Overzicht veelgestelde vragen over APV

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Op grond van artikel 3:42 tweede lid Awb is plaatsing in het Gemeenteblad voldoende. Echter andere toegangers en toeristen hebben geen kennis hiervan kunnen nemen. Het plaatsen van een gebods- of verbodsbord is goed voor de kenbaarheid en bevordert waarschijnlijk dat men zich er aan houdt.

APV

Het college van B en W kan een bepaald gebied aanwijzen waarin het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit staat in de Model-APV, Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken. Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.

Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou het college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.

Het Openbaar Ministerie heeft het Feitenboekje 2018 beschikbaar gesteld. In dit Feitenboekje is een trefwoordenregister opgenomen waarin onderdelen van de APV worden gekoppeld aan feitcodes. U kunt het Feitenboekje raadplegen via de volgende link: https://www.om.nl/onderwerpen/feiten-tarieven/

Onlangs is dezelfde vraag behandeld in een uitspraak van de Rechtbank Limburg (26 april 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4062).

De Rechtbank Limburg oordeelde dat een plek die gedurende openingstijden zonder beperkingen bereikbaar is onder de definitie van openbare plaats valt zoals geformuleerd in artikel 1 Wom.

In aangehaalde uitspraak is, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

"6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1 van de Wom een 'openbare plaats' ten eerste open moet staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van

toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3) zeggen dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan. Dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn. Dat de plaats 'open staat' betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats'. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen 'openbare plaatsen'. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. Volgens de memorie van toelichting ziet de bestemming op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogd.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het vorenstaande het terrein waarop de ijsverkoopkar zal worden geplaatst, ondanks dat het gaat om een eigen terrein van vergunninghoudster, terecht heeft aangemerkt als een 'openbare plaats' als bedoeld in artikel 1:1, onder a, van de Apv. Het terrein dat direct grenst aan de openbare weg is, gedurende de openingstijden, zonder beperkingen bereikbaar. Eenieder is dan vrij om er te komen, te vertoeven en te gaan. Daarnaast heeft het gebruik van het terrein een publiek karakter. Vergunninghoudster beoogt het (passerend) publiek ten behoeve van de verkoop van ijs en frisdrank vrij toegang te verschaffen tot het terrein waarop de ijsverkoopkar zal worden geplaatst. Ook de beoogde planologische situatie, waarbij gedurende 10 jaar het plaatsen van ijsverkoopkar wordt toegestaan, duidt op een publiek karakter van het terrein.

Daarmee wordt voldaan aan de definitie van 'standplaats' in artikel 4.2 van de Apv.''

Wordt hier rekening meegehouden bij het invoeren van de Omgevingswet?

Antwoord:

De VNG heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid erop gewezen dat artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's een verordening verplicht stelt en dat dit artikel moet worden aangepast. Dit gebeurt waarschijnlijk pas als het Besluit brandveilig gebruik wordt ingevlochten in het regelcomplex van de Omgevingswet.

Hoewel dus strikt genomen een brandbeveiligingsverordening verplicht is, zal dat in veel gevallen een loze verordening zijn. De regels uit het Besluit gaan immers boven de regels uit de verordening, voor zover er overlap is althans.

Omdat de Wet veiligheidsregio's de mogelijkheid biedt de bestuurlijke boete op te nemen in een verordening zou wat dat betreft de brandbeveiligingsverordening in tact kunnen blijven. Dan bestaat de verordening slechts uit één artikel, de bestuurlijke boeteregeling. Daarom heeft de VNG voorgesteld de bestuurlijke boete te regelen in hoofdstuk 6 van de APV.

Als in de verordening nog andere onderwerpen geregeld zijn die niet worden gedekt door het Besluit dan kan de verordening voor wat betreft die bepalingen in stand blijven. We hebben hier aandacht aan besteed in de implementatiehandleiding in de ledenbrief: https://vng.nl/files/vng/brieven/2017/20171213_ledenbrief_inwerkingtreding-besluit-brandveilig-gebruik-en-basishulpverlening-overige-plaatsen.pdf

Artikel 2.1 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen geeft aan in welke situaties een gebruiksmelding verplicht is. In onderdeel c van het eerste lid is sprake van een verblijfsruimte op de (betreffende) plaats die bestemd is voor meer dan 150 personen om daar tegelijkertijd te verblijven.

Onder verblijfsruimte wordt verstaan: een ruimte voor het verblijven van personen.

Onder ruimte wordt verstaan: een voor personen toegankelijk bouwsel of deel van een bouwsel.

Als zich niet een van de situaties zoals genoemd in artikel 2.1, eerste lid,van het Besluit voordoet is geen gebruiksmelding verplicht. Dit geldt ook voor de tenten waar koffie wordt verkocht. Wel bepaalt artikel 1.2 dat het Besluit van toepassing is op plaatsen als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsregio's (zie voor een definitie artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit) en zijn de voorschriften uit het Besluit (hoofdstuk 2 t/m 5) van toepassing op plaatsen die in georganiseerd verband worden gebruikt.

Voor inhoudelijke vragen over het Besluit kunt u gebruik maken van het vragenformulier dat door het ministerie van Justitie en Veiligheid beschikbaar is gesteld: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet/brandveiligheid-bij-evenementen-campings-en-jachthavens

Voor vragen over het meldingsformulier kunt u het beste gebruik maken van de helpdesk van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Via de volgende link kunt u uw vraag stellen: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet/brandveiligheid-bij-evenementen-campings-en-jachthavens

Wij wachten het voorstel van de Minister af voordat we overgaan tot een aanpassing van de model-APV. Er is op dit moment binnen de VNG niemand die zich met dit onderwerp bezig houdt.

De Woningwet bevat voorschriften over ongedierte, reinheid en preventie. Art. 8, tweede lid, onder 2 en 3 Woningwet. De gemeente heeft de taak toe te zien op de naleving van de voorschriften van de bouwverordening en ingeval van overtreding handhavend op te treden. Handhaven is plicht, gedogen is uitzondering. In gevallen van dieren die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid (ratten) is het nauwelijks voorstelbaar dat u redenen heeft om niet op te treden.

Een handhavend optreden kan onder meer bestaan uit bestuursdwang, waarbij van overheidswege de nodige maatregelen worden getroffen. U kunt dit zelf doen of - althans de uitvoerende maatregelen - uitbesteden aan een deskundig bedrijf. Onder deskundig bedrijf kunt u verstaan een bedrijf met iemand die in het bezit is van het vakbekwaamheidsdiploma SVO (Stichting Vakopleiding Ongediertebestrijding). Bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder.

Dan moet die overtreder wel bekend zijn. Wanneer niemand iets doet en de diertjes zich vermenigvuldigen is op een gegeven moment een flatgebouw, een hele straat of buurt vergeven van het gedierte. Dan is de oorsprong meestal niet te achterhalen en blijft de gemeente zitten met de kosten. Want er wordt van uitgegaan dat de gemeente een zorgplicht heeft op het gebied van de volksgezondheid.

