Overzicht veelgestelde vragen over Gemeentewet

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

In de eerste plaats melden wij u dat de VNG een vereniging van zowel burgemeesters, wethouders als raadsleden is. Alle geledingen binnen het gemeentebestuur zijn lid van de VNG. Wij laten de interpretatie van wet en regelgeving en de handelwijze daaromtrent over aan de volksvertegenwoordigers en politieke ambtsdragers ter plekke. U zult begrijpen dat wij anders als een soort scheidsrechter tussen raadsleden onderling, de burgemeester en/of het college in komen te staan. Die positie past de VNG niet. Wij kunnen slechts het juridisch kader schetsen:

Het is zeer ongebruikelijk dat een voormalig wethouder allerlei stukken mee naar huis neemt: de betreffende persoon heeft immers niet het eigendomsrecht op de stukken. Voor zover het echter gaat om stukken die openbaar zijn, is er geen grondslag om de wethouder te verbieden die stukken mee naar huis te nemen. Deze stukken zijn immers via de geëigende kanalen (ter inzagelegging op het gemeentehuis, publicatie op de website van de gemeente) voor een ieder beschikbaar, dus ook voor de afgetreden wethouder. E.e.a. ligt natuurlijk anders voor stukken waaromtrent geheimhouding is opgelegd en andere vertrouwelijke stukken waar naar hun aard prudent mee omgegaan moet worden.

Op de gemeente rust geen wettelijke verplichting een oud-wethouder documenten mee te geven bij vertrek. Gezien het belang van de gemeente en het feit dat sommige stukken niet op straat moeten komen te liggen, is het aanbevelenswaardig de wethouderhierop te wijzen.

De algemene procedure voor het vrijwillig ontslag van een wethouder is beschreven in artikel 43 van de Gemeentewet. Een wethouder kan ten alle tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat in óf meteen, óf met ingang van de dag gelegen een maand na de dag waarop de wethouder ontslag heeft genomen of zo veel eerder als de opvolger van de wethouder de benoeming heeft aangenomen.

Het vrijwillig ontslag van een wethouder is sinds de Verzamelwet die op 1 februari 2016 van kracht werd niet meer gebonden aan een opzegtermijn. De mogelijkheid dat een wethouder nog maximaal een maand in functie blijft, is opgenomen om lopende zaken te kunnen afronden en een soepele overdracht naar zijn of haar opvolger mogelijk te maken.

Bij inwerkingtreding  van die Verzamelwet is dus als hoofdregel blijven gelden dat bij ontslag op eigen initiatief, ex artikel 43 Gemeentewet, (dus niet als gevolg van een vertrouwensbreuk als gevolg van een aangenomen motie van wantrouwen) het ontslag na een maand zal ingaan, tenzij eerder in de opvolging is voorzien.Nieuw was dat de wethouder ook meteen, dus zonder termijn van een maand, ontslag kan nemen. Het is aan de wethouder om te beoordelen of dit in het concrete geval zal kunnen.Daarmee wordt de procedure rondom vrijwillig ontslag gelijk getrokken met ontslag door het aannemen van een motie van wantrouwen door de gemeenteraad. (Zie TK 2012-2013, 33 691, nr. 3, p. 4)

In het geval van vrijwillig ontslag op grond van artikel 43 van de Gemeentewet regelt de wet dus dat de wethouder zijn ontslag schriftelijk meedeelt aan de raad. De wet regelt hier geen ontslagbesluit van de raad.

Een ontslagbesluit door de raad is wel nodig wanneer artikel 49 van de Gemeentewet aan de orde is. Op basis van artikel 49 van de Gemeentewet kan de raad het vertrouwen opzeggen in een wethouder en desgewenst besluiten tot ontslag. Als die procedure wordt gevolgd, dan gaat het ontslag per direct in. De raad dient daaraan een ontslagbesluit ten grondslag te leggen. Een ontslagbesluit heeft in de regel inderdaad de vorm van een raadsbesluit, waaraan uiteraard de nodige personeel-technische gevolgen zijn gekoppeld. Het besluit dient volgens de letter van de wet in dezelfde vergadering te worden genomen. Over het ontslagbesluit zelf dient te worden gestemd: de motie en het ontslagbesluit zijn twee afzonderlijke besluiten. Het ontslagbesluit dient schriftelijk in stemming te worden gebracht: het gaat hier immers over het ontslag van een persoon. Dat kan niet met een hoofdelijke stemming. Eerst dus hoofdelijk de motie van wantrouwen, indien deze wordt aangenomen een schriftelijke stemming over het ontslagbesluit.

De tekst van de eed of gelofte ligt vast in artikel 14 van de Gemeentewet. In de rechtspraak wordt helder dat, behalve de keuze tussen eed of gelofte, de betreffende teksten woordelijk dienen te worden uitgesproken. De woordelijke tekst op zich kan dus niet worden gewijzigd (overigens kan de tekst wel worden aangevuld, zie hiervoor NEV, Kamerstukken II, 19836, nr. 15 p. 27). Belangrijk is namelijk dat er geen twijfel mag ontstaan over de oprechtheid waarmee het lid zich aan de eed of verklaring gebonden acht.

Indien de de volledige en wettelijk vastgelegde teksten woordelijk worden aangehouden doet het veranderen van de volgorde waarin de onderdelen (voorlezen van de bijbehorende teksten door de voorzitter enerzijds en het afleggen van de eed of verklaring door de beëdigde anderzijds) van de ambtseed wordt uitgesproken, de beëdiging geen geweld aan. In jurisprudentie is geen grond te vinden voor het tegendeel.

Als sprake is van een verspreking heeft dat niet altijd consequenties voor de geldigheid van de eedsaflegging. Als bijvoorbeeld per ongeluk twee woorden worden omgedraaid of een woord wordt vergeten door de persoon die de eed aflegt, dan is sprake van een vormgebrek. De eed is dan gewoon rechtsgeldig. Als men iets anders uitspreekt met de intentie af te wijken van de officiële tekst dan kan de eed als niet rechtsgeldig worden beschouwd vanwege een materieel gebrek. Dhr. Elzinga heeft over dit onderwerp een paar jaar geleden een column geschreven in Binnenlands Bestuur. Degene die de eed afneemt dient dit met de juiste bewoordingen te doen, hoewel een toevoeging niet altijd consequenties hoeft te hebben. De eed kan het beste worden overgedaan in de eerstvolgende raadsvergadering. Zolang een wethouder de eed nog niet heeft afgelegd kan hij zijn functie nog niet uitoefenen, zie art. 41a lid1 Gemeentewet.

In artikel 14 wordt onder meer bepaald dat de eed wordt afgelegd in de handen van de voorzitter in de vergadering van de raad. Hoewel hier verder geen toelichting op wordt gegegeven is de VNG van mening dat hieruit wel kan worden geconcludeerd dat de eed tijdens de vergadering waarbij de betreffende persoon aanwezig is, dient te worden afgelegd. Beëdiging via geluids-en beeldverbinding is derhalve niet mogelijk.

De tekst van de af te leggen eed of verklaring en belofte is voor volksvertegenwoordigers en bestuurders ligt vast in artikel 14 van de Gemeentewet. Indien iemand om bepaalde redenen niet de eed wil afleggen, dan kiest hij of zij voor de belofte. De tekst kan dus niet worden gewijzigd maar volgens de Kamerstukken wel worden aangevuld (NEV, Kamerstukken II, 19836, nr. 15 p. 27). In deze Kamerstukken wordt aangegeven dat een toevoeging aan de eed niet tot ongeldigheid daarvan hoeft te leiden.

De volgende jurisprudentie is opgenomen in Tekst en Commentaar op de Gemeentewet: Artikel 14 ''kent een keuzevrijheid tussen enerzijds de eed, met een bevestiging van religieuze inhoud, en anderzijds de verklaring en belofte. De rechtsgevolgen van het afleggen van de eed dan wel de verklaring en belofte zijn identiek. Gelet hierop legt artikel 14 van de Gemeentewet geen met artikel 9 EVRM strijdige verplichting op aan degene die bezwaar heeft tegen de religieuze bevestiging van de eed of de wettelijke formulering daarvan (ABRvS 16 januari 2002, LJN AL2379, AB 2002/77).'

Artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek is een zogenaamde schakelbepaling en luidt als volgt:  'Een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht'. Dat betekent dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook gelden voor privaatrechtelijke handelingen door een overheidsorgaan.

U kunt het opnieuw bekendmaken. Bij een rectificatie wordt er verwezen naar de oorspronkelijke publicatie aan de hand van het officiële publicatienummer. Voor technische vragen/verder informatie kunt u contact opnemen met KOOP.

Kennis- en Exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (KOOP) en VNG hebben samen een overzicht bekendmaking (algemeen en specifiek) gemaakt. Het overzicht bevat de belangrijkste soorten besluiten en (sub)categorieën met de bijbehorende bekendmakingsregels. Bekijk hier

Gemeenten zijn wettelijk verplicht om algemeen verbindende voorschriften elektronisch bekend te maken en in geconsolideerde vorm beschikbaar te stellen (art 139-140 Gemeentewet). De meeste gemeenten benutten de Gemeenschappelijke Voorziening Officiële Publicaties (GVOP) om hun regelgeving en andere formele besluiten rechtsgeldig bekend te maken, en de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR) voor publicatie van geconsolideerde regelgeving.

De beoogde wijziging van de Wet elektronische bekendmakingen (Web) stelt overheden verplicht officiële publicaties met behulp van de gemeenschappelijke voorziening Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties op Overheid.nl te plaatsen. VNG Realisatie onderzoekt op dit moment of de wet kan worden ingevoerd door middel van een zogenoemde uitvoeringstoets.

U bent verplicht de algemeen verbindende voorschriften elektronisch bekend te maken, maar voor bijvoorbeeld beleidsregels geldt die verplichting niet. Dat kan veranderen met het in werking treden van bovengenoemde wet.

Meer informatie: Dienstverlening en informatiebeleid

 

Een raadslid stemt altijd zonder last (artikel 27 Gemeentewet) en is in principe ook gehouden om zijn of haar stemrecht in de raadsvergadering uit te oefenen tenzij dat op grond van artikel 28 Gemeentewet onverstandig zou zijn. Er zijn de laatste jaren veel ontwikkelingen in de jurisprudentie geweest. Die uitspraken waren vooral juridisch technisch van aard: artikel 2:4 Awb zou een lex specialis zijn ten opzichte van artikel 28 Gemeentewet. Dankzij een aantal recente uitspraken is het primaat waarop een raadslid zich in de afweging om wel of niet mee te stemmen weer verschoven naar artikel 28 Gemeentewet. Stemmen is een fundamenteel recht van een gekozen volksvertegenwoordiger. Als een raadslid zich niet van stemming hoeft te onthouden, is het volgens de VNG zelfs een plicht. Dat staat niet met zoveel woorden in de wet, maar het vloeit wel voort uit het mandaat dat een raadslid van de kiezer heeft gekregen. Het is een raadslid dus niet op voorhand verboden om mee te stemmen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt namelijk dat er dan bijkomende omstandigheden moeten zijn waaruit blijkt dat er sprake is van het behartigen van een persoonlijk belang van het raadslid als zodanig. Alleen in dat geval kan de bestuursrechter tot het oordeel komen dat er ten onrechte aan de stemming is deelgenomen. De VNG trekt uit de meest recente jurisprudentie dan ook de conclusie dat artikel 28 Gemeentewet weer leidend is bij de vraag voor een individueel raadslid of hij al dan niet aan een stemming deel mag nemen. Het raadslid maakt daarbij zelf de afweging of het meedoen aan een stemming in conflict komt met de eigen integriteit.

