Zolang deze mogelijkheid er niet is, dient de VNG een verzoek in bij BKWI om dit op te nemen in het aanvraagformulier ‘specifieke rapportage’.

In de generieke gebruikersrapportage wordt niets over mappenstructuur gerapporteerd. Het aantal accounts per organisatie wordt weergegeven, ongeacht in welke submap deze  in de gebruikersadministratie zijn ondergebracht.

De rapportagetool ontvangt iedere nacht een kopie van de gebruikersadministratie waarmee een historie is opgebouwd. BKWI kan altijd terugkijken naar wanneer bepaalde accounts in bepaalde mappen zijn gezet alleen rapporteert BKWI daar niet over. VNG neemt deze wens mee om als wijziging in te dienen.

Dit is niet nodig. De gebruikersbeheerder dient eerst het account van de gebruiker te verwijderen. Daarna maakt de gebruikersbeheerder het account opnieuw aan in de nieuwe map.

Dit geldt enkel in het geval van rollen die op een hoger niveau zijn aangemaakt. Vraag jezelf vooral af wat voor jou organisatie het meest overzichtelijk is. Indien dat betekent dat je met submappen wilt werken, maak dan eerst een structuur op papier. Vervolgens maak je altijd alle rollen aan in de hoofdmap, zodat deze in alle submappen zijn te zien.

Volledige vraag
Graag de Gemeentenaam (of gemeentecode) op de homepagina Suwinet vermelden. Nu kun je wanneer je ingelogd bent nergens meer zien in welke gemeentelijke Suwinetomgeving je bent ingelogd. Vanuit onze organisatie hebben we namelijk drie gemeenten waarop ingelogd kan worden. Duidelijk vermelden van de gemeentenaam voorkomt onterechte bevragingen in de verkeerde gemeente.

Antwoord
De VNG neemt deze wens mee om als wijziging in te dienen.

Nee. Een map met accounts van gebruikers kan niet verder opgedeeld worden.

Volledige vraag
Je kunt volgens mij beter alleen in de hoofdmap rollen aanmaken gelijk aan de functies van de medewerkers. Ik heb eerst met submappen gewerkt maar die kun je helaas niet meer aanpassen. Misschien om als tip te benoemen?

Antwoord
Dit is inderdaad een ‘best practice’. Rollen kunnen het beste aangemaakt worden in de hoofdmap zodat deze ook beschikbaar zijn in de submappen. Een rol die aangemaakt is in een submap is enkel zichtbaar binnen deze submap.

Dit hangt van de situatie af. Als de afdeling van naam verandert, moet je opnieuw een submap maken onder de nieuwe naam en vervolgens de accounts in de oude map afsluiten en opnieuw aanmaken in de map met de nieuwe naam.

Als de afdeling niet van naam verandert maar alleen de mensen andere taken gaan uitvoeren, kun je de accounts de nieuwe rollen geven. Deze rollen moet je wel eerst in de hoofdmap aanmaken.

De huidige gebruikersadministratie is hier niet op ingericht. VNG neemt deze wens mee om als wijziging in te dienen.

Dat klopt maar ook voor kleinere gemeenten kan het handig zijn om hier gebruik van te maken. Door gebruik te maken van mappen kun je de gebruikersadministratie duidelijker een weerspiegeling laten zijn van je autorisatiematrix.

Als gemeenten graag willen werken met single sign on, kunnen ze dit doorgeven aan de VNG. De VNG heeft de mogelijkheid om dit te agenderen bij het ketenoverleg.

BKWI werkt hard aan twee upgrades. Een upgrade voor Suwinet en een upgrade voor de gebruikersadministratie. Deze staan los van elkaar. Gemeenten kunnen over naar een upgrade van de gebruikersadministratie zodra BKWI daar klaar voor is. Gemeenten kunnen vooralsnog niet over naar de Upgrade Suwinet omdat deze omgeving niet past op de gemeentelijke structuur.

BKWI is verantwoordelijk voor de uitrol en heeft dit voor het eerste kwartaal van 2018 gepland.

Zodra meer informatie beschikbaar is, laat BKWI dit weten via de website www.bkwi.nl en de nieuwsbrief Short Message Suwinet (SMS).

Wijzigingen worden doorgegeven in de releasebrief. De volgorde van wijzigingen wordt afgestemd in het ketenoverleg (UWV, SVB en VNG). Wanneer er wensen zijn van bestaande producten of nieuwe producten, kunnen gemeenten dit aangeven bij de VNG.

U bepaalt zelf waarover u een specifieke rapportage wilt ontvangen. Mogelijk doelt u op de ’26 weken rapportage’. Deze specifieke rapportage biedt inderdaad alleen inzicht in het gebruik van de escaperol en wordt de eerste 26 weken na implementatie van de whitelist beschikbaar gesteld.

Wilt u een specifieke rapportage opvragen dan gebruikt u het aanvraagformulier te vinden op: www.bkwi.nl - aanvraagformulier
In dit formulier kunt u aangeven over welke tabellen uit de generieke gebruikersrapportage u informatie op persoonsniveau wilt ontvangen.

Het BKWI werkt aan een verdere automatisering voor het aanvragen en verkrijgen van specifieke rapportages.

Volledige vraag
Waarom krijgen gebruikers geen email met herinnering als hun ww bijna verlopen is; het kan voorkomen dat de gebruiker een aantal dagen niet inlogt en dat toevallig op die dagen hun wachtwoord verloopt.

Antwoord
Goede suggestie, de VNG neemt deze wens mee om als wijziging in te dienen.

Volledige vraag
Misschien is het goed nogmaals te communiceren dat iemand een aparte autorisatie kan krijgen voor het wijzigen en resetten van wachtwoorden. Die taak hoeft dus niet bij de gebruikersbeheerder te liggen.

Antwoord
In de nieuwsflits wordt hier aandacht aan besteed.

De vraag is of dit valt onder de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, opgenomen in artikel 18 PW. Dit artikel heeft als kop ‘afstemming’. De kop ‘verplichtingen’ staat boven artikel 9 PW. Dat heeft als consequentie dat artikel 18 geen zelfstandige verplichtingen in het leven kan roepen, maar alleen de grondslag biedt voor een afstemming als niet aan de verplichtingen is voldaan. Met andere woorden, alle arbeidsverplichtingen staan in artikel 9 PW, de afstemming in artikel 18 waarbij de arbeidsverplichtingen uit artikel 9 PW helemaal zijn uitgesplitst. Er worden dus geen nieuwe verplichtingen gecreëerd.