In het verleden is uit jurisprudentie gebleken dat kostenverhaal in redelijkheid dient te geschieden en dit had tot gevolg dat voor zover een bestuursdwangactie mede op basis van algemene volksgezondheid en leefbaarheid geschiedt, dit deel van de kosten niet kan worden verhaald op de individule burger.

Dit verhaal heeft voor de praktijk enkele concrete gevolgen gehad: melden van ongedierte laagdrempelig maken, dus de burger hoeft niet te vrezen voor hoge kosten, want dan meldt hij niet. Zo snel mogelijk optreden: overleg, handhavingsactie, afspraken maken met grote woning- en gebouwbeheerders (corporaties).

Indien vaststaat dat er een algemeen volksgezondheidsbelang / leefbaarheid aan de orde is, en dit is altijd het geval waar het gaat over ratten, zelf pro actief optreden en niet wachten totdat een burger meldt. Pro actief betekent zelf optreden op eigen verantwoordelijkheid en kosten.

Uitzondering is de rattenbestrijding in gebieden die in beheer zijn van een Waterschap e.d. en in bedrijven die een bijzondere aantrekking hebben op ongedierte (graanopslag enz). Bij deze laatstgenoemde categorie is meestal een deskundig bestrijdingsbedrijf of een loonbedrijf door het waterschap of het agrarische (bedrijf) ingeschakeld voor ongediertebestrijding.

Het Kennisinstituut Beheersing Ongedierte (KiBO) is het wetenschappelijke instituut op het gebied van de preventie en bestrijding van ‘ongedierte’. Het kennisinstituut ontwikkelt op basis van wetenschappelijke- en praktijkkennis (voorlichtings-)materiaal om op een zo duurzaam mogelijke wijze invulling te geven aan het beheersen van ongedierte, tegenwoordig plaagdieren genoemd*.

De branche van bestrijdingsbedrijven heeft zich verenigd in de NVPB www.nvpb.org/ . De VNG heeft geen specifieke expertise om vragen rond bestrijding van ongedierte te beantwoorden. Voorts is van belang de website over de dierplaagbestrijding www.kad.nl. Het KAD adviseert gemeenten en anderen over de aanpak van de bestrijding. Veel gemeenten hebben een contract met het KAD gesloten over deze dienstverlening.


*Met betrekking tot de terminologie volledigheidshalve het volgende. Deskundigen uit Wageningen menen dat ongedierte niet bestaat, elk dier heeft nut. Dieren waarvan de mens soms hinder ondervinden, noemen we plaagdieren, een verzameling plaagdieren een dierplaag.

Artikel 2:60 van de VNG model APV regelt dat het college plaatsen kan aanwijzen waar het verboden is om:

  • dieren te houden
  • of meer dieren te houden dan een door het college bepaald aantal
  • of dieren te houden anders dan volgens het college bepaalde regels.

De bedoeling van dit artikel is dat het college kan optreden tegen mensen die door het houden van dieren geluidsoverlast, stank of andere hinder veroorzaken. Meestal gebeurt dat door voor te schrijven dat er niet meer dan een bepaald aantal dieren mogen gehouden, of dat er bepaalde maatregelen worden genomen die het geluid beperken of ervoor zorgen dat dieren niet meer ontsnappen.

Bij de toepassing van dit artikel is een aantal zaken van belang:

  • Geen twee situaties zijn hetzelfde. In beginsel is het in Nederland normaal gebruikelijk dat iemand huisdieren houdt, en de overheid past enige terughoudendheid bij het optreden daartegen. Bij klachten zal het college moeten bekijken wat redelijk is in het geval zoals dat er ligt. Het houden van een paard op een ruim plattelandsperceel zal niet snel reden zijn tot optreden, in de bebouwde omgeving kan dat anders liggen (Uitspraak ABRvS 3 juli 1999, JG 99.0003).
  • Probleem is dat de rechtspraak rond deze bepaling sterk is gejuridificeerd. Om redenen die nooit helemaal duidelijk zijn geworden hanteren rechters hier maatstaven die zijn ontleend aan zware milieuzaken. Wanneer het college weigert tot handhaving over te gaan of niet in de mate als door klagers gewenst is de rechter vrij snel geneigd te oordelen dat de klachten in onvoldoende mate zijn onderzocht en dat er bijvoorbeeld geluidsmetingen hadden dienen plaats te vinden (Rechtbank Alkmaar 8 juli 2009 LJN BJ3796, Afdeling Bestuursrechtspraak 17 september 2008 LJN BF1006). Op die manier kan een burenruzie de gemeente veel werk opleveren. Er zijn gemeenten die om die reden deze bepaling uit hun APV hebben geschrapt. In elk geval is het van belang om voor de toepassing van dit artikel beleid vast te stellen waarin wordt vastgelegd dat de handhavingscapaciteit beperkt is, dat het houden van huisdieren in Nederland normaal gebruik is waarbij enige hinder moet worden geduld, en in welke gevallen en bij welke mate van hinder wel wordt opgetreden.

Alternatieven

  • Wanneer grote aantallen dieren worden gehouden is het mogelijk dat dit gezien de aard, de omvang en de intensiteit van de ruimtelijke uitstraling die dat heeft, die uitstraling zo groot is dat die planologisch niet meer verenigbaar is met de bestemming “wonen” van het perceel. In dat geval kan worden gehandhaafd tegen een overtreding van het bestemmingsplan (ABRvS LJN BY6666).
  • In plaats van de modelbepaling 2:60 zou kunnen worden gewerkt met een zorgplichtbepaling zoals dat in de gemeente Rotterdam gebeurde (met die aantekening dat die alleen zag op honden, niet op overlast door andere dieren): “De eigenaar of houder van een hond draagt er zorg voor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank”.

Uitgebreide vraag. Er wordt op een perceel met de bestemming Wonen circa 25 honden en nog een aantal andere dieren gehouden. De situatie is geëscaleerd en de onmiddellijke omgeving ervaart veel overlast. Er is door hen reeds een privaatrechtelijke procedure gestart die zij in eerste instantie hebben gewonnen. Er wordt momenteel nagedacht over een bestuursrechtelijk trajec en eventueel bestuursdwang.

Op het perceel rust de bestemming Wonen. De (zwakbegaafde) bewoners houden de dieren 'hobbymatig' en beschouwen de dieren als hun kinderen. De dieren worden niet ten behoeve van commerciële doeleinden gehouden. Kan er worden opgetreden door te stellen dat het houden van de dieren qua aantal, ruimtelijke uitstraling en aard, het hobbymatige karakter overstijgt?

Artikel 2:60 van de VNG model APV regelt dat het college plaatsen kan aanwijzen waar het verboden is om:

  • dieren te houden
  • of meer dieren te houden dan een door het college bepaald aantal
  • of dieren te houden anders dan volgens het college bepaalde regels.

De bedoeling van dit artikel is dat het college kan optreden tegen mensen die door het houden van dieren geluidsoverlast, stank of andere hinder veroorzaken. Meestal gebeurt dat door voor te schrijven dat er niet meer dan een bepaald aantal dieren mogen gehouden, of dat er bepaalde maatregelen worden genomen die het geluid beperken of ervoor zorgen dat dieren niet meer ontsnappen.