Het is verstandig dat een volksvertegenwoordiger in de discussie aangeeft dat een mogelijk persoonlijk belang aan de orde is. Dan kan hij of zij besluiten niet deel te nemen aan het debat en aan de stemming over het onderwerp. Binnen de fractie, met de fractievoorzitter en/of de voorzitter van het bestuursorgaan kan dit vooraf worden afgestemd. Door daar open over te zijn, kan worden voorkomen dat een besluit wordt vernietigd of dat de verhoudingen in de raad vertroebeld raken. Wat de gemeenteraad als geheel kan doen ligt vooral in de preventieve sfeer; in zijn algemeenheid, maar vooral ook in een concrete situatie. Dat betekent dat op het moment dat het op stemming aankomt, de gemeenteraad of de voorzitter van de raad ervoor waarschuwt dat het te nemen besluit aanvechtbaar zou kunnen zijn. De gemeenteraad dient er als collectief voor te waken dat raadsleden die een persoonlijk belang hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Maar uiteindelijk blijft het individuele raadslid degene die beslist tot deelname aan de stemming: een raadslid stemt immers op grond van artikel 27 Gemeentewet zonder last.

In recente uitspraken (Graft-De Rijp en Middelburg) zegt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het woord 'persoonlijk' in het begrip 'persoonlijk belang' doelt op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan moet behartigen uit hoofde van de hem opgedragen taak. Met deze uitleg van wat onder een 'persoonlijk belang' moet worden verstaan, zijn we feitelijk weer terug bij de situatie van vóór de uitspraak van de Afdeling in 2002 (die meer beperkingen oplegde aan het stemrecht van raadsleden). Tot die tijd gold immers dat ook voor de toepassing van 2:4 Awb in eerste instantie een strikte uitleg van artikel 28 Gemeentewet moest worden gehanteerd. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, omdat daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt.

Dat hoeft niet, een combinatie van voltijd- en deeltijdwethouders is mogelijk. Als de raad besluit dat het wethouderschap in deeltijd wordt uitgeoefend is ook lid 3 van art. 36 Gemeentewet, dat het aantal wethouders regelt, van belang. Het aantal wethouders bedraagt in geval van deeltijdwethouders ten hoogste 25% van het aantal raadsleden (terwijl dit 20% is bij alleen voltijdwethouders), met dien verstande dat de tijdsbestedingsnorm van de wethouders gezamenlijk ten hoogste 10% meer bedraagt dan de tijdsbestedingsnorm van de wethouders gezamenlijk als er alleen voltijdwethouders zouden zijn.

Meer informatie over het aantal wethouders, voltijd en deeltijd.

Indien de aanstelling binnen de grenzen blijft die de Gemeentewet stelt is daar geen apart raadsbesluit voor nodig. De raad stelt immers zelf de wethouders aan: in het coalitieakkoord geven de partijen kennelijk aan dat een uitbreiding van het aantal wethouders gewenst is. Het benoemingsbesluit van elke wethouder geeft aan dat de raad de uitbreiding van wethouders accordeert en er derhalve ook budget voor beschikbaar stelt. Indien de partijen in de raad een andere oplossing wensen kunnen ze dat in het debat aangeven.

Het besluit om aan een benoemde wethouder ontheffing van de verhuisplicht is genomen terwijl niet alle raadszetels op dat moment vervuld waren. De mogelijkheid dat de raad aan een wethouder ontheffing verleent van het vereiste van ingezetenschap is geregeld in artikel 36a, tweede lid van de Gemeentewet. In dat artikel zijn geen specifieke eisen gesteld aan de stemming over die ontheffing. In artikel 29 van de Gemeentewet is het stemquorum geregeld: een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van de leden die zitting hebben en die zich niet van stemming moeten onthouden, aan de stemming heeft deelgenomen. Op grond van artikel 29 Gemeentewet is er sprake van een geldige stemming als minimaal de helft van de raadsleden deelnemen aan de stemming.

Er is geen deadline voor de benoeming van het nieuwe college. De vraag wanneer een nieuw college tot stand komt is aan de lokale politiek zelf. Het zou zinloos zijn om te proberen aan de collegeformatie een juridische deadline te stellen, al was het maar omdat je dan ook zou moeten invullen wat er moet gebeuren als die datum niet wordt gehaald, en men kan moeilijk iemand die dat niet wil dwingen een wethouderschap te aanvaarden. De situatie in de tussenliggende periode is geregeld in artikel 42 Gemeentewet: in beginsel blijven de zittende wethouders in functie totdat de raad tenminste de helft van het nieuwe college heeft benoemd en die benoemingen zijn aanvaard. Op grond van het eerste lid treden na de verkiezingen de (zittende) wethouders af op het moment dat ten minste de helft van het in artikel 36 (Gemeentewet) bepaalde aantal (nieuwe) wethouders is benoemd en die benoemingen zijn aangenomen. Op grond van het tweede lid  treedt de burgemeester in de plaats van het college als (in de tussenliggende periode) zoveel wethouders ontslag nemen of worden ontslagen dat het aantal onder de helft van het in artikel 36 (Gemeentewet) bepaalde aantal wethouders zakt. Die kans wordt bij een zeer langdurige formatie uiteraard snel groter. De burgemeester treedt op dat moment in de plaats van het college en handelt vooral lopende zaken af. Het zou politiek onhandig zijn, hoewel juridisch toegestaan, om ingrijpende besluiten namens het college te nemen.

De wet zegt hier niets over. Het is aan de betreffende partij zelf hoe hier mee om te gaan.

Hoe kandidaat-wethouders worden gerekruteerd en hoe lijsten met kandidaat-wethouders worden vastgesteld is aan de (lokale) politieke partij zelf. Vaak gebeurt het vaststellen van de lijst tijdens een algemene ledenvergadering. In 2014 is in Bestuurswetenschappen (2014 (68) 2) een artikel gepubliceerd over de rekrutering en voordracht van wethouders. Dit artikel is vooral gebaseerd op een aantal interviews met wethouders.

 

Iedere wethouder heeft een eigen en volledige stem in het college, ongeacht of hij voltijd of deeltijd wethouder is. Dat betekent dat de normale regels inzake stemmen en stemming in het college van burgemeester en wethouders van toepassing zijn op deeltijdwethouders. Het benoemen van deeltijdwethouders is feitelijk een uitbreiding van het aantal wethouders. Twee deeltijdwethouders op één post is formeel niet verboden. De gemeente bepaalt dit zelf. Wel moet er worden gelet op het wettelijk vastgelegde maximum aantal wethouders en het maximale aantal fte (artikel 36 Gemeentewet). Enig contract dat het stemrecht van een bestuurder zou beperken is dus niet aan orde. Sterker nog, een contract dat het stemrecht van een bestuurder beperkt, is een nietig contract (zie naar analogie van artikel 27 van de Gemeentewet, MvT, Kamerstukken II 19403, nr. 3, p 85). Het college stemt op basis van collegiaal bestuur. Het VNG Model Reglement van orde voor vergaderingen en werkzaamheden van het college werkt in artikel 7 de Stemmingen in de collegevergadering uit. De opgenomen regeling komt erop neer dat in principe slechts wordt gestemd indien één van de leden dat wenst. In dit verband is het wellicht handig om de tabel te bekijken zoals die is opgenomen op de VNG-site en waarin gemeentegrootte, het aantal wethouders en de tijdbestedingsnorm overzichtelijk zijn samengebracht. Over het voorgaande kan ook de griffier van de gemeente geraadpleegd worden. De griffier is in de regel goed op de hoogte van de plaatselijke situatie en op basis daarvan een op maat gesneden advies geven.

Een wethouder mag niet tegelijkertijd raadslid zijn noch in de gemeente waar hij wethouder is noch in een andere gemeente. Maar artikel 36b, lid 2 Gemeentwet maakt hierop voor bepaalde gevallen tijdelijk een uitzondering. Hier wordt onder meer bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l Gemeentwet, een wethouder tevens lid kan zijn van de raad van de gemeente waar hij wethouder is gedurende het tijdvak dat aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge artikel 42, eerste lid, aftreden. Het is daarom mogelijk dat een demissionaire wethouder tevens raadslid kan zijn.

Over de toelating van gekozen raadsleden tot de raad is in artikel V4 van de Kieswet bepaald dat de 'oude' raad na de verkiezingen onderzoekt of het kandidaat-raadslid voldoet aan vereisten voor het lidmaatschap van de raad (art 10 Gemeentewet)) en of hij geen verboden betrekkingen bekleedt (artikel 13 Gemeentewet). Als een gekozen raadslid zijn kennisgeving van benoeming heeft ingeleverd en voldoet aan de vereisten van artikel 10 en 13 Gemeentewet, dan moet hij worden toegelaten.

Als er bij het geloofsbrievenonderzoek blijkt van 'verboden handelingen' (art 15 Gemeentewet) dan moeten daar afspraken over gemaakt worden. Zie verder ook: Wat wordt er met geloofsbrief bedoeld?

Het is mogelijk dat iemand met een andere nationaliteit dan de Nederlandse benoemd wordt tot wethouder op grond van artikel 10 juncto artikel 36a Gemeentewet. Voor het wethouderschap is het bezit van een Nederlandse nationaliteit niet vereist. Wel dient deze persoon onderdaan te zijn van een lidstaat van de Europese unie en voldoen aan de vereisten van artikel 10, eerste lid Gemeentwet.

Ja, dit is mogelijk. De Gemeentewet schrijft niet voor dat het coalitieprogramma eerst aan de raad moet worden voorgelegd alvorens wethouders kunnen worden benoemd. Sterker nog, de wet stelt het opstellen van een collegeprogramma überhaupt niet verplicht. De Gemeentewet bepaalt alleen in artikel 35 lid 2 dat de burgemeester wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de collegeonderhandelingen, dit met het doel zijn opvattingen over voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma kenbaar te maken. Die uitkomst kan ook zijn dat het collegeprogramma nog niet rond is. Er zijn gemeenten die helemaal niet meer met een collegeprogramma werken, maar dit op andere manieren oplossen. U kunt nog kijken of uw Reglement van orde voor de raad hierover iets regelt. In het VNG Modelreglement hebben wij hierover geen bepaling opgenomen.

Dat is mogelijk en gezien het vereiste van een voltallige raad ook wenselijk.

Artikel 13 lid 1 sub l en artikel 36 lid 1 sub l Gemeentewet regelen over en weer dat het raadslidmaatschap en het wethouderschap onverenigbaar zijn. De leden 2 sub a van deze artikelen geven als uitzondering de periode na de verkiezing tot het moment van aftreden van de wethouders. Het is dus wel mogelijk om beide functies te vervullen: een raadslid dat tot wethouder is benoemd kan beide functies uitoefenen totdat de goedkeuring van de geloofsbrieven van zijn of haar opvolger onherroepelijk is geworden. Indien dit proces al eerder is voltooid kan in dezelfde vergadering de wethouder worden benoemd en zijn opvolger in de raad worden beëdigd.

Als bij de benoeming van een wethouder de stemmen staken, dan wil dat zeggen dat er kandidaten zijn die precies evenveel stemmen hebben gekregen. In zo’n geval is de herstemming niet beperkt tot die kandidaten met evenveel stemmen. Dat volgt niet uit artikel 28, derde lid Gemeentewet en ook niet uit artikel 31, tweede lid Gemeentewet. Bij de herstemming is dus opnieuw sprake van een vrije stemming, en mag een raadslid dat kandidaat-wethouder is ook opnieuw meestemmen.

