Overzicht veelgestelde vragen over Wabo, Omgevingsvergunning

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Volledige vraag: Waar staat dat een asbestinventarisatierapport als bedoeld in art. 7.2 Mor moet zijn opgesteld door een daartoe gecertificeerd bedrijf?

Slechts door interpretatie kan men begrijpen dat dit rapport moet zijn opgesteld door een gecertificeerd bedrijf als bedoeld in artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.

Toelichting
In artikel 7.2 van de Mor staan de indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning voor het slopen. Onder lid f van dit artikel staat: het asbestinventarisatierapport, als er sprake is van een verwachting dat er asbest aanwezig is.
Het begrip asbestinventarisatierapport is hier niet nader aangeduid.

Het begrip asbestinventarisatierapport is omschreven in artikel 1, eerste lid, onder b van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Avb). Daaruit blijkt dat het rapport moet worden opgesteld door een daartoe gecertificeerd asbestonderzoeksbedrijf. Om de wetgeving op dit punt sluitend te maken is het nodig aan artikel 7.2 Mor na `asbestinventarisatierapport’ toe te voegen: als bedoeld in artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.

Uitgangspunt was bij de invoering van Wabo, Bor en Mor geen inhoudelijke wijziging aan te brengen ten opzichte van de MBV en het Avb. De gemeente is bevoegd te toetsen of een ontvangen asbestinventarisatierapport is opgesteld door een gecertificeerd asbestonderzoeksbedValt een sloopmelding onder de Wabo?
De sloopmelding opgenomen in artikel 8.2.1 MBV is géén toestemmingstelsel en valt om die reden buiten de Wabo en de omgevingsvergunning.

Volledige vraag: Is het waar dat de gemeente geen bevoegdheid bezit om de volledigheid van een ontvangen asbestinventarisatierapport te controleren?

De gemeente bezit wel de bevoegdheid de volledigheid te controleren. Door een onduidelijke formulering van artikel 7.2 Mor ontstaat dit misverstand. Dit artikel zou een relatie moeten leggen met andere voorschriften in combinatie waarmee wel tot een juiste conclusie wordt gekomen.

Toelichting:
Het bevoegd gezag is op basis van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, waarnaar in artikel 4.4 van het Bor wordt verwezen, te allen tijde bevoegd in aanvulling op wettelijke indieningsvereisten bij de aanvraag andere gegevens te vragen, voor zover deze nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 4.2, tweede lid Awb is ruim geformuleerd en kan worden gebruikt om de aanvrager ertoe te verplichten volledigheid te betrachten bij het indienen van de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning asbestverwijdering.

Voorheen stond dit geregeld in hoofdstuk 8 van de (Model)bouwverordening. Nu moet een redenering worden opgebouwd om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat de gemeente de gegevens en bescheiden en de volledigheid daarvan wel mag vragen. De opbouw is:

  • indieningsvereisten sloopvergunning staan in art. 7.2 Mor
  • Mor is gebaseerd op Bor en in art. 4.4 daarvan wordt een link gelegd met art 4.2 Awb
  • Het tweede lid van art. 4.2 Awb biedt de mogelijkheid de volledigheid van de gegevens en bescheiden, waaronder het verplichte asbestinventarisatierapport, te toetsen.

Bij de interpretatie van dit begrip moet de gemeente zelf bepalen wat zij onder bebouwde kom verstaat. Het is raadzaam om dit in de vorm van beleidsregels te doen. Daarbij kunnen definities uit andere wetten worden gebruikt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State wordt de grens van de bebouwde kom bepaald door de feitelijke situatie en de aard van de omgeving (zie uitspraak onderaan dit bericht) 

  • Van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt.
  • In het kader van de ruimtelijke ordening hoeft u geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de verkeerstechnische regeling uit de Wegenverkeerswet.

Voorbeeld
Ook kunnen gebieden expliciet benoemd worden, zoals dat ook op grond van artikel 1.3 MBV wordt gedaan via verwijzing naar een kaart.Bijvoorbeeld: bebouwde kom/buitengebied
Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt onderscheid gemaakt tussen het gebied binnen de bebouwde kom en het gebied buiten de bebouwde kom. Voor het bepalen van dit onderscheid, gelden de gebieden zoals aangegeven op de kaarten [nummer] tot en met [nummer] van het bestemmingsplan '[naam]' van [datum].

Uitspraak

Volledige vraag: Staat er bezwaar (en/of beroep) open tegen een verlengingsbeslissing ingevolge artikel 3.9 lid 2 van de Wabo?

Op basis van artikel 3.9 lid 2 van de Wabo kan de beslistermijn eenmalig worden verlengd.

In het algemeen wordt in de jurisprudentie het verlengen van beslistermijnen aangemerkt als voorbereidingsbeslissingen in de zin van art. 6:3 Awb.

  • Zie uitspraak ABRS 16 december 2009, LJN BK6720 (verlenging termijn om te beslissen op een aanvraag om het wijzigen van vergunningsvoorschriften), in het bijzonder de overwegingen 2.5 en 2.7).
  • Zie verder ABRvS 4 april 2002, LJN AE6046 (over het opschorten van de termijn waarbinnen wordt beslist op aanvraag verblijfsvergunning asiel: ` Het opschorten van de beslistermijn strekt slechts ter voorbereiding van het op de aanvraag te nemen besluit. Dat appellante, zoals zij stelt, langer in onzekerheid verkeert over het lot van haar aanvraag, brengt niet met zich dat zij door dat uitstel rechtstreeks in haar belang is getroffen in de zin van voormeld artikel 6:3, eerste lid. Mitsdien is geen sprake van een besluit, waartegen afzonderlijk rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.’).
  • Zie tot slot: ABRvS 17 juli 2002, LJN AE5380 (verlenging termijn waarbinnen zal worden beslist op aanvraag monumentenvergunning) .

Er zijn geen redenen om aan te nemen dat voor dit artikel uit de Wabo een ander regime geldt.

