Vergunningverlening en wijziging van ondergeschikte aard?

Volledige vraag: Op enig moment is door onze gemeente een vergunning verleend voor de bouw van een schuur, op 43 centimeter van de erfgrens. Door de bewoners van het naastgelegen perceel is tot in de erfgrens een garage gebouwd. Tussen de vergunde schuur en de reeds bestaande garage zou derhalve, na realisering van het plan, een strook van 43 centimeter aanwezig zijn. Door de behandelend ambtenaar is destijds over het hoofd gezien dat deze situatie in strijd is met de gemeentelijke bouwverordening, waarin is opgenomen dat de ruimte tussen twee bouwwerken niet minder dan 1,00 meter mag bedragen.

De bewoners van het buurperceel hebben bezwaar aangetekend tegen de omgevingsvergunning, onder andere aangaande de strook van 43 centimeter tussen beide gebouwen. Zij verzoeken om hier 50 centimeter van te maken, met het oog op de mogelijkheid tot het plegen van onderhoud. De gemeente kan zich vinden in dit verzoek en wil hier aan tegemoet komen. Dit zou betekenen dat de schuur op de bouwtekening 7 centimeter ' verplaatst'  zou moeten worden.

De vraag is nu, kan dit binnen de  huidige verleende vergunning geregeld worden (wijziging van ondergeschikte aard), of moet hiervoor opnieuw een vergunning verleend worden? In principe hoeft alleen een wijziging plaats te vinden op de bouwtekeningen, waarin de afstand tot het naastgelegen perceel wordt aangepast van 43 naar 50 centimeter. In hoeverre moet de gemeente dit nog vooroverleggen met de vergunningverkrijger?

Tegen een door uw college verleende omgevingsvergunning voor een bijbehorend bouwwerk (schuur) is door de buren bezwaar gemaakt in verband met de zeer krappe ruimte 0.43 m - tussen deze op te richten schuur en de bestaande garage van de bezwaarden. De garage is op de erfgrens geplaatst. U erkent dat de minimale afstand van 1.00 meter uit art. 2.5.17 bouwverordening over het hoofd is gezien. Deze afstand is nodig voor onderhoud aan de gevels. Genoemd artikel biedt de mogelijkheid ontheffing te verlenen en een geringere afstand te bepalen.

U verklaart bereid te zijn de afstand te bepalen op 0.50 meter en dat bezwaarden hier genoegen mee nemen. U vraagt of een verandering van 43 naar 50 centimeter in de aanvraag van vergunninghouder een wijziging van ondergeschikte aard is en of u dit moet voorleggen aan vergunninghouder.

Vergunninghouder is waarschijnlijk op de hoogte is van het ingediende bezwaarschrift en betrokken  bij de behandeling en het advies van de commissie. Er komt een beslissing op het bezwaarschrift en die beslissing kan inhouden dat de vergunning niet in stand kan blijven, dat alsnog ontheffing wordt verleend als bedoeld in art. 2.5.17 bouwverordening en dat de in bezwaar verleend omgevingsvergunning een minimale afstand van 0.50 meter bevat. Omdat het hier een beslissing op bezwaar betreft behoeft de aanvraag niet te worden gewijzigd en is de vraag of deze 7 centimeter verschil een wijziging van ondergeschikte aard betreft niet relevant.

Overigens zou in het geval de gemeente een ontvangen verzoek om vergunning inhoudelijk op een ondergeschikt punt wil aanpassen, de gemeente hiertoe niet bevoegd zijn. De aanvrager mag dit wel, mits ondergeschikt. En het is zorgvuldig wanneer in voorkomend geval de gemeente de aanvrager erop wijst dat met een geringe aanpassing van diens aanvraag de vergunningverlening kan plaatsvinden.

Het is dan aan de aanvrager te beslissen of hij dit advies opvolgt. Het kan immers zijn dat de aanvrager kiest voor een andere oplossing. Volledigheidshalve wijzen wij op de uitspraak ABRS van 18 januari 2012, LJN BV1171(Brunssum) en daarvan de onderdelen 2.3, 2.3.1 vanaf 2.5.17 en 2.3.2 t/m 2.3.5.