Artikel 9 PW geldt vanaf de datum van de melding bij het UWV als bedoeld in artikel 44, tweede lid PW. Ofwel, de geüniformeerde arbeidsverplichtingen waren nog niet van toepassing op de dag dat mevrouw X haar baan heeft opgezegd. Afstemming op grond van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen is dus niet mogelijk. Wel is er sprake van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De afstemming zal dus daarop gebaseerd moeten zijn, als dat in de verordening is geregeld.

Volledige vraag
Kunnen wij bij een benadelingsbedrag beneden 340 euro (doorgaans bij nulfraude) een boete opleggen zonder met de klant in gesprek te gaan? (of gelden ook bij bijv. nulfraude cautie e.d.) 

Antwoord 
Als het benadelingsbedrag lager is dan € 340,- dan kan de lichte procedure worden toegepast. De lichte procedure betekent dat het opmaken van een rapport en het horen van de betrokkene niet noodzakelijk is. Het mag wel, maar als je kiest om wel te horen, moet de cautie gegeven worden.

Let er wel op dat bij recidive al eerder een boete opgelegd kan worden van € 340,-, omdat de boete dan 150% van het benadelingsbedrag is. Dan geldt toch de zware procedure, omdat het maximale boetebedrag leidend is.

Volledige vraag
In de participatiewet staat dat er samen met de klant een plan van aanpak moet worden opgesteld. Hoe moet zo’n plan eruitzien? Mijn gemeente stelt, na een gesprek met de klant, het plan zelf op. Is dat een goede werkwijze?

Antwoord
Artikel 9, lid 1 onder b Participatiewet geeft aan dat een klant moet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak. In artikel 44a staat beschreven dat dit plan in ieder geval een uitwerking van de soort ondersteuning bevat en een passage over de verplichtingen van de klant om aan de arbeidsinschakeling mee te doen en wat de gevolgen kunnen zijn als deze zich niet aan de verplichtingen houdt. Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan voldoet het plan aan de in de Participatiewet gestelde vereisten.

Bij een door de gemeente opgesteld plan van aanpak, loopt de gemeente het risico dat het plan te weinig een appèl doet aan de zelfredzaamheid van de klant.

Wanneer de klant zelf aangeeft wat en hoe die zijn zelfredzaamheid denkt te versterken en aangeeft welke ondersteuning van de gemeente die nog nodig heeft, wordt dat risico veel kleiner.

De kans dat het plan door de klant daadwerkelijk wordt uitgevoerd is dan groter. De naleving van de voorwaarden/verplichtingen worden versterkt en daarmee de handhavingsmogelijkheden van de gemeente groter.

Gebruikersrapportages en Specifieke rapportages worden gegenereerd bij de beheerder BKWI. Onder welke naam BKWI de rapportages oplevert, hangt af van de naam waaronder het samenwerkingsverband is aangemeld en of het is aangemeld.

Volledige vraag
Moet in de Participatiewet (PW) ook een waarschuwing/boete worden opgelegd als een aanvraag (bijv. op basis van verzwegen vermogen) wordt afgewezen?

Antwoord
De verplichting om op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering geldt op grond van artikel 17 lid 1 PW en artikel 30c lid 2 en 3 Wet suwi. Deze verplichtingen gelden direct vanaf de aanvraag. Dat betekent dat ook het niet verstrekken van voldoende of juiste gegevens bij de aanvraag een schending van de inlichtingenplicht tot gevolg heeft. Aangezien er niet teveel uitkering is uitbetaald, kan worden volstaan met een waarschuwing zolang de afgelopen twee jaar de inlichtingenplicht niet eerder is geschonden.

Schending van de inlichtingenplicht tijdens bewindvoering. Wat betekent dit voor het opleggen van een boete?

Wanneer de inlichtingenplicht is geschonden, maar de klant vertegenwoordigd wordt door een bewindvoerder, kan het voorkomen dat de fout bij de bewindvoerder ligt. Echter, ongeacht het handelen van de bewindvoerder blijft de klant voor de wet verantwoordelijk voor het leveren van de relevante informatie. Aan de klant zal in principe een boete opgelegd moeten worden.

Als de klant aantoont dat de omissie bij de bewindvoerder ligt en er ten aanzien van hem sprake is van verminderde verwijtbaarheid, zal bij het opleggen van de boete rekening gehouden moeten worden met mogelijke verminderde verwijtbaarheid, dan wel de afwezigheid van verwijtbaarheid. Immers volgens het 'AVAS'-principe (= afwezigheid van alle schuld) kan bij ontbreken van verwijtbaarheid geen boete worden opgelegd.

Aan een bewindvoerder kan, voor het verzuim om de betreffende informatie op te geven aan het college, geen bestuurlijke boete worden opgelegd. De bewindvoerder is immers geen belanghebbende in de zin van de Participatiewet.

De klant kan eventueel een klachtenprocedure starten tegen de bewindvoerder. Deze procedure gaat buiten de gemeente om en maakt geen deel uit van de boeteprocedure.

Meer informatie

Volledige vraag
Door een burger wordt een aanvraag voor bijstand ingediend. De burger wordt verzocht om enkele bewijsstukken in te leveren. Bewijsstukken welke niet gerelateerd zijn aan de zgn. authentieke bronnen. Bijvoorbeeld: bankafschriften, overzicht schulden enz.

De burger levert deze stukken niet binnen het vastgestelde termijn in. De aanvraag wordt buiten behandeling gesteld. (art. 4:5 Awb). Heeft de aanvrager de inlichtingenplicht geschonden en dient hij in dat geval dan een waarschuwing of boete te krijgen?

Antwoord
De verplichting om op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering geldt op grond van artikel 17 lid 1 PW en artikel 30c lid 2 en 3 Wet suwi. Deze verplichtingen gelden direct vanaf de aanvraag.

Dat betekent dat ook het niet verstrekken van voldoende of juiste gegevens bij de aanvraag een schending van de inlichtingenplicht tot gevolg heeft. Aangezien er niet teveel uitkering is uitbetaald, kan worden volstaan met een waarschuwing zolang de afgelopen twee jaar de inlichtingenplicht niet eerder is geschonden.

Volledige vraag
In onderstaande voorbeelden gaat het telkens om iemand die twee weken heeft gewerkt zonder dit op te geven. Daarmee is € 700,- verdiend. In alle gevallen is sprake van recidive na één jaar, waarbij weer € 700,- is verdiend zonder dit op te geven. In alle gevallen is opzet aangetoond.

Voorbeeld 1:

  • Een bijstandsgerechtigde, benadelingsbedrag € 700,-; boete € 700,-. Totale schuld aan de gemeente € 1.400,-. Betrokkene verhuist van Rotterdam naar Capelle a/d IJssel en recidiveert na een jaar. Benadelingsbedrag € 700,-; boete € 1.050,- (en de beslagvrije voet voor drie maanden niet van toepassing). Schuld aan de gemeente: € 1.750,-.