Volledige vraag: Wanneer begint de bezwaartermijn als een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan? En Is er een verschil in de aanvangsdatum van de bezwaartermijn voor de aanvrager en belanghebbenden?

De bezwaartermijn begint te lopen met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8 Awb). Op de bekendmaking van een omgevingsvergunning is artikel 3:41 Awb van toepassing: het eerste lid bepaalt dat de bekendmaking gebeurt door toezending of uitreiking aan de belanghebbenden tot wie het besluit is gericht.

Voor de bekendmaking (aan de aanvrager) en de kennisgeving (ten behoeve van andere derdebelanghebbenden) van omgevingsvergunningen die van rechtswege zijn verleend, voorziet de Wabo in samenhang met de Awb in een bijzondere regeling.

Artikel 4:20c, eerste lid, Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de beschikking bekendmaakt binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven. Artikel 3.9, vierde lid, Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk mededeling doet van de bekendmaking, bedoeld in artikel 4:20c Awb, op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 Wabo kennis heeft gegeven van de aanvraag.

Artikel 6.1, eerste lid, Wabo bepaalt dat een beschikking krachtens de Wabo in werking treedt met ingang van de dag na haar bekendmaking. De inwerkingtreding van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning is weliswaar uitgesteld tot het einde van de bezwaartermijn (artikel 6.1, vierde lid, Wabo), maar dat doet niet af aan de bekendmakingsregeling die voor van rechtswege verleende omgevingsvergunningen geldt.

Daarom is de voorwaarde van bekendmaking als bedoeld in artikel 6:8, eerste lid, Awb onverkort van toepassing op de aanvang van de bezwaartermijn bij van rechtswege verleende vergunningen (zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 4:20b Awb, Kamerstukken II 2007/08, 31579, 3, blz. 130). Zonder bekendmaking van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning, vangt de bezwaartermijn niet aan. Consequentie daarvan is dat de beschikking dan niet in werking treedt.

Uit het samenstel van de genoemde bepalingen volgt dat de bezwaartermijn voor de van rechtswege verleende omgevingsvergunning aanvangt met ingang van de dag na die waarop de verlening van rechtswege aan de aanvrager is bekendgemaakt (artikel 3:41 in samenhang met artikel 6:8 Awb).

Is er een verschil in de aanvangsdatum van de bezwaartermijn voor de aanvrager en belanghebbenden?

Nee. Het aanvangsmoment van de bezwaartermijn is voor de aanvrager en derdebelanghebbenden gelijk. Met het oog op de belangen van derden is het daarom van groot belang dat de kennisgeving van de vergunningverlening van rechtswege zo spoedig mogelijk plaatsvindt (artikel 3.9, vierde lid, in samenhang met artikel 3.8 Wabo).

Volledige vraag: In de VNG-ledenbrief staat dat procedurebepalingen in bestemmingsplannen voor binnenplanse ontheffingen (meestal een van toepassingverklaring van afdeling 3.4 Awb) van rechtswege vervallen op het moment dat de Wabo in werking treedt. Waar is deze stelling op gebaseerd?

De Invoeringswet Wabo wijzigt art. 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf 1 oktober 2010 bepaalt sub c. van het eerste lid van dit artikel dat bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. De juridische figuur van de (binnenplanse) ontheffing bestaat dan niet meer. Deze is vervangen door de omgevingsvergunning.

Voor de procedure rondom de omgevingsvergunning voorziet een hogere regeling (Wabo) in een uitputtende regeling (normenhiërarchie). De Wabo beoogt uitputtende procedureregels te geven voor de verlening van omgevingsvergunningen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis, het doel en de opzet (procedurele integratie) van de wet blijkt dat duidelijk. 

De artikelen 2.10 Wabo e.v. regelen het inhoudelijke toetsingskader voor de beoordeling van aanvragen. Artikel 2.12 Wabo regelt het toetsingskader voor het afwijken van het bestemmingsplan. Dit  inhoudelijke kader kan per bestemmingsplan verschillen. De Wabo sluit hierbij aan. Artikel 2.12 legitimeert niet tot het toepassen van (bijv. met hoofdstuk 3 van de Wabo) strijdige procedureregels.

Op 11 april 2012 heeft de Raad van State (LJN BW1595) duidelijkheid verschaft over deze vraag.
Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, zoals deze thans luidt, kan bij bestemmingsplan worden bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. De procedure van totstandkoming van een omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is geregeld in artikel 3.9 van de Wabo .

Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de Invoeringswet Wabo blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro.

Dit overgangsrecht brengt met zich dat een regeling in de bestemmingsplanregels nog steeds toepassing kan vinden. Voor die gevallen overweegt de Afdeling dat bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald waarbinnen op de aanvraag om een ontheffing moet worden beslist, zodat ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag moet worden beslist.

De redelijke termijn is ingevolge artikel 4:13, tweede lid, in ieder geval verstreken wanneer het college van burgemeester en wethouders binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven of een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb . Gelet op de beslistermijn van in beginsel acht weken is naar het oordeel van de Afdeling een termijn van twee weken voor het indienen van zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit tot het verlenen van ontheffing niet te kort.

Ten aanzien van aanvragen van na 1 oktober 2010 geldt dat daarop de reguliere voorbereidingsprocedure, bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wabo van toepassing is.

Op de reguliere voorbereiding van een omgevingsvergunning is titel 4.1 van de Awb van toepassing. De Wabo noch titel 4.1 voorziet in een regeling voor het indienen van zienswijzen zoals ten tijde van het bestreden besluit was neergelegd in artikel 3.6, vijfde lid, van de Wro.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat in geval de Wabo op een aanvraag van toepassing is, het bepaalde in de planregels buiten toepassing dient te blijven

Hetzelfde geldt overigens voor alle ontheffings- en vergunningenprocedures die omgevingsvergunning zijn geworden en verdwenen zijn uit de Wro zoals bijvoorbeeld de planologische aanleg- en sloopvergunning.