Het is niet nodig dat de beoogd wethouder de benoeming schriftelijk bevestigt. Door de eed af te leggen geeft de wethouder namelijk aan dat hij de benoeming heeft geaccepteerd.

In de Gemeentewet is hierover niets geregeld en ook niet in de VNG model-Reglement van Orde voor de Raad. Het lijkt ons dat het de voorkeur verdient dat de kandidaat-wethouder eerst ontheffing verkrijgt en dan pas wordt benoemd. Dan staat immers bij zijn benoeming vast dat hij van de woonplaatsverplichting is ontheven. In de praktijk gebeurt het echter ook vaak dat de ontheffing pas (vlak) na de benoeming plaatsvindt. Volgens ons heeft dat geen gevolgen, er van uitgaande dat er weinig tijd tussen benoeming en ontheffing zit. Als de ontheffing om de een of andere reden lang op zich laat wachten, ontstaat er wel een ongewenste situatie en komt artikel 47, eerste lid Gemeentewet in beeld.

Artikel 36 van de Gemeentewet bevat geen minimale tijdbestedingsnorm. Wel is daarin bepaald dat er in iedere gemeente ten minste twee wethouders moeten zijn. Voor een gemeente met 4800 inwoners geldt verder dat dit er ten hoogste drie mogen zijn als met deeltijdwethouders wordt gewerkt, in welk geval de maximale tijdsbestedingsnorm 2,2 fte is. Artikel 36 van de Gemeentewet staat er aldus niet aan in de weg dat u twee deeltijdwethouders benoemt. Meer informatie in de tabel inclusief toelichting.

Of de benoeming in andere gevallen al dan niet op voordracht moet, hangt af van de desbetreffende situatie. De benoeming van wethouders en leden van een raadscommissie bijvoorbeeld, gebeurt niet op voordracht. De benoeming van een burgemeester wel (dan weliswaar op voordracht door de minister en benoeming vindt plaats bij KB). In zijn algemeenheid valt dus niet aan te geven wanneer er sprake is van een voordracht of een nominatie.

Het maximum aantal wethouders is afhankelijk van het aantal raadszetels. De raad heeft een grote mate van vrijheid om zelf het aantal wethouders te bepalen dat hij wil benoemen. In artikel 36 Gemeenewet wordt deze vrijheid wel ingekaderd door het maximum en minimum aantal wethouders te bepalen.

  • a. Minimum: Elke gemeente kent minimaal twee wethouders.
  • b. Maximum: Het maximum aantal wethouders in een gemeente is afhankelijk van het aantal raadsleden dat de betreffende gemeente kent (art. 8). Het maximum aantal wethouders dat de raad kan benoemen, bedraagt ten hoogste 20% van het aantal raadsleden. De raad van de grootste gemeenten kan maximaal negen wethouders benoemen.

De bovengrens voor het aantal wethouders dient om te voorkomen dat een onevenwichtige verhouding ontstaat tussen het aantal wethouders en het aantal raadsleden (MvA, Kamerstukken II 1988/89, 19403, 10, p. 149). De raad kan besluiten dat het wethouderschap in deeltijd wordt uitgeoefend. Lid 2 en 3 zijn dan van toepassing. Een deeltijdwethouder heeft een volledige stem in het college van burgemeester en wethouders. De gezamenlijke tijdbestedingsnorm van wethouders in een college van burgemeester en wethouders dat deeltijdwethouders kent, mag ten hoogste 10% meer bedragen dan de gezamenlijke tijdbestedingsnorm van wethouders in een college van burgemeester en wethouders zonder deeltijdwethouders. Dat dient om te voorkomen dat de benoeming van een of meer deeltijdwethouders leidt tot een aanzienlijke vergroting van de formatieruimte van het college van burgemeester en wethouders. De raad stelt bij de benoeming van wethouders de tijdbestedingsnorm van elke wethouder afzonderlijk vast. De tijdbestedingsnorm geeft de tijd aan die een wethouder vanuit bezoldigingsoogpunt aan zijn functie besteedt. De tijdbestedingsnorm bedraagt 100% tenzij het wethouderschap in deeltijd wordt uitgeoefend.

Voorbeeld

In een gemeente met vier fulltime wethouders bedraagt de gezamenlijke tijdbestedingsnorm 4 x 100 is 400%. Indien de gemeente wil overgaan tot het benoemen van een of meer deeltijdwethouders bedraagt de totale tijdbestedingsnorm ten hoogste 440%. Hoeveel het maximum aantal wethouders dan bedraagt is geregeld in de eerste volzin van lid 3. De totale gezamenlijke tijdbestedingsnorm (440%) moet over alle wethouders worden verdeeld. Indien er drie fulltime wethouders zijn met een tijdbestedingsnorm van elk 100% en twee deeltijdwethouders, resteert er 140% voor de twee deeltijdwethouders. De raad kan daarin zelf een verdeling aanbrengen. Daarbij zijn talloze combinaties denkbaar bijvoorbeeld elk 70% of een wethouder 80 en de ander 60%. Zolang de tijdbestedingsnorm van de twee deeltijdwethouders gezamenlijk maar niet meer dan 140% bedraagt (Kamerstukken II 1990/91, 19403, 62, p. 2).

De leden van de raad stemmen zonder last. Het is prima om al vooraf kandidaten in te vullen op basis van de coalitieonderhandelngen/meerderheid, maar het is een vrije stemming men kan ook op een andere kandidaat stemmen.

De VNG heeft hier geen visie op. Wij geven u mee dat, zoals bekend mag worden verondersteld, de VNG een vereniging is van zowel burgemeesters, wethouders als raadsleden. In verschillen van mening tussen raad, burgemeester en college kunnen en willen wij derhalve geen positie innemen. Wij laten de interpretatie van wet en regelgeving en de handelwijze daaromtrent over aan de volksvertegenwoordigers en politieke ambtsdragers ter plekke. U zult begrijpen dat wij anders als een soort scheidsrechter tussen raadsleden onderling, de burgemeester en/of college in komen te staan. Die positie past de VNG niet. Wij hebben met de raadsledenvereniging afgesproken dat u uw vraag en/of probleemstelling aan hen kunt voorleggen. Contactgegevens treft u hier.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de VNG-modelverordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2018 stellen gemeenten zelf de hoogte van de vaste en variabele financiële bijdrage per raadszetel vast. De hoogte van het totale budget voor fractieondersteuning wordt door de raad in de gemeentebegroting opgenomen. De VNG heeft voor het vaststellen van deze bedragen geen richtlijnen en heeft deze ook niet gehad. Voor referentiepunten bij het vaststellen van de hoogte van de bijdragen kan wellicht gekeken worden naar andere, vergelijkebare gemeenten.

In de formele wet is in ieder geval geen leeftijdsgrens vastgesteld voor leden van een raadscommissie, niet zijnde raadsleden. Ook in de VNG modelverordening voor raadscommissies is dit leeftijdsvereiste niet opgenomen. Indien de gemeente dat ook niet in de eigen verordening of reglement heeft gedaan is er geen wettelijke grondslag voor het vaststellen van een leeftijdsvereiste, en kunnen personen jonger dan 18 jaar derhalve zitting nemen in een informatievergadering/commissievergadering van de raad.

Het is niet bekend of gemeenten een tijdelijke raadscommissie instellen ten behoeve van de voortgang van werkzaamheden in de periode tussen de dag van de gemeenteraadsverkiezingen en de dag waarop de nieuwe raad wordt geïnstalleerd. U kunt de vraag aanbrengen op het online VNG-forum Gemeenterecht. Via dit forum kunnen gemeenten informatie uitwisselen en kennis delen. U kunt zich voor dit Forum aanmelden door middel van bijgevoegde link.

Ook leden van een stadsdeelcommissie moeten, net als niet-raadsleden in raadscommissies en net als raadsleden zelf, voldoen aan de wettelijke vereisten zoals vastgesteld in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet. De met (raads)lidmaatschap onverenigbare betrekkingen worden behandeld in artikel 13 van de Gemeentewet. Wanneer er niet aan deze vereisten wordt voldoen, dan kan hij of zij niet worden benoemd. Tegen die beslissing staat geen bezwaar of beroep open.

‘Burgerraadsleden' moeten net als de raadsleden voldoen aan de vereisten van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet. Het is aan fracties zelf om te bepalen wie de betreffende fractie vertegenwoordigen in de verschillende commissies, en het is alleen mogelijk en zelfs verplicht de benoeming van een voorgedragen lid te weigeren als het om een 'burgerlid' gaat en deze persoon niet voldoet aan de vereisten van de Gemeentewet. Het is de verantwoordelijkheid van de fracties om de kandidaten voor de commissies voor te dragen. Daarbij kan de raad alleen maar instemmen, tenzij het een burgerraadslid betreft dat niet aan de vereisten uit de Gemeentewet voldoet. De raad moet op grond van artikel 82 Gemeentewet alleen zorgen dat de commissie evenwichtig is samengesteld. Dat is in de verordening op de raadscommissies geregeld. De raad kan deze kandidaat dus niet tegenhouden. Als hij of zij als commissielid op de een of andere manier het commissiewerk verstoort of hindert, dan zal de voorzitter hem of haar zelf en de fractie daarop moeten aanspreken.

De raad kan burgerraadsleden in commissies benoemen. Grondslag daarvoor is artikel 82 lid 3 Gemeentewet. Commissieleden, evenals raadsleden, moeten voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de wet. Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken en geen functie als bedoeld in artikel 13 van de wet mogen vervullen. Om te beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van de wet ligt het voor de hand om gebruik te maken van een geloofsbrievenonderzoek. Het verdient aanbeveling dit onderzoek uit te laten voeren door de commissie die voor raadsleden en wethouders het op basis van artikel V 4 van de Kieswet verplichte geloofsbrievenonderzoek uitvoert. De vereisten die onderzocht moeten worden zijn immers gelijk. Dit onderzoek (alleen naar de niet-raadsleden) gaat vooraf aan het raadsbesluit waarmee de commissieleden benoemd worden.

De raad legt in een verordening vast wat de vergoeding is voor de burgerraadsleden. Op grond van artikel 99 Gemeentewet is de gemeente verplicht een vergoeding uit te betalen voor deelname aan een commissie. Dit bepaalt de gemeente, niet de fractie. Het is krachtens de Gemeentewet niet toegestaan om geen vergoeding aan een burgerraadslid te betalen.

In ons modelreglement van orde op de raadscommissies wordt in artikel 4 bepaald dat  de commissieleden door de raad op voordracht van de fracties worden benoemd. Hieruit valt te concluderen dat voordat deze benoeming heeft plaastgevonden de betreffende personen formeel nog geen commissielid zijn. Het is aan te raden om de gemeentelijke reglement van orde te raadplegen om te kijken wat de raad hieromternt heeft bepaald.

Formeel is er geen probleem omdat een stagiair zowel op Rijks- als op gemeentelijk niveau geen ambtenaar is in de zin van de wet. Er is (nemen wij aan) ook geen sprake van een arbeidsovereenkomst, maar van een stageovereenkomst met de betreffende persoon. Wel kan het zo zijn dat een verordening op de gebiedscommissies in uw gemeente nog bijzondere bepalingen over dit onderwerp bevat. Als ook dat niet het geval is, bestaat er op formeel gebied op geen enkel onderdeel een probleem. Materieel ligt dat waarschijnlijk anders omdat zowel de stagiair, maar ook de bestuurder zich ongemakkelijk kan voelen bij controle door een stagiair in de organisatie. Het zou in ieder geval, ook met het oog op de vigerende gedragscodes, voor de hand liggen dat het betreffende lid van de gebiedscommissie over bepaalde met zijn stageopdracht conflicterende onderwerpen niet meestemt.