Voorbeeld 2:

  • Een WW-gerechtigde, benadelingsbedrag € 700,-; boete € 700,-. Totale schuld aan UWV € 1.400,-. Hij gaat uit de WW en komt in de bijstand. Een jaar later gebeurt dit nog eens. Benadelingsbedrag € 700,-; boete € 1.050,- (en 3 maanden geen bijstand?) Schuld aan de gemeente € 1.750,-.

Voorbeeld 3:

  • ZW-gerechtigde die 2 weken heeft gewerkt voor een uitzendbureau (€ 700,- niet opgegeven). Benadelingsbedrag € 700,-; boete € 700,-; schuld aan UWV € 1.400,-. Hij wordt uiteindelijk ontslagen en komt in de WW. Een jaar later is wederom sprake van schending van de inlichtingenplicht. Benadelingsbedrag € 700,-; boete € 1.050,- (en wordt uit de WW gezet en komt in de bijstand?); schuld aan UWV € 1.750,-.

Vraag: Waar ga ik de fout in? Wil je adequaat kunnen handelen in deze situaties, is een fraude-boete-register noodzakelijk.

Antwoord
Allereerst een kleine nuance met betrekking tot de door jou geschetste situaties. Betrokkene heeft in situatie 1 gewerkt en € 700,- verdiend zonder dit door te geven aan het college. Voor de vaststelling van de hoogte van de terugvordering kijk je naar de onterecht door het college betaalde bijstand, ofwel het brutobedrag. Voor de vaststelling van de hoogte van de boete kijk je naar het onterecht door de bijstandsontvanger ontvangen bedrag, ofwel het nettobedrag. De terugvordering en de boete zullen dus in de praktijk zelden even hoog zijn, ook al is de boete 100% van het benadelingsbedrag. De enige uitzondering daarop is als de terugvordering nog in hetzelfde kalenderjaar wordt afgelost. In dat geval heeft de gemeente nog geen belasting en sociale premies afgedragen.

Voor de bepaling of er sprake is van recidive wordt gekeken naar een clustering van wetten. Dat betekent dat wel sprake is van recidive als iemand binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de eerste boete een tweede overtreding van de inlichtingenplicht begaat, zolang het bij dezelfde uitvoeringsinstantie is (SVB, UWV of gemeente). Dus van WW naar ZW is wel recidive, van WW naar PW niet. De boete bij de gemeente is dus maximaal 100% van het benadelingsbedrag, niet 150%.

Voorbeeld 3 is inderdaad een geval van recidive, nu beide wetten door het UWV worden uitgevoerd. Bij recidive wordt hij alleen niet de WW uitgezet, maar de beslagvrije voet wordt maximaal vijf jaar buiten werking gesteld. Die vijf jaar is hier zeker niet aan de orde, nu het om een schuld gaat van € 1.750,-. Die is veel eerder afgelost en dan wordt de uitkering weer doorbetaald. Bovendien kan een bedrag worden uitbetaald voor woonkosten, zorgkosten en kosten kinderen. Mocht betrokkene dan toch zonder middelen zijn, dan kan hij een bijstandsuitkering aanvragen. Als deze wordt toegekend dan worden de uitbetalingen van de WW-uitkering voor woonkosten, zorgkosten en kosten kinderen niet als middel aangemerkt. Op papier heeft betrokkene namelijk een heel hoog jaarinkomen, uit WW (al komt die niet tot uitbetaling) en uit PW. Daarom zal het recht op zorg- en huurtoeslag beduidend lager worden of geheel eindigen. Om die reden wordt dit voor de bijstand niet als middel aangemerkt.

Het ligt voor de hand dat gemeenten in situaties als genoemd onder voorbeeld 3 een maatregel opleggen bij toekenning bijstand vanwege onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Betrokkene is namelijk door eigen toedoen in de omstandigheid gekomen dat hij niet meer in zijn bestaan kan voorzien. Op grond van de maatregelverordening kan een maatregel worden opgelegd, maar dan moet wel in de maatregelverordening zijn opgenomen dat een maatregel mogelijk is vanwege ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. Het is aan te raden om deze situatie specifiek in de verordening op te nemen. Niet per se noodzakelijk, maar het kan wel helpen.

Volledige vraag
Betrokkene is verhuisd naar een andere gemeente en heeft zich daar bij Burgerzaken ingeschreven. Bij de gemeente waar zij een bijstandsuitkering ontvangt heeft zij deze verhuizing niet doorgegeven. Desgevraagd geeft zij aan dat de nieuwe gemeente bij inschrijving heeft gezegd dat de inschrijving zal worden door gegeven aan de oude gemeente.
Betrokkene dacht dat hiermee aan de inlichtingenplicht was voldaan. Is dit boetewaardig?

Antwoord          
Het feit dat betrokkene haar verhuizing naar en vestiging in de nieuwe gemeente heeft gemeld bij de nieuwe gemeente en zich daar heeft laten inschrijven, maakt het feit, dat betrokkene het niet aan de uitkeringsafdeling in de oude gemeente heeft gemeld, niet boetewaardig. 

Bespreking
De vraag is, of er sprake is er sprake van schending van de inlichtingenplicht als de gemeente de gegevens zelf uit diverse administraties kan halen? Van belang is om te weten wat die inlichtingenplicht precies inhoudt.

In artikel 17, eerste lid PW staat: De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

De ministeriële regeling die hier wordt genoemd, is echter nooit gemaakt. Dat betekent dat de inlichtingenplicht onverkort geldt. De verwarring ontstaat door artikel 5.2a van het Besluit suwi, omdat daar een aantal gegevens genoemd worden die de gemeente zelf uit administraties binnen en buiten de gemeente kan halen. Maar dit artikel verwijst enkel naar artikel 53a PW (onderzoeksplicht gemeente) en niet naar artikel 17 PW (inlichtingenplicht).

Als de bijstandsgerechtigde bij de BRP heeft gemeld dat er iets in zijn woonsituatie is gewijzigd, dan heeft hij aan de inlichtingenplicht voldaan. Door deze melding heeft hij het college namelijk op de hoogte gebracht van de wijziging. Hoe het college ervoor zorg draagt dat deze informatie van burgerzaken terecht komt bij de sociale dienst, is aan het college. De bijstandsgerechtigde staat hier buiten.

Volledige vraag
Indien de gemeente in het jaar 2013 een verzwegen samenwoning constateert in de eigen gemeente dan dient de ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering te worden teruggevorderd en kan/moet een boete worden opgelegd ter hoogte van de bijstandsvordering.

Moet/kan de boete ook worden opgelegd aan de verzwegen partner omdat de bijstandsvordering i.v.m. hoofdelijke aansprakelijkheid wel van de verzwegen partner kan worden teruggevorderd?

