Overzicht veelgestelde vragen over Drank- en Horecawet

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Allereerst is de vraag of in deze horecazaak ook alcohol geschonken gaat worden. Zo niet, dan is de Drank- en horecawet (DHW) niet van toepassing.

Wordt er wel alcohol geschonken dan is op grond van artikel 3 van de DHW een vergunning vereist en moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan.

Van belang in deze is artikel 14 lid 3 sub b jo. lid 2 van de DHW. In principe mogen niet in dezelfde ruimte zowel horeca als het aanbieden van diensten plaatsvinden. In lid 3 sub b wordt een uitzondering op dit verbod gemaakt voor diensten van recreatieve en culturele aard.

Deze uitzondering geldt sinds 1 januari 2013 en is vooral gericht op bioscopen, theaters, schouwburgen, concertgebouwen. De bibliotheken vallen hier niet onder dus dat betekent dat de horeca en de bibliotheek niet in één ruimte gevestigd kunnen zijn.

De horeca moet dus gescheiden zijn van de bibliotheek en een gescheiden afsluitbare toegang hebben (zie de definitie van horecalokaliteit in artikel 1 DHW). De reden dat een bibliotheek niet onder de uitzonderingen valt is vermoedelijk het feit dat in een bibliotheek ook veel jongeren komen. In het kader van de volksgezondheid zou het niet juist zijn in dezelfde ruimte alcohol te schenken.

Voor een woonhuis is dit inderdaad lastig vast te stellen. Van niet-bedrijfsmatige exploitatie zou slechts sprake zijn indien de kookstudio aan huis een besloten karakter heeft. Weliswaar is het zo dat men niet zomaar bij een kookstudio kan binnenlopen (zoals bijvoorbeeld bij een restaurant wel het geval is) maar een ieder kan een cursus bij een kookstudio aan huis boeken. Beslotenheid wordt slechts aangenomen als er in de regel besloten bijeenkomsten worden gehouden, waarbij tussen de bezoekers en de inrichting een duidelijke en min of meer duurzame band bestaat. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een sociëteit of een vereniging waarbij de toegang enkel openstaat voor leden. Ook bij een kookclub, waarbij enkel de leden van de club welkom zijn, zou bijvoorbeeld sprake zijn van een besloten en derhalve niet-bedrijfsmatige activiteit. Al het overige valt onder de noemer “kookstudio”: voor een commerciële kookstudio geldt het bovenstaande niet.

Artikel 8, zesde lid, van de Drank-en horecawet bepaalt dat er tenminste twee leidinggevenden op de vergunning van een paracommerciële instelling vermeld moeten staan.

Een leidinggevende van het aanhangsel verwijderen is niet zomaar mogelijk. Artikel 31 DHW regelt de intrekkingsgronden voor de op basis van artikel 3 DHW verleende vergunning. Eén van de intrekkingsgronden is ook het niet langer voldoen aan de eisen die gesteld zijn bij of krachtens artikel 8 (lid 1 sub b).  Mocht achteraf – dus na de vergunningverlening- blijken dat de leidinggevende niet meer volodet aan de vereisten van het levensgedrag en de moraliteit zoals bedoeld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999  dan moet de burgemeester de verleende vergunning intrekken op grond van artikel 31 DHW.

Van belang zijn in dit geval de begripbepaling betreffende 'leidinggevende' in artikel 1 en de eisen die aan een leidinggevende worden gesteld in art. 8 Drank- en horecawet (DHW).

Artikel 8 DHW stelt een arbeidsovereenkomst niet als eis, maar impliciet blijkt uit de definiëring van 'leidinggevende' in artikel 1 dat een leidinggevende over een betaald dienstverband dient te beschikken of in ieder geval een bestuurder of ondernemer moet zijn voor wiens rekening of risico het horeca- of slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. De laatstgenoemden zijn dus ook aan te merken als leidinggevenden.

Dit betekent dat bijvoorbeeld een vrijwilliger geen leidinggevende in de zin van de DHW kan zijn. De DHW spreekt alleen van ‘barvrijwilligers’die in een horecalokaliteit die onderdeel uitmaakt van een paracommerciële rechtspersoon mogen schenken. Voor deze groep gelden andere eisen dan voor leidinggevenden.

Dat is afhankelijk van de concrete omstandigheden. Onder de huidige DHW moeten alle leidinggevenden zonder uitzondering op de vergunning worden vermeld (artikel 29, eerste lid, van de DHW). Op de vergunning moet naast de ‘algehele leidinggevenden’ en de ‘onmiddellijk leidinggevenden’ ook ‘de ondernemer als leidinggevende worden vermeld. De ondernemer is altijd een van de leidinggevenden. Om op de vergunning vermeld te kunnen staan is een bewijsstuk sociale hygiëne nodig. In beginsel dienen alle ondernemers, bedrijfsleiders en beheerders dus over een dergelijk bewijsstuk te beschikken.

Daarop is wel een uitzondering mogelijk op grond van artikel 8, vierde lid, van de DHW: Als sprake is van een ‘niet-operationele’ leidinggevende dan hoeft deze niet te voldoen aan de eisen sociale hygiëne. Dit is het geval als deze persoon volstrekt geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of exploitatie van het horecabedrijf. Dit moet wel schriftelijk worden bevestigd door de vergunninghouder. De burgemeester maakt daarvan aantekening op het aanhangsel waarop de leidinggevenden worden vermeld. Deze persoon moet wèl voldoen aan de andere eisen die aan leidinggevenden worden gesteld.

Volledigheidshalve zij ook gewezen op de uitzondering op grond van de overgangsregeling die in de Wet van 2 november 1995 tot intrekking van de Vestigingswet detailhandel en wijziging van de Drank- en Horecawet en van de Vestigingswet Bedrijven 1954 in artikel VIII is getroffen met betrekking tot de DHW-vergunning en het bewijsstuk sociale hygiëne:

  • Vergunningen van bedrijven die reeds bestonden op 1 januari 1996 en die op dat moment in het bezit waren van een geldige DHW-vergunning, blijven na die datum van kracht als (nieuwe) DHW-vergunning.
  • De eisen van sociale hygiëne zijn niet van toepassing voor degenen die op 1 januari 1996 als bedrijfsleider of beheerder op een geldige DHW-vergunning vermeld staan.