Uitgaande van de VNG Modelverordening op de raadscommissies 2018 geldt op grond van artikel 5, zevende lid, dat het lidmaatschap van commissieleden, benoemd op voordracht van een fractie die niet langer vertegenwoordigd is in de raad, van rechtswege vervalt.

De positie van fractievertegenwoordigers (ook wel burgerraadsleden) is niet uitdrukkelijk in de Gemeentewet geregeld. Fractievertegenwoordigers zijn niet gekozen als raadslid. In de praktijk vervullen zij wel vergelijkbare werkzaamheden, met name in raadscommissies en binnen de fractie. Leden van een raadscommissie hoeven geen raadslid te zijn. Voor de benoeming van burgerraadsleden wordt vaak als eis gesteld dat deze bij de laatste verkiezingen wel op een lijst hebben gestaan. In onze Modelverordening op de raadscommissies is hier aandacht voor, zie art. 4 van de modelverordening en de daarbij behorende toelichting. Zo staat in de toelichting dat steunfractieleden, net als raadsleden moeten voldoen aan de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Gemeentewet. Zo moet men 18 jaar zijn, ingezetene van de betreffende gemeente en niet uitgesloten zijn van het kiesrecht. Men maakt al zijn functies openbaar en bekleedt niet één van de functies genoemd in artikel 13 (onverenigbaarheid van functies). Het ligt daarom voor de hand ook bij de benoeming van niet-raadsleden gebruik te maken van een geloofsbrievenonderzoek.

Op het besluit tot toelating van gekozen raadsleden tot de raad is artikel 31 van de Gemeentewet, op grond waarvan de stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geheim is, niet van toepassing. Van strijdigheid met artikel 31 is in deze situatie aldus geen sprake.

In casu is de persoon als ambtenaar in dienst getreden bij een gemeenschappelijke regeling. De vraag doet zich vaker voor of ambtenaren die in dienst zijn bij een gemeenschappelijke regeling raadslid kunnen worden in één van de in die gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten.

Deze raadsleden controleren immers hun gemeentelijke bestuurders. In de organen van de gemeenschappelijke regeling komen zij de bestuurders tegen in de hoedanigheid van hun bestuurlijke chef.

Ambtenaren die `door of vanwege het gemeentebestuur zijn aangesteld of daaraan ondergeschikt’ kunnen op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder o, van de Gemeentewet geen lid zijn van de gemeenteraad. In beginsel wordt aangenomen - op basis van een Koninklijk Besluit uit 1958 - dat ambtenaren die in dienst zijn bij gemeenschappelijke regelingen wel raadslid kunnen zijn. Daarbij is het van belang om de zinsnede `in beginsel’ te benadrukken. Ondanks het niet direct in dienst zijn bij de gemeente kunnen er vanwege andere redenen ondergeschiktheidsrelaties ontstaan.

Waar een dergelijke ondergeschiktheid daadwerkelijk zich voor kan doen, moet dan ook tot een onverenigbaarheid worden geconcludeerd. Met andere woorden: de onverenigbaarheid kan een grond vinden in de aanstellingsrelatie en in de mogelijkheid om aan de betrokken ambtenaar bijzondere en algemene aanwijzingen te geven.

In veel gevallen is tussen de betreffende ambtenaren en het bestuur van de gemeenschappelijke regeling een ondergeschiktheidsverhouding. Het collegelid van de gemeente waar de ambtenaar raadslid wordt, maakt deel uit van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Dit bestuur kan aan de betreffende ambtenaar aanwijzingen geven. Deze ambtenaar komt mogelijk straks als raadslid dezelfde wethouder tegen en controleert deze.

In theorie zou de conclusie kunnen zijn dat hierdoor ongemakkelijke verhoudingen kunnen ontstaan door deze combinatie van functies, waardoor het wellicht wijs en verstandig is om het raadslidmaatschap niet te aanvaarden, dan wel neer te leggen. Het gaat hier echter wel om een theoretische belemmering die in de praktijk geen problemen hoeft op te leveren.

Via het stelsel van verboden handelingen en stemverboden kan op de gesignaleerde ongemakkelijke verhouding worden ingespeeld. Zo ligt het in de rede dat het raadslid zich verre houdt van overeenkomsten tussen de gemeente en de gemeenschappelijke regeling, geen adviseur is in deze relatie en bij stemmingen over onderwerpen die tot zijn ambtelijke competentie behoren zich onthoudt.

Afspraken hierover kunnen weliswaar niet inhouden dat het raadslid zich verplicht van zijn stem te onthouden. Van het recht op het uitbrengen van de stem kan niet bij afspraak afstand worden gedaan; de beslissing tot stemonthouding blijft onder alle omstandigheden een verantwoordelijkheid van het raadslid (artikel 27 van de Gemeentewet). Wel kan terughoudendheid worden afgesproken. De schijn van belangenverstrengeling kan verder worden vermeden door bij de benoeming van het raadslid extern duidelijk te maken welke gedragslijn door raadslid en raad zullen worden gevolgd om onzuiverheden op dit punt te voorkomen.

Artikel 8 van de Gemeentewet geeft aan dat het aantal raadsleden in een gemeente afhankelijk is van het aantal inwoners. Het minimum aantal raadsleden bedraagt 9 voor gemeenten met minder dan 3.001 inwoners; het maximum aantal raadsleden bedraagt 45 voor gemeenten met meer dan 200.000 inwoners. Dit minimum en maximum is dus wettelijk bepaald. Ook voor gemeenten met een inwonertal dat tussen dit minimum en maximum ligt, wordt het aantal raadsleden wettelijk bepaald.

In de gegeven opsomming in artikel 8, lid 1 van de Gemeentewet staat dat de raad bestaat uit:

  • 17 leden in een gemeente van 15 001- 20 000 inwoners
  • 19 leden in een gemeente van 20 001- 25 000 inwoners

Vermeerdering of vermindering van het aantal leden van de raad, voortvloeiend uit wijziging van het aantal inwoners van de gemeente, treedt eerst in bij de eerstvolgende periodieke verkiezing van de raad. De peildatum voor de vaststelling van het aantal inwoners is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de verkiezing van de raad (artikel 8 jo. artikel 1, lid 2 van de Gemeentewet). In uw gemeente moet het aantal raadszetels dus met 2 worden vermeerderd als op 1 januari 2021 het aantal inwoners in uw gemeente gelegen is tussen 20.001 en 25.000. Met betrekking tot deze informatie kunt u ook zeker terecht bij uw griffier. De griffier is op de hoogte van wet- en regelgeving en is ook goed geïnformeerd over plaatselijke omstandigheden.

Een raadslid hoeft niet al zijn financiële belangen op te geven, maar hij moet wel zijn openbare betrekkingen en nevenfuncties melden. Dit is van belang in het kader van het geloofsbrievenonderzoek, geregeld in artikel V4 van de Kieswet. Daarin is o.m. bepaald dat wordt nagegaan of de kandidaat geen met het raadslidmaatschap onverenigbare betrekkingen vervult. Dat zijn de betrekkingen genoemd in artikel 13 van de Gemeentewet.

Bij het geloofsbrievenonderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. Bekijk de modelgedragscodes.

Het is een goede gewoonte dat een demissionair college enkel zaken waarneemt en geen grote/ belangwekkende beslissingen neemt. Een verplichting om zo te handelen is er echter niet.

Artikel 36b lid 2 Gemeentewet regelt dat een wethouder tevens lid van de raad van de gemeente waar hij wethouder is, kan zijn totdat de wethouders aftreden (de wethouders treden af als na de raadsverkiezing ten minste de helft van het aantal wethouders is benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen, art. 42 lid 1).

De wethouder is gedurende het voornoemde tijdvak volwaardig raadslid. Hij heeft alle rechten en plichten die ieder raadslid heeft. Dat betekent dat hij gewoon mag meestemmen over voorstellen van de raad. Zelfs als er gestemd wordt over de benoeming van de nieuwe wethouders mag hij meestemmen over zijn eventuele (her)benoeming, ook al betreft het een stemming die hem persoonlijk aangaat. De formele reden is dat de stemming over de benoeming van wethouders een vrije stemming is. De praktische en staatsrechtelijke reden is dat een andere conclusie bijzonder onwenselijke gevolgen zou hebben: als de kandidaat-wethouder immers niet zou meestemmen, verschuift de machtsverhouding in de raad, zeker als de beoogde coalitie een krappe meerderheid heeft van één stem. De uiterste consequentie zou zijn dat er dan geen college tot stand kan komen, hoewel daarvoor wel een (zij het minieme) meerderheid in de raad is.

Zie voor meer informatie de veelgestelde vragen op vng.nl.

Goedkeuring door gedeputeerde staten over de oprichting van of deelneming in privaatrechtelijke organisaties is vanaf 1 februari 2016 niet langer vereist (art. 160, derde lid). Het college dient nog steeds wel het ontwerpbesluit tot oprichting van of deelneming in privaatrechtelijke organisaties, aan de raad voor te leggen zodat deze wensen en bedenkingen kenbaar kan maken. De wettelijke voorkeur (art. 160, tweede lid) voor publiekrechtelijke rechtsvormen boven privaatrechtelijke rechtsvormen blijft gehandhaafd.

Het oude college blijft in functie totdat de raad ten minste de helft van het nieuwe college heeft benoemd en die benoemingen zijn aanvaard; zie artikel 42 Gemeentewet. Op grond van het eerste lid treden na de verkiezingen de (zittende) wethouders af op het moment dat ten minste de helft van het in artikel 36 (Gemeentewet) bepaalde aantal (nieuwe) wethouders is benoemd en die benoemingen zijn aangenomen.

Op donderdag 29 maart  2018 werd de nieuwe raad geïnstalleerd. Deze raad geeft dan de kaders aan waarbinnen ook het oude nog zittende college moet opereren. Het is politiek niet handig als het nog zittende demissionaire college politiek verstrekkende besluiten zou nemen. De nieuwe raad zou verder kunnen besluiten dat bepaalde onderwerpen 'stil gelegd' moeten worden tot er een nieuw college in functie is. Vervolgens is het vooral van belang dat de nieuwe raad zich inspant om snel een nieuw college te vormen.

Er zijn dus geen algemeen geldende kaders voor de overgangsperiode, noch juridisch, nog anderszins; de nieuwe raad zal die kaders moeten aangeven.

Als het om privaatrechtelijke kwesties gaat is de raad niet bevoegd, maar het college (en niet de burgemeester, zie art. 160 Gemeentewet). Over privaatrechtelijke bevoegdheden, specifiek over overeenkomsten heeft de VNG een raadgever opgesteld. Deze is beschikbaar via de portal overheidsprivaatrecht op de website.