Antwoord          
De inlichtingenplicht op grond van de WWB (nu Participatiewet - PW) geldt vanaf het moment dat iemand zich heeft gemeld voor een uitkering. En de verzwegen partner heeft zich nooit gemeld, hij is juist in het geheel niet bekend bij de gemeente. De inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid WWB (thans PW) is daarom niet op hem of haar van toepassing. Om die reden kan er geen bestuursrechtelijke boete opgelegd worden wegens schending van die inlichtingenplicht. De te veel of ten onrechte betaalde uitkering kan wel worden teruggevorderd, nu dit specifiek is geregeld in artikel 59, tweede lid WWB (PW).

Dit is anders als er aangifte wordt gedaan en de fraude via het strafrecht wordt afgehandeld. Op grond van het strafrecht kan de meeprofiterende - verzwegen -partner wel worden bestraft.

Er is wel sprake van een medepleger als een echtpaar een uitkering aanvraagt en beide partners verzwijgen de inkomsten van één van de partners. In dat geval hebben beiden de inlichtingenplicht geschonden en is de boete voor hun beide.

Ja, dat is mogelijk. Artikel 9 lid 1 onder c Participatiewet geeft aan dat “nuttige werkzaamheden” naar vermogen moeten worden verricht. Het doel is het benutten van iemands mogelijkheden zolang een uitkeringsverstrekking aan de orde is. Gemeente kunnen zo voorkomen dat mensen zich neerleggen bij de situatie van een aanvullende uitkering op hun eigen inkomen. Het kan dus ook als iemand parttime inkomen heeft.

In artikel 9 lid 1 onder c staat dat de tegenprestatie uit onbetaalde en nuttige arbeid moet bestaan. Die arbeid mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Dat geldt ook voor vrijwilligerswerk. Staatssecretaris Klijnsma heeft aangegeven dat  het verrichten van vrijwilligerswerk als tegenprestatie kan worden aangemerkt.

Mantelzorg wordt ook als tegenprestatie beschouwd. De gemeente kan bepalen wanneer van mantelzorg wordt gesproken.

Met de invoering van de bestuurlijke boete voor de Participatiewet zijn er ook verjaringstermijnen bij gekomen. Een overzicht van de vormen van verjaring en de bijbehorende termijnen.

Tenuitvoerlegging van de rechtsvordering
De eerste is de verjaring van de bevoegdheid tot het tenuitvoerleggen van de rechtsvordering. Daarin verschillen de terugvordering en de boete feitelijk niet. De titel wordt voor beiden verkregen uit een dwangbevel. Titel 4.4 Algemene wet bestuursrecht bevat hiervoor verjaringsbepalingen die redelijk gelijk zijn aan de bepalingen van BW boek 3 artikel 306 e.v.

Dit komt erop neer dat een titel voor een terugvordering gedurende 20 jaar kan worden tenuitvoergelegd, met dien verstande dat iedere 5 jaar een zogenaamde stuitingshandeling moet worden verricht. Dat wil zeggen dat de gemeente aan de debiteur op ondubbelzinnige wijze kenbaar maakt dat hij nog steeds tot nakoming van de betalingsverplichting is gehouden.

Het stellen van de vordering
De tweede soort verjaring is de bevoegdheid om de vordering te stellen. De Participatiewet bevat hiervoor geen specifieke bepalingen. De enige specifieke termijn die de Participatiewet bevat is die van 2 jaar voor het stellen van een vordering die het gevolg is van een kennelijke vergissing (artikel 58 lid 6 PW). Dit is een vervaltermijn die van rechtswege werkt.

Voor het overige moet aansluiting worden gezocht bij de verjaringsbepalingen uit het civiel recht. Zodat voor het stellen van een terugvordering in beginsel een termijn van 20 jaar geldt. Hier is van belang dat, op grond van de zesmaandenjurisprudentie, van de gemeente voortvarendheid wordt verlangd, nadat zij bekend is geworden met omstandigheden waardoor uitkering ten onrechte is verstrekt.

Opleggen van bestuurlijke boete
Voor de verjaring van de boete bevat de Awb wel bepalingen: artikel 5:45 Awb. De Awb maakt hierbij een onderscheid tussen boetes tot en met € 340,- en boetes hoger dan € 340,-.

Voor boetes tot en met € 340,- geldt dat de bevoegdheid, tot het opleggen van een bestuurlijke boete, vervalt drie jaar nadat de overtreding (gedraging) heeft plaatsgevonden.

Voor boetes hoger dan € 340,- is de termijn vijf jaar.

(bron Stimulansz)

Hiervoor mag de escapefunctie gebruikt worden met als escapereden “nieuwe aanvraag”. Deze escapereden betreft namelijk niet alleen de aanvraag bijstand maar ook bijvoorbeeld de bijzondere bijstand of de re-integratie van een niet-uitkeringsgerechtigde (nugger).

Op hoofdlijnen is het de beheerder van Suwinet, BKWI, die verantwoordelijk is voor de technische componenten van Suwinet. Ook gemeenten hebben in de eigen omgeving een aantal componenten die tot het Suwinet Deel Landschap kunnen worden gerekend. Je kunt hierbij denken aan toegang tot de gemeentelijke werkplek waarop Suwinet te benaderen is, de applicatieserver waarop de internetbrowser is geïnstalleerd voor gebruik door de gemeente, het gemeentelijke netwerk en de netwerkcomponenten die het verkeer met Suwinet regelen. Indien men gebruik maakt van DKD of Suwinet inlezen, is het Suwinet Deel Landschap nog weer wat uitgebreider omdat ook de inlezende applicatie hiertoe behoort.

De CAR-UWO behandelt het begrip ‘plichtsverzuim’ en verbindt daaraan een aantal mogelijke disciplinaire straffen. Daarbij wijzen wij erop dat plichtsverzuim zowel het uitvoeren als het nalaten van een actie kan zijn en dat hiertoe ook acties behoren waarvan de ambtenaar redelijkerwijs had kunnen weten wat toegestaan is. Het beleid rond oneigenlijk gebruik en misbruik van persoonsgegevens dat in het kader van het programma BVGS is opgesteld, heeft een bredere scope. De adviezen van het programma bevatten uitgangspunten voor de inrichting van het beleid bij het gebruik van persoonsgegevens en heeft ook een relatie met de CAR-UWO.
 
De uitgangspunten voor gebruik van persoonsgegevens hebben betrekking op de rol van de werkgever bij het vaststellen van het beleid waarvoor de betreffende persoonsgegevens mogen worden gebruikt en waarvoor niet. Bij onjuist gebruik geven de uitgangspunten aan welke consequenties dan gelden. Bijbehorende maatregelen zijn het beleid zelf, voorlichting en instructie aan medewerkers.
 