Artikel 35 DHW is daar niet voor bedoeld. Artikel 35 ziet toe op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat daarbij vooral gedacht moet worden aan evenementen, zoals braderieën, sportfeesten, kermissen, e.d. of bijzondere festiviteiten. De ontheffing kan worden verleend voor een aaneengesloten periode van maximaal 12 dagen. Het is niet de bedoeling dat iedere keer opnieuw een ontheffing voor een korte periode wordt aangevraagd, want daardoor zou de vergunningplicht worden omzeild.

Als men regelmatig (zwak)alcoholhoudende drank -en daar valt bier onder- wil schenken zal men een reguliere vergunning moeten aanvragen en dus ook aan de daaraan gestelde eisen moeten voldoen.

Het is mogelijk een artikel 35-ontheffing te verlenen voor het organiseren van een proeverij tijdens een evenement. Het maakt niet uit dat de drank gratis wordt verstrekt. Wel is het zo dat het uitsluitend zwak-alcoholische drank mag zijn en dat deze absoluut niet verkocht mag worden voor gebruik elders dan ter plaatse. Dit laatste mag alleen in de slijterij met een drank- en horecavergunning.

Er is geen drank- en horecavergunning of ontheffing nodig als het feest volledig besloten is en dat wil zeggen uitsluitend toegankelijk is voor genodigden. Hiervan is sprake als er geen entree wordt gevraagd en er gratis alcohol wordt geschonken. Aan alle drie de eisen moet zijn voldaan anders is het géén besloten feest. Het feest moet uitsluitend toegankelijk zijn voor genodigden. Anderen mogen het feest niet bezoeken. Is er toch sprake van het toelaten van anderen dan genodigden dan is het feest   in strijd met artikel 25 Drank- en Horecawet.

Hoe kan de gemeente de conflicten die daardoor ontstaan met de Drank- en Horecawet ondervangen?

Antwoord:

Voor het algemene kader betreffende paracommercie kunt u de ledenbrief uit 2013 raadplegen: https://vng.nl/files/vng/brieven/2013/20130315-ledenbrief-13-023-u201300312-mdhx_0.pdf. In deze brief wordt (o.a.) het volgende opgemerkt:

''Geen onnodige beperkingen
Bij het opstellen van deze modelbepalingen is als uitgangspunt genomen dat er geen onnodige beperkingen aan de paracommerciële instellingen moeten worden opgelegd. Dit is in lijn met het standpunt van de regering, die in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, blz. 10) vermeldt dat zij er van uitgaat dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.

Verder is een belangrijk uitgangspunt dat het gaat om lokaal maatwerk. Of er bijvoorbeeld sprake is van oneerlijke mededinging hangt immers sterk af van de plaatselijke situatie. In dit model worden daarom artikelen en artikelleden aangeboden die nog niet concreet zijn ingevuld, soms ook in diverse varianten, waar de raden uit kunnen kiezen of die zij als inspiratiebron kunnen gebruiken. Het is immers niet mogelijk alle plaatselijke situaties te overzien en in één enkel model op te nemen.''

In het geval van oneerlijke mededinging kan de de gemeente hiertegen optreden via de regels over paracommerciële instellingen die zij hebben overgenomen en ingevuld. Dat neemt niet weg dat bijv. de Koninklijke Horeca Nederland oneerlijke concurrentie kan signaleren en daar stappen tegen kan gaan ondernemen.

Terzijde: als andere organisaties gebruik maken van hetzelfde gebouw en men wil ook alcohol schenken dient men in ieder geval over een eigen vergunning te beschikken. Wellicht is het mogelijk een reguliere drank- en horecavergunning te verlenen. Dan gelden de beperkende regels van schenktijden, beperkt aantal bijeenkomsten, niet verhuren van de ruimte e.d. niet meer. Wel moet men dan aan een aantal andere voorwaarden voldoen die doorgaans door een sportvereniging e.d. moeilijk te realiseren zijn. Men mag dan bv. niet met barvrijwilligers werken, er moet altijd een leidinggevende die over de benodigde papieren beschikt aanwezig zijn, enz.

Of is het ook mogelijk dit alcoholplan afzonderlijk te schrijven en vast te stellen?

Aan welke voorwaarden moet een dergelijk alcoholplan voldoen?

Antwoord:

De voorwaarden waaraan een preventie- en handhavingsplan moet voldoen staat vermeld in artikel 43a van de Drank- en horecawet (Dhw).

Het gemeentelijk preventie- en handhavingsplan alcohol kan maximaal voor vier jaar gelden, maar korter kan dus ook. Bovendien kan een plan ook tussentijds door de raad worden gewijzigd. Kortom het hoeft niet gelijktijdig met de lokale nota te worden vastgesteld, maar indien de lokale gezondheidsnota ook een onderdeel alcohol bevat is het aan te bevelen het plan tussentijds aan te passen en dat onderdeel in het plan te benoemen.

Een van de leidinggevende zegt dat dit niet hoeft omdat zij al 20 jaar ergens anders op een drank en horecavergunning heeft gestaan als leidinggevende. Valt dit onder het overgangsrecht?

Antwoord:

Een dergelijk verzoek valt onder het overgangsrecht indien deze persoon als bedrijfsleider of beheerder stond vermeld in een voor 1 januari 1996 verleende drankvergunning. Alleen dan behoeft deze persoon niet te beschikken over een bewijsstuk van sociale hygiëne. Het betreft hier overgangsrecht zoals neergelegd in artikel Vlll van de wet van 2 november 1995 tot intrekking van de Vestigingswet detailhandel en wijziging van de Drank- en Horecawet en van de Vestigingswet Bedrijven 1954 (Stb. 1995, 607).

Gemeente vraagt zich af of een afgegeven DHW-vergunning voor een VOF nog rechtsgeldig is. Met andere woorden, mag de exploitant van de huidige eenmanszaak (vormde samen met partner eerst de VOF) de horeca-inrichting nog exploiteren of is er sprake van exploitatie zonder geldige DHW-vergunning?

Ons antwoord op deze vraag is als volgt. Àrtikel 29 van de DHW) bepaalt waaraan een vergunning moet voldoen, immers deze bepaling stelt wat er in een vergunning vermeld moet worden.

Vervolgens bepaalt artikel 31 op welke gronden de vergunning ingetrokken kan worden en een van deze bepalingen betreft het eerste lid, sub c, van artikel 31 waarin is bepaald dat een niet op de vergunning vermelde persoon leidinggevende is geworden m.b.t. de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft, grondslag is om de vergunning in te trekken.