Een lid van de raad mag niet rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende de onderdelen genoemd in artikel 15, eerste lid, onder d, van de Gemeentewet. De wetgever heeft het verbod zoals neergelegd in artikel 15, eerste lid, onder d, van de Gemeentewet in de Memorie van Antwoord gemotiveerd door te stellen dat dit een waarborg schept voor de zuiverheid in de verhoudingen tussen raadsleden enerzijds en de gemeente anderzijds. Ten aanzien van de ontheffingsmogelijkheid heeft de wetgever in de Memorie van Antwoord gemotiveerd dat deze is opgenomen omdat in gevallen waarin het raadslid rechtstreeks of middellijk een overeenkomst sluit met de gemeente de zuiverheid in de verhoudingen niet altijd behoeft te worden geschaad (artikel 15, tweede lid, van de Gemeentewet). Een beoordeling van het concrete geval door Gedeputeerde staten biedt naar het oordeel van de wetgever daarbij voldoende waarborg tegen aantasting van het belang van de zuiverheid van de verhoudingen. Gedeputeerde staten moeten onderzoeken of het algemeen belang, te weten het voorkomen van belangenconflicten in het betrokken geval, ruimte biedt voor ontheffing.

Het is toegestaan voor een raadslid om beroep aan te tekenen tegen een besluit van de raad. In artikel 15 Gemeentewet is een aantal handelingen opgenomen, dat door een lid van de raad niet mag worden verricht. Deze handelingen zijn met het oog op de rechtszekerheid zo duidelijk mogelijk omscchreven. Bovendien is de lijst limitatief.

Uit artikel 15 Gemeentewet blijkt derhalve dat het een raadslid is toegestaan bezwaar of beroep aan te tekenen tegen een besluit inzake een bestemmingsplan, ook al is het betreffende raadslid belanghebbende. Dat blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2014.

Het is een raadslid echter niet toegestaan om in deze kwestie te deel te nemen aan de beraadslagingen en de stemming over het besluit. Het raadslid had zich op grond van vigerende jurisprudentie moeten onthouden van stemming en deelname aan het debat over het bestemmingsplan. Wanneer dat toch gebeurt is er sprake van belangenverstrengeling op grond van artikel 28 Gemeentewet: het raadslid heeft namelijk deelgenomen aan een stemming over een aangelegenheid die hem of haar rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat.

Het raadsbesluit is overigens wel rechtsgeldig genomen indien er een ruime meerderheid voor het besluit stemde. Dan is er sprake van een verschoonbare omissie omdat het voorstel toch al op een meerderheid kon rekenen.

Het is toegestaan voor een raadslid om beroep aan te tekenen tegen een besluit van de raad. In artikel 15 Gemeentewet is een aantal handelingen opgenomen, dat door een lid van de raad niet mag worden verricht. Deze handelingen zijn met het oog op de rechtszekerheid zo duidelijk mogelijk omscchreven. Bovendien is de lijst limitatief.

Uit artikel 15 Gemeentewet blijkt derhalve dat het een raadslid is toegestaan bezwaar of beroep aan te tekenen tegen een besluit inzake een bestemmingsplan, ook al is het betreffende raadslid belanghebbende. Dat blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2014.

Het is een raadslid echter niet toegestaan om in deze kwestie te deel te nemen aan de beraadslagingen en de stemming over het besluit. Het raadslid had zich op grond van vigerende jurisprudentie moeten onthouden van stemming en deelname aan het debat over het bestemmingsplan. Wanneer dat toch gebeurt is er sprake van belangenverstrengeling op grond van artikel 28 Gemeentewet: het raadslid heeft namelijk deelgenomen aan een stemming over een aangelegenheid die hem of haar rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat.

Zie hierover bijvoorbeeld:

Het raadsbesluit is overigens wel rechtsgeldig genomen indien er een ruime meerderheid voor het besluit stemde. Dan is er sprake van een verschoonbare omissie omdat het voorstel toch al op een meerderheid kon rekenen.

Artikel 15 lid 1 sub a Gemeentewet bepaalt inderdaad dat een raadslid niet als advocaat of adviseur in geschillen werkzaam mag zijn ten behoeve van de gemeente of het gemeentebestuur dan wel ten behoeve van de wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur. In deze moet een bezwaar ook gezien worden als een geschil. De wet stelt voor wat betreft dit verbod niet de eis dat het raadslid als adviseur optreedt in het kader van uitoefening van een bedrijf. Dit laatste heeft betrekking op art. 15 lid 1 sub c en d Gemeentewet waar het gaat om het als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met de gemeente aangaan van overeenkomsten.

De VNG is een vereniging van zowel burgemeesters, wethouders als raadsleden is. In verschillen van mening tussen raadsleden, burgemeester en college kunnen en willen wij derhalve geen positie innemen. Wij laten de interpretatie van wet- en regelgeving en de handelwijze daaromtrent lokaal over aan de volksvertegenwoordigers en politieke ambtsdragers. U zult begrijpen dat wij anders als een soort scheidsrechter tussen raadsleden onderling, de burgemeester en/of college in komen te staan. Die positie past de VNG niet. Wel kan de VNG algemene uitgangspunten formuleren.

Op grond van artikel 13 lid 1 onder l van de Gemeentewet kan een raadslid niet tevens wethouder zijn. In artikel 13 lid 2 van de Gemeentewet is voorzien in een uitzondering op deze bepaling. Deze situatie, en dan met name de situatie genoemd in onderdeel b van lid 2, doet zich in dit geval echter niet voor aangezien de betreffende personen nog niet tot wethouder benoemd waren op het moment dat de stemming over de uitbreiding van de tijdsbestedingsnorm plaatsvond.

Deze kwestie wordt in plaats daarvan bestreken door artikel 28 van de Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat een raadslid niet deelneemt aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken. De vraag is dus of de betreffende raadsleden een direct of indirect persoonlijk belang worden geacht te hebben bij het onderwerp van het raadsvoorstel. Uit jurisprudentie over artikel 28 van de Gemeentewet blijkt dat het woord 'persoonlijk' in het begrip 'persoonlijk belang' doelt op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan moet behartigen uit hoofde van de hem opgedragen taak. Het is te betwijfelen of de uitbreiding van de tijdsbestedingsnorm van wethouders een dergelijk 'persoonlijk belang' kan zijn.

Daarnaast is van belang dat de Gemeentewet (art. 32 lid 2) bij stemmingen de plicht voor raadsleden bevat om voor of tegen te stemmen. De gedachte hierbij is dat raadsleden in beginsel een publiekrechtelijke plicht hebben om mee te werken aan de meest fundamentele taakstelling van de volksvertegenwoordiging en dat is de besluitvorming. Werk- of handelwijzen die deze besluitvorming frustreren - zoals het niet meestemmen - staan met deze publiekrechtelijke plicht op gespannen voet. Ook vanuit het principe van de vrije stemming geredeneerd kan niet te snel worden aangenomen dat de betreffende raadsleden zich van stemming zouden moeten onthouden.

Artikel 28 Gemeentewet geeft het raadslid een ruime bevoegdheid om de afweging om al dan niet mee te stemmen volledig zelfstandig te maken. De verantwoordelijkheid voor het maken van deze afweging legt de wet allereerst bij de betrokkenen zelf (zie ook artikel  27 Gemeentewet). Wel kunnen in een reglement van orde of in de gedragscode procedurele bepalingen worden opgenomen die het maken van een afweging ondersteunen. U zou kunnen bezien of deze documenten in uw gemeente hiervoor ondersteuning bieden.

Het kan voorkomen dat gekozen, benoemde en toegelaten raadsleden in het nieuwe college wethouder worden. Op het moment dat het college benoemd wordt, zijn zij nog raadslid. Het raadslid X mag dan bij het benoemingsbesluit meestemmen over de benoeming van wethouder X (raadslid en wethouder X zijn dezelfde persoon).

De Gemeentewet regelt namelijk dat voor deze specifieke situatie een wethouderschap en lidmaatschap van de raad tijdelijk geen onverenigbare betrekkingen zijn (artikel 13 lid 2 Gemeentewet). Daarnaast mag de aanstaande wethouder meestemmen over de eigen benoeming, hoewel men zou kunnen redeneren dat het een zaak is die hem of haar rechtstreeks aangaat.

De formele reden is dat het hier gaat om een vrije stemming (men zou andere kandidaten kunnen aandragen en op hen stemmen). De praktische en staatsrechtelijke reden is dat een andere conclusie bijzonder onwenselijke gevolgen zou hebben: als de kandidaat-wethouder immers niet zou meestemmen, verschuift de machtsverhouding in de raad, zeker als de beoogde coalitie een krappe meerderheid heeft van één stem. De uiterste consequentie zou zijn dat er dan geen college tot stand kan komen, hoewel daarvoor wel een (zij het minieme) meerderheid in de raad is.

Zie ook de artikelen 13, 30 en 31 van de Gemeentewet.

Een dergelijk document is niet nodig. Artikel 2:1 lid 2 BW  bepaalt dat een gemeente rechtspersoonlijkheid bezit. Het is een openbaar lichaam. Artikel 124, eerste lid Grondwet bepaalt dat voor gemeenten en provincies de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen wordt overgelaten. De bestuurlijke organisatie van de gemeente en haar taken en bevoegdheden zijn nader vastgelegd in de gemeentewet. Omdat het algemeen bekend is wat de juridische status van een gemeente is, zijn de gevraagde documenten vermoedelijk niet voor de gemeente bedoeld. Wellicht is het bedoeld voor zgn. b bestuursorganen (artikel 1:1, eerste lid onder b Awb), hier wordt soms wel getoetst of het als een bestuursorgaan kan worden aangemerkt.

Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt het ambt waargenomen door het langstzittende lid van de raad. Er hoeft geen collegebesluit genomen te worden. De persoon krijgt dan alle bevoegdheden, maar wel wordt er aanbevolen om zich te beperken tot noodsituaties (bijvoorbeeld veiligheidsproblemen en calamiteiten).

Een presidium valt niet te kwalificeren als een raadscommissie ex. art. 82 Gemeentewet, daarom is het geen probleem dat de burgemeester optreedt als voorzitter. In artikel 82 Gemeentewet is bepaald dat de voorzitter van een raadscommissie een raadslid moet zijn omdat er intrensiek raadswerk wordt verricht. Bij een bestuurscommissie ex art. 83 Gemeentewet is dit niet het geval, een burgemeester als externe onafhankelijk voorzitter, geen lid zijnde van de commissie, is dan ook mogelijk. Artikel 83 Gemeentewet staat er niet aan in de weg dat de burgemeester in deze constructie voorzitter van het presidium wordt.

Artikel 77 regelt de waarneming van de burgemeester als voorzitter van de raad (dus niet het ambt). Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt het voorzitterschap van de raad waargenomen door het langstzittende lid van de raad, tenzij de raad een ander lid met de waarneming wenst te belasten. Bepalend is hier de invulling van de term ‘langstzittende lid van de raad’. De VNG interpreteert de term letterlijk en stelt dat de zittingsduur in de eigen gemeente bepalend is voor de vaststelling welk raadslid het langstzittend lid van de raad is. Of de zittingsduur onderbroken is geweest is niet relevant. Zittingsduur in de raad van een andere gemeente telt niet mee bij de berekening van de som. In verband met de noodzakelijke continuïteit van het beleid inzake de openbare orde, is het wenselijk dat zoveel mogelijk dezelfde persoon als loco-burgemeester optreedt (Kamerstukken II, 1985/86, 19403, 3).

Het is niet gebruikelijk dat gespreksverslagen over coalitieonderhandelingen openbaar gemaakt worden.

Op basis van artikel 169 Gemeentewet kan een raadslid alle informatie opvragen die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de functie als raadslid. Het college kan de informatie weigeren met een beroep op het openbaar belang. Iedere gemeente bepaalt dat afzonderlijk en ieder college maakt daarbij een eigen afweging.