Van de zijde van de gemeente wordt beleid opgesteld. Voor de medewerker kan een verklaring worden ingesteld (bijv. integriteitsverklaring of geheimhoudingsverklaring).
 
Geadviseerd wordt om in het beleid nadrukkelijk aandacht te besteden aan het proces na het signaleren van potentieel oneigenlijk gebruik of misbruik. Daarbij zijn begrippen als ‘zorgvuldig’, ‘voortvarend’, ‘hoor- en wederhoor’ van groot belang. Verder is het relevant onderscheid te maken tussen incidenteel of stelselmatig misbruik van persoonsgegevens. Belangrijk is de vraag: worden gegevens voor eigen voordeel gebruikt, ter benadeling van de burger worden gebruikt en of gegevens gedeeld zijn (in- of extern).
 
Het advies richt zich voorts erop dat er maatwerk moet zijn bij het onderzoek en het al dan niet toepassen van maatregelen. Het is in de praktijk moeilijk om heel specifiek en direct maatregelen te verbinden aan bepaalde ‘soorten’ van oneigenlijk gebruik of misbruik van gegevens.
 
Nadere informatie kunt u vinden op www.vng.nl/veiliggebruiksuwinet

Veel gemeenten stellen aan het team implementatie BVGS de vraag of invoering van de Whitelist verplicht is. Deze vraag is niet met een eenvoudig ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Vanuit de Wet SUWI of het normenkader Suwinet is er weliswaar geen directe verplichting tot het invoeren van de Whitelist. Echter, vanuit de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) is er ten eerste het proportionaliteitsbeginsel en ten tweede, artikel 13. In dit artikel staat verwoord dat organisaties passende technische en organisatorische maatregelen dienen te treffen.
 
Wettekst WBP, artikel 13
De verantwoordelijke legt passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau gelet op de risico's die de verwerking en de aard van te beschermen gegevens met zich meebrengen. De maatregelen zijn er mede op gericht onnodige verzameling en verdere verwerking van persoonsgegevens te voorkomen.
 
Toelichting:
In het begrip 'passende' ligt besloten dat de beveiliging in overeenstemming is met de huidige stand van de techniek.
 
WBP
Vanuit de WBP mag op grond van bovenstaand artikel gesteld worden, dat wanneer bepaalde ‘oplossingen’ beschikbaar zijn om de beveiliging op een passend niveau te brengen, de verantwoordelijke organisatie ook geacht wordt deze oplossingen toe te passen. De Whitelist is een dergelijke technische oplossing. Het niet toepassen ervan leidt ertoe dat men niet voldoet aan de verplichting rekening te houden met de stand van de techniek.
 
AVG
Op 25 mei 2018 treedt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in werking. Deze Europese verordening komt in de plaats van de WBP en is op onderdelen strikter dan de huidige WBP. In de AVG komen o.a. de begrippen ‘privacy by design’ en ‘privacy by default’ aan de orde. Beide begrippen en vooral ‘privacy by default’ zijn met het oog op de Whitelist relevant. Organisaties zijn op grond van de AVG verplicht organisatorische en technische maatregelen te treffen om het gebruik van persoonsgegevens tot een minimum te beperken. De Whitelist is een treffend voorbeeld van dergelijke maatregelen als verplichting, voortvloeiend uit de AVG. Ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de AVG is invoering van de Whitelist een belangrijke eerste stap.
 
Privacy Impact Assessment Suwinet
In 2014 en 2016 zijn twee Privacy Impact Assessments uitgevoerd. In beide PIA’s wordt geconcludeerd dat het open karakter van Suwinet tot risico’s leidt en dat toegang tot gegevens van burgers die geen dienstverleningsrelatie hebben met de betreffende gemeente, beperkt moet worden. De PIA van 2016 gaat zelfs nog een stap verder en stelt dat toegang tot Suwinet beperkt moet worden tot alleen de persoonsgegevens van burgers die tot de ‘caseload’ van de individuele medewerker van de gemeente behoren. Dit is echter met de huidige techniek (nog) niet mogelijk en stuit op grote organisatorische bezwaren.
 
Voordelen Whitelist
Los van wet- en regelgeving zijn er ook voordelen te behalen met toepassing van de Whitelist. Gemeenten controleren nu ofwel steekproefsgewijs achteraf, of vergelijken bevragingen in Suwinet met de eigen bestanden. Met name deze controles worden veel eenvoudiger. Een belangrijk extra voordeel is dat medewerkers zich beter toegerust vinden voor hun taak en weten dat ze alleen tot die gegevens toegang hebben die ze nodig hebben. Medewerkers zijn daarmee meer ‘op hun gemak’ bij het werken met deze persoonsgegevens.
 
Beleid bronhouders
Tot slot: vanuit de verantwoordelijkheid die bronhouders hebben voor het verstrekken van gegevens, gaan stemmen op dat alleen gegevens worden verstrekt aan gemeenten die gebruik maken van de Whitelist. Zover is het nu nog niet. Wij houden u graag op de hoogte.
 
Nadere informatie kunt u vinden op www.vng.nl/veiliggebruiksuwinet

Dat klopt inderdaad. Dat komt omdat een pagina Rechtmatigheid + is opgenomen die qua inhoud gelijk is aan de pagina Rechtmatigheid. Het enige verschil is dat op de pagina Rechtmatigheid + ook gegevens van medebewoners zijn opgenomen.

In het verleden mochten gemeenten Suwinet-Inkijk raadplegen om vast te stellen of iemand in aanmerking kwam voor financiering vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF). Deze activiteit komt niet voort uit de Participatiewet. Toch heeft SZW dit toegestaan omdat er geen andere geschikte oplossing was. Tegelijkertijd heeft SZW aan Stichting Inlichtingenbureau (Gemeentelijk Gegevens Knooppunt voor Gemeenten) gevraagd een oplossing te bedenken.

Het Inlichtingenbureau heeft vervolgens de ESF subsidietoets ontwikkeld. Sinds afgelopen januari kunnen gemeenten hier gebruik van maken. Deze gegevensset wordt nog verder uitgebreid, zodat het alle gegevens bevat die nodig zijn voor de ESF subsidietoets. Totdat deze set compleet is mogen gemeenten nog Suwinet-Inkijk raadplegen.

Onderstaand de link die u rechtstreeks naar de relevante informatie bij het Inlichtingenbureau brengt.

https://www.inlichtingenbureau.nl/Pages/Product.aspx?pID=70

Een vraag die we als team implementatie “Borging veilige gegevensuitwisseling via Suwinet (BVGS)” hebben ontvangen, is of de bestanden die gemeenten aan het Inlichtingenbureau leveren, niet ook als Whitelist bestand kunnen dienen. Een begrijpelijke vraag aangezien hergebruik tot hogere efficiency zou kunnen leiden.