En dat is in deze casus het geval. Immers er is in verband met het opheffen van de VOF een leidinggevende vertrokken en daarvoor in de plaats is een ander aangetrokken die niet vermeld staat op de bestaande vergunning. Kortom niet het feit dat de VOF ontbonden is, is de grondslag voor het vervallen van de vergunning. Maar dat zijn de vereisten zoals in de artikelen 29 en 31 van de DHW waarop de vereisten worden getoetst en vervolgens bij het niet voldoen hieraan, de vergunning kan worden ingetrokken, waardoor opnieuw een vergunning moet worden aangevraagd.

Achtergrond van deze vraag is als volgt. Er bestaan plannen om een museumschip in de gemeente onder te brengen. Het is de bedoeling dat in het schip ook een horecabedrijf komt. In artikel 2:28 lid 10 sub b van onze APV staat dat een exploitatievergunning niet nodig is voor een horecabedrijf in musea.

Hierbij riijzen er een aantal vragen. Zijn er criteria voor een museum? En wanneer er sprake is van ondergeschiktheid van de museumfunctie ten opzichte van het horecabedrijf (bijv. door de oppervlakteverdeling tussen de museumfunctie en het horecabedrijf)? En als blijkt dat de museumfunctie ondergeschikt is aan het horecabedrijf, is het dan wel verplicht om een exploitatievergunning aan te laten vragen door de exploitant?

Als blijkt dat er wel een exploitatievergunning moet worden aangevraagd, moet er uiteraard ook gekeken worden naar het bestemmingsplan. Heeft het feit dat een schip in het water ligt nog invloed op de vraag of er strijdigheid zou kunnen zijn met het bestemmingsplan of is dit bij exploitatievergunningen voor schepen niet relevant? In het betreffende bestemmingsplan heeft het water waar het schip mogelijk zou komen te liggen de bestemming 'water'. Hieronder valt geen horeca. Zou in dat geval de vergunning moeten worden geweigerd?

Het antwoord op deze vragen luidt als volgt.

In de eerste plaats is van belang wat uw APV hierover precies regelt. In het VNG model APV geldt deze 'museumbepaling' alleen voor openbare inrichtingen waar géén alcohol wordt geschonken (droge horeca), en waar de openbare orde evident niet in het geding is. Wordt er wel alcohol geschonken dan zou volgens het VNG model wel een exploitatievergunning nodig zijn. Het is uiteraard mogelijk dat uw APV een bredere vrijstelling kent waarbij ook 'natte horeca' bij musea is vrijgesteld.

In hoeverre de gewenste horeca ondersteunend is bij het museum moet per geval afzonderlijk worden beoordeeld. De oppervlakteverdeling kan een maatstaf zijn, de rechtsvorm van de aanvrager een ander. Doorgaans is in dit soort gevallen een goed gesprek om na te gaan of er een basis is voor goed vertrouwen, gevolgd door een 'high trust, high penalty' aanpak praktischer dan een poging om exact te definiëren wat ondersteunend hier betekend, gevolgd door een groot aantal gevraagde bewijsstukken.

Of de bestemming een issue is bij toe- of afwijzing van de exploitatievergunning hangt ervan af of uw APV dat zo regelt. Wanneer strijd met de bestemming een absolute weigeringsgrond is ('de burgemeester weigert') dan moet er inderdaad worden geweigerd. Gaat het om een "kan-bepaling" ('de burgemeester kan weigeren') dan heeft de burgemeester een afweging te maken. Daarbij is van belang dat het afwegingskader wordt gegeven door de exploitatievergunning (openbare orde) niet door het bestemmingsplan (ruimtelijke ordening). Voor een zaak waar dat misging: Voorzieningenrechter Haarlem 15-6-2010, LJN BM9367.

Tenslotte, als men hier alcohol wil schenken is ook een DHW-vergunning nodig.

De gemeente beschikt over de volgende instrumenten:

Bestuurlijke boete opleggen Proces verbaal opgemaakt door een BOA (artikel 45, 21, 20 lid 6 en 7) Intrekken/schorsen DHW-vergunning Tijdelijk stilleggen alcoholverkoop in de detailhandel Toepassen bestuursdwang (sluiting, bezoekers verwijderen) Dwangsom

Welk instrument gekozen wordt is afhankelijk van het handhavingsbeleid van de gemeente. In het handhavingsbeleid staat per overtreding benoemd welke sancties van toepassing zijn en hoe hiermee wordt omgegaan. Voor overige informatie en vragen verwijzen wij u naar de site van het VWA met bijgaande link. http://www.handhavingdhw.nl/faq

Webwinkels die zwak-alcoholhoudende drank verkopen hebben géén vergunning nodig. De wet stelt geen eisen aan deze ondernemers. Wël vanuit welk pand ze leveren. Dat moet zijn: a. een niet voor publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin overeenkomstige bestellingen plegen te worden aanvaard, niet zijnde een horecalokaliteit; b. een levensmiddelenwinkel, een warenhuis, een snackbar etc. (nl. alle ruimtes als bedoeld in artikel 18, tweede lid); c. een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend.

Ondernemers met webwinkels die sterke drank verkopen hebben altijd een slijterijbedrijf. Die slijterij moet vanzelfsprekend een vergunning hebben. Het is voor gemeenten alleen nodig te weten of een webwinkel een vergunning heeft als die webwinkel sterke drank verkoopt. De gemeente kan dan kijken op de website naar het bezoekadres van de slijterij van waaruit geleverd wordt.

De achtergrond van deze vraag is het onderwerp van de gewijzigde DHW in beleidsstukken. Spreken we over een nieuwe Drank- en Horecawet of heeft de oude wet wijzigingen ondergaan zodat we spreken over wijzigingen in de Drank- en Horecawet ?

Het antwoord is als volgt. De nieuwe Drank- en Horecawet behelst wijzigingen van de huidige DHW. Zo gaat het toezicht van de Minister (lees: de Voedsel- en Warenautoriteit) over naar de gemeenten. Ook moeten de gemeenteraden een verordening vaststellen om de paracommerciële horecabedrijven te reguleren. Bij inwerkingtreding zal de 'nieuwe'', gewijzigde DHW wederom gewoon Drank- en Horecawet heten.