Een raadslid kan ook, hoewel dit zeer ongebruikelijk is, hierover wel een WOB verzoek doen. Op grond van artikel 11 WOB zou u de persoonlijke beleidsopvattingen uit de documenten (die zien op intern beraad) niet hoeven te verstrekken. Deze beleidsopvattingen kunnen eventueel met het oog op een goede democratische bestuursvoering worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Maar indien degene die de opvatting(en) heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, ermee heeft ingestemd kan de tot personen herleidbare informatie wel worden verstrekt.

Omtrent de uitkomst van de college-onderhandelingen bepaalt artikel 35 Gemeentewet dat de raad de wethouders benoemd en dat de burgemeester wordt geïnformeerd over de college-onderhandelingen en hierover zijn opvattingen kenbaar kan maken. Dit laatste is vanwege het feit dat de burgemeester deel uitmaakt van het college.

Hoewel de wet het niet verplicht is het wel raadzaam de raad van te voren in te lichten over de portefeuille verdeling. Vaak zal een deel van de raad, de coalitiepartijen, al wel op de hoogte zijn van de voor te dragen wethouders. Het is verder een interne kwestie hoe hier binnen de gemeente mee wordt omgegaan. Doorgaans wordt de raadsagenda ook besproken in het presidium zodat ook daar de verdeling al kenbaar zal zijn.

Gemeenten zijn vrij om zelf de besluitenlijst samen te stellen. Veel gemeenten kiezen ervoor alleen extern werkende besluiten op de lijst te zetten. Onderliggende stukken hoeven niet openbaar gemaakt te worden. Er zijn ook gemeenten die een deel van de agenda (hoewel de agenda niet openbaar is) met het daarbij behorende besluitenlijstje openbaar maken. Bekijk het voorbeeld hoe de gemeente Lansingerland dit heeft geregeld.

Op grond van artikel 33 Gemeentewet dient elke gemeente regels te stellen omtrent ambtelijke bijstand en fractieondersteuning. Daartoe stelt de VNG de modelverordening Model Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2018 beschikbaar. Ingevolge artikel 7 van deze modelverordening verstrekt de raad een fractie jaarlijks een financiële bijdrage ter ondersteuning van het functioneren van de fractie. Gemeenten stellen zelf de hoogte van de vaste en variabele financiële bijdrage per raadszetel vast. De hoogte van het totale budget voor fractieondersteuning wordt door de raad in de gemeentebegroting opgenomen. De VNG heeft voor het vaststellen van deze bedragen geen richtlijnen, maar geeft in de verordening slechts algemene regels. Voor referentiepunten bij het vaststellen van de hoogte van de bijdragen kan wellicht gekeken worden naar andere, vergelijkbare gemeenten. Wij attenderen u er graag op dat u met betrekking tot deze vraag ook contact kunt opnemen met de griffier in uw gemeente. Hij of zij is in de regel goed op de hoogte van de plaatselijke situatie en kan u op basis daarvan een op maat gesneden advies geven. De betreffende modelverordening is te vinden in de Databank Decentrale Regelgeving onder het kopje ‘Bestuur en recht’. Om van deze databank gebruik te kunnen maken, moet uw gemeente geabonneerd zijn op deze databank. Voor uw als raadslid is het het meest handig om uw griffie hiernaar te vragen.

Betalingen door de overheid gebeuren in beginsel door storting op een bankrekening die de schuldeiser daartoe heeft aangewezen, en alleen bij uitzondering contant (4:89, lid 1 Awb). In de Verordening op de ambtelijke ondersteuning van uw gemeente is o.g.v. art 33, derde lid Gemeentewet een regeling opgenomen hoe de fracties verantwoording moeten afleggen aan de raad en dat daarvoor een administratie moet worden bijgehouden (zie art 13 en 14 van onze modelverordening uit 2018). Het is daarom het meest praktisch dat de fracties een bankrekening openen op naam van de fractie en die te gebruiken voor de fractievergoeding. Anders zou de privérekening van bijvoorbeeld een lid van de fractie gebruikt moeten worden. Dat maakt het lastig om een goed overzicht bij te houden van de uitgaven en de inkomsten. Ook kan er dan uiteraard een probleem ontstaan als deze rekeninghouder uit de fractie en/of de raad vertrekt. Het is echter niet verboden om het op deze manier te regelen.

Een fractievoorzitter is niet nader gedefinieerd in de Gemeentewet, maar wordt geacht de fractie van zijn politieke stroming in de gemeenteraad te leiden. Voorwaarde daarvoor is dat een fractievoorzitter een gekozen lid is van de gemeenteraad. De Gemeentewet en de daarop gebaseerde verordeningen gaan uit van het feit dat een fractievoorzitter van een politieke partij lid is van de gemeenteraad. Anders wordt het lastig om de desbetreffende fractie in de raad voor te zitten.

De grondslag voor de verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning is te vinden in artikel 33 gemeentewet:

  1. De raad en elk van zijn leden hebben recht op ambtelijke bijstand.
  2. De in de raad vertegenwoordigde groeperingen hebben recht op ondersteuning.
  3. De raad stelt met betrekking tot de ambtelijke bijstand en de ondersteuning van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen een verordening vast. De verordening bevat ten aanzien van de ondersteuning regels over de besteding en de verantwoording

In artikel 14 van de verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning wordt het volgende bepaald:

Artikel 14. Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage

1. Een fractie legt uiterlijk drie maanden na het einde van een kalenderjaar aan de raad verantwoording af over de besteding van de financiële bijdrage gedurende het vorige kalenderjaar, onder overlegging van een verslag.

Variant 1 (controle verslag door accountant)

2. De accountant die belast is met de controle van de jaarrekening van de raad controleert het verslag en brengt advies uit aan de raad.

3. De raad stelt na ontvangst van het advies van de accountant de hoogte vast van:

  • a. de financiële bijdrage;
  • b. het te verrekenen verschil tussen de vastgestelde financiële bijdrage en het ontvangen voorschot;
  • c. de wijziging van de reserve, en
  • d. de resterende reserve.

Variant 2 (controle verslag door raad)

2. De raad stelt na controle van het verslag de hoogte vast van:

  • a. de financiële bijdrage;
  • b. het te verrekenen verschil tussen de vastgestelde financiële bijdrage en het ontvangen voorschot;
  • c. de wijziging van de reserve, en
  • d. de resterende reserve.

De toelichting op het artikel bepaald dat :

Artikel 14. Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage

Na controle van het door de fractie opgestelde verslag waarmee de besteding van de financiële bijdrage wordt verantwoord, stelt de raad de hoogte van de financiële bijdrage voor de betreffende fractie vast. Daarmee ontstaat een onvoorwaardelijke aanspraak op het vastgestelde bedrag. Omdat dit bedrag af kan wijken van het verstrekte voorschot – en er dus mogelijk een verrekening dient plaats te vinden – wordt tevens de hoogte van het te verrekenen verschil tussen de vastgestelde financiële bijdrage en het ontvangen voorschot vastgesteld. Als het verleende voorschot lager is dan de vastgestelde financiële bijdrage, dan wordt het resterende bedrag alsnog uitbetaald. Als het verleende voorschot hoger is dan de vastgestelde financiële bijdrage, dan kan het onverschuldigde bedrag overeenkomstig artikel 4:57, eerste lid, van de Awb teruggevorderd worden. De beslissing tot terugvordering is – evenals het besluit waarmee de financiële bijdrage wordt vastgesteld – een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.

Voorts wordt vastgesteld de hoogte van de wijziging van de reserve en van de resterende reserve (deze kan voor één of beide uiteraard ook nul bedragen). Daarnaast wordt, indien van toepassing, de hoogte van de terugvordering van de ontvangen voorschotten vastgesteld.

Omdat de beslissing tot terugvordering evenals het besluit waarmee de financiële bijdrage wordt vastgesteld – een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is moet deze worden genomen door een bevoegd bestuursorgaan. De voorzitter van de raad is niet als zodanig aan te merken, maar de raad wel. Het is dus niet mogelijk dat de financiële bijdrage en ontvangen voorschot door de voorzitter van de raad wordt vastgesteld.

De uitwerking van artikel 82 lid 3 Gemeentewet bepaalt de raad zelf in de verordening op de raadscommissies. De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies.

De commissieleden worden door de raad benoemd, op voordracht van de fracties. Dit houdt in dat het aan de fracties zelf is om te bepalen wie de betreffende fractie vertegenwoordigen in de verschillende commissies. Het is enkel mogelijk de benoeming van een voorgedragen lid te weigeren als het een ‘burgerlid’ betreft dat niet voldoet aan bepaalde vereisten van de wet (zie hiervoor ook de modelverordening van de VNG).

Het is aan de raadsleden zelf om te bepalen onder welke fractie(naam) zij het raadswerk willen verrichten.

De opgelegde geheimhoudingsplicht geldt ook voor de andere personen die aanwezig zijn bij een besloten raadsvergadering. Dat blijkt uit artikel 25, eerste lid, derde volzin, Gemeentewet, waarin staat: 'De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de raad haar opheft.' Als die andere aanwezigen de geheimhouding opzettelijk schenden dan zijn net als de raadsleden vervolgbaar en strafbaar op grond van artikel 272 WvS.

Artikel 13, eerste lid, van de Wgr bepaalt dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam dat is ingesteld bij een regeling die uitsluitend door raden getroffen is, bestaat uit leden die door de raad uit zijn midden zijn aangewezen (= raadsleden). Is het openbaar lichaam ingesteld bij een regeling die mede door raden getroffen is, dan bestaat het algemeen bestuur uit aan te wijzen raadsleden en wethouders.

In artikel 13, tweede lid, van de Wgr is bepaald dat het lidmaatschap van het algemeen bestuur voor raadsleden eindigt als zij ophouden lid van de raad te zijn, en voor wethouders dat hun lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt wanneer zij ophouden wethouder van de betreffende gemeente te zijn. Dit betekent dat in gevallen waarin een algemeen bestuur zowel uit raadsleden als wethouders bestaat, na raadsverkiezingen het lidmaatschap van beide categorieën leden op een ander moment van rechtswege eindigt. Voor raadsleden is dat immers op het moment waarop de raad afreedt (donderdag 29 maart jl.), maar voor wethouders geldt dat hun lidmaatschap van rechtswege eindigt wanneer zij ophouden (demissionair) wethouder te zijn, en dat is pas op het moment waarop de (nieuwe) raad de nieuwe wethouders benoemt.

Nu artikel 13, tweede lid, van de Wgr reeds regelt wanneer het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt, is hetgeen wat hierover vermeld staat in de statuten overbodig voor wat betreft de raadsleden. Het gelijktijdig beëindigen van de lidmaatschap van wethouders met het aftreden van de raad is in strijd met artikel 13 tweede lid, van de Wgr. Het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wgr is van toepassing op de lidmaatschap van wethouders.

Artikel 1, eerste lid, van de Wgr bepaalt dat een gemeenschappelijke regeling (GR) door raden, colleges van B&W en burgemeesters van twee of meer gemeenten getroffen kan worden ter behartiging van één of meer bepaalde belangen van gemeenten. Artikel 10, eerste lid, van de Wgr bepaalt dat de GR het belang moet vermelden ter behartiging waarvan zij is getroffen of gewijzigd. Daarmee wordt het werkterrein van de GR afgebakend, omdat de taken en bevoegdheden van de GR binnen de kaders van het in de regeling expliciet genoemde belang moeten vallen (zie ook artikel 30 van de Wgr). Als het werkterrein uitgebreid wordt, dient ook de GR gewijzigd te worden, anders kan het toedelen van bevoegdheden immers met de Wgr in strijd komen.