Het is echter helaas niet mogelijk de bestanden van de Verwijsindex te gebruiken voor de Whitelist vanwege verschillen tussen beide bestanden op de volgende punten.

  • Beleid en wettelijk regime
  • Scope/afbakening
  • Actualisatie bestanden

Beleid en wettelijk regime
Vanuit beleidsoogpunt is belangrijk dat de Whitelist is bedoeld als lokaal beleid en dat gemeenten hiermee zelf in staat zijn te bepalen voor welke doelgroepen het opvragen van gegevens via Suwinet mogelijk wordt gemaakt. De verwijsindex biedt gemeenten niet die lokale beleidsinvulling en flexibiliteit voor onder meer doelgroepen en actualiteit van gegevens. Het doel van de Verwijsindex is wezenlijk anders. De Verwijsindex DKD is ingesteld als wettelijke verplichting voor gemeenten om periodiek bestanden aan te leveren aan het Inlichtingenbureau (IB). Deze bestanden kennen een vaste definitie. Onderliggend hebben gemeenten met IB een bewerkersovereenkomst afgesloten voor deze gegevensuitwisseling. Zowel de huidige wettelijke verplichting als de bewerkersovereenkomst bieden op dit moment niet de mogelijkheid de Verwijsindex te hergebruiken als Whitelist. Daarmee is de doelbinding van de Verwijsindex beperkt tot alleen het gebruik in het kader van het DKD door het Inlichtingenbureau.

Scope
De scope van de Whitelist wijkt af van de scope van de Verwijsindex. Voor de Whitelist wordt als advies meegegeven een selectie te maken met: lopende uitkeringen, beëindigde uitkeringen, terugvordering & verhaal. Een gemeente kan vervolgens zelf bepalen of onderhoudsplichtigen, re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden op de Whitelist worden opgenomen en hoeveel tijd na het beëindigen van de uitkering wordt meegenomen.
In de Verwijsindex zijn deze parameters vastgelegd voor alle gemeenten op dezelfde manier.

Actualisatie bestanden
Zowel de Whitelist als de Verwijsindex DKD dient periodiek te worden geactualiseerd door gemeenten. Voor beide voorzieningen zijn een uploadvoorziening en een voorziening voor geautomatiseerde berichten beschikbaar. Voor de goede orde: Er zijn momenteel slechts twee leveranciers die het geautomatiseerd bijwerken van de Verwijsindex DKD ondersteunen (Centric, Wigo4it).

Veel gemeenten actualiseren de Verwijsindex DKD op maandelijkse basis. Deze frequentie maakt dat veel vaker gebruik zou moeten worden gemaakt van de Escape-mogelijkheid dan in de situatie waarin de gemeente periodiek (per dag of per week) de Whitelist actualiseert. Ook door een andere inhoudelijke afbakening zou de gemeente vaker gebruik moeten maken van de escape-rol. Door vaker de Whitelist te actualiseren zorgt de gemeente ervoor dat onder meer nieuwe aanvragen sneller vanuit een nieuwe dienstverleningsrelatie worden toegevoegd aan de Whitelist.

Huidige technologie
Wanneer de bovenstaande punten niet of beperkter zouden spelen, zou het voor hergebruik van de verwijsindex ook nodig zijn dat er een voorziening komt tussen Inlichtingenbureau en BKWI voor het doorleveren van het Verwijsindex-bestand. De flexibiliteit van een dergelijke voorziening (de ene gemeente wil een eigen definitie van de Whitelist maken, de andere neemt de Verwijsindex over) leidt tot grote complexiteit en bijbehorende risico’s in ontwikkeling en beheer.
 

Vervolg van de vraag:

En mag ik deze gegevens dan gebruiken voor de uitvoering van andere wettelijke taken?

In artikel 74, lid 1 en lid 2 van de wet SUWI wordt antwoord gegeven op deze vraag. Gegevens die via Suwinet verkregen zijn, mogen alleen voor de uitvoering van de Participatiewet worden gebruikt. Er zijn enkele uitzonderingen op deze regel, onder andere indien de persoon op wie de gegevens betrekking hebben, vooraf schriftelijk toestemming verleent voor verstrekking van deze gegevens.

Reactie van een gemeente
De gemeente Arnhem heeft gereageerd op de laatste regel. De ontwikkelingen staan niet stil en deze reactie willen wij graag delen.
 
"In het rapport 'De rol van toestemming in het sociaal domein' (april 2016) van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) staat op pagina 2 onder 'Toestemming' het volgende aangegeven.
 
“Gemeenten kunnen problemen bij het bepalen van de grondslagen voor de verwerking van persoonsgegevens in het sociaal domein niet vermijden door toestemming aan betrokkenen te vragen voor de verwerking van hun persoonsgegevens. Vooral niet als gemeenten die toestemming vragen in situaties waarin de betrokkenen afhankelijk zijn van de gemeente voor hulp, zoals de intake/toegangsverlening. Betrokkenen kunnen daarbij niet in vrijheid toestemming geven.
Een ‘onvrije’ toestemming vormt geen grondslag. Gemeenten mogen dan alléén persoonsgegevens verwerken als zij zich kunnen baseren op een van de andere grondslagen uit artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)."
 
Het gaat er hierbij om dat toestemming vrij gegeven moet kunnen worden. En de AP geeft aan dat afhankelijkheid maakt dat iemand niet in vrijheid toestemming kan geven. Dat geldt overigens niet alleen voor het sociaal domein, maar in alle gevallen waar een afhankelijkheid bestaat. De (schriftelijke) toestemming is dus geen basis voor het verwerken van persoonsgegevens in dit geval”.
 
Het antwoord zoals het in nieuwsflits 5 is aangegeven was niet helemaal volledig. Gebruik van de gegevens uit Suwinet is buiten het kader van de wet Suwi niet toegestaan, waarbij de opgegeven  uitzonderingsgrond in de praktijk op grond van de uitspraken van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) onvoldoende mogelijkheden lijkt te bieden.  
 
Met dank aan Hans Jansen van de gemeente Arnhem!

Uitgangspunten

  • Partijen moeten er op kunnen vertrouwen dat “hun” gegevens zorgvuldig en controleerbaar
    worden behandeld.
  • Bij interne controle mag Suwinet-Inkijk niet geraadpleegd worden (geen toegang tot Suwinet-
    Inkijk). Wel kan een print bekeken worden die ten tijde van de aanvraag is geprint en is
    opgeslagen in een dossier t.b.v. de interne controle.
  • Printen van pagina’s uit Suwinet-Inkijk mag en prints mogen opgeslagen worden. Maar alleen
    als dit op een veilige manier gebeurt en als we er voor zorgdragen dat de prints alleen worden
    gebruikt voor de uitvoering van de Participatiewet.