Volledige vraag: Hoe is voorzien in het nader onderzoek naar de bodem, als bevoegd gezag op de hoogte is gekomen van mogelijke bodemverontreiniging (artikel 2.1.5 MBV, sub b. ‘nader onderzoek’ is vervallen)?

Het probleem dat zich voordoet is dat er in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek is uitgevoerd, waaruit blijkt dat de bodem mogelijk ernstig is verontreinigd. Het bevoegd gezag is dan op de hoogte gekomen van een mogelijk geval van bodemverontreiniging en dient dat te vermelden in de omgevingsvergunning. Zie artikel 6.2c, lid 2 Wabo.

In artikel 6.2c lid 2 Wabo is geregeld dat de omgevingsvergunning niet eerder in werking treedt dan nadat voldaan is aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde voorwaarden van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb).

In de Wet bodembescherming is geregeld dat het vermoeden gemeld moet worden aan het bevoegde gezag in het kader van de Wbb . Het verdere vervolg van onderzoeken, plannen en sanering ligt dan ook bij het bevoegde gezag Wbb. In de meeste gevallen (bij ongeveer 400 gemeenten) is niet de gemeente, maar de provincie bevoegd gezag Wbb. Het is aan de vergunninghouder om te voldoen aan de Wet bodembescherming.  Dit betekent dat de planning van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning  afhankelijk is van de provincie.

Het lijkt de intentie van de wetgever te zijn geweest dat de aanhouding omgevingsvergunning pas wordt opgeheven, nadat er een besluit is genomen over de ernst van de verontreiniging overeenkomstig de Wbb en dat kan uitsluitend door Wbb bevoegde gezagen worden gedaan, waardoor er wettelijk gezien geen redenen zijn voor niet-Wbb gemeenten om nader onderzoek te verlangen. Dat deze mogelijkheid dan toch gecreëerd wordt in een modelverordening kan betwist worden, daarom is deze zinsnede verwijderd.

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de VNG werken eraan om dit gehele artikel over te plaatsen in rijksregelgeving, waardoor uiteindelijk de hele modelbouwverordening zal vervallen, inclusief de artikelen over bodemverontreiniging.

Volledige vraag: Ontstaat er een omgevingsvergunning voor het bouwen van rechtswege, wanneer een Bibob-advies niet tijdig wordt ontvangen om binnen de wettelijke termijn van art. 3.9 Wabo te kunnen beslissen?

De Wabo bevat een extra weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (art. 2.20 Wabo). Deze omgevingsvergunning doorloopt de reguliere procedure (8 weken + 6 weken verdaging) op grond van artikel 3.9 Wabo en hierop is een lex silencio positivo van toepassing.

Als Bibob-advies wordt gevraagd op grond van artikel 9 Wet Bibob wordt de wettelijke behandeltermijn opgeschort (art. 31 Wet Bibob). art. 31 Wet Bibob). Het landelijk Bureau Bibob brengt  op grond van artikel 15 Wet Bibob binnen 4 weken (+ maximaal 4 weken verlenging) advies uit aan het bevoegd gezag. Na afloop van deze opschortingstermijn dient het bevoegd gezag binnen de wettelijke beslistermijn van art. 3.9 Wabo te beslissen op de aanvraag en kan een vergunning van rechtswege ontstaan.

Uitgebreide vraag: Welk prestatieniveau Bouwbesluit 2012 zijn de 'van toepassing zijnde voorschriften' in artikel 5.18 Bor? Gemeente heeft een tijdelijke bouwvergunning voor een periode van 5 jaar verleend voor een verpleeghuis. Omdat er strijd met het bestemmingsplan is, kan deze termijn niet verlengd worden (5.18 Bor). Dit betekent (lid 3) bouwwerk weghalen of in overeenstemming brengen met de van toepassing zijnde voorschriften.

Er is wel behoefte aan het verpleeghuis. We hebben aangegeven dat we bereid zijn om te gedogen. Hierbij hebben we de voorwaarde gesteld dat het bouwwerk qua brandveiligheid moet voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften Bouwbesluit 2003, dit zijn immers de `van toepassing zijnde voorschriften' als bedoeld in artikel 5.18 Bor. Is dit onder het nieuwe Bouwbesluit 2012 hetzelfde?

Uw vraag gaat over (de interpretatie van) het nieuwe Bouwbesluit 2012. Voor deze vragen kunt u terecht bij de Helpdesk Bouwregelgeving en Brandveilig gebruik. De Helpdesk Bouwregelgeving en Brandveilig gebruik beantwoordt vragen over de interpretatie en toepassing van de Woningwet, het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit, de regels rondom bouwvergunningvrij bouwen.

Volledige vraag: Wanneer treedt de verplichting tot uitsluitend digitaal indienen van een aanvraag omgevingsvergunning voor bedrijven in werking?

Artikel 4.1, tweede lid Bor regelt dat bedrijven een aanvraag omgevingsvergunning uitsluitend digitaal kunnen indienen. Het was de bedoeling dat deze bepaling op 1 oktober 2012 in werking zou treden (NvT Bor Stb. 2010, 143). Inmiddels wordt al meer dan de helft van de aanvragen van bedrijven digitaal ingediend.

Het blijkt echter nog niet mogelijk om het indienen van aanvragen op papier voor bedrijven uit te sluiten, omdat zowel het Omgevingsloket als de bevoegde gezagen nog niet klaar zijn voor deze verplichting.  Artikel 4.1, tweede lid Bor zal naar verwachting niet in 2013 in werking treden.

Volledige vraag: Op enig moment is door onze gemeente een vergunning verleend voor de bouw van een schuur, op 43 centimeter van de erfgrens. Door de bewoners van het naastgelegen perceel is tot in de erfgrens een garage gebouwd. Tussen de vergunde schuur en de reeds bestaande garage zou derhalve, na realisering van het plan, een strook van 43 centimeter aanwezig zijn. Door de behandelend ambtenaar is destijds over het hoofd gezien dat deze situatie in strijd is met de gemeentelijke bouwverordening, waarin is opgenomen dat de ruimte tussen twee bouwwerken niet minder dan 1,00 meter mag bedragen.