De minister van VROM heeft dit destijds uiteengezet in antwoorden op kamervragen.

We citeren: 'Wanneer het energieverbruik van het bedrijf groter is dan 50.000 kWh of 25.000 aardgasequivalenten per jaar moet het bedrijf alle energiebesparende maatregelen nemen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder. Op deze manier kan het bevoegd gezag bij deze bedrijven het gebruik van de meest energiezuinige terrasverwarmers afdwingen.

Wanneer het energieverbruik van het bedrijf minder dan 50.000 kWh of 25.000 aardgasequivalenten per jaar bedraagt, kan het bevoegd gezag geen energiebesparende maatregelen afdwingen. Op grond van de zorgplicht in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag bedrijven alleen aanspreken, wanneer sprake is van evidente energieverspilling.

Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of en wanneer hiervan sprake is. Dit ligt ook voor de hand omdat de concrete omstandigheden hierbij vaak relevant zijn. Het bedrijf kan vervolgens wel verplicht worden ten aanzien van deze energieverspilling maatregelen te treffen.

In overeenstemming met de ambitieuze doelstellingen voor klimaat en energie en de afspraken in het Klimaatakkoord tussen de Rijksoverheid en VNG, kan het bevoegd gezag wel activiteiten ondernemen om energiebesparing bij deze bedrijven te stimuleren.'

Gemeenten kunnen geen totaalverbod toepassen op het gebruik van terrasverwarmers. Er is wel Europese regelgeving waar dergelijke apparatuur aan moet voldoen. Koninklijke Horeca Nederland bepleit het gebruik van veilige, efficiënte en milieuvriendelijke terrasverwarming. Het toezicht op de apparatuur ligt bij de VWA.

Het Amsterdamse stadsdeel Centrum deed een proef met verwarmde winterterrassen. Stadsdeel Centrum onderzocht de effecten op de woon- en leefomgeving (denk aan geluidhinder) en het energieverbruik en de economische gevolgen voor de stad en individuele horecaondernemers. Zie: https://www.parool.nl/amsterdam/terrasverwarming-onder-strenge-regels-toegestaan~a3276709/

 

In artikel 44a van de nieuwe DHW is bepaald dat de burgemeester een bestuurlijke boete kan opleggen voor de daarin genoemde overtredingen. Vragen hieromtrent zijn: Kan de burgemeester deze bevoegdheid alleen mandateren aan een toezichthouder, die tevens boa is, of ook aan toezichthouder, zonder boa-functie? Of zelfs aan een ambtenaar die geen toezichthouder is? Kan gebruik worden gemaakt van de bestuurlijke strafbeschikking i.p.v. de bestuurlijke boete?

Antwoord: De overgang van het toezicht naar de gemeenten wordt begeleid door de VWA. Op hun site vindt u informatie over uw vragen www.handhavingdhw.nl. Als uw vragen niet vermeld worden kunt u daarvoor met hen in contact treden.

Gemeente heeft te maken met een bedrijf dat zaaltjes binnen horeca-gelegenheden huurt voor opkopers van goud. Gemeente kan de opkopers niet aanpakken. Het bedrijf staat als onderneming ingeschreven en huurt onder verschillende namen telkens weer een andere gelegenheid. De constante is dat het bedrijf goud opkoopt in een gelegenheid waar alcohol wordt verkocht. Wat kan gemeente hieraan doen?

Antwoord: De Voedsel en Warenautoriteit is het juiste adres voor de beantwoording van uw vragen. U kunt dagelijks de Helpdesk bellen.

In onze gemeente is een toko gevestigd die op dit moment detailhandel drijft (afhaal van etenswaren + verkoop van andere producten). Op het pand rust tevens de bestemming horeca, dus er mag tevens horeca worden gedreven. Dit wil de ondernemer ook graag.

Nu verbiedt art 14 lid 2 DHW dat wanneer er een drank- en horecavergunning is verleend er niet tevens kleinhandel of zelfbedieningsgroothandel mag worden uitgeoefend, tenzij het betreft de verkoop van etenswaren die voor consumptie gereed zijn. Dit houdt voor de toko dus in dat er wel een mogelijkheid tot afhaal van gerechten mag blijven, maar dat er bijvoorbeeld geen kroepoek, sambal e.d. vanuit schappen mag worden verkocht. Hoe zit het als er wel een exploitatievergunning is verleend, en dus horeca wordt geëxploiteerd, maar er geen drank wordt geschonken. Mag er dan wel kroepoek, sambal e.d. vanuit schappen worden verkocht?

Antwoord Indien er sprake is van zgn. droge horeca; een gelegenheid waar spijzen of uitsluitend alcoholvrije dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse is de DHW niet van toepassing maar is wel een exploitatievergunning vereist.

In veel APV's is aangegeven dat de combinatie van horeca met detailhandel niet is toegestaan. Vermoedlijk hangt dit dit samen met de bestemming op een pand. U heeft echter aangegeven dat de bestemming zowel horeca als detailhandel is. Dit zou dus geen beletsel vormen.

Dit neemt niet weg dat er andere gronden in de APV kunnen staan vermeld die dit wel zouden kunnen zijn. Dit moet dus getoetst worden. Hiernaast is het van belang dat op de winkel (de detailhandel) de Winkeltijdenwet van toepassing is. Het kan dus zijn dat voor de horeca andere (vaak ruimere) openingstijden mogelijk zijn dan voor de detailhandel.

Binnen onze gemeente zijn wij bezig de huurovereenkomsten met de huurders van de horecagelegenheden bij de sporthallen te herzien. In dat kader is er een kleine discussie ontstaan over het 'schenkrecht' dat de huurder van een horecagelegenheid zou hebben, als in de sporthal een groot evenement wordt georganiseerd. Volgens de huurder zou hem het alleenrecht tot het schenken van drank toekomen, wanneer de gemeente de naastgelegen sporthal verhuurt voor bijvoorbeeld een feest of ander evenement. Komt de huurder van een horecagelegenheid naast een sporthal inderdaad het alleenrecht tot het schenken van drank toe, wanneer de gemeente de sporthal verhuurt voor een evenement? Zo ja, waarop is dit recht gebaseerd?