Bij de toepassing van dit artikel is een aantal zaken van belang:

  • Geen twee situaties zijn hetzelfde. In beginsel is het in Nederland normaal gebruikelijk dat iemand huisdieren houdt, en de overheid past enige terughoudendheid bij het optreden daartegen. Bij klachten zal het college moeten bekijken wat redelijk is in het geval zoals dat er ligt. Het houden van een paard op een ruim plattelandsperceel zal niet snel reden zijn tot optreden, in de bebouwde omgeving kan dat anders liggen (Uitspraak ABRvS 3 juli 1999, JG 99.0003).
  • Probleem is dat de rechtspraak rond deze bepaling sterk is gejuridificeerd. Om redenen die nooit helemaal duidelijk zijn geworden hanteren rechters hier maatstaven die zijn ontleend aan zware milieuzaken. Wanneer het college weigert tot handhaving over te gaan of niet in de mate als door klagers gewenst is de rechter vrij snel geneigd te oordelen dat de klachten in onvoldoende mate zijn onderzocht en dat er bijvoorbeeld geluidsmetingen hadden dienen plaats te vinden (Rechtbank Alkmaar 8 juli 2009 LJN BJ3796, Afdeling Bestuursrechtspraak 17 september 2008 LJN BF1006). Op die manier kan een burenruzie de gemeente veel werk opleveren. Er zijn gemeenten die om die reden deze bepaling uit hun APV hebben geschrapt. In elk geval is het van belang om voor de toepassing van dit artikel beleid vast te stellen waarin wordt vastgelegd dat de handhavingscapaciteit beperkt is, dat het houden van huisdieren in Nederland normaal gebruik is waarbij enige hinder moet worden geduld, en in welke gevallen en bij welke mate van hinder wel wordt opgetreden.

Alternatieven

  • Wanneer grote aantallen dieren worden gehouden is het mogelijk dat dit gezien de aard, de omvang en de intensiteit van de ruimtelijke uitstraling die dat heeft, die uitstraling zo groot is dat die planologisch niet meer verenigbaar is met de bestemming “wonen” van het perceel. In dat geval kan worden gehandhaafd tegen een overtreding van het bestemmingsplan (ABRvS LJN BY6666).
  • In plaats van de modelbepaling 2:60 zou kunnen worden gewerkt met een zorgplichtbepaling zoals dat in de gemeente Rotterdam gebeurde (met die aantekening dat die alleen zag op honden, niet op overlast door andere dieren): “De eigenaar of houder van een hond draagt er zorg voor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank”.

Per 1 januari 2009 is de Regeling Agressieve Dieren (RAD) ingetrokken. Deze regeling hield in dat het houden, fokken of verhandelen van pitbullterriërs was verboden. De intrekking van deze regeling is alleen van betekenis voor pitbullterriërs. Aan de regels voor alle andere honden is niets veranderd. Desondanks leidde intrekking van de RAD tot vragen over de mogelijkheden van gemeenten om op te treden bij bijtincidenten.

De VNG- ledenbrief geeft informatie over: - mogelijkheden van gemeenten om op te treden bij bijtincidenten - noodzaak enkele wijzigingen door te voeren in de APV - mogelijkheid om een handhavingsbeleid voor bijtincidenten op te stellen.

VNG-ledenbrief Gemeentelijk optreden bij incidenten met honden n.a.v. intrekking RAD ( Lbr. 09/081, juni 2009)

De Woningwet (Ww) en het Bouwbesluit bevatten voorschriften over het zodanig gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein dat overlast door schadelijk of hinderlijk gedierte wordt voorkomen. Het Wabo-bevoegd gezag (meestal de gemeente) heeft de taak toe te zien op de naleving van deze voorschriften. De niet-naleving ervan kan een overtreding vormen waartegen direct handhavend kan worden opgetreden, zonder dat eerst een aanschrijving vereist is.

Artikel 1b Woningwet bevat een algemeen verbod om een bestaand bouwwerk, open erf of terrein in een staat te laten komen of te houden die niet voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. In dit geval gaat het om de eisen die op basis van artikel 2 Woningwet zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van het Bouwbesluit (en dan met name in artikel 7.17 en 7.22 Bouwbesluit).

De bevoegdheid tot handhaven vloeit voort uit artikel 92 Woningwet. In het tweede lid wordt verwezen naar een aantal relevante bepalingen uit de Wabo, onder meer naar art. 5.17 Wabo. Bij (gevaar voor) herhaling van de overtreding kan artikel 17 Woningwet van toepassing zijn.

Op het uitoefenen van bestuursdwang zijn verder de bepalingen uit Hoofdstuk 5 van de Awb van toepassing.

Een en ander kan leiden tot het nemen van de nodige maatregelen. U kunt dit zelf doen of – althans de uitvoerende maatregelen – uitbesteden aan een deskundig bedrijf. Onder deskundig bedrijf kunt u verstaan een bedrijf met iemand die in het bezit is van het vakbekwaamheidsdiploma afgegeven door een door de overheid erkend exameninstituut: www.evm-examen.nl

Bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder. Dan moet die overtreder wel bekend zijn. Wanneer niemand iets doet en de dieren zich vermenigvuldigen is op een gegeven moment een flatgebouw, een hele straat of buurt vergeven van het gedierte. Dan is de oorsprong meestal niet te achterhalen en blijft de gemeente zitten met de kosten. Want er wordt van uitgegaan dat de gemeente een zorgplicht heeft op het gebied van de volksgezondheid.

In het verleden is uit jurisprudentie gebleken dat kostenverhaal in redelijkheid dient te geschieden en dit had tot gevolg dat voor zover een bestuursdwangactie mede op basis van algemene volksgezondheid en leefbaarheid geschiedt, dit deel van de kosten niet kan worden verhaald op de individuele burger. Dit verhaal heeft voor de praktijk enkele concrete gevolgen gehad:

Melden van ongedierte laagdrempelig maken, dus de burger hoeft niet te vrezen voor hoge kosten, want dan meldt hij niet. Zo snel mogelijk optreden: overleg, aanschrijven, bestuursdwang; afspraken maken met grote woning- en gebouwbeheerders (corporaties).

Als vaststaat dat er een algemeen volksgezondheidsbelang / leefbaarheid aan de orde is, zelf proactief optreden en niet wachten totdat een burger meldt. Proactief betekent zelf optreden op eigen verantwoordelijkheid en kosten. Als u dit niet doet, gaat u -gelet op de jurisprudentie- later toch betalen en dan zijn vanwege de omvang van de plaag de kosten waarschijnlijk hoger.

Uitzondering is de rattenbestrijding in gebieden die in beheer zijn van een Waterschap e.d. en in bedrijven die een bijzondere aantrekking hebben op ongedierte (graanopslag enz). Bij deze laatstgenoemde categorie is meestal een eerder bedoeld deskundig bestrijdingsbedrijf of een loonbedrijf ingeschakeld voor ongediertebestrijding.