De bewoners van het buurperceel hebben bezwaar aangetekend tegen de omgevingsvergunning, onder andere aangaande de strook van 43 centimeter tussen beide gebouwen. Zij verzoeken om hier 50 centimeter van te maken, met het oog op de mogelijkheid tot het plegen van onderhoud. De gemeente kan zich vinden in dit verzoek en wil hier aan tegemoet komen. Dit zou betekenen dat de schuur op de bouwtekening 7 centimeter ' verplaatst'  zou moeten worden.

De vraag is nu, kan dit binnen de  huidige verleende vergunning geregeld worden (wijziging van ondergeschikte aard), of moet hiervoor opnieuw een vergunning verleend worden? In principe hoeft alleen een wijziging plaats te vinden op de bouwtekeningen, waarin de afstand tot het naastgelegen perceel wordt aangepast van 43 naar 50 centimeter. In hoeverre moet de gemeente dit nog vooroverleggen met de vergunningverkrijger?

Tegen een door uw college verleende omgevingsvergunning voor een bijbehorend bouwwerk (schuur) is door de buren bezwaar gemaakt in verband met de zeer krappe ruimte 0.43 m - tussen deze op te richten schuur en de bestaande garage van de bezwaarden. De garage is op de erfgrens geplaatst. U erkent dat de minimale afstand van 1.00 meter uit art. 2.5.17 bouwverordening over het hoofd is gezien. Deze afstand is nodig voor onderhoud aan de gevels. Genoemd artikel biedt de mogelijkheid ontheffing te verlenen en een geringere afstand te bepalen.

U verklaart bereid te zijn de afstand te bepalen op 0.50 meter en dat bezwaarden hier genoegen mee nemen. U vraagt of een verandering van 43 naar 50 centimeter in de aanvraag van vergunninghouder een wijziging van ondergeschikte aard is en of u dit moet voorleggen aan vergunninghouder.

Vergunninghouder is waarschijnlijk op de hoogte is van het ingediende bezwaarschrift en betrokken  bij de behandeling en het advies van de commissie. Er komt een beslissing op het bezwaarschrift en die beslissing kan inhouden dat de vergunning niet in stand kan blijven, dat alsnog ontheffing wordt verleend als bedoeld in art. 2.5.17 bouwverordening en dat de in bezwaar verleend omgevingsvergunning een minimale afstand van 0.50 meter bevat. Omdat het hier een beslissing op bezwaar betreft behoeft de aanvraag niet te worden gewijzigd en is de vraag of deze 7 centimeter verschil een wijziging van ondergeschikte aard betreft niet relevant.

Overigens zou in het geval de gemeente een ontvangen verzoek om vergunning inhoudelijk op een ondergeschikt punt wil aanpassen, de gemeente hiertoe niet bevoegd zijn. De aanvrager mag dit wel, mits ondergeschikt. En het is zorgvuldig wanneer in voorkomend geval de gemeente de aanvrager erop wijst dat met een geringe aanpassing van diens aanvraag de vergunningverlening kan plaatsvinden.

Het is dan aan de aanvrager te beslissen of hij dit advies opvolgt. Het kan immers zijn dat de aanvrager kiest voor een andere oplossing. Volledigheidshalve wijzen wij op de uitspraak ABRS van 18 januari 2012, LJN BV1171(Brunssum) en daarvan de onderdelen 2.3, 2.3.1 vanaf 2.5.17 en 2.3.2 t/m 2.3.5.

Volledige vraag: In $ 5.3 Wabo wordt de aanwijzing van ambtenaren met toezichthoudende of opsporingsbevoegdheden geregeld. Uit art. 5:10 Wabo blijkt dat gemeenten alleen ambtenaren kunnen aanwijzen als toezichthouder. De gemeente heeft echter een aantal ingehuurde (gedetacheerde) toezichthouders. Hoe kan de gemeente daarmee omgaan?

De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden, het bewijsrecht e.d.

Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.

De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. Zie hiervoor: https://www.justis.nl/producten/boa/.

Volledige vraag: Aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is strijdig met het bestemmingsplan. Gemeente is geneigd de omgevingsvergunning te verlenen. Vraag is: moeten wij daartoe het bestemmingsplan aanpassen of één van de afwijkingsmogelijkheden uit de Wabo toepassen?  

Een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (art. 2.1, lid 1 onder a Wabo), dat niet past binnen het bestemmingsplan, wordt van rechtswege (op basis van art. 2.10, lid 2 van de Wabo) mede aangemerkt als een aanvraag voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan(art. 2.1, lid 1 onder c).

Deze aanvraag kan alleen geweigerd worden, als niet kan worden afgeweken door middel van één van de juridische figuren in art. 2.12 Wabo (de voormalige binnenplanse / buitenplanse ontheffing, Wabo-projectafwijkingsbesluit).

In het geval gekozen wordt voor afwijking van het bestemmingsplan door middel van het Wabo-projectafwijkingsbesluit ('voormalig projectbesluit' uit 2.12, lid 1, onder a, onder 3 Wabo) is een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad nodig (art. 2.27 Wabo jo art 6.5 Bor).

Er kan om diverse redenen voor worden gekozen om geen gebruik te maken van een van de bovengenoemde afwijkingsmogelijkheden uit de Wabo, maar om het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig de aanvraag.

In dat geval dient de aanvraag te worden afgewezen (als deze door de aanvrager niet wordt ingetrokken). De omgevingsvergunning voor het bouwen kan immers niet worden verleend vanwege de strijdigheid met het bestaande bestemmingsplan (terwijl de gemeente niet wenst mee te werken aan het verlenen van de van rechtswege gekoppelde aanvraag omgevingsvergunning voor van het bestemmingsplan afwijkend gebruik).