Het antwoord is als volgt. De voorwaarden waaronder mag worden geschonken etc. zijn geregeld in de vergunning, die destijds is verstrekt. Waarschijnlijk beschikt de sporthal over een artikel 4 DHW-vergunning. Althans als de sporthal schenkt en als paracommercie is gedefinieerd. Is dit niet het geval want er is een aparte horecagelegenheid binnen de sporthal die door een ander dan de eigenaar van de sporthal commercieel wordt verpacht, dan is er aan die pachter een artikel 3 vergunning op basis van de Drank- en Horecavergunning verstrekt en is het schenkrecht aan de pachter.

In de nieuwe wet staat in artikel 35, vijfde lid (nieuw) dat een burgemeester naar aanleiding van een aanvraag voor ontheffingen als bedoeld in dit artikel, voor jaarlijks terugkerende identieke bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard, besluiten één ontheffing te verlenen, mits de verstrekking van zwak-alcoholhoudende drank telkenmale geschiedt onder onmiddellijke leiding van dezelfde persoon. Een dergelijke passage staat niet in de 'oude' wet. In het 'oude' artikel 35 DHW staat dat de burgemeester ten aanzien van het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank op aanvraag ontheffing kan verlenen van het in artikel 3 voor de uitoefening van het horecabedrijf gestelde verbod, bij een in de beschikking aangewezen bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen, mits de verstrekking geschiedt onder onmiddellijke leiding van een persoon die voldoet aan artikel 8, tweede en vierde lid. Hieruit volgt dat de ontheffing alleen per keer kan worden verleend en dus niet voor meerdere keren achter elkaar.

De ondernemer die een vergunning aanvraagt moet in ieder geval een handelingsbekwaam natuurlijk persoon zijn die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Hoe staat het met de zogenaamde bierfiets, nu de rechter in A'dam deze verboden heeft vanwege de breedte? Toegestaan is namelijk 1.5 meter voor een fiets. Vervolgens zou de inspectie aan zet zijn. Mogen passagiers op een bierfiets zo alcohol op de openbare weg nuttigen?

Antwoord: Op dit moment is ons bekend dat de gemeente Amsterdam (in juni 2012l) aan de minister van BZK heeft gevraagd de wet zodanig te wijzigen dat de bierfiets in alle mogelijke vormen, inclusief het alcoholgebruik, wordt verboden.

Volgens het vonnis uit 2010 waarin de bierfiets werd verboden voldoet de rijdende bar niet aan de regels en moet deze als een fiets worden beschouwd. Fietsen mogen volgens de Regeling Voertuigen niet breder zijn dan anderhalve meter. De bierfiets in de betreffende zaak is echter 2,20 meter breed. De uitspraak heeft als gevolg dat bierfietsen voortaan niet zomaar de weg op mogen.

Amsterdam wilde een algemeen verbod maar zag daar uiteindelijk af. Wel wordt de bierfiets geweerd uit het Wallengebied, omdat daar een alcoholverbod geldt. Nu heeft de gemeente toch gevraagd om een algemeen verbod omdat het probleem te omvangrijk wordt.

Juridisch is het zo dat de Inspectie Verkeer en Waterstaat aan zet is. Handhaving van de verkeerswetgeving is immers in eerste instantie geen taak van de lokale overheid. Wel staan er in de APV (model VNG) mogelijkheden waarbinnen gemeenten dergelijke voertuigen en met name het gebruik van alcohol kunnen beperken. De rechter heeft in 2010 echter niet zo ver willen gaan om het fenomeen "bierfiets" in het algemeen te verbieden, in feite zijn er nadere voorwaarden aan het voertuig gesteld.

Het college van B en W kan een bepaald gebied aanwijzen met het verbod om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes/blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit staat in de Model-APV, Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de DHW toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.

Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.

Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als er gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig.

Daarnaast zou het college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb.

Dit geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.

Achtergrond van de vraag is als volgt. Binnen onze gemeente hebben wij diverse gemeentelijke accommodaties met horecagelegenheid, die zijn verpacht en worden beheerd door bedrijven/eenmansbedrijven. Het blijkt voor particulieren niet meer rendabel te zijn. Gemeente vraagt zich af of het mogelijk is dat de sportverenigingen de accommodatie/sportkantine gezamenlijk gaan beheren.

Vergunning-technisch moet hiervoor het een en ander geregeld worden. Een exploitatie- en Drank- en Horecavergunning kan natuurlijk maar voor één inrichting, aan één (rechts)persoon worden verleend. Omdat het meerdere sportverenigingen betreft is het de vraag of gemeenten dit kan ondervangen als de sportverenigingen gezamenlijk een stichting oprichten, die de exploitatie van de sportkantine op zich kan nemen.

Het antwoord is als volgt. Het oprichten van een stichting hiervoor door de gezamenlijke sportverenigingen lijkt een goede optie. Vanwege artikel 4 van de Drank- en Horecawet zal het in elk geval om een rechtspersoon niet zijnde een BV of NV moeten gaan. Over de aansprakelijkheid raden wij aan contact op te nemen met de Notaristelefoon. Die kan adviseren over de aansprakelijkheid en ook over de fiscale aspecten van zo'n constructie. Zelf heeft de VNG daarover geen expertise in huis.

Achtergrond van de vraag is als volgt. Een slijter houdt binnenkort een whiskeyproeverij. De ondernemer huurt een touringcar / autobus. Ze nemen deel aan het verkeer en het is bepaald dat het transportmiddel bestemd is voor personenvervoer. Is dan DHW art.1 lid 3 a van toepassing? Met andere woorden: mag de sterke drank ter plaatse genuttigd worden en mag de verpakte drank verkocht worden vanuit de bus?

Het antwoord is als volgt. De DHW is op grond van artikel 1, derde lid onder a niet van toepassing in vervoermiddelen bestemd voor personenvervoer. Dat betekent dat er alcoholhoudende drank mag worden verkocht (slijterij) of verstrekt om genuttigd te worden tijdens hun gebruik als zodanig, dus tijdens het rijden. Als ze stilstaan mag er niet verkocht worden aan anderen dan de passagiers.

In de commentaren (Kluwer Navigator, module Horeca) worden als voorbeeld van die vervoermiddelen steeds treinen, veerboten en andere schepen als voorbeeld genoemd, maar waarschijnlijk vallen daar ook autobussen en touringcars onder.