Het Kennisinstituut Beheersing Ongedierte (KiBO) is het wetenschappelijke instituut op het gebied van de preventie en bestrijding van ‘ongedierte’. Het kennisinstituut ontwikkelt op basis van wetenschappelijke- en praktijkkennis (voorlichtings-)materiaal om op een zo duurzaam mogelijke wijze invulling te geven aan het beheersen van ongedierte, tegenwoordig plaagdieren genoemd*.

De branche van bestrijdingsbedrijven heeft zich verenigd in de NVPB www.nvpb.org/. De VNG heeft geen specifieke expertise om vragen rond bestrijding van ongedierte te beantwoorden. Voorts is van belang de website over de dierplaagbestrijding www.kad.nl. Het KAD adviseert gemeenten en anderen over de aanpak van de bestrijding. Veel gemeenten hebben een contract met het KAD gesloten over deze dienstverlening.


*Met betrekking tot de terminologie volledigheidshalve het volgende. Deskundigen uit Wageningen menen dat ongedierte niet bestaat, elk dier heeft nut. Dieren waarvan de mens soms hinder ondervindt noemen we plaagdieren en een verzameling plaagdieren is een dierplaag. De branche van bestrijdingsbedrijven heeft zich verenigd in de NVPB www.nvpb.org/.

Hieronder enkele nota's (via Google, met de trefwoorden 'nota dierenwelzijn gemeente' vindt u een flink aantal nota's.

Nota Dierenwelzijn gemeente Brunssum Nota gemeente Heemskerk Nota gemeente Leiden De Dierenbescherming heeft de publicatie "Aanbevelingen gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid" uitgegeven. U kunt deze opvragen bij de Dierenbescherming, bereikbaar via de site www.dierenbescherming.nl, telefoonnummer 088-8113000

Voor drones geldt landelijke regelgeving. Informatie over vergunningen of ontheffingen voor het vliegen met drones treft u aan bij de Rijksoverheid:  https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/drone. De regels voor het luchtruim worden door het Rijk vastgesteld. De Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat houdt hierop toezicht. Drones worden niet in de VNG modelverordeningen gereguleerd.

Als in de APV bepaald is dat bij de aanvraag evenementenvergunning de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige gevallen (en gelijk aan onderdeel C meldingsformulier) worden aangeleverd, hoeven daarnaast niet ook nog de andere gegevens die op het meldingsformulier vermeld staan aangeleverd te worden.

Onderdeel B betreft overigens vragen naar het evenement zelf die grotendeels al in het kader van de aanvraag evenementenvergunning aangeleverd moeten worden.

Ligt de bevoegdheid om een evenementenvergunning te verlenen nog steeds bij de burgemeester indien de melding BGBOP is geïntegreerd bij de aanvraag?

Antwoord:

Als de indieningsvereisten brandveilig gebruik, zoals gesteld in het Bbgbop zijn geïncorporeerd in de aanvraag evenementenvergunning is een melding niet nodig. Zie hiervoor art. 2.1 lid 3 van het Besluit, dat bepaalt dat het eerste lid (dat de melding in een aantal situaties verplicht stelt) niet van toepassing is op het in gebruik nemen of gebruiken van een plaats of gedeelte van een plaats indien daarvoor een evenementenvergunning is vereist en in het kader daarvan de gegevens brandveilig gebruik moeten worden aangeleverd. Er is dan dus geen sprake meer van een melding, maar de indienngsvereisten brandveilig gebruik zijn onderdeel van de evenementenvergunningaanvraag. De burgemeester is bevoegd de evenementenvergunning te verlenen.

Voor het samengaan van een aanvraag evenementenvergunning en de gebruiksmelding in het kader van voornoemd besluit is artikel 2.1, derde lid, van het Besluit in het leven geroepen: Een aparte gebruiksmelding is niet verplicht bij het in gebruik nemen of gebruiken van een plaats of gedeelte van een plaats indien daarvoor een evenementenvergunning is vereist, en in het kader daarvan de gegevens als bedoeld in artikel 2.3 (te weten de indieningsvereisten gebruiksmelding) moeten worden aangeleverd. Concreet betekent dit dat bij de uitvraag van gegevens in het kader van een evenementenvergunningaanvraag ook de gegevens voor wat betreft het brandveilig gebruik worden uitgevraagd. De VNG heeft hiertoe de model-APV aangepast, zie artikel 2:25, tweede lid:  'Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.'

Als niet geregeld is dat de gegevensuitvraag voor het brandveilig gebruik wordt meegenomen in de evenementenvergunningaanvraag, dan zijn 2 acties vereist: de aanvraag evenementenvergunning en de melding brandveilig gebruik.

Het is niet verplicht de voorschriften uit het Besluit in de vergunningvoorschriften op te nemen, een verwijzing kan volstaan. De eisen uit het Besluit zijn in ieder geval van toepassing (zie artikel 1.8 van het Besluit). Wel kan het bevoegd gezag aanvullende voorwaarden opnemen, zie artikel 2.4, derde lid, van het Besluit.

Er dient gekeken te worden naar welke weigeringsgronden er zijn geregeld in de APV van de gemeente. Zie artikel 2:28, derde lid, van de model-APV: 'In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.' Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst/uitbreiding van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten (meer bezoekers, meer hinder, meer geluidsoverlast, etc.). De gemeente dient nader te beargumenteren waarom de woon- of leefsituatie wordt aangetast en kan voor de motivering jurisprudentie raadplegen.

Verder is er nog een bestemmingsplan die al dan niet toestaat of een dergelijke plek als terras bestemd mag worden. Wanneer de gemeente een bepaalde plek als terras wil bestemmen, dan moet sprake zijn van een aanvaardbaar leefklimaat en dan kan de ruimte als zodanig bestemd worden. Indien dat het geval is en de grond een dergelijke bestemming toelaat, dan kan het gebruik van een terras niet worden geweigerd. De gemeente dient nader te beargumenteren waarom zij dit niet wil en hoe dat in de toekomst ook voor anderen wordt afgebouwd.

Het OM beslist daarover. Het OM raadpleegt vooraf de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht voordat een dier een spuitje krijgt. Een motie (28286, nr. 963, motie van Futselaar en Grashoff) om de rechter te laten beslissen over euthanaseren van gevaarlijke honden, is op 6 maart 2018 door de Tweede Kamer verworpen. 

Zie ook: De procedure bij bijtincidenten door honden (https://www.diergeneeskunde.nl/media/filebank/cc6a2fa72edf4a3f91cfd0677b921958/informatie-bijtincidenten.pdf).

Meer informatie over de aanpak van gevaarlijke honden is te vinden in twee artikelen uit de Gemeentestem: Over honden en brokken: de publiekrechtelijke aanpak van bijtincidenten deel I en II, Gst. 2017/79 en 89.

In het eerste deel wordt het standpunt ingenomen dat de lichte bevelsbevoegdheid van de burgemeester van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet de bevoegdheid geeft om de hond te laten inslapen, 1) omdat als een hond in beslag is genomen, deze doorgaans in een opslagplaats buiten de gemeente zit (zich dus buiten het eigen gemeentelijke domein bevindt); 2) omdat de lichte bevelsbevoegdheid bedoeld is voor lichte gevallen en het laten inslapen van een hond niet als zodanig kan worden bestempeld.