Aanhouden van de beslissing op de aanvraag kan om dezelfde reden ook niet; art. 3.3 Wabo biedt slechts de mogelijkheid tot aanhouding wanneer er geen strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

Na wijziging bestemmingsplan past het beoogde bouwwerk wel in het bestemmingsplan. Wanneer de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk dan wordt ingediend, is er geen sprake meer van de eerder genoemde uit de wet voortvloeiende koppeling en zal de aanvraag vaak op basis van de reguliere Wabo-procedure (par. 3.2 Wabo) in behandeling kunnen worden genomen.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Een aanvraag omgevingsvergunning dient ongeacht de uitkomst van de procedure (verlenen of weigeren) derhalve een 3.4 Awb procedure te doorlopen.
 
Dit is overeenkomstig het bepaalde in art. 3.10 Awb. De wetgever kan hierop inbreuk maken. In art. 3.10, tweede lid Wabo heeft de wetgever van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Echter in de opsomming van art. 3.10, tweede lid, Wabo is de weigering niet opgenomen.

 

Wij hebben hierover de juridische uitleg opgesteld aan de hand van een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Om welke situatie gaat het precies? Als een burger of bedrijf een bepaalde bouwactiviteit wil ontplooien, vraagt hij aan het bevoegd gezag of daarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is. In principe is de reactie van het bevoegd gezag op deze vraag géén besluit  in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. 

Hierbij speelt echter wel een uitzondering, blijkt uit de uitspraak van de Raad van State. Bekijk hieronder onze uitgebreide uitleg.   

Nee. Op 22 oktober 2010 heeft de de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (LJN: BO2154) uitgesproken dat bij de vaststelling of het bouwen van een bouwwerk mede een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo behelst, de in het bestemmingsplan gegeven mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen geen rol spelen. Het enkele bestaan van die mogelijkheid brengt immers geen strijd met het bestemmingsplan teweeg. Voor het stellen van nadere eisen kan slechts aanleiding bestaan indien een aanvraag om vergunning daartoe aanleiding geeft.

De preventieve voorschriften in een bestemmingsplan worden teniet gedaan door artikel 3, bijlage II van de Bor. Dit is onder de Wabo een belangrijk aandachtspunt bij het maken van bestemmingsplannen.

Vanuit artikel 3, bijlage II van de Bor moet worden getoetst aan het geldende bestemmingsplan. De planologische voorbereidingsbescherming via de aanhoudingsplicht is alleen gekoppeld aan aanvragen om omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en aanleggen. Vergunningsvrije bouwactiviteiten kunnen niet worden aangehouden, omdat er geen aanvraag is en geen besluit nodig is en wat houd je aan als er geen besluit genomen hoeft te worden?

Onder de Wabo is het mogelijk dat er omgevingsvergunningvrij een bouw- en gebruiksactiviteit kan plaatsvinden, terwijl er een ontwerp-bestemingsplan ligt dat diezelfde activiteiten niet meer toestaat in de toekomst. Dit is een ontwikkeling, waarvan het effect zich ‘slechts’ beperkt tot bouwen in een achtererfgebied bij een hoofdgebouw. Niet te min kunnen met artikel 3, bijlage II van de Bor zeer grote bouwwerken worden opgericht.
 
Het is echter in theorie mogelijk om het gebruik te bevriezen in een voorbereidingsbesluit, maar dat voorkomt slechts het gebruiken en niet het oprichten van een bouwwerk in strijd met toekomstig ruimtelijk beleid. In de praktijk levert de handhaving daarvan problemen op.

Artikel 2.31 lid 1 onder e en 2.31 lid 2 onder d Wabo geeft de mogelijkheid aan het bevoegd gezag om de voorschriften van een omgevingsvergunning te wijzigen voor zover dat bij de betrokken verordening is bepaald. Dit geeft de gemeente in principe de mogelijkheid om wijzigingsvoorwaarden met betrekking tot een omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen op te nemen in de bouwverordening.

Dergelijke bepalingen hebben vooral zin wanneer er sprake is van een doorlopende activiteit, bijvoorbeeld bij een exploitatievergunning. Bij bouwen en slopen gaat het om toestemmingen die expireren nadat de activiteit is voltooid. Het wijzigen van de voorwaarde is daarbij minder noodzakelijk. Wij hebben er daarom voor gekozen om dergelijke voorwaarden vooralsnog niet op te nemen in de modelbouwverordening. 

Als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, dan zou de gemeente de vergunning (na het horen van de eigenaar) kunnen intrekken. De nieuwe eigenaar dient dan een nieuwe vergunning aan te vragen.
Het intrekken van een omgevingsvergunning (bouwen, slopen) staat in art. 2.33 Wabo.
Krachtens artikel 2.33, tweede lid, onder g, van de Wabo blijft het toetsingskader in de verordening staan. Daarom blijft (voor wat betreft sloopactiviteiten) artikel 8.1.7 MBV in stand.

Artikel 2.25, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat een regeling voor de wijziging van de tenaamstelling van vergunningen. De omgevingsvergunning is overdraagbaar. Dit is een administratieve handeling, er vindt dan geen nieuwe toetsing plaats.

Volledige vraag: In de 13e serie wijzigingen op de MBV komt artikel 4.1 "intrekken bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden" te vervallen. Mijn vraag is waarom? In art. 2.33 lid 2 onder c Wabo staat toch nog een verwijzing naar de bouwverordening?

Onlangs is de Wet tot kleine wijzigingen en reparaties in diverse wetten op het terrein van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer gepubliceerd (Staatsblad 2010, 187).
Een van de wijzigingen betreft artikel 2.33 Wabo. In art. 2.33 Wabo staat wanneer een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken. In het tweede lid van dit artikel stond in de oude tekst van de Wabo nog een verwijzing naar de gemeentelijke (bouw)verordening. In de gewijzigde tekst is die verwijzing verdwenen.

Artikel 2.33, tweede lid, onder a Wabo komt als volgt te luiden:
Art. 2.33
(...)
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover:
a. gedurende drie jaar, danwel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Daarnaast komt art. 2.33, tweede lid, onder c Wabo te vervallen.

