Mag een raadslid zich onthouden van stemming in een raadvergadering aangaande een motie waar hij persoonlijk belang bij heeft?

Een raadslid stemt altijd zonder last (artikel 27 Gemeentewet) en is in principe ook gehouden om zijn of haar stemrecht in de raadsvergadering uit te oefenen tenzij dat op grond van artikel 28 Gemeentewet onverstandig zou zijn. Er zijn de laatste jaren veel ontwikkelingen in de jurisprudentie geweest. Die uitspraken waren vooral juridisch technisch van aard: artikel 2:4 Awb zou een lex specialis zijn ten opzichte van artikel 28 Gemeentewet. Dankzij een aantal recente uitspraken is het primaat waarop een raadslid zich in de afweging om wel of niet mee te stemmen weer verschoven naar artikel 28 Gemeentewet. Stemmen is een fundamenteel recht van een gekozen volksvertegenwoordiger. Als een raadslid zich niet van stemming hoeft te onthouden, is het volgens de VNG zelfs een plicht. Dat staat niet met zoveel woorden in de wet, maar het vloeit wel voort uit het mandaat dat een raadslid van de kiezer heeft gekregen. Het is een raadslid dus niet op voorhand verboden om mee te stemmen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt namelijk dat er dan bijkomende omstandigheden moeten zijn waaruit blijkt dat er sprake is van het behartigen van een persoonlijk belang van het raadslid als zodanig. Alleen in dat geval kan de bestuursrechter tot het oordeel komen dat er ten onrechte aan de stemming is deelgenomen. De VNG trekt uit de meest recente jurisprudentie dan ook de conclusie dat artikel 28 Gemeentewet weer leidend is bij de vraag voor een individueel raadslid of hij al dan niet aan een stemming deel mag nemen. Het raadslid maakt daarbij zelf de afweging of het meedoen aan een stemming in conflict komt met de eigen integriteit.