De APV staat er niet aan in de weg dat in een pand dat aan derden wordt verhuurd door elke individuele huurder een vergunning wordt aangevraagd en afgegeven. Zoals de KvK aangeeft: alle huurders dienen dan wel aan de indieningsvereisten te voldoen.

Het gaat hier om het hobbymatig houden van duiven, en niet om het bedrijfsmatig houden daarvan. Ook een omvang van 100 duiven is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak d.d. 22 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO8258) nog als hobbymatig aangemerkt. De vraag of de duiven hobby- of bedrijfsmatig worden gehouden is relevant voor de vraag of de Wet milieubeheer van toepassing is, en er dus sprake is van een vergunningplichtige inrichting in de zin van die wet waartegen ook bij of krachtens de voorschriften uit die wet opgetreden kan worden. Via deze link vindt u meer informatie over wanneer het houden van dieren als hobby-, dan wel bedrijfsmatig beschouwd moet worden: https://www.infomil.nl/link-aim/hobbymatig/.

Ervan uitgaande dat het hier gaat om het hobbymatig houden van dieren, dan zou tegen de daardoor veroorzaakte overlast opgetreden kunnen worden op grond van artikel 2:60 van de VNG model-APV. Bij het hobbymatig houden van duiven bij een woonhuis zal optreden over de band van het bestemmingsplan minder voor de hand liggen, omdat deze hobbymatige activiteit in de regel binnen de woonbestemming zal passen (uitwassen daargelaten).

Op grond van artikel 2:60 kunnen burgemeester en wethouders plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast [...] verboden is bij datzelfde aanwijzingsbesluit aangewezen dieren aanwezig te hebben [als dat in strijd is met de door burgemeester en wethouders in het aanwijzingsbesluit gestelde regels of een overschrijding oplevert de in het aanwijzingsbesluit vastgestelde omvang]. Daartoe zouden burgemeester en wethouders dus een aanwijzingsbesluit moeten nemen.

Daarnaast kan de gemeente ook besluiten dat zij (nog) niet aan zet is omdat de buren die overlast ervaren wellicht de civielrechtelijke weg zouden kunnen bewandelen en de buurman met de duiven zouden kunnen aanspreken op het veroorzaken van onrechtmatige hinder ex artikel 5:37 jo 6:162 BW. De vraag of een dergelijke vordering kans van slagen zal hebben is sterk afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waarbij blijkens de rechtspraak onder meer meespelen: ''de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.'' (HR 15 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0150).

Artikel 4:3, eerste, onderscheidenlijk tweede lid, van de model-APV bepaalt dat van incidentele festiviteiten ten minste twee weken, onderscheidenlijk tien werkdagen, kennis moet worden gegeven aan het college. In de VNG model-APV is niet bepaald hoeveel aaneengesloten dagen een festiviteit mag duren. Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar.

Gaat het om een festiviteit van bijvoorbeeld drie aaneengesloten dagen, dan moet dat beschouwd worden als 1 festiviteit en volstaat 1 kennisgeving, die tijdig gedaan moet zijn (ten minste x aantal dagen voor aanvang - bij een meerdaagse festiviteit dus voor de eerste dag - van de festiviteit).

Steeds vaker worden grote buitenluchtevenementen omlijst door spectaculaire lasershows al dan niet begeleid door muziek. Krachtige lasers produceren teksten of figuren in de lucht of op wolken.

Deze lasershows zijn spectaculair om te zien maar kunnen ook tot op grote afstand invloed hebben op vliegtuigoperaties. Dit laatste niet zonder risico's.

Het afgeven van een vergunning voor een lasershow vraagt daarom nu ook om goedkeuring van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Luchtvaart.

Gemeenten die toestemming geven voor lasershows dienen vooraf aan het afgeven van de vergunning contact op te nemen met de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Luchtvaart (de Inspectie). Zij beoordeelt of een lasershow kan worden toegestaan en onder welke voorwaarden.

Bij de beoordeling kijkt de Inspectie naar de voorgestelde locatie van een show, het type gebruikte laser en een aantal andere gegevens. Dit zijn de parameters die dienen als invoergegevens voor een computerprogramma waarmee wordt bepaald of de ligging van de showlocatie ten opzichte van een luchthaven zodanig is dat de veiligheid gewaarborgd kan worden.

Rondom ieder luchthaven bevinden zich een drietal concentrisch gelegen gebieden waarbij op grotere afstand van een luchthaven de energiebundels van een lasershow steeds krachtiger mogen zijn.

Soms kan het nodig zijn om voorwaarden te stellen in andere gevallen hoeven geen beperkingen opgelegd te worden. Indien nodig worden luchtvarenden en andere organisaties zoals de luchtverkeersleiding speciaal door de Inspectie geinformeerd.

Gemeenten die het verzoek krijgen een vergunning of te geven voor een laserevenement worden verzocht contact op te nemen met de divisie Luchtvaart. De unit Infrastructuur en de unit Handhaving van de divisie zijn verantwoordelijk voor de vergunningverlening en het toezicht met betrekking tot luchthavens en het luchtruim en zijn het aanspreekpunt. Meer informatie 023 - 566 31 88.

Vanaf de begin jaren negentig hebben zich wereldwijd een honderdtal incidenten voorgedaan waarbij piloten getroffen worden door bundels licht afkomstig van lasershows. Laserlicht is door haar aard in staat zeer krachtige energiepulsen over enorme afstanden te sturen. Een vliegtuig of een piloot die getroffen wordt door een laserbundel ontvangt als het ware een pakketje energie. Energie is warmte en teveel daarvan richt schade aan, soms blijvend.

Na enkele zeer ernstige incidenten in 1995, waarbij piloten door verblinding een tiental minuten niet in staat waren hun task uit te voeren, heeft ICAO (International Civil Aviation Organization) internationale normen ontwikkeld die de voorwaarden geven waaronder lasershows veilig kunnen plaatsvinden.

Nederland is als ondertekenaar van het Verdrag van Chicago gebonden aan de ICAO normen zoals vastgelegd in de bijlagen behorende bij het verdrag. Deze bijlagen vormen de basis van alle Nederlandse regelgeving met betrekking tot luchtvaartveiligheid.

Er moet privaatrechtelijk tot overeenstemmjing worden gekomen tussen degene die een uitweg wil aanleggen en de gemeente als eigenaar van de weg. Daarbij kan afgesproken worden dat de gemeente de uitweg zelf aanlegt.

De bevoegdheid van het college laat de verordenende bevoegdheid van de raad onverlet. De model-marktverordening van de VNG kan onzes inziens in stand blijven, aangezien deze alle bevoegdheden terzake van de markt bij het college legt. Wel zal in de aanhef van de verordening de verwijzing naar artikel 151 geschrapt moeten worden. Ook is het de vraag of de bepaling omtrent de dag, het tijdstip en de plaats van de markt (artikel 1.2) gehandhaafd zou moeten worden. Onzes inziens kan deze bepaling in stand blijven indien hieraan een collegebesluit ten grondslag ligt. Ook kan ervoor worden gekozen om te bepalen in de marktverordening dat het college beslist over de dag, het tijdstip en de plaats waar de markt plaatsvindt. Ook zal de raad de marktverordening moeten intrekken als het college besluit tot het afschaffen van de markt. In het voorjaar 2003 brengt de VNG een geactualiseerde modelmarktverordening uit.