Omdat deze intrekkingsvoorwaarde nu wettelijk is vastgelegd, is het noodzakelijk om artikel 4.1 van de model-bouwverordening (dat zag op hetzelfde onderwerp) te laten vervallen. Wij hebben bij het opstellen van de 13e serie wijzigingen van de model-bouwverordening reeds geanticipeerd op deze aanpassing van de Wabo.

De model-bouwverordening van de VNG bestaat sinds 1965 en is in 1992 integraal herzien. In 1992 hebben wij in onze ledenbrief waarbij deze integrale herziening aan gemeenten is toegezonden geadviseerd de 'oude' bouwverordening, gebaseerd om de model-bouwverordening 1965 in te trekken. De huidige overgangsartikelen uit hoofdstuk 12 MBV bestaan inhoudelijk dus al sinds 1992 toen de MBV1965 is vervangen door de MBV1992. Deze artikelen bevatten dus overgangsrecht naar aanleiding van de overgang van de Woningwet 1962 naar de Woningwet 1992.

Sinds 1992 zijn er dertien maal aanpassingen aan de model-bouwverordening 1992 aan gemeenten toegezonden in de vorm van een wijzigingsverordening. In deze wijzigingsverordening is telkens overgangsrecht opgenomen. Wij gaan ervan uit dat de gemeenteraad niet telkenmale een geheel nieuwe bouwverordening heeft vastgesteld, maar slechts de bouwverordening 1992 gewijzigd met inachtneming van de overgangsbepalingen uit de wijzigingsverordening.

Deze overgangsbepalingen regelen veelal dat 'op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, de bepalingen van de bouwverordening van toepassing zijn, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.'

Indien in uw gemeente, in afwijking van het bovenstaande, telkenmale een geheel nieuwe bouwverordening is vastgesteld, dient de bouwverordening zelf overgangsrecht te bevatten. Zo niet, dient inderdaad aan de nieuwe bouwverordening te worden getoetst.

In de 13e serie wijzigingen zijn de artikelen 12.2 (overgangsbepaling bodemonderzoek) en artikel 12.3 (overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen) ongewijzigd gehandhaafd.

Artikel 12.2 MBV beoogde in feite mogelijk te maken hetgeen ook nu in artikel 2.1.5 MBV is geregeld. Dit artikel is met de 13e serie wijzigingen MBV1992 Wabo-proof gemaakt. Voortschrijdend inzicht brengt ons echter tot de conclusie dat dit artikel niet hoeft te worden gehandhaafd in de 13e serie MBV. Wij adviseren u deze wijzigingen (alsnog) aan te brengen in uw wijzigingsverordening naar aanleiding van de 13e serie wijziging van de bouwverordening.

Artikel 12.3 MBV hebben wij gemeend ongewijzigd te moeten handhaven, omdat er mogelijk in het land nog ongebruikte bouwvergunningen liggen/gebouwen bestaan waarop de huidige artikelen 5.1.2 en 5.1.3 MBV niet van toepassing kunnen zijn. Landelijk zullen er nog bestaande situaties zijn van voor 1992 die nog steeds niet voldoen aan de bedoelde eisen. Het betreft een geringer aantal gevallen, maar ervan uitgaande dat gebouwen zo'n 60 jaar staan en er altijd eigenaren zijn die niet aan vernieuwing doen.
Indien het u bekend is dat dit in uw gemeente niet het geval is, is er geen reden om dit artikel in uw bouwverordening te laten voortbestaan.

Het overgangsrecht Wabo treft u aan in Hoofdstuk 8 van de Wabo.
Daarnaast staan er in paragraaf 1.2 van de Invoeringswet Wabo (IWabo) belangrijke overgangsrechtelijke bepalingen. 

Is het bevoegd gezag verplicht om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik zonder ruimtelijke onderbouwing in ontvangst te nemen? En is het vervolgens aan het bevoegd gezag zelf om de ruimtelijke onderbouwing op te stellen?

Artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 Wabo regelt dat de omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik slechts kan worden verleend (a.) indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening (3.) indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De aanvrager is op grond van bovengenoemd artikel niet verplicht een goede ruimtelijke onderbouwing te leveren.

De aanvrager dient zijn aanvraag op grond van artikel 3.2, aanhef en onder b Mor te voorzien van gegevens en bescheiden over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening. Deze informatie kan de basis vormen voor een goede ruimtelijke onderbouwing.

Het bevoegd gezag heeft een discretionaire bevoegdheid om mee te werken aan de aanvraag. Het bevoegd gezag kan daartoe beleidsregels opstellen waarin zij aangeeft dat zij van deze bevoegdheid gebruik wil maken, indien door aanvrager een goede ruimtelijke onderbouwing wordt aangeleverd. Indien nodig, kan het bevoegd gezag bij het opvragen van aanvullende gegevens aanvrager hierom vragen. Het niet leveren van aanvullende gegevens, kan leiden tot buiten behandeling stelling van de aanvraag.

 

Er zijn verschillende sloopactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Deze sloopactiviteiten staan in artt. 2.1 en 2.2 Wabo.  

Het gaat om:

  1. Planologisch slopen: artikel 2.1, eerste lid, sub g Wabo
  2. Monument slopen: artikel 2.1, eerste lid, sub f Wabo (rijksmonument), artikel 2.2, eerste lid, sub b Wabo (gemeentelijk / provinciaal monument) en artikel 2.1, eerste lid, sub h Wabo (Beschermd stads- of dorpsgezicht)
  3. Selectief slopen en asbest verwijderen: paragraaf 1.7 Bouwbesluit2012.

Ad 1. Planologisch slopen (artikel. 2.1, eerste lid, sub g Wabo)

De basis voor de omgevingsvergunning voor deze sloopactiviteit ligt in artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarin wordt mogelijk gemaakt om in een bestemmingsplan te bepalen dat het zonder omgevingsvergunning verboden is om bouwwerken te slopen.
Achtergrond voor deze ‘planologische omgevingsvergunning' is het voorkomen dat een bij het bestemmingsplan gegeven bestemming minder geschikt wordt voor de verwezenlijken daarvan of om een al verwezenlijkte bestemming te handhaven en te beschermen. Het stelsel is aldus gerelateerd aan de in het bestemmingsplan aan de grond toegekende bestemming en kan worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat er gaten in de bestaande bebouwing vallen.