Het is voorstelbaar dat daarin tegenin gebracht kan worden dat als het vervoermiddel alleen wordt gebruikt om al rondrijdend drank te verstrekken en niet om passagiers van het ene punt naar het andere te vervoeren, artikel 1, derde lid onder a niet van toepassing is. Maar daarover is vooralsnog geen jurisprudentie te vinden, dus valt het moeilijk in te schatten of de rechter daarin zou meegaan.

Het lijkt het er dus op dat de slijter op deze manier inderdaad het verbod op een proeverij kan omzeilen, en de drank verkopen op een andere (rijdende) lokatie dan vanuit zijn inrichting. Hij zal dit dus alleen kunnen doen zolang de (rond)rit duurt, en niet aan anderen dan aan de passagiers. En verder blijven natuurlijk de leeftijdbepalingen etc. uit de DHW wel van toepassing.

Overigens zijn proeverijen in een slijterij na inwerkingtreding van de gewijzigde DHW (1-1-2013) toegestaan, zie art 13, tweede lid.

De Drank en Horecawet schrijft voor dat de DHW vergunning wordt verleend op een 'Vergunning model D formulier.' Op dit formulier is slechts beperkte ruimte om beperkingen en voorschriften aan vergunning te verbinden. Is de vergunninghouder gebonden aan voorschriften en/of voorwaarden die zijn opgenomen in een bijlage, waarna in de vergunning wordt verwezen? En is een vergunning rechtsgeldig als deze niet is opgemaakt op een formulier zoals bedoeld in de voornoemde wet?

Strikt formeel zou men hierover kunnen discussiëren, maar in de praktijk wordt hier (hoe zou het ook anders moeten worden opgelost?) praktisch mee omgegaan. De oplossing om te verwijzen naar een aan het formulier gehechte bijlage, is heel gebruikelijk en de rechter heeft daarmee geen probleem.

Onze gemeente koos voor het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking in plaats van de bestuurlijke boete voor de aanpak van overlast in de openbare ruimte. Betekent dit dat wij straks geen gebruik kunnen maken van de bestuurlijke boete in de nieuwe DHW?

Het antwoord op deze vraag is dat gemeenten na inwerkingtreding van de nieuwe DHW geen gebruik meer kunnen maken van de bestuurlijke strafbeschikking voor wat de DHW betreft. Informatie over de bestuurlijke strafbeschikking en de bestuurlijke boete vindt u op de site van het Expertisecentrum handhaving DHW.

Op deze site staat bij de FAQ’s: 'De DHW kent het instrument bestuurlijke boete. In 2005 is dit bestuursrechtelijke instrument geïntroduceerd in de DHW. De bestuurlijke strafbeschikking is een strafrechtelijke sanctie (afhandeling door het Openbaar Ministerie) en is voor gemeenten in het leven geroepen om op te kunnen treden tegen 'kleine ergernissen', zoals wildplassen, hondenpoep, retc. Dit zijn eenvoudig te constateren overtredingen die ook in de afhandeling eenvoudig zijn. De DHW-overtredingen daarentegen zijn veel complexer'.

In onze gemeente is een dorpshuis. Zij beschikken over een drank- en horecavergunning. Op de vergunning staat dat zij van de vergunning geen gebruik mogen maken voor het openlijk aanprijzen van feestjes in de persoonlijke sfeer etc. Nu wil de beheerder voor de bewoners de mogelijkheid scheppen om in het dorpshuis bijvoorbeeld hun verjaardag te vieren. Is dat juridisch een probleem?

Het antwoord is als volgt. Uit uw casus blijkt dat het dorpshuis de ruimte beschikbaar wil stellen voor het houden van feesten aan burgers. Waarschijnlijk beschikt het dorpshuis over een paracommerciële vergunning. Dit houdt in dat er sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie ten opzichte van de reguliere horeca. In de vergunning kan de gemeente behalve het openlijk aanprijzen van feestjes ook bijeenkomsten van persoonlijke aard zoals het houden van bruiloften en partijen verbieden.

Ons advies is om eerst te inventariseren wat de precieze criteria zijn die aan dit dorpshuis zijn gesteld en voorts of de reguliere horeca van een dergelijke constructie (ruimte beschikbaar stellen voor feestjes) wel gediend is. U zou te maken kunnen krijgen met het Bureau Eeerlijke Mededeling (BEM), met als gevolg een rechtszaak. Immers, valse concurrentie ligt bij een dergelijke constructie zeker op de loer en is dus niet aan te bevelen.

Een voetbalclub wil een feestavond i.v.m. jubileum van een volleybalclub in de kantine van de voetbalclub plaats laten vinden. Bekend is dat in een paracommerciële instelling geen feesten in de persoonlijke sfeer plaats mogen vinden. Nu is de vraag of het bovenstaande valt onder de feesten in de persoonlijke sfeer (omdat het geen feestavond van de voetbalclub is) of niet.

Het antwoord is als volgt. Aan paracommerciële instellingen verbindt het college een of meer voorschriften die, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden nodig zijn ter voorkoming van mededinging welke uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd. Als wilt weten of het houden van dit feest mogelijk is dan zult u de voorschriften van de vergunning erop na moeten slaan en controleren of een dergelijk feest daar gehouden mag worden. Kortom het antwoord is gelegen in de vergunningvoorschriften.

Gemeente wil handhaven op het alcoholverbod. Moet de gemeente een verbodszone aangeven d.m.v. bebording of is plaatsing in het gemeenteblad voldoende?

Antwoord: Alleen plaatsing van het alcoholverbod in het gemeenteblad is onvoldoende, immers andere toegangers en toeristen hebben geen kennis hiervan kunnen nemen. Dus is het advies wel een bebording te plaatsen zodat het publiek weet dat er in dat gebied een alcoholverbod geldt. Met een beetje fantasie kunt u hiervoor een RVV-verkeersbord gebruiken waar u bijvoorbeeld een bierfles op verbodsbord afbeeldt. Want er zijn voor dit soort verboden geen borden voorradig.

Alle leidinggevenden moeten zonder uitzondering op de vergunning worden vermeld (artikel 29, lid b). Op de vergunning moet naast de ‘algehele leidinggevenden’ en de ‘onmiddellijk leidinggevenden’ ook ‘de ondernemer als leidinggevende’ worden vermeld. De ondernemer is altijd een van de leidinggevenden. De Drank- en Horecavergunning kent overigens slechts de aanduiding leidinggevende en maakt geen onderscheid tussen het soort leidinggevende.