Ja, de Nederlandse Bond van marktkramen-exploitanten en verhuurbedrijven heeft een modelovereenkomst gemaakt. U kunt die hier downloaden.

Nee, dit besluit is een algemeen verbindend voorschrift. Volgens artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht kun je daartegen geen bezwaar en beroep instellen.

Ja, dit mag zolang de bedoeling van de gemeente is het uiterlijk aanzien en het voortbestaan van de markt te dienen. Het mag niet de bedoeling zijn om het belang van de kramenzetter te dienen. De gemeente kan dus in het belang van de markt een contract sluiten met een kramenverhuurder.

Artikel 2.10 van de modelmarktverordening geeft een regeling voor overschrijving van de marktvergunning in geval van overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder. Dit zijn omstandigheden die in principe onvoorzienbaar zijn. Overschrijving van de vergunning op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner, of levenspartner, of een kind van de vergunninghouder is dan billijk omdat zij direct in hun levensonderhoud worden getroffen. Pensioen is wel voorzienbaar en de vergunninghouder kan hiervoor een financiële regeling treffen. Het is dan niet billijk dat de partner of een kind de marktplaats kan innemen ten koste van degene die bovenaan de wachtlijst staat.

Dit is afhankelijk van de grootte van de gemeente en van de grootte van weekmarkt. In de jurisprudentie wordt bijvoorbeeld bij 6 tot 8 standplaatsen bij elkaar gesproken van (verkapte) marktvorming. Een voordeel van het als markt aanmerken van een groep standplaatsen is, dat de marktverordening van toepassing kan worden verklaard. En daarmee zijn een aantal zaken automatisch geregeld zonder dat die apart in elke vergunning hoeven te worden geregeld.

Het gaat in artikel 4:11 van de model-APV om een herplantplicht die in het kader van de vergunningverlening kan worden opgelegd.

Tegen illegale kap kan bestuursrechtelijk worden opgetreden (op grond van artikel 125 van de Gemeentewet). Bij overtreding van het kapverbod kan herplanting als last (onder bestuursdwang/dwangsom) worden opgelegd. Dat is dan geen bestraffende sanctie, maar een herstelsanctie.

U kunt uw vraag het beste stellen op het ROMnetwerk. Het ROMnetwerk is een door de VNG opgezet besloten digitaal netwerk waar meer dan 3.000 personen kennis en ervaring uitwisselen op het gebied van ruimte, milieu en mobiliteit. Uw vraag wordt dus gelezen door een groot aantal mensen die samen brede deskundigheid bezitten.

Het ROMnetwerk is primair bestemd voor medewerkers van gemeenten en medewerkers van organisaties van gemeenten (zoals omgevingsdiensten). Informatie over dit netwerk treft u aan via www.romnetwerk.nl.

Stel dat in de verordening staat dat paragraaf 4.1.3.3 voor twee artikelen niet van toepassing is, betekent het dat de paragraaf voor de overige artikelen wel van toepassing is? Of moet in de wet/verordening expliciet staan dat paragraaf 4.1.3.3 niet van toepassing is?

Antwoord:

In artikel 4:20a van de Awb is geregeld dat paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, over de lex silencio positivo (LSP), alléén van toepassing is indien dit bij wettelijk voorschrift (= wet in materiële zin) is bepaald. Voorbeelden van dergelijke bepalingen zijn bijvoorbeeld de Dienstenwet en de Wabo, maar ook in andere regelingen en gemeentelijke verordeningen kan bepaald worden dat de LSP van toepassing is.

Om vast te stellen of het noodzakelijk is om in een verordening uitdrukkelijk te bepalen dat de lex silencio positivo (LSP) van toepassing is of juist niet, moet eerst gekeken te worden welke hogere regeling op de geregelde materie van toepassing is, en als dat het geval is, of daaruit reeds de toepasselijkheid van de LSP voortvloeit (hoger recht gaat immers vóór). Er zijn dan twee mogelijkheden:

  1. Als de LSP reeds op grond van hoger recht (bijv. artikel 28 van de Dienstenwet, artikel 3.9 van de Wabo) van toepassing is, kan het wenselijk zijn dit uit te zonderen om ‘dwingende redenen van algemeen belang’, hetgeen de gemeente in de toelichting zal moeten motiveren. Zie verder, v.w.b. de Dienstenwet, ook het factsheet over de LSP van Europa Decentraal: https://europadecentraal.nl/wp-content/uploads/2013/01/factsheet-lsp.pdf.
  2. Als de LSP niet reeds op grond van het hogere recht van toepassing is, kan het wenselijk zijn bij verordening te bepalen dat deze van toepassing is.

Als het niet nodig is om de LSP uitdrukkelijk uit te zonderen overeenkomstig stap 1 of als het niet wenselijk is de LSP van toepassing te verklaren overeenkomstig stap 2, hoeft er niets geregeld te worden.

Op de site van de rijksoverheid vindt u informatie over het rijden op een quad, welke regels er van toepassing zijn, waar wel en niet gereden mag worden, enz. Zie de volgende link: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bijzondere-voertuigen/vraag-en-antwoord/wat-zijn-de-verkeersregels-voor-een-quad.

Voor zover bekend is er geen specifieke regelgeving voor het rijden met quads. Als er op de openbare weg gereden wordt, is uiteraard wel de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing.

De gemeente kan in de evenementenvergunning zelf de voorwaarden stellen waaronder met quads gereden mag worden. Als het om een afgesloten terrein gaat, zijn veiligheidsvoorschriften van belang.

Als incidenteel buiten een kampeerterrein gekampeerd wordt zal doorgaans geen sprake zijn van strijd met het bestemmingsplan. Alleen als dit plaatsvindt in bv. een natuurgebied zou dit wel het geval kunnen zijn. Er kan een ontheffing verleend worden tenzij er sprake is van strijd met een van de algemene weigeringsgronden uit de APV (in ons model is dat art. 1:8), dan wel een van de specifieke weigeringsgronden, genoemd in lid 4 van art. 4:18 Model-APV, te weten bescherming natuur of landschap, of de bescherming van een stadsgezicht.

Als er meer dan incidenteel individueel of door groepen buiten kampeerterreinen wordt gekampeerd kan wel sprake zijn van strijd met het bestemmingsplan.

Voor meer uitleg wordt u verwezen naar de publicatie: 'Het kampeerbeleid na de Wet op de openluchtrecreatie' (Groene reeks nr. 129). Met name hoofdstuk 5 is in deze van belang.

Hoofdstuk 3 van de APV is, anticiperend op de Wet regulering prostitutie, herzien. Dat wetsvoorstel ziet op seksbedrijven (= de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling). Sekswinkels – waar artikel 3:10 van de model-APV (oud) op zag – vallen niet onder deze definitie. Vermoedelijk is het artikel er daarom tussenuit gevallen. Een en ander neemt overigens niet weg dat gemeenten nog steeds de ruimte hebben een dergelijke bepaling in hun APV op te nemen. Sekswinkels kunnen overigens wel onder de werking van artikel 3:22 model-APV vallen.