Artikel 9 van de Wgr bepaalt dat de GR bepalingen bevat over wijziging, opheffing, toe- en uittreding, waarbij artikel 1 van de Wgr in acht genomen moet worden. Een besluit tot het wijzigen van een GR wordt genomen door het bestuursorgaan of de bestuursorganen die de GR ook zijn aangegaan. In artikel 1, tweede lid, van de Wgr is voorts bepaald dat, voor zover de GR door de colleges van B&W of burgemeesters is aangegaan, zij niet tot het treffen van een regeling (waaronder volgens het derde lid mede een wijziging daarvan moet worden verstaan) overgaan zonder toestemming van de gemeenteraden. Kortom, gemeenteraden moeten (ook) altijd instemmen met een wijziging van de GR, waaronder dus ook met het uitbreiden van het werkterrein en het overdragen van bevoegdheden aan het bestuur van de GR.

Twee griffiers tegelijkertijd is niet mogelijk. Dat laat de Gemeentewet niet toe. Er zal dus een oplossing moeten worden gevonden om te zorgen dat er maar één griffier als zodanig is benoemd. De formele benoemings- en ontslagbesluiten moeten zodanig zijn afgestemd dat er slechts één griffier officieel in functie is. Wellicht is het mogelijk de nieuwe griffier als plaatsvervanger te benoemen totdat de huidige griffier officieel is gestopt.

De Gemeentewet regelt niets over de plaats van de griffier in de raadszaal. Het is aan de raad om te bepalen wie waar komt te zitten. In de VNG Modelinstructie voor de griffier staat in de toelichting bij de artikelen 3 en 4 (resp. Bijstand raadsvoorzitter en Vergaderingen van de raad en raadscommissie) dat de griffier naast de burgemeester zit. Het oude VNG Model reglement van orde voor de raad (vóór de dualisering) regelde in art. 12 de zitplaatsen, en wel als volgt:

  1. De voorzitter, de leden en de secretaris hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg met de fractievoorzitters bij iedere nieuwe zittingsperiode van de raad aangewezen.
  2. De indeling kan, indien daartoe aanleiding bestaat, na overleg met de fractievoorzitters worden herzien.

De VNG heeft niet specifiek zicht op hoe gemeenteraden tegen een portret aankijken. Er bestaat geen wettelijke verplichting, maar doorgaans hangt er wel een portret.

De VNG heeft hierin geen standpunt ingenomen. Evenmin beschikt de VNG over concrete informatie over in hoeveel gemeenten de Nederlandse vlag al dan niet opgehangen is.

Status kwaliteitshandvest

De VNG heeft in 2011 het model kwaliteitshandvest uitgebracht. Zie voor het model en nadere uitleg de VNG ledenbrief Lbr. 11/019 van 8 maart 2011. In de VNG ledenbrief staat dat het kwaliteitshandvest de status van een verordening heeft. Het gaat om een algemene, voor herhaalde toepassing vatbare, naar buiten werkende regel. Zowel de klanten (burgers) als de medewerkers van een gemeente moeten de normen in een kwaliteitshandvest kennen. In de VNG ledenbrief is een invoeringsplan voor overheidsorganisatie opgenomen waarin u informatie kunt vinden over bekendmaking/publicatie.

Bekendmaking en beschikbaarstelling

De manier waarop gemeentelijke algemeen verbindende voorschriften (verordeningen) moeten worden bekendgemaakt en beschikbaar gesteld, is geregeld in de artikelen 139 en 140 van de Gemeentewet (en de daarop berustende artikelen 1, 5 en 6 van het Besluit bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden).

De officiële bekendmaking is nodig voor de inwerkingtreding (zie artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Deze geschiedt door het plaatsen van de volledige tekst van de regeling in het gemeenteblad. Het gemeenteblad moet elektronisch worden uitgegeven. Bijna alle gemeenten gebruiken daarvoor de Gemeenschappelijke Voorziening Officiële Publicaties (GVOP) van Kennis- en Exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (KOOP). Dat zorgt ervoor dat de gemeentebladen elektronisch worden uitgegeven op www.officielebekendmakingen.nl.

Daarnaast is beschikbaarheid in geconsolideerde vorm een vereiste voor alle gemeentelijke algemeen verbindende voorschriften. Dat gaat via de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR), die ook door KOOP wordt beheerd. Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR) is samengevoegd met GVOP: Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties (DROP). Met DROP kunt u een regelgeving bekendmaken en consolideren. Zie: www.koopoverheid.nl/voor-overheden/gemeenten-provincies-en-waterschappen/drop. Het product is sinds begin 2016 beschikbaar voor GVOP licentiehouders.

Alle gemeentelijke regelingen

De genoemde wijze van bekendmaking en beschikbaarstelling is wettelijk voorgeschreven voor algemeen verbindende voorschriften; maar voor andere gemeentelijke regelingen is ze evenzeer van belang. Worden deze laatste op dezelfde manier behandeld, dan is daarmee tevens voldaan aan het bekendmakingsvereiste van artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Het verdient dan ook aanbeveling om alle gemeentelijke regelingen (dus niet alleen de algemeen verbindende voorschriften) bekend te maken in het gemeenteblad en beschikbaar te stellen in de CVDR. Zie ook Igr (100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever) 96. Het is aan te bevelen, ervoor te zorgen dat men ook via de gemeentelijke website alle regelingen kan vinden.

Meer informatie

In Kennisbank Decentrale Regelgeving (Kder, www.decentraleregelgeving.nl) vindt u alle modellen van de VNG (geconsolideerd met toelichting). Alle modellen kunt u online bekijken en als Word-document downloaden. In metadata vindt u alle aanvullende informatie over de modellen. Onder ‘Historie wijzigingen’ kunt u de eerder aangebrachte wijzigingen in een model terugvinden. Ook vindt u achtergrondinformatie ten behoeve van het opstellen van een verordening, zoals informatie uit de VNG-ledenbrieven.

Ook in de Modellen Decentrale Regelgeving (MDR, http://puc.overheid.nl/mdr) vindt u de VNG modelverordeningen (geconsolideerd zonder toelichting). In MDR kan men aan de hand van een vragenlijst een regeling opstellen, die vervolgens in het Word 2.0 formaat wordt geëxporteerd dat direct geüpload kan worden in Gemeenschappelijke Voorziening Officiële Publicaties (GVOP) en Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties (DROP). Ook modellen raadsbesluit wijziging worden hierin opgenomen in geval van gewijzigde modelverordeningen.

Ieder raadslid heeft het recht een motie in te dienen. De motie is een politiek instrument in de vergadering van de gemeenteraad en niet wettelijk geregeld. De motie kent zijn grondslag in het Reglement van orde van de raad. Opgepast moet worden dat raadsleden (zeker van minderheidsfracties) hun recht verliezen om de raadsinstrumenten uit te voeren doordat aan de inzet daarvan allerlei vormvereisten worden gesteld. Niettemin mag naar oordeel van de VNG in het reglement omwille van het bewaken van de orde van de vergadering de eis worden gesteld dat een motie alleen kan worden behandeld, indien deze door ten minste twee andere leden worden ondertekend. Het is wel van belang dat dit vereiste alleen wordt gesteld om de orde van de vergadering te bewaken en dat dit vereiste voor alle raadsleden geldt.

Voor een ‘motie vreemd’ geldt hetzelfde als voor gewone moties. Er moet voorkomen worden dat raadsleden hun recht verliezen om de raadsinstrumenten uit te voeren doordat aan de inzet daarvan allerlei vormvereisten worden gesteld. Wel kan met het oog op het bewaken van de orde van de vergadering in het reglement de eis worden gesteld dat de motie vreemd alleen kan worden behandeld indien deze door ten minste twee andere leden (dus niet fracties) worden ondertekend.

Artikel 41b van de Gemeentewet geeft een regeling voor het vervullen van nevenfuncties door een wethouder. Volgens het derde lid moet een wethouder openbaar maken welke andere betaalde en onbetaalde functies hij naast het wethouderschap vervult. Deze verplichting geldt ongeacht of het wethouderschap voltijds dan wel in deeltijd wordt vervuld (Kamerstukken I 2009/10, 30425, C, p. 2). Een opgave van deze nevenfuncties moet op het gemeentehuis openbaar ter inzage worden gelegd. De openbaarmaking kan ook op internet geschieden, omdat dat aansluit bij de praktijk (Kamerstukken II 2009/10, 30693). Een wethouder die zijn ambt voltijds vervult, is ook verplicht zijn inkomsten uit nevenfuncties openbaar te maken (vierde lid). Het is daarbij niet van belang of het nevenfuncties bij publieke of private organisaties betreft (Kamerstukken II 2005/06, 30425, 3, p. 5). De neveninkomsten dienen uiterlijk op 1 april, na het kalenderjaar waarin ze zijn genoten, openbaar te worden gemaakt. Deze datum is om praktische redenen gekozen. Omdat in de eerste maanden van het jaar de jaaropgave voor de inkomstenbelasting wordt verstrekt, bestaat er voldoende gelegenheid de informatie van de jaaropgave over te nemen en openbaar te maken. De verplichting inkomsten uit nevenfuncties openbaar te maken geldt niet voor een wethouder die zijn ambt in deeltijd vervult. De reden voor deze uitzondering is dat het voor de hand ligt dat een wethouder die zijn ambt in deeltijd vervult nog andere functies bekleedt en dat publieke verantwoording daarover niet aan de orde is (Kamerstukken II 2009/10, 30425, 12, p. 4). De openbaarmaking van neveninkomsten wordt in dat geval onevenredig geacht gelet op de (geringe) omvang van het publieke ambt (Kamerstukken I 2009/10, 30425, C, p. 2). Het vijfde lid regelt welke inkomsten openbaar dienen te worden gemaakt.

Op grond van artikel 12 Gemeentewet dienen leden van de raad openbaar te maken welke andere functies zij vervullen naast het raadslidmaatschap. Het gaat zowel om hoofd- als om nevenfuncties, betaald en onbetaald. Openbaarmaking van deze informatie is nodig met het oog op mogelijke strijdigheid van belangen. Het is daarom van belang dat deze informatie permanent openbaar is, en bij wijziging, geactualiseerd wordt. De Gemeentewet stelt dat openbaarmaking plaats vindt door terinzagelegging van deze informatie op het gemeentehuis. Deze terminologie sluit niet uit dat de openbaarmaking ook geschiedt op het internet. Dat sluit aan bij de praktijk (Kamerstukken II, 30 693, nr. 17, p. 3).

Allereerst is van belang dat de wethouder niet tevens één van de functies genoemd in art. 36b Gemeentewet bekleedt. De in dit artikel genoemde functies zijn onverenigbaar met de functie van wethouder. Art. 41b lid1 Gemeentewet bepaalt dat een wethouder geen nevenfuncties vervult waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het wethouderschap. Het begrip nevenfunctie wordt niet nader gedefinieerd. De invulling hiervan wordt overgelaten aan het beoordelingsvermogen van de wethouder zelf (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 94). Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en onbetaalde nevenfuncties. Het zou kunnen dat de door de raad vastgestelde Gedragscode voor wethouders hier nadere regels over bevat.