Voorwaarden waaronder het bewaren en opslaan van uitdraaien/prints van pagina’s uit Suwinet-Inkijk is toegestaan zijn:

  1. De prints worden alleen gebruikt voor de uitvoering van de Participatiewet.
  2. Er mogen niet meer gegevens worden vastgelegd of uitdraaien/prints worden gemaakt dan
    strikt noodzakelijk (toereikend, ter zake dienend, niet bovenmatig).
  3. De gegevens (prints) mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk.
  4. Prints die voor een bezoek/intake voor een cliënt worden gemaakt en niet door de cliënt
    worden meegenomen, moeten worden vernietigd.
  5. Onrechtmatige toegang, onrechtmatige of doel overschrijdende verwerking moet worden
    tegengegaan.
  6. Alleen medewerkers die belast zijn met de uitvoering van de wettelijke taken die vallen onder
    de Participatiewet, IOAW en IOAZ en de kwaliteitsmedewerker (controle dat aanvragen op de
    juiste manier zijn behandeld en op de rechtmatigheid van de uitkering) mogen toegang
    hebben tot deze gegevens/prints.
  7. Anderen, bijvoorbeeld medewerkers die belast zijn met de uitvoering van de WMO etc.
    hebben geen toegang tot deze gegevens/prints.
  8. Gegevens/prints mogen niet onbeheerd op het bureau of beeldscherm achterblijven.
  9. Voor zover niet gedigitaliseerd worden de dossiers, waarin de uitdraai/print wordt opgeslagen,
    bewaard in een kast die na werktijd of bij het verlaten van de werkplek wordt afgesloten.
  10. Het raadplegen van een fysiek dossier moet controleerbaar worden vastgelegd. Vastgelegd
    wordt wie, wanneer, welke gegevens heeft geraadpleegd en met welk doel of doeleinden
    (compleet met handtekening).
  11. De verantwoordelijkheid voor een juiste naleving ligt te allen tijde bij het college van
    burgemeester en wethouders en namens deze bij het betreffende organisatieonderdeel.
  12. De medewerker Planning &Control en/of de Security Officer Suwinet zijn belast met de periodieke controle op de naleving van deze voorwaarden.

De auditor leest de conclusie en wil hierop een controle uitvoeren. Mogen hiervoor de generieke en specifieke rapportage overhandigd worden aan de auditor?

Indien dit tot de taak van de auditor behoort, dan mag dit. Zorg er wel voor dat u, als gemeente, heldere afspraken maakt rondom inzien, opslag, geheimhouding etc. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de gegevens.

Het Specifiek Normenkader voor Afnemers geldt voor alle aansluitingen die een afnemende partij, zoals de gemeente, met Suwinet heeft. En daarmee geldt het ook voor RMC, GB en BZ.

NB in het Specifiek Normenkader voor Afnemers staat onder C.06 – Monitoring en Rapportage een voetnoot: “9 Uitgangspunt is dat de controle op de logging rapportages maandelijks plaatsvindt; in specifieke situaties kan hiervan worden afgeweken, hetgeen in dat geval in de verantwoordingsrapportage dient te worden toegelicht.”

Het wachtwoord wordt bijvoorbeeld niet automatisch toegestuurd aan een gebruiker en er is niet een automatische mogelijkheid een wachtwoord te wijzigen). Hier zit altijd een applicatiebeheerder tussen. Dit mag niet volgens de BIG. Wordt dit nog opgelost? Als deze norm sec gehanteerd wordt, is dit bij alle gemeenten een probleem.

BKWI voldoet op dit punt wel aan de BIG. Namelijk wanneer een medewerker een wachtwoord ontvangt via de gebruikersbeheerder, moet deze direct vervangen worden door een eigen verzonnen wachtwoord, anders kan de medewerker niet verder. Dit is conform de BIG (zie het tactisch document norm 11.2.3).

BKWI is de beheerder van het Suwinet en rapporteert over het gebruik, de inrichting van het gebruik van Suwinet en de duiding van deze rapportages zijn aan de gemeente(n) zelf. Veel gemeenten bieden hun medewerkers de mogelijkheid op een andere locatie te werken en dus kan dit buiten kantoortijden plaatsvinden. Het is aan gemeenten om deze mogelijkheid adequaat te beveiligen conform het Specifiek Normenkader voor afnemers en de BIG.

Als eerste kunt u een vergelijking maken tussen de BSN’s in de specifieke rapportage en uw eigen bestand. Het is aan de medewerker om in zo’n situatie aan te geven met welke reden het BSN is geraadpleegd. Zijn er BSN’s die niet in uw eigen bestand staan, dan is het aan de medewerker om aan te geven met welke reden het BSN is geraadpleegd. Het is dan van belang de tijd tussen raadpleging en controle zo kort mogelijk te houden.

De inspectie SZW gaf tijdens haar onderzoek aan dat het minimum twee specifieke rapportages per jaar is. En geldt dit ook voor de andere aansluitingen zoals RMC, Burgerzaken en Gemeentelijke Belastingdeurwaarders?

Het Specifieke Normenkader geeft niet een nadrukkelijk minimum aan, anders dan de verwijzing periodiek de logging te controleren. U bepaalt zelf wat minimaal nodig is. Het is raadzaam dit op te nemen in uw aansluitbeleid c.q. beveiligingsbeleid. Suggesties zijn terug te vinden in de presentatie van de webinar: www.vng.nl/veiliggebruiksuwinet

Nee, er wordt geen onderscheid gemaakt. Oneigenlijk gebruik voor bijvoorbeeld WMO of schuldhulpverlening is nog steeds oneigenlijk gebruik en is net zo goed niet toegestaan. Mogelijk maken gemeenten verschil in de strafmaat, gerelateerd aan de ernst van het oneigenlijk gebruik. Het is aan te raden het beleid bij oneigenlijk gebruik goed te communiceren zodat medewerkers weten welke risico’s zij lopen.

Nee dat is niet mogelijk. De gebruiker is door de gemeente te identificeren aan zijn accountnaam. Welke rol die gebruiker heeft, is bekend bij de gemeente.

Dank voor deze goede suggestie. Wij voeren binnenkort enkele verbeterslagen door in de rapportages en dan bekijken wij wat mogelijk is met betrekking tot het lettertype van de generieke rapportage. Wij hopen in Q1 2018 de verbeterde rapportage op te kunnen leveren.