Achtergrond van deze vraag is dat in de gemeente een poolcentrum is gevestigd die de afgesloten poolruimte van 200 m2 als rookruimte gebruikt. Hier wordt dus niet bediend, dit gebeurt in de gescheiden barruimte.

Het antwoord op de vraag is ja. Volgens de definitie van artikel 1 van de DHW valt een dergelijke ruimte onder de reikwijdte van een lokaliteit. Namelijk een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting en dat is een rookruimte.

En of een dergelijke rookruimte ook op de vergunning dient te worden vermeld bepaalt artikel 29 van de DHW. Immers in dit artikel staat wat er in een vergunning vermeld moet staan. En daar valt de rookruimte ook onder, want art. 29, eerste lid onder e, bepaalt dat het gaat om de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten en terrassen, dus ook de situering van de rookruimte die een onderdeel is van het horecabedrijf.

Er is een aanvraag voor een Drank- en Horecavergunning voor een café met een terras. Echter blijkt dat er naast het café met bijbehorend terras en er op het perceel, waar de horeca-inrichting zich bevindt, ook een schuur staat. Deze schuur is omgebouwd tot feestruimte. Daarnaast staat deze op hetzelfde perceel maar geheel los van het café en terras. De vraag is: Mag de schuur / feestruimte op de Drank- en Horecavergunning als lokaliteit vermeld worden?

Het antwoord op de vraag is als volgt. Op de vergunning moeten alle horecalokaliteiten vermeld worden, zo is bepaald in artikel 29, eerste lid onder e DHW. Een horecalokaliteit is een lokaliteit waar de verstrekking van de alcohol voor gebruik ter plaatse gebeurt. Dat zal in de feestschuur waarschijnlijk wel het geval zijn. Ondanks dat de feestschuur los staat van de andere gebouwen maak hij deel uit van dezelfde inrichting. Alles staat immers op hetzelfde perceel en er zit een terras tussen.

Ja, de VNG organiseert bijeenkomsten over de modelverordening voor de paracommerciele horecabedrijven. Over de overgang van het toezicht naar de gemeenten en de handhaving verzorgt de NVWA de voorlichting.

Met het oog op de gewijzige Drank- en Horecawet heeft de VNG nieuwe modelbepalingen verwerkt in de model-APV. Hoe past u deze bepalingen toe in uw gemeentelijke praktijk?

U hoort het op de voorlichtingsbijeenkomsten in september, waar u zich nog voor kunt opgeven. Daarnaast kunt u zich aanmelden voor een workshop over de nieuwe modelverordening Drank- en Horecawet tijdens de Juridische Tweedaagse op 9 oktober in Ermelo.

Volledige vraag. Gemeenteraad moet de verplichte verordening voor 1 januari 2014 vaststellen. Moet gemeente dan nog iets aanpassen in de APV voor 1 januari 2013?

Antwoord: De wijziging van de DHW treedt op 1 januari 2013 in werking. Op 1 januari 2014 moet de raad een verordening voor de paracommerciële horecabedrijven hebben vastgesteld. De raad kan de verordening op grond van de gewijzigde DHW in de loop van 2013 vaststellen en hem dan direct in werking laten treden.

Als uw raad het VNG-model overneemt dan heeft de vastgestelde verordening de vorm van een wijzigingsverordening van de APV. Deze wijzigingsverordening moet gepubliceerd worden. De wijziging van de APV treedt dan in werking op de dag na bekendmaking van de wijzigingsverordening (zie artikel II van de modelverordening).

De raad kan uiteraard ook een ander tijdstip kiezen voor inwerkingtreding, bijvoorbeeld de eerste dag van de maand volgend op de datum van vaststelling. De tekst van de APV inclusief de wijziging moet ook worden opgenomen worden in de CVDR, maar dat is niet bepalend voor de inwerkingtreding.

De raad kan er ook voor kiezen de wijzingsverordening van de APV nog dit jaar vast te stellen. De wijziging van de wet treedt pas in werking op 1 januari 2013.

Daarom is in artikel II van de modelverordening het volgende opgenomen: 'Deze verordening treedt in werking met ingang van de datum waarop het voorstel van wet strekkende tot wijziging van de Drank- en Horecawet met het oog op de terugdringing van het alcoholgebruik onder met name jongeren, de voorkoming van alcoholgerelateerde verstoring van de openbare orde, alsmede ter reductie van de administratieve lasten (32 022) kracht van wet krijgt. Indien deze verordening niet bekendgemaakt is op de dag voorafgaand aan deze datum treedt deze verordening in werking met ingang van de dag na bekendmaking.''

U kunt in dat geval wachten met opnemen van de gewijzigde tekst van de APV in de CVDR tot (vlak) na 1 januari 2013.

De geconsolideerde tekst vindt u op www.modelverordeningen.sdu.nl én in de Centrale Voorziening voor Decentrale Regelgeving (CVDR). Om deze beide databanken te benaderen, moet u inloggen met een gebruikersnaam en wachtwoord. Over het algemeen beschikken uw collega's van de afdeling Juridische Zaken of Informatievoorziening van uw gemeente over deze inloggegevens. De ledenbrief en de wijzigingsverordening zijn gepubliceerd op de site van de VNG:

VNG modelverordening Drank- en Horecawet Op de VNG-site treft u alleen de begeleidende ledenbrief en de wijzigingsverordening aan. De geconsolideerde tekst wordt hier conform afspraken tussen VNG en SDU niet ter beschikking worden gesteld. De geconsolideerde tekst van de Model-APV vindt u in de Databank Modelverordeningen Sdu.

Tip: Handreiking Drank- en Horecawet voor gemeenten (Pdf, juni 2012)

Gemeente wil een duidelijke lijn te krijgen m.b.t. ondersteunde horeca aan winkelactiviteiten. Hoe kun je bepalen dat horeca (met of zonder alcohol) een zelfregulerend karakter heeft en dus een eigen bezoekersstroom? Binnen gemeente is daar onduidelijkheid over met als gevolg dat een tuincentrum een compleet restaurant mag exploiteren (geen drank) zonder exploitatievergunning.

Het antwoord is als volgt. De term 'ondersteunende horeca' is zowel in de Drank- en Horecawet als in de Apv niet als definitie opgenomen. In het omgevingsrecht c.q. bestemmingsplan kent men de definitie wel, maar het juridisch motief van een bestemmingsplan is anders dan dat van een exploitatievergunning op basis van de Apv. Het motief van de Apv gaat over het stellen van eisen voor het reguleren van de openbare orde.