Het geloofsbrievenonderzoek is geregeld in artikel V4 van de Kieswet. Daarin is o.m. bepaald dat wordt nagegaan of de kandidaat geen met het raadslidmaatschap onverenigbare betrekkingen vervult. Dat zijn de betrekkingen genoemd in artikel 13 van de Gemeentewet, en enkele uitzonderingen. Het gaat dus in elk geval om de openbare betrekkingen genoemd in artikel 13 Gemeentewet. Bij het geloofsbrievenonderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. Het gaat dus om die betrekkingen die mogelijk relevant zijn in het kader van artikel 13 Gemeentewet en de gedragscode. Bekijk de modelgedragscodes.

De wet verplicht dit niet. Artikel 35 Gemwet. bepaalt enkel dat de raad de wethouders benoemd en dat de burgemeester wordt geinformeerd over de college-onderhandelingen en hierover zijn opvattingen kenbaar kan maken. Dit laatste is vanwege het feit dat de burgemeester deeluitmaakt van het college.

Hoewel de wet het niet verplicht is het wel raadzaam de raad van te voren in te lichten. Vaak zal een deel van de raad, de coaolitiepartijen, al wel op de hoogte zijn van de voor te dragen wethouders. Het is verder een interne kwestie hoe hier binnen de gemeente mee wordt omgegaan. Doorgaans wordt de raadsagenda ook besproken in het presidium zodat ook daar de verdeling al kenbaar zal zijn.

Op deze situatie is artikel 2:6, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In dit artikel staat dat bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen de Nederlandse taal gebruiken, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een andere taal kan worden gebruikt indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad.

In Tekst en Commentaar op de AWB wordt dit artikel nader toegelicht.

Zo is het artikel primair bedoeld voor de communicatie tussen bestuursorganen en burgers. Maar ook het verkeer tussen verschillende bestuursorganen onderling valt onder het bereik van het artikel. Het artikel heeft echter geen betrekking op het interne verkeer binnen één bestuursorgaan. (Zie Kamerstukken Eerste Kamer, 23 543, 23b, p. 2).

Artikel 2:6 van de AWB legt daarmee als hoofdregel vast dat de overheid, zowel schriftelijk als mondeling, de Nederlandse taal moet gebruiken. Er zijn dan twee uitzonderingen op deze regel. Ten eerste kan bij wettelijk voorschrift structureel en andere taal als officiële taal worden aangewezen. Ten tweede geldt een algemeen geformuleerde uitzondering die inhoudt dat om doelmatigheidsredenen in incidentele gevallen een andere taal kan worden gebruikt als de belangen van derden dat toelaten.

Het VNG Model Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2018 regelt dit niet. Indien de Reglement van orde van de gemeente dit niet reguleerd, is geen gemeentelijk wettelijk voorschrift dat spreken in een andere taal toestaat.

Tweede lid van artikel 2:6 van de AWB: In hoeverre is het in het Engels uitspreken van een speech door het raadslid in een openbare raadsvergadering doelmatiger dan wanneer dat in het Nederlands zou plaats vinden en in hoeverre worden er belangen van derden daarbij niet onevenredig geschaad.

De term ‘doelmatiger’ geeft aan dat de mogelijkheid om af te wijken van het Nederlands een functioneel karakter moet hebben (en is daarmee naar haar aard beperkt) (Zie Kamerstukken Tweede Kamer, 23 543, 5, p. 16). En concrete omstandigheden van het geval zullen in de afweging om van de afwijkingsmogelijkheid gebruik te maken, moeten worden betrokken.

Een voorbeeld van het gebruik van de afwijkingsmogelijkheid is dat van een inspreker die een andere taal dan het Nederlands machtig is en in het Engels wil inspreken. De raad kan dit toestaan wanneer raadsleden in meerderheid vinden dat zij het Engels voldoende machtig zijn om de inspreker goed te begrijpen en hem in die taal te kunnen bevragen. Dat kan voor een andere taal dan weer anders liggen.

U worden aangeraden om te toetsen of de keuze voor het Engels doelmatiger is en of belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. Daarbij is van belang of de speech begrijpelijk blijft voor het publiek aanwezig in de raadszaal maar ook voor de inwoners van uw gemeente die de raadsvergadering volgen via de registratie van de vergadering via de gemeentelijke website.

In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. Dat betekent dat de voorzitter een vastgesteld aantal dagen vóór de vergadering deze schriftelijk aankondigt en daarbij de voorlopige agenda en de stukken meestuurt. De oproep en de stukken kunnen, als de raad dit wenst, ook langs elektronische weg worden verstuurd. Zie hiervoor ons Modelreglement van orde, art. 8, en de daarbij behorende toelichting. Ieder raadslid moet over de stukken kunnen beschikken. Als de elektronische weg niet tot de mogelijkheden behoort moet naar een andere oplossing worden gezocht. Wellicht kan de griffier hier een rol inspelen.

Hoewel een natte handtekening wel de voorkeur verdient, kan de ondertekening van de stukken die van de raad of het college uitgaan digitaal door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening geschieden. Art. 2:16 Awb (Afdeling 2.3 Verkeer langs elektronische weg) bepaalt dat door gebruik te maken van een elektronische handtekening aan het vereiste van ondertekening is voldaan als de methode die daarbij voor authentificatie is gebruikt voldoende betrouwbaar is, gelet op de aard en de inhoud van het elektronische bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. Art. 3:15a BW bepaalt dat in dat geval de elektronische handtekening gelijk te stellen is aan een zogenaamde natte handtekening. Met een ingescande handtekening ligt dit wat lastiger omdat deze vrij gemakkelijk te kopiëren is. Om ervaringen met andere gemeenten uit te wisselen kunt u gebruik maken van de VNG Forum Gemeenterecht. Klik hier om in te loggen of registreren.

Ja, uitgaande van het betreffende juridische kader kan dat het geval zijn. Voor de indiening van een initiatiefvoorstel door een raadslid zijn van belang artikel 147a Gemeentewet en de uitwerking daarvan in het Reglement van orde van de raad. Per 1 februari 2016 werd aan artikel 147a van de Gemeentewet een vierde lid toegevoegd  dat luidt: De raad neemt geen besluit over een voorstel dan nadat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Bedoeling van de wetgever is dat met deze wijziging de betrokkenheid van het college bij initiatief-voorstellen van de raad verzekerd wordt door te bepalen dat de raad het ontwerp aan het college moet voorleggen alvorens een besluit te nemen. Dat impliceert dat de raad weliswaar kan debatteren over de inhoud van een voorstel, maar dat er geen besluit over kan worden genomen voordat het college daarover is geconsulteerd. Het is in de praktijk sinds begin 2016 derhalve handig om het initiatiefvoorstel eerst aan het college voor te leggen voordat het in de raad besproken wordt. De achtergrond hiervan is gelegen in democratische legitimatie. Ook het college moet de gelegenheid hebben gehad om betreffende stukken te lezen, zich een mening te vormen, kortom een standpunt voor te bereiden om deel te kunnen nemen aan de besluitvorming. In artikel 147a van de Gemeentewet is alleen een raamregeling met betrekking tot initiatiefvoorstellen neergelegd. De raad is vervolgens verplicht om nadere regels te stellen met betrekking tot indiening en behandeling van initiatiefwetsvoorstellen in het Reglement van orde voor de raad. De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld (artikel 8, lid 4 van het VNG Model Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2018). Deze bepaling heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

De geheimhouding geldt voor stukken die door het college, de burgemeester of een commissie wordt opgelegd ten aanzien van stukken die zij aan de raad of raadsleden overleggen. Dit behelst onder meer een raadsvoorstel of achterliggende stukken.

De geheimhouding ziet niet toe op de eis van openbare bekendmaking. De dag, het tijdstip en plaats van de vergadering moet openbaar bekend zijn. De agenda hoeft niet ter openbare kennis te worden gebracht. Wel moet deze zijn in te zien, maar hierbij hoeft de agenda de inhoud van de besloten vergadering niet prijs te geven. Men kan er ook voor kiezen om enkel als agendapunt ''besloten vergadering'' te agenderen. Immers kan in de zelf vergadering nog punten aan de orde komen die niet op de agenda voorkwamen.

De raad of een fractie kan een besluit niet zelf voordragen voor vernietiging. Dit zal de burgemeester moeten doen. De regeling hiervoor is terug te vinden in artikel 268 Gemeentewet. De burgemeester moet dit binnen 2 dagen nadat het ter zijner kennis is gekomen door tussenkomst van gedeputeerde staten aan de minister die het aangaat (BZK) aanmelden.

Het kan voor komen dat de burgemeester dit niet doet. In dat geval zijn er nog 2 opties.

  1. Het besluit kan ter vernietiging worden voordragen aan de kroon. De regeling hiervoor is te vinden in artikel 268 Gemeentewet.  De Kroon kan al dan niet op instigatie van derden, het initiatief nemen tot vernietiging. Het betreft een discretionaire bevoegdheid, de wet geeft hiervoor geen termijn.
  2. Een andere mogelijkheid biedt artikel 273 Provinciewet: dit biedt Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om  indien zij van oordeel zijn dat een besluit moet worden vernietigd, maar de burgemeester hiertoe geen stappen heeft genomen, zelf het initiatief te nemen (bijvoorbeeld na te zijn ingelicht door derden) om het voor te dragen aan de minister. Het artikel bevat geen termijn waarbinnen GS dit moeten doen.

 

 

Een kiezer omkopen of dwingen om een volmacht te geven, zijn stem op een bepaalde manier uit te brengen of een ondersteuningsverklaring af te leggen, is een strafbaar feit op grond van artikel Z4 Kieswet en artikel 126 Wetboek van Strafrecht. Wij adviseren u contact op te nemen met de politie. Op de site van de Kiesraad vindt u hierover ook informatie. In de Kieswet en in het Wetboek van Strafrecht zijn verschillende handelingen strafbaar gesteld die met verkiezingen te maken hebben, waaronder de situatie die u in uw vraag beschrijft. Meer informatie over kiesrechtdelichten.

De geplande invoeringstermijn van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer is niet bekend. Op 15 maart 2018 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State over dit wetsvoorstel advies uitgebracht. Hierna start de Tweede Kamer-behandeling. Het is daarom niet waarschijnlijk dat dit wetsvoorstel nog dit jaar in werking zal treden.

Het ministerie van BZK heeft een voorlopige handreiking gepubliceerd voor de implementatie van de wet. Alle bestuursorganen moeten nagaan of er maatregelen nodig zijn om aan de verplichtingen van de wet te voldoen. Vervolgens moeten zij beginnen met het voorbereiden en implementeren van deze maatregelen. Om bestuursorganen te ondersteunen en mogelijke vragen rond het wetsvoorstel al te beantwoorden, is de voorlopige handreiking geschreven. Mogelijk dient deze handreiking te worden aangepast als de wet inwerking treedt.

Er is nog geen concrete tekst van de beoogde wijziging van de Wet elektronische bekendmaking. Wel is duidelijk wat BZK wil: het gebruik van de gemeenschappelijke voorziening Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties (DROP) aan alle overheden verplicht stellen bij elektronische bekendmaking van regels en besluiten. Dat is nu nog facultatief. Op basis van beleidsnotities van BZK wordt nu in een zo vroeg mogelijk stadium onderzocht wat de uitvoering voor gemeenten en andere decentrale overheden zou betekenen en of aannames van BZK kloppen. De resultaten van het onderzoek zullen met BZK besproken worden en verwerkt worden in het wijzigingsvoorstel. Daarna zal de normale wetgevingsprocedure doorlopen worden (inclusief formele consultatie).

Het wetsvoorstel is naar de tweede kamer, zie dossier