De meningen over de mogelijkheid tot het opnemen van een rookverbod in de APV zijn verdeeld. Dit houdt verband met de verschillende uitleg die gegeven wordt aan de regeling van het rookverbod in artikel 10 van de Tabaks- en rookwarenwet, het daaraan ten grondslag liggende motief (volksgezondheid) en de toelichting hierop.

Volgens de VNG biedt de huidige wetgeving geen ruimte voor de gemeente om een dergelijk rookverbod in de openlucht in te stellen. Zie in dit verband ook artikel 6.2 van het Tabaks- en rookwarenbesluit: de beheerders en exploitanten, en niet de gemeente als zodanig, zijn verplicht resp. bevoegd maatregelen te treffen met het oog op de volksgezondheid.

Zie ook het artikel ‘Rookverbod in publieke parken: kan dat? Omgevingsgedrag onder de Omgevingswet’ van Jan Jager in vakblad ROm, jaargang 35/03, pag. 11-14, waaruit lijkt te volgen dat er geen wettelijke basis is voor gemeentelijke rookverboden. Dat artikel vermeldt:

Maar de vraag is hoe juridisch houdbaar dergelijke gebiedsgeboden en –verboden zijn. Daarnaast is er een politieke afweging tussen de te boeken maatschappelijke gezondheidswinst en het inperken van individuele vrijheden. En last but not least: wat is de juridische basis rondom de actieve ontmoediging van ongezond gedrag in de fysieke leefomgeving?

‘Geen bevoegdheid’

‘Feitelijk hebben gemeenten geen bevoegdheden om eenzijdig gezondheidsregels op te leggen in de openbare ruimte. Een lokaal rookverbod bijvoorbeeld is juridisch dan ook zeer problematisch’, stelt omgevingsrechtsadvocaat Anita Nijboer, partner bij Ekelmans en Meijer Advocaten. ‘Het  omgevingsrecht omvat traditionele ruimteregels en regels voor milieu. Met de komst van de Omgevingswet komen daar openbare orde en veiligheid bij. Als je invloed wilt uitoefenen op gezondheid, zul je op grond van een van deze vier rechtsdomeinen maatregelen moeten treffen.

(…)

Zodra het gaat over de directe gezondheid van mensen zijn landelijke normen doorslaggevend, uit de Wet geluidhinder, de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en niet leefomgevingsgebonden gezondheidswetgeving zoals het rookverbod in openbare gebouwen en cafés. ‘Wil je extra  gezondheidsregels opleggen, dan moet je dus bij de landelijke wetgever zijn’, aldus Anita Nijboer. Het idee van de arts in Ureterp die roken wil verbieden in zijn gemeente, geeft Nijboer dan ook weinig kans van slagen, zolang er geen landelijke wet is die roken op straat verbiedt of een wet die gemeenten de bevoegdheid geeft roken op straat te verbieden.

 

Kritisch is ook prof. mr. J.M.H.F. Teunissen in: Rookvrije gemeenten, Gst. 2018/119, 14-09-2018. Hij stelt:

Welk publieke belang wordt met het – figuurlijk gesproken – uitroken van rokers eigenlijk gediend?

Volgens het in 1859 door John Stuart Mill geformuleerde schadebeginsel – ook bekend als ‘anti-paternalisme beginsel’ – zijn gedragsbeperkingen alléén te rechtvaardigen als anderen schade ondervinden.

Roken op straat veroorzaakt hooguit kortstondige hinder voor passanten. Dan is een verbod op barbecueën en op houtkachelgebruik, die voor omwonenden overlast veroorzaakt die niet slechts kortstondig is en waaraan omwonenden zich (in en bij hun eigen woning!) moeilijk kunnen onttrekken, beter te rechtvaardigen.

Maar weggegooide peuken veroorzaken toch troep? Dan is een verbod op het op straat nuttigen van frites en snacks en drinken uit drankblikjes e.d. en op het wandelen met een hond beter te rechtvaardigen. Achteloos weggegooide verpakkingen en niet-opgeruimde bolussen veroorzaken veel meer afval.

 

Bovendien is niet uitgesloten dat een gemeentelijk rookverbod in strijd is met de in artikel 122 van de Gemeentewet neergelegde bovengrens van de gemeentelijke regelgevingsbevoegdheid, dan wel een te grote inperking van het vrije verkeer van goederen oplevert.

Als het al mogelijk is, dan ziet de VNG geen aansluitingsmogelijkheid bij een bestaand artikel in de model-APV. Als de gemeente een rookverbod op bepaalde plaatsen wil regelen, ligt opneming in een aparte afdeling van hoofdstuk 5 (Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente) voor de hand. De gemeente kan het rookverbod laten gelden op door het college aangewezen openbare plaatsen in de openlucht, eventueel beperkt tot bepaalde uren/dagdelen. Verder verdient het aanbeveling te bepalen dat het verbod niet van toepassing is op situaties waarin de Tabaks- en rookwarenwet voorziet. Ook moet de gemeente goed motiveren waarom het instellen van het rookverbod prevaleert boven andere belangen, zoals het (Europese) recht op het vrije verkeer van goederen.

Er zijn gemeenten die weliswaar geen gemeentelijk rookverbod hebben, maar bij beheerders en exploitanten actief aansturen op ontmoediging en – waar zij zelf beheerder zijn – ontmoedigingsbeleid voeren. Dat is de lijn die ook de VNG voorstaat.

Anderen zijn van mening dat de Tabaks- en rookwarenwet het rookverbod niet uitputtend regelt en dat gemeenten dus een rookverbod op daartoe aangewezen openbare plaatsen in de APV kunnen opnemen. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is die mening toegedaan.

Op verzoek van KWF Kankerbestrijding heeft Van Benthem en Keulen advocaten en notariaat onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor rookvrije openbare ruimten (‘De mogelijkheden voor rookvrije openbare ruimtes. Op weg naar een rookvrije generatie’). Het rapport is te downloaden via: https://rookvrijegeneratie.nl/materialen/.

De NVWA is belast met de handhaving van overtredingen van de Tabaks- en rookwarenwet (artikel 11b, eerste lid). Voor zover de gemeente al een verbod op roken in de openlucht mag instellen, berust dat niet op de Tabaks- en rookwarenwet en heeft de NVWA hier geen taak.

Achtergrondinformatie

De Tabaks- en rookwarenwet stelt in het belang van de volksgezondheid regelen ter beperking van het gebruik van tabak en meer in het bijzonder ertoe strekkende hinder voor hen die geen tabak gebruiken tegen te gaan. Uitgangspunt is dat in openbare ruimten kan worden gewerkt en verbleven zonder daarbij hinder of overlast van roken te ondervinden. Artikel 10 van de wet bevat daartoe een rookverbod voor openbare gebouwen en inrichtingen.