Deze omgevingsvergunning kan worden geweigerd als niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd (artikel 2.16 Wabo). De aanvrager van een omgevingsvergunning voor dit type sloopactiviteit moet dan ook op basis van artikel 2.16 Wabo in samenhang met artikel 6.1 Regeling Omgevingsrecht (Mor)) aannemelijk maken dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Ad 2. Slopen monument

Rijksmonument (artikel 2.1, eerste lid, sub f Wabo)
De Monumentenwet (Mw) regelt in artikel 11 de sloopbescherming van het beschermde rijksmonument. De omgevingsvergunning voor het slopen van een rijksmonument kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. Bij de beslissing op aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument (artikel 2.15 Wabo).

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het slopen van een beschermd rijksmonument zijn naast de in artikel 7.2, onder a, b, c en e Mor genoemde gegevens en bescheiden, aanvullende gegevens nodig (waaronder cultuurhistorische onderzoeksrapporten). Voor het rijksmonument volgt dit uit artikel 5.1 Mor.

Het bevoegd gezag stelt de Minister van OCW (en gedeputeerde staten indien het beschermde monument buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom ligt) in de gelegenheid advies uit te brengen over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een rijksmonument. (artikel 2.26, lid 3 Wabo jo art. 6.4 Bor).

Daarnaast vragen burgemeester en wethouders aan de commissie op het gebied van de monumentenzorg advies, voordat zij beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een rijksmonument (artikel 15 Mw).

Gemeentelijke / provinciale monumenten (artikel 2.2, eerste lid, sub b Wabo)
Voor wat betreft het gemeentelijke of provinciaal monument ligt de basis voor deze sloopactiviteit in de gemeentelijke of provinciale monumenten-verordening.

De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen van een gemeentelijk of provinciaal monument kan slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening (artikel 2.18 Wabo). Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor dit type sloopactiviteiten zijn naast de in artikel 7.2 Mor genoemde gegevens en bescheiden, aanvullende gegevens (waaronder cultuurhistorische onderzoeksrapporten) nodig. Voor het gemeentelijk / provinciaal monument volgt dit uit artikel 7.1 en artikel 5.1 Mor.

Slopen in beschermd stads- of dorpsgezicht (artikel 2.1, eerste lid, sub h Wabo)
Het beschermd stads- of dorpsgezicht is een gebied dat van algemeen belang is door de cultuurhistorische waarde. Het gaat daarbij om groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. Niet alle panden in een beschermd stads- of dorpsgezicht hoeven dus monumentaal te zijn.

De bescherming van deze stads- of dorpsgezichten wordt geregeld in art. 35 en 36 Mw. Wanneer de minister een bescherm stads- of dorpsgezicht aanwijst, moet de gemeenteraad dit in een bestemmingsplan vastleggen. Als in een dergelijk gebied gesloopt moet worden, is een omgevingsvergunning noodzakelijk.

Deze omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd (artikel 2.16 Wabo). De aanvrager van een omgevingsvergunning voor dit type sloopactiviteit moet dan ook aannemelijk maken dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd (artikel 6.2, lid 1 Mor). Indien dit met toepassing van artikel 41 Mw is verplicht, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag tevens een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld (artikel 6.2, lid 2 Mor).

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning voor het slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften worden verbonden met betrekking tot de wijze van slopen (artikel 2.22, lid 3 onder d Wabo jo artikel 5.2 Bor).

Ad 3. Selectief slopen en asbest verwijderen (paragraaf 1.7 Bouwbesluit 2012)
Het selectief slopen en asbest verwijderen wordt sinds 2012 niet meer geregeld door middel van een vergunningstelsel op basis van Wabo en bouwverordening. Vanaf dat jaar geldt een meldingenstelsel op basis van het Bouwbesluit2012.

Volledige vraag: Op diverse plaatsen lees ik dat het vvgb-orgaan binnen een bepaalde termijn een ontwerp-verklaring van geen bedenkingen stuurt aan het bevoegd gezag. Waar kan ik deze termijn terugvinden?

Artikel 3.11, lid 3 Wabo (Stb. 2008, 496) bevatte een termijn voor toezending van een ontwerp-vvgb aan het bevoegd gezag: ‘Het bestuursorgaan zendt het ontwerp van de verklaring binnen acht weken aan het bevoegd gezag.’

Deze termijn is bij de Invoeringswet Wabo uit artikel 3.11, lid 3 Wabo gehaald. Ook is een nieuw artikel 2.20a ingevoegd dat bepaalt dat een geweigerde vvgb (of het niet verstrekken van een vvgb -aldus de parlementaire geschiedenis) een weigering van de omgevingsvergunning betekent.

Het bouwveiligheidsplan heeft alleen betrekking op de veiligheid van de weg rondom het te bouwen bouwwerk, de in die weg gelegen werken, de weggebruikers, alsmede de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. Overige veiligheidsaspecten, zoals de veiligheid op de bouwplaats zelf, vallen onder andere regelingen (Arbeidsomstandighedenwet).

Na inwerkingtreding van de Wabo wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning geregeld in hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De indieningsvereisten vanwege bouwactiviteiten staan in hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht.

In artikel 2.4, onder a. van de Regeling omgevingsrecht wordt het indienen van een bouwveiligheidsplan verplicht gesteld bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Artikel 4.4 Bor geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid indiening daarvan achterwege te laten als dat niet nodig is voor het nemen van de beslissing op aanvraag.

Volgens artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab (oud)) was een bouwveiligheidsplan immers slechts nodig ‘voorzover die gegevens en bescheiden naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig zijn om aannemelijk te maken dat het desbetreffende bouwen voldoet aan de bij of krachtens de wet voor dat bouwen geldende eisen’.

