Twee subsidierelaties van de gemeente zijn met elkaar gefuseerd. Subsidierelatie 1 ontvangt al 7 jaar subsidie en subsidierelatie 2 ontvangt pas een jaar subsidie van de gemeente.

Is artikel 4:51 Awb van toepassing op subsidierelatie 2 in het kader van een subsidie afbouwregeling?

Antwoord:

In casu gaat het om een subsidieontvanger die is gefuseerd en opgegaan in een andere organisatie die kennelijk dezelfde activiteiten uitvoert en sinds de fusie daarvoor subsidie krijgt. En dat wordt nu beëindigd.

De vraag is of artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. De tekst heeft het over een subsidieontvanger waaraan voor 3 of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten. Als de tekst letterlijk wordt genomen is artikel 4:51 van de Awb niet van toepassing, er is immers geen sprake van de 3-jaartermijn ten opzichye van deze subsidieontvanger.

Maar als gekeken wordt naar de reden waarom bij 3-jaarsubsidies bij stopzetten een redelijke termijn in acht genomen moet worden - namelijk de subsidieontvanger voldoende tijd geven om maatregelen te nemen om de gevolgen van de beëindiging op een behoorlijke wijze op te vangen, ook jegens derden-, dan zou men wel kunnen aannemen dat ook hier die redelijke termijn zou moeten gelden. Als er inderdaad sprake is van dezelfde voortdurende activiteiten. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn hierbij van belang. De nieuwe subsidieontvanger is bij de fusie en het overnemen van de uitvoering van de activiteiten immers uitgegaan van een al jaren bestaande stabiele subsidierelatie.

Zie ook ABRvS 20-12-2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4820, m.nt. W. den Ouden, in AB 2007, 234: In die casus was het omgekeerde aan de orde, de Afdeling oordeelde daarin dat een stichting (de appellant) niet als rechtsopvolger van de stichtingen die voordien afzonderlijk subsidie hebben ontvangen kon worden aangemerkt, nu de stichtingen na de oprichting van appellante als rechtspersonen bleven bestaan en hun activiteiten hebben voortgezet. Appellante kan evenmin worden geacht als subsidieontvanger feitelijk in de plaats van de stichtingen te zijn getreden, gelet op de reden van haar oprichting en haar doelstellingen, die niet zien op voortzetting van dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten als die van de stichtingen. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat artikel 4:51 van de Awb niet op appellante van toepassing is (aldus de Afdeling).

Daaruit kan een a contrario worden afgeleid dat bij een fusie en indien er sprake is van dezelfde doorlopende activiteiten, artikel 4:51 van de Awb wél aan de orde is.