Hierin is nu niet voorzien, aangezien BKWI dergelijke gegevens niet mag vasthouden en er bij de bouw derhalve geen rekening is gehouden. Aangezien deze vraag vaker aan de orde is gekomen, gaan wij met een expertgroep bespreken wat de mogelijkheden zijn. Dat impliceert namelijk dat het BKWI dan tekst opslaat. Het is de vraag of dit juridisch mogelijk is. En als dit mogelijk is, heeft het een grote technische impact hebben (o.a. bouw van een databestand). Dit levert vervolgens een financieringsvraag op. De besluitvorming hierover neemt enige tijd in beslag.

Dat hangt af van de afspraak met de deelnemende gemeenten. Beide opties zijn mogelijk en de keuze zal doorgaans afhangen van o.a. efficiency aan de zijde van het samenwerkingsverband of juist het kunnen combineren van meerdere audits door de gemeente zelf. Wel blijven de afzonderlijke gemeenten verantwoordelijk dus als een samenwerkingsverband zelf een IT auditor heeft dan zal de audit alsnog (zoveel keer gekopieerd) naar de afzonderlijke gemeente gestuurd moeten worden en zullen in de Ensia zelfevaluatie de vragen door de gemeenten moeten worden ingevuld.

BKWI verstrekt geen logging informatie van gemeenten aan derden. Dus ook niet aan externe auditoren. Indien u een auditor deze informatie wilt verstrekken, dient de gemeente daar zelf zorg voor te dragen.

De tool voor het opvragen van specifieke rapportages is nu nog voorzien van standaard rapportages. Wij hopen dat dit in de toekomst wel een mogelijkheid wordt.

Dit bepaalt de gemeente zelf. Dit kan apart, vanwege de kennis die je moet hebben van het specifieke domein, het kan ook overkoepelend. Dit betekent dat het gebruikersbeheer bij één persoon kan liggen en de controle bij één persoon kan liggen. Indien dit gewenst is, neem dan contact op met de SUWI-desk van BKWI (suwidesk@bkwi.nl of 0800-78943375)

Nee, dit is niet toegestaan. Iedere aansluiting is voor de uitvoering van een specifieke wettelijke taak. De GSD aansluiting is alleen voor de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ. De Burgerzaken aansluiting is alleen voor de uitvoering van wettelijke taken behorende bij burgerzaken (kwaliteit adresgegevens).

U stelt de whitelist samen, door de burgers die in uw systeem staan in verband met een bijzondere bijstand, op te nemen in de whitelist. Burgers die voor het eerst met de gemeente in contact treden in verband met een aanvraag voor bijzondere bijstand, komen na registratie in het gemeentelijk systeem. En daarna dan wel automatisch dan wel handmatig op de whitelist. Dit hangt af waar u als gemeente voor heeft gekozen. (zie ook https://vng.nl/files/vng/20160520-onderhouden_werkvoorraad_v1.0.pdf ). Eigenlijk werkt dit precies hetzelfde als bij de aanvraag bijstand.

Hoe lang de gemeente de klant op de whitelist houdt, is een keuze van de gemeente zelf. Klanten met periodieke bijzondere bijstand hebben een relatie met de gemeente zolang de bijzondere bijstand voortduurt. Wanneer er slechts sprake is van incidentele bijzondere bijstand dan is de duur van de relatie korter. De gemeente kan er ook voor kiezen de klant te blijven doorgeven voor de whitelist voor dezelfde termijn waarop die bijzondere bijstand ook aangeleverd moet worden in het DKD bericht en dat is 1 jaar.

Er zijn drie manieren om de Whitelist actueel te houden. Handmatig op- en afvoeren van personen in de whitelist, een volledig nieuw bestand uploaden dat het oude bestand vervangt en werken met geautomatiseerde berichten. Deze laatste vorm wordt momenteel (nog) niet ondersteund door gemeentelijke softwareleveranciers. Dit staat beschreven in de functionele handreiking en in de technische handreiking (Onderhoud werkvoorraad)

Er is één whitelist per organisatie, dat kan een gemeente en/of samenwerkingsverband zijn. Is er sprake van een samenwerkingsverband en voert de gemeente ook nog taken uit dan kan het zijn dat een klant zowel op de whitelist van het samenwerkingsverband, als op de whitelist van de gemeente staat.

Nee op dit moment is er geen tool beschikbaar. Gemeenten gebruiken verschillende voorzieningen en bovendien zijn die voorzieningen landelijk verschillend ingericht. Het is daarom in de huidige situatie niet mogelijk om een standaard selectietool beschikbaar te stellen.

De whitelist bevordert sterk de bescherming van privacy bij het gebruik van Suwinet-Inkijk. Hiermee kunnen gemeenten namelijk beter voldoen aan de eisen op het gebied van proportionaliteit en doelbinding vanuit de Wet Bescherming Persoonsgegevens. In de WBP is een artikel opgenomen (WBP Art. 13) waarin wordt gesteld dat voor bescherming van persoonsgegevens de verantwoordelijke passende organistorische en technische maatregelen treft, rekening houdend met de stand van de techniek. Er is geen specifieke wettelijke verplichting vanuit de Wet SUWI voor gebruik van de Whitelist.

Ja, dat is mogelijk. KING informeert de softwareleveranciers over de whitelist en gaat in gesprek over de vraag van de gemeenten. Omdat de lijsten niet altijd hetzelfde zijn (iedere gemeente heeft zijn eigen beleid), is het op dit moment niet mogelijk om de lijst standaard te leveren.

Ja, zolang er maar aangetoond kan worden dat er sprake is van een samenwerkingsverband.

Op dit moment is dat niet mogelijk. Suwinet is een elektronische infrastructuur en slaat geen gegevens op. Daarbij is het juridisch gezien niet mogelijk.

De whitelist kan geactiveerd worden in overleg met de accountmanager BVGS en wanneer aan enkele voorwaarden is voldaan. Meer informatie

Elke escape wordt met de reden die de gebruiker opgeeft geregistreerd. Het is aan de gemeente om medewerkers te informeren over het control-proces. Indien de medewerker regelmatig een interne opgave moet doen, dan is het aan de organisatie om vast te stellen op welke (aanvullende) wijze die medewerker elke escape moet registreren.

Wanneer een medewerker de escape gebruikt, wordt direct een reden gevraagd. Deze reden wordt geregistreerd en hierover wordt gerapporteerd in de Suwinet-rapportages.

De functionaliteit ‘whitelist’ is vanaf 1 oktober 2016 beschikbaar gesteld voor gemeenten.

Een gebruiker merkt normaal gesproken weinig van de whitelist. Indien een ‘escape’ moet worden gebruikt voor bijvoorbeeld een nieuwe aanvraag of bijzonder onderzoek, geeft de medewerker dat aan in Suwinet-Inkijk en kan vervolgens de betreffende gegevens, zoals hij/zij gewend is, inzien.

In de whitelist worden alleen BSN’s opgenomen.