Na inwerkingtreding van de Wabo wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning niet meer in de MBV geregeld maar in hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De indieningsvereisten staan in artikel 7.2 van de Regeling omgevingsrecht.

De nieuwe Bor-regeling komt grotendeels overeen met de oude MBV regeling (uit art. 8.1.2). Uit artikel 4.4 Bor blijkt dat het sloopveiligheidsplan door de aanvrager moet worden vertrekt, voor zover dat naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is voor het nemen van de beslissing op aanvraag.

De inhoud van een sloopveiligheidsplan kan van geval tot geval verschillen vanwege de locatiespecifieke omstandigheden. Het is aan het bevoegd gezag om, afhankelijk van die omstandigheden, eisen te stellen (eventueel in overleg met de aanvrager) aan het in te dienen sloopveiligheidsplan.

Wel wordt in de toelichting in bijlage 6 van de toelichting bij de MBV opgenomen checklist voor de verschillende bedreigde objecten en functies een aantal mogelijke maatregelen gegeven die in het sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De aanvrager om sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige maatregelen opnemen die niet op deze checklist voorkomen. In bijlage 7 van de toelichting bij de MBV is een voorstel gedaan voor een inhoudsopgave van een sloopveiligheidsplan.

Uitgebreide vraag: Kan er een dwangsom verbeuren bij een omgevingsvergunning van rechtswege? Een vergunning van rechtswege houdt in dat de aanvrager bij niet tijdig beslissen een vergunning krijgt conform zijn aanvraag. Dan heeft hij als sanctie op het feit dat het bestuur niet tijdig beslist toch al de vergunning en is de dwangsom toch niet meer van toepassing?

De lex silencio positivo (LSP) en de Wet Dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen zijn twee naast elkaar staande instrumenten om een tijdige dienstverlening te realiseren. Treedt bij een stelsel de LSP in werking, dan is er een besluit en dan is er automatisch geen ruimte meer voor de Wet Dwangsom en beroep.

De algemene regeling staat in de Awb: Conform art. 4:20d Awb geldt dat de wet dwangsom wel van toepassing is op het eventueel niet tijdig bekend maken van de verlening van de beschikking van rechtswege door het bestuursorgaan. De aanvrager kan, wanneer dit niet binnen twee weken gebeurt, het bestuursorgaan in gebreke stellen. Gaat het bestuurorgaan binnen twee weken dan nog steeds niet over tot bekendmaking, dan verbeurt het een dwangsom per dag dat het in gebreke is. Tevens kan de aanvrager direct in beroep gaan in dit geval, en hoeft dus niet eerst bezwaar aan te tekenen.

De Wabo vormt echter een uitzondering op de Awb voor wat betreft de termijn van twee weken.

Artikel 3.9, vierde lid Wabo bepaalt dat de bekendmaking als bedoeld in art. 4:20c Awb geschiedt op de wijze als bedoeld in art. 3.8 Wabo op gelijke wijze als de bekendmaking van de aanvraag van een omgevingsvergunning. In art. 3.8 Wabo staat: het bevoegd gezag geeft .. onverwijld kennis van enz.

Er wordt geen concrete termijn genoemd. En wat onverwijld (bij eerste gelegenheid) inhoudt hangt af van de frequentie van verschijnen van het plaatselijke krantje. Dit kan eens per veertien dagen zijn en met inachtneming van het tijdig aanleveren van de advertentietekst kan dit betekenen dat een ruimte van meer dan twee weken ontstaat tussen de van rechtswege ontstane omgevingsvergunning en de bekendmaking.

Met deze voor de burger weinig herkenbare termijn zal het lastig zijn op tijd een ingebrekestelling te doen op grond van de Wet Dwangsom en beroep.

Het is gebruikelijk om voorafgaand aan het opstarten van een handhavingstraject een vooraankondiging te versturen. Deze vooraankondiging is géén besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Een handhavingstraject start met het nemen van een handhavingsbesluit.


Wanneer een vóór 1 oktober 2010 verzonden vooraankondiging tot handhaving pas na 1 oktober 2010 onder de Wabo een formele start krijgt, bevat het handhavingsbesluit de grondslag onder de Wabo (artikel 2.3 Wabo juncto artikel 5.10 Wabo).

U kunt overwegen in uw handhavingsbesluit op te nemen dat de juridische grondslag sinds 1 oktober 2010 is gewijzigd van bijvoorbeeld Woningwet naar Wabo, doch dit is niet noodzakelijk. Bij het onderzoek naar legalisatie dient u te verwijzen naar de nieuwe grondslagen.


Een na 1 oktober 2010 genomen handhavingsbesluit valt niet onder overgangsrecht Wabo.

  • Zie voor jurisprudentie de uitspraak van 30 november 2010

De Awb is onverkort van toepassing op het betrekken van belanghebbenden bij de totstandkoming van een afwijkingsbesluit. De toelichting van de invoeringswet Wabo (MvT p. 118 Invoeringswet Wabo) geeft aan dat de reguliere procedure van de Wabo geen zienswijzenprocedure kent, maar dat het bepaalde in de artikelen 4:7 en 4:8 Awb van toepassing is. In bepaalde gevallen kan het bevoegd gezag de aanvrager c.q. derden in de gelegenheid stellen zienswijzen naar voren te brengen binnen de wettelijke termijn.

In het kader van de toepassing van de artikelen 3:2 en 3:4 Awb zal het bevoegd gezag ook de belangen van derden op een goede wijze bij de besluitvorming moeten betrekken. De toetsingsgronden zijn in het bestemmingsplan ingekaderd. Gelet op deze waarborgen is in het kader van de reguliere procedure van de Wabo geen extra regeling opgenomen voor de betrokkenheid van belanghebbenden.

Belanghebbenden die niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze in te dienen kunnen nu alleen nog maar bezwaar maken tegen de verleende beschikking, waarna de beschikking open staat  voor beroep.