Sinds 2010 kent de VNG een exploitatievergunning voor de "droge" en de "natte" horeca. Het motief voor de exploitatievergunning is het reguleren van de overlast. Met de natte horeca wordt bedoeld de inrichtingen die drank schenken en dus over een Drank- en Horecavergunning moeten beschikken. Deze bedrijven hoeven vooralsnog niet over een exploitatievergunning te beschikken omdat ze op grond van de DHW, Bibob-waardig zijn.

Voor de droge horeca geldt de Bibob dus niet als de gemeente niet als voorwaarde een explotatievergunning in de Apv heeft opgenomen. Overigens wordt onder de droge horeca verstaan, de inrichtingen die geen alcohol verstrekken, maar wel horeca-activiteiten ontplooien. Als inrichting beschikt over een exploitatievergunning op basis van het VNG-model APV uit 2010 dan geldt hiervoor dat deze over een exploitatievergunning moet beschikken en vervolgens Bibobwaardig zijn.

Kortom de bevoegdheid van gemeenten om handhavend op te treden is de openbare orde en niet de waren die verkocht worden of de menukaart die aangeboden wordt.

Enkele voorbeeldnota's > VNG Prakijkvoorbeelden Databank:

Beleidsnotitie Ondersteunende Horeca, Oldebroek, 2009 Nota Horecabeleid Midden-Delfland 2010 Nijmegen heeft informatie op haar website over wat precies onder ondersteunende horeca moet worden verstaan.

Volledige vraag: Met welke consequenties moet de gemeente rekening houden als er per 1 januari 2013 geen BOA' s meer beschikbaar zijn voor toezicht en handhaving, gelet op de nieuwe Drank- en Horecawet?

Per 1 januari 2013 (als de nieuwe wet in werking treedt) vervalt het interbestuurlijk toezicht. Maar dit betekent niet dat er helemaal geen sprake is van toezicht. Want in het geval van taakverwaarlozing is er een mogelijkheid dat de minister van VWS in dit kader de Commissaris van de Koningin kan opdragen om in plaats van het college of de burgemeester te treden en alsnog handhavend op te treden. Zie hiervoor de artikelen 117, 124, 268 en 273 van de Gemeentewet.

Vanaf 2013 is bij de gemeente de taak neergelegd om toezicht te houden op de Drank- en Horecawet. In de wet worden geen opleidingsnormen gesteld. Vaak wordt de vraag gesteld welke opleiding nodig is voor het uitvoeren van het toezicht. Het antwoord vindt u bij het Expertisecentrum Handhaving DHW. Op de website vindt u een competentie-profiel en informatie over te houden cursussen voor de toezichthouders.

Volgens de DHW moeten alle leidinggevenden beschikken over een Verklaring Sociale Hygiëne, voordat een DHW-vergunning kan worden verstrekt (artikel 8, lid 4). Gedurende de openingstijden van een horeca- of slijtersbedrijf moet altijd een in de vergunning genoemde leidinggevende aanwezig zijn, die in het bezit is van een Verklaring Sociale Hygiëne. Voor horecabedrijven met ruime openingstijden betekent dit dat op de vergunning meer leidinggevenden vermeld moeten staan. Voor paracommerciële horecabedrijven is de uitzondering gemaakt dat slechts twee leidinggevenden over een Verklaring Sociale Hygiëne moeten beschikken.

Gemeente is bezig met een traject om handhaving Horecaoverlast beter op te pakken, waarbij de betrokken partners optimaler samenwerken. Met als doel om meldingen van een burger of constatering van de politie rond horecaoverlast sneller op te kunnen pakken en te handhaven. Is er informatie van gemeenten die een goedwerkend proces voor handhaving Horecaoverlast hebben? Is er informatie van gemeenten die een proces handhaving Horecaoverlast voeren waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een Klein Horeca Overleg (KHO) waarbij betrokken partners elkaar fysiek ontmoeten?

Hieronder vindt u drie gemeentelijke nota's waarin de handhaving van overlast als gevolg van horeca wordt behandeld. Deze nota's zijn afkomstig uit de VNGDatabank Praktijkvoorbeelden

Het betreft een nota van gemeente Haarlem (2009) en een van gemeente Apeldoorn (2010). Gelet op het feit dat deze nota's zo'n 2 tot 3 jaar oud zijn, kunnen deze gemeenten waarschijnlijk goed aangeven wat het effect van hun aanpak van overlast in de horeca is. Haarlem maakt volgens deze nota gebruik van de overlegstructuren 'bestuurlijk overleg' en 'een werkgroep'. Apeldoorn behandelt het gewenste proces op handhaving. Daarnaast een regionale handhavingmatrix van diverse gemeenten in de regio Zuid-Holland Zuid (2012) toe. In deze tekst zijn de bevoegdheden van betrokken partijen vastgelegd.

Notitie Haarlem, 2009 Notitie Apeldoorn, 2010 Regionale handhavingsmatrix van gemeenten in de regio Zuid-Holland Zuid

Neen, tenzij het ondernemers zijn met webwinkels voor het slijtersbedrijf en tevens  beschikken over een slijtersvergunning. Regels met betrekking tot de opslagruimte staan opgesomd in artikel 25 DHW. Een slijterij moet vanzelfsprekend over een vergunning beschikken voor de verkoop van sterke drank sterker nog de verkoop van sterke drank is exclusief bedoeld voor een slijtersbedrijf.

Het is dus voor gemeenten alleen nodig te weten of een webwinkel over een slijters vergunning beschikt indien de webwinkel via internet sterke drank verkoopt. Overtreding betreft een bestuurlijk beboetbaar feit.

Webwinkels die zwak-alcoholhoudende drank verkopen hebben geen vergunning nodig. De wet stelt geen eisen aan deze ondernemers. Wel vanuit welk locatie/pand er wordt geleverd.

Deze eisen staan opgenomen in artikel 18 van de DHW:

a. een niet voor publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin overeenkomstige bestellingen plegen te worden aanvaard, niet zijnde een horecalokaliteit;
b. een levensmiddelenwinkel, een warenhuis, een snacknar etc. (nl. alle ruimtes als bedoeld in artikel 18, tweede lid);
c. een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend.