Overzicht veelgestelde vragen over Winkeltijdenwet

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Ja, voor zover het georganiseerd wordt door een bedrijf of voor zover bedrijven deelnemen.

Immers, artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet bepaalt dat de bedrijfsmatige ambulante handel ook onder de wet valt. Indien het gaat om markten waarin uitsluitend particulieren (dus ook vanuit het particulier initiatief ontstaan) aan deelnemen dan vallen deze markten buiten het bereik van de Wtw, omdat deze markten niet een bedrijfsmatig karakter dragen.

Internet/belshops die uitsluitend internet/telefoonverbindingen (=diensten) verlenen zijn geen winkels. Als er drankjes en hapjes ter plaatse voor consumptie worden verkocht zijn dit geen goederen zoals bedoeld in de Wtw, omdat dan eveneens sprake is van dienstverlening. Bij verkoop van goederen zoals bijv. mobiele telefoons, telefoonkaarten is er sprake van verkoop van goederen aan particulieren en is de Wtw van toepassing.

Iedere wetgeving heeft zijn eigen invalshoek om zaken te regelen. Wanneer een ondernemer dergelijke activiteiten gaat ontwikkelen, dan horen een aantal wetten geraadpleegd te worden  zoals in dit geval:

  • Wro of Wabo:  deze wetgeving regelt de ruimtelijke ordening en zal ook niet  zonder reden detailhandel c.q. winkel voor die plek bestemd hebben. Immers wanneer horeca sluipend wordt gerealiseerd kan dit de nodige overlast met zich mee brengen;
  • Winkeltijdenwet (Wtw): regelt alleen de openingstijden van winkels wanneer er sprake is van verkoop. De dienstverlenende sector valt niet onder de reikwijdte van de Wtw. Maar als de ijswinkel zich al een bepaalde periode als winkel heeft gemanifesteerd, dan is het niet mogelijk ineens om te slaan en aan te geven dat nu de horecabestemming van toepassing is;
  • Apv: indien uw gemeente over een exploitatievergunning beschikt,  dan is het mogelijk  voor de horeca openingstijden te regelen en ook voor semi-horeca e.d. openingstijden regelen. Maar dit is alleen in het geval het bedrijf voor 100% horeca en dienstverlenend is en men geen eetwaar en andere artikelen koopt en mee neemt.

De Winkeltijdenwet is op deze vormen van verkoop niet van toepassing en wel om volgende  twee redenen:

  1. Er is geen sprake van verkoop in een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, zoals omschreven in artikel 1 van de Wtw;
  2. Er is ook geen sprake van verkoop in rechtstreekse aanraking met de particulier zoals bepaald in artikel 2, aanhef en onder lid 2, van de Wtw.

In 1997 heeft de rechtbank in Breda (3-12-1997. AB 1998, 76 m.nt.FM) geoordeeld dat een coffeeshop niet als winkel beschouwd kan worden. De rechtbank oordeelt dat in een coffeeshop dienstverlening voorop staat  en dus geen winkel is. De rechtbank heeft deze uitzondering gemaakt om het bijzondere karakter van een coffeeshop te willen accentueren, namelijk dat het verstrekken van drugs systematisch in strijd is met de wet en in de praktijk alleen wordt gedoogd als de verkoop plaatsvindt in een inrichting die over een horecavergunning beschikt in het kader van de Algemene plaatselijke verordening (Apv). De achtergrond van deze redenering betreft  hier  het openbare orde aspect.

Artikel 1 van de Winkeltijdenwet (Wtw) geeft een definitie van het begrip winkel. Een winkel is een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin goederen aan particulieren plegen  te worden verkocht. Ook al bedraagt de verkoop in dergelijke winkels slechts 1% van de omzet dan is er toch sprake van een winkel. Als in dergelijke winkels al aanverwante producten worden verkocht  zoals shampoos, borstels of zonnebrandolie e.d. dan zijn het dus winkels. Onder ‘plegen te worden verkocht’ gaat het om het feitelijk handelen. Bij het vaststellen of er sprake is van een winkel is het dus van belang wat de feitelijke activiteiten van het bedrijf zijn.

Als een afhaalruimte bij een restaurant een afgesloten gedeelte is, voldoet dit aan de definitie van artikel 1 Wtw: winkel: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht.

Overigens: als het een restaurant betreft waar alcohol wordt geschonken is een afgesloten ruimte met eigen ingang voor het afhaalgedeelte zelfs verplicht. Anders zou er immers strijd zijn met art 15 van de Drank- en Horecawet, waarin de kleinhandel wordt verboden in zaken waar alcohol wordt geschonken.

De Dienstenrichtlijn is niet van toepassing op de Winkeltijdenwet. Ten aanzien van strijd met het vrije verkeer van goederen en het recht van vestiging volgt het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) de redenering van Afdeling Bestuursrechtspraak van 2 maart 2011 (AB 2011/101 m.nt. E. Steyger) dat het vrije verkeer van goederen op de zondagsluitregeling niet van toepassing is, nu dit een verkoopmodaliteit is, en aan het vrije verkeer van diensten niet wordt getoetst (zie uitspraak CBB AB 2012/95). Dus branchering op grond van Wtw is toegestaan en niet in strijd met Europese regelgeving.

Het antwoord is nee. De Raad van State heeft hierover een besluit genomen en uitgesproken dat de Wtw niet in strijd is met Europese regelgeving. De Europese Dienstenrichtlijn is niet van toepassing op de Winkeltijdenwet, omdat deze wet geen betrekking heeft op 'diensten'.

Is de gemeente in overteding van de Winkeltijdenwet als deze dagen worden aangemerkt als werkdag?

Antwoord:

In artikel 2 lid 1 van de Winkeltijdenwet is geregeld dat het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben op (onder andere) Goede Vrijdag na 19 uur, 24 december na 19 uur en 4 mei na 19 uur. Op grond van lid 2 van artikel 2 is het op deze dagen na 19 uur eveneens verboden om in de uitoefening van een bedrijf, anders dan in een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren.

Op de genoemde dagen mogen de in artikel 2 bedoelde werkzaamheden dus alleen na 19 uur niet meer worden uitgevoerd. Leidend is hier de Winkeltijdenwet en niet de modelverordening. Het is wel zo dat de gemeenteraad op grond van artikel 3 lid 1 van de WTW bij verordening vrijstelling kan verlenen van de in artikel 2 genoemde verboden. Ook kan de gemeenteraad ervoor kiezen aan B&W de bevoegdheid te verlenen om van deze verboden ontheffing te verlenen (artikel 3 lid 2 Winkeltijdenwet). Gemeenten kunnen er voor kiezen om op de genoemde dagen na 19 uur wel een openstelling van winkels mogelijk te maken.

Overigens mogen vóór 19 uur de winkels op Goede Vrijdag, 4 mei en 24 december wel geopend zijn en mogen er, anders dan in een winkel, wel goederen te koop worden aangeboden. In zoverre mogen deze dagen dus wel gewoon als werkdag worden beschouwd. De Winkeltijdenwet staat daaraan niet in de weg.

Wanneer winkels open of dicht mogen zijn is geregeld in de Winkeltijdenwet. In artikel 2 van deze wet is bepaald op welke dagen de winkels gesloten moeten zijn. Naast zondagen betreft dit Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag na 19.00 uur, tweede Paasdag, Hemelvaartdag, tweede Pinksterdag, 24 december na 19.00, eerste en tweede Kerstdag en 4 mei na 19.00 uur. In artikel 3 van de Winkeltijdenwet staat vervolgens dat de gemeenteraad bij verordening vrijstelling kan verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden.

Feestdagen zoals Koningsdag en 5 mei vallen dus niet onder de verplichte winkelsluiting. Mocht Koningsdag een zondag vallen, dan wordt Koningsdag op de zaterdag hieraan voorafgaand gevierd. Het is aan de winkeliers zelf om te bepalen of ze op deze feestdagen gesloten of open zijn, of dat ze bijvoorbeeld eerder sluiten om hun personeel de gelegenheid geven aan de feestelijkheden deel te nemen.

Ja , dat is mogelijk. Strafrechtelijke handhaving is een taak van de plaatselijk bevoegde politie in overleg met de gemeente. De belastingdienst/FIOD-ECD wordt daarbij ingeschakeld als er een landelijke coördinatie vereist is.  Uiteraard is bestuursrechtelijke handhaving ook mogelijk.

Lees hier de brief over handhaving Winkeltijdenwet.

De Winkeltijdenwet kan zowel langs het strafrechtelijke (WED) spoor gehandhaafd worden als langs het bestuursrechtelijke. Zie voor nadere informatie over handhaving van de Winkeltijdenwet langs deze twee sporen de Veelgestelde vragen over de Winkeltijdenwet: https://vng.nl/onderwerpenindex/recht/winkeltijdenwet/vraag-en-antwoord#t1033n48936 en de VNG-handreiking Handhaving door en voor gemeenten: https://vng.nl//files/vng/handhaving-door-en-voor-gemeenten_20130902.pdf.

Wanneer winkels open mogen of dicht moeten zijn is geregeld in de Winkeltijdenwet. In artikel 2 van deze wet is bepaald op welke dagen de winkels altijd gesloten moeten zijn. Naast zondagen betreft dit Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag na 19.00 uur, tweede Paasdag, Hemelvaartdag, tweede Pinksterdag, 24 december na 19.00, eerste en tweede Kerstdag en 4 mei na 19.00 uur.

Indien in de APV of de winkeltijdenverordening niets over een eventuele vrijstelling is geregeld dient de bepaling in de formele wet als wettelijke grondslag. Dat betekent dat alle winkels na 19.00 uur gesloten dienen te zijn. Het is raadzaam de betreffende ondernemer te melden dat er een verplichting geldt om de winkel na 19.00 uur te sluiten en dat de gemeente vanuit de bestaande beginselplicht tot handhaving toe zal zien op een naleving van de sluitingstijden.

Detailhandel vanuit andere plaatsen dan winkels (overige detailhandel) valt onder de reikwijdte van de Winkeltijdenwet. Uit de memorie van toelichting (onder 4.2) bij die wet volgt echter dat 'Anders dan bij winkels worden de bestaande mogelijkheden om de ambulante handel enigszins te reguleren, zoals marktverordeningen en standplaatsvergunningen, door dit wetsvoorstel dan ook niet aangetast.' De model Winkeltijdenverordening van de VNG bevat enkel regels over winkels in de zin van de Winkeltijdenwet, d.w.z. voor het publiek toegankelijke besloten ruimten, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht.

Regels voor overige detailhandel zijn te vinden in bijvoorbeeld de VNG model-APV en model Marktverordening. Zo is een (al dan niet op zondag gehouden) braderie een evenement, waarvoor een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:25 van de APV vereist is. Hierop is de Winkeltijdenwet niet van toepassing. Op standplaatsen is de Winkeltijdenwet wel van toepassing, enkele uitzonderingen uit het Vrijstellingenbesluit winkeltijden (algemene maatregel van bestuur) daargelaten.

Artikel 2, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet laat gemeenten echter ruimte om vrijstelling of ontheffing te verlenen van het verbod voor overige detailhandel (en dus in de modelverordening naar artikel 2, eerste én tweede lid van de Winkeltijdenwet te verwijzen), wat bijvoorbeeld wenselijk kan zijn als het hierboven geschetste kader niet toereikend is.

In de Wet op de economische delicten (WED) zijn onder meer aangemerkt als economisch delict: overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, 3, derde lid, 6, tweede lid, en 8, tweede lid, van de Winkeltijdenwet.

Dat komt neer op:

Overtreding van het verbod de winkel open te hebben op zon- of feestdagen en werkdagen voor 6 en na 22.00 uur als dat niet is toegestaan. Overtreding van voorschriften en beperkingen die bij vrijstelling of ontheffing zijn gesteld (zie artikel 1, 4° WED).

Bestraffing

De economische delicten met betrekking tot de Winkeltijdenwet  zijn in de WED aangemerkt als overtredingen (zie artikel 2, vierde lid, WED). Bestraffing volgt uit artikel 6, onder 4° van de WED. De overtredingen van de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de Winkeltijdenwet worden bestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of een geldboete van de vierde categorie (= € 19.000).

Een aantal artikelen uit het  Vrijstellingenbesluit  Wtw is met de wijziging van de wet per 1 juli 2013 van rechtswege komen te vervallen, immers artikel 5 van de Winkeltijdenwet is komen te vervallen. Hierdoor zijn de volgende artikelen uit dit besluit niet meer geldig:  

  • artikel 3, derde en vierde lid;
  • artikel 4, derde en vierde lid;
  • artikelen 10 t/m 22

 Deze vrijstellingen kunnen gemeenten opnemen in de eigen Wtw-verordening wanneer niet een algehele vrijstelling is vastgesteld.

Het Vrijstellingenbesluit is het uitvoeringsbesluit (AMvB) behorende bij de Winkeltijdenwet. De grondslagen hiervoor is tegenwoordig enkel artikel 8 van de Winkeltijdenwet.

Het is mogelijk om het laden en lossen op zondag te verbieden of te beperken via de Winkeltijdenwet en de Winkeltijdenverordening. Dat wil zeggen: gekoppeld aan een vrijstelling of ontheffing om de winkel op zondag of feestdag open te hebben. Voor de winkelopenstelling op zon- en feestdagen kan een vrijstelling of ontheffing worden verleend (artikel 3, eerste resp. tweede lid Winkeltijdenwet). Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen beperkingen of voorschriften worden verbonden (artikel 3, derde lid Winkeltijdenwet). Die kunnen onder andere op laden en lossen betrekking hebben.

Een vrijstelling wordt verleend bij verordening. Ook beperkingen/voorschriften m.b.t. laden en lossen komen dan in de verordening. Een ontheffing wordt verleend bij beschikking van het college, de beperkingen/voorschriften dus ook.

Artikel 2 van de Winkeltijdenwet bevat een verbod op het vanuit winkels, of anderszins in de uitoefening van een bedrijf in rechtstreekse aanraking met particulieren, te koop aanbieden of verkopen van goederen aan particulieren. Dit verbod geldt op zondag, op werkdagen tussen 22.00 uur en 06.00 uur, en op de in het eerste lid, onder b, genoemde feestdagen (en tijden). Het uitgangspunt op deze dagen en tijden is: ‘verboden, tenzij’. 

Artikel 8 van de Winkeltijdenwet bevat een grondslag voor het door de regering bij algemene maatregel van bestuur verlenen van vrijstellingen op het verbod ten behoeve van instellingen voor de volksgezondheid, verkeer en vervoer en de verkoop van drukwerk: dit is geregeld in het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet. Daarin zijn o.a. apotheken, ziekenhuizen en verpleeghuizen, luchthavens, stations, benzinepompen en wegrestaurants, en tijdschriftenwinkels van het verbod vrijgesteld.

Wat overblijft, kan op grond van artikel 3 van de Winkeltijdenwet door de gemeente gereguleerd worden. De raad kan bij verordening vrijstelling van het verbod verlenen, of bij verordening aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om op verzoek ontheffing van het verbod te verlenen. Daarbij komt aan de gemeente veel ruimte toe. Wel bepaalt artikel 9 dat verordeningen van de raad géén betrekking kunnen hebben op de openingstijden van winkels op werkdagen tussen 06.00 uur en 22.00 uur. Daarnaast bepaalt artikel 6 dat als de eigenaar of beheerder van een winkel tot een kerkgenootschap behoort of een godsdienst of levensovertuiging belijdt waarvan de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag valt, burgemeester en wethouders op zijn verzoek ontheffing verlenen van het verbod om op zondag open te zijn, waaraan het voorschrift wordt verbonden dat de winkel in plaats van zondag op een andere dag gesloten is.

Voor een museumwinkel geldt dat deze in beginsel onder het verbod van artikel 2 van de Winkeltijdenwet valt. Het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet voorziet niet in een vrijstelling. Dat betekent dat de gemeente de zondagsopening van de museumwinkel kan reguleren in een gemeentelijke verordening die voorziet in een vrijstelling of ontheffing.