Op 1 januari 2020 wordt op grond de Wet van 26 april 2016 (Stb. 175) aan artikel 10 na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

2a. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod op de terreinen behorende tot een gebouw of inrichting, die in gebruik zijn bij een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra, of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende scholen en instellingen.

Dit lid wordt in de wet opgenomen door aanvaarding van een amendement, dat als volgt is toegelicht:

“Veel jongeren beginnen met roken op het schoolterrein. Met een rookvrij schoolterrein wordt een norm neergezet dat roken niet normaal is. Een steeds groter percentage scholen is rookvrij, maar de 100% is nog niet in zicht. De indiener van dit amendement meent dat wetgeving nodig is als stok achter de deur. Op 1 januari 2020 zal dit artikel in werking treden, tot die tijd hebben scholen zelf de tijd om een rookvrij schoolterrein te bewerkstelligen.” (Kamerstukken II 2015/16, 34234, nr. 30)

Nederland is partij bij de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik (WHO Framework Convention on Tobacco Control; Trb. 2004, 269, hierna: het WHO Kaderverdrag). Het WHO Kaderverdrag beoogt 'een kader te bieden voor maatregelen ten behoeve van tabaksontmoediging die door de Partijen op nationaal, regionaal en internationaal niveau moeten worden uitgevoerd om het wijdverbreide tabaksgebruik en de blootstelling aan tabaksrook permanent en substantieel te verminderen' (art. 3 WHO Kaderverdrag). Art. 8 WHO Kaderverdrag luidt:

Artikel 8 Bescherming tegen de blootstelling aan tabaksrook

  1. De Partijen erkennen dat wetenschappelijk bewijsmateriaal onomstotelijk heeft aangetoond dat blootstelling aan tabaksrook leidt tot dood, ziekte en arbeidsongeschiktheid.
  2. Elke Partij neemt binnen de bestaande nationale rechtsbevoegdheid zoals bepaald in het nationaal recht doeltreffende wetgevende, uitvoerende, bestuurlijke en/of andere maatregelen aan, voert deze uit, en bevordert deze maatregelen op andere niveaus van rechtsbevoegdheid. Deze maatregelen voorzien in bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in binnen gebouwen gelegen werkplekken, het openbaar vervoer, binnen openbare gebouwen en, naar gelang van het geval, op andere openbare plaatsen.

HR 10-10-2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, beslist dat aan artikel 8 lid 2 WHO Kaderverdrag rechtstreekse werking toekomt waar het gaat om openbare gebouwen (en dat de toen geldende uitzondering op het rookverbod voor kleine cafés onverbindend was). De tekst 'bevordert deze maatregelen op andere niveaus van rechtsbevoegdheid' en 'naar gelang van het geval, op andere openbare plaatsen' lijkt ruimte te bieden voor de gemeente om uit volksgezondheidsmotieven een rookverbod in te stellen voor plaatsen in de open ruimte zolang de wet daarin niet voorziet.

Aan de andere kant heeft de regering bewust niet gekozen voor een rookverbod in de openlucht, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de verduidelijking van de rookverboden in de Tabakswet, met inbegrip van een algemeen rookverbod in de horeca (Kamerstukken II 2013/14, 33791, nr. 3). Hieraan ontlenen wij de volgende passage:

4. Uitzonderingen op en alternatieven voor het rookverbod

 

 

Zoals eerder opgemerkt blijkt uit de wetsgeschiedenis dat daarin tot dusverre het uitgangspunt is geweest dat blootstelling aan tabaksrook alleen voorkomen kan worden door het instellen en handhaven van een rookverbod. Ook internationaal wordt deze opvatting gedeeld, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de «Guidelines on protection from exposure to tobacco smoke» die in 2007 zijn aangenomen door de Conference of the Parties to the WHO Framework Convention on Tobacco Control. Desalniettemin is het niet ondenkbaar dat nieuwe ontwikkelingen of innovaties aanleiding kunnen geven om te overwegen om naast of in plaats van een rookverbod andere maatregelen toe te staan. De delegatie van regelgevende bevoegdheden, geregeld in artikel 10, derde lid, biedt de besluitwetgever de mogelijkheid om relatief snel en flexibel in te spelen op dergelijke ontwikkelingen.

Als er aanleiding is om naast of in plaats van een rookverbod andere maatregelen voor te schrijven, toe te staan of om bepaalde uitzonderingen te accepteren, is er de mogelijkheid om te bepalen dat:

  • in bepaalde gevallen het rookverbod niet geldt: denk hierbij aan de thans ook al geregelde uitzonderingen op het rookverbod in rookruimten, de open lucht en ruimten waarin geen inbreuk mag worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer;
  • in bepaalde gevallen naast of in plaats van het rookverbod een of meer andere maatregelen moeten worden getroffen (imperatief) of mogen worden getroffen (facultatief) om blootstelling aan tabaksrook te voorkomen.

5. Toetsing aan het VWEU

 

 

Het schrappen van de bestaande uitzondering om te roken in de kleine cafés roept de vraag op of deze de toetsing aan artikel 34 van het VWEU kan doorstaan. Artikel 34 van het VWEU eist opheffing van iedere beperking van het vrije verkeer van goederen, ook indien deze beperking zonder onderscheid geldt voor binnenlandse en buitenlandse producten. Alle maatregelen die de uitoefening van deze fundamentele vrijheden verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken zijn – volgens vaste jurisprudentie – als een dergelijke beperking te beschouwen. Naar het oordeel van de regering is de hier voorgestelde maatregel, zo die al handelsbelemmerend zou zijn, geschikt en gerechtvaardigd met het oog op de bescherming van de volksgezondheid, een en ander overeenkomstig artikel 36 van het VWEU.

Roken en meeroken leiden immers tot gezondheidsschade. Jaarlijks sterven ruim 19.000 Nederlanders aan ziekten die aan roken zijn gerelateerd. Daarbij gaat het vooral om longkanker en andere vormen van kanker, hart- en vaatziekten, astma en COPD. Bovendien sterven jaarlijks enkele duizenden Nederlanders als gevolg van blootstelling aan tabaksrook van anderen (meeroken).

Als we de gezondheid van onze bevolking willen bevorderen – en dat is een plicht die de Grondwet ons oplegt – dan heeft het voorkomen van gezondheidsschade door roken (van anderen) hoge prioriteit omdat dit leidt tot minder ziekte, sterfte en dus gezondheidswinst. Beleidsmaatregelen die resulteren in vermindering van het aantal plekken in de openbare ruimte waar men blootgesteld kan worden aan tabaksrook zijn derhalve gerechtvaardigd. De thans voorgestelde maatregelen zijn in het licht van de tabaksproblematiek relatief bescheiden van aard.

De voorgestelde maatregel is al van kracht in het overgrote deel van de horeca, om nog maar te zwijgen van de rookverboden in de gehele (semi)overheidssector en op alle werkplekken. Bovendien zijn de hier geregelde rookverboden niet alomvattend en evenmin overal geldend. Er zijn en blijven uitzonderingen op de rookverboden: de roker kan nog steeds aan zijn trekken komen in privé-ruimten, de openlucht en speciaal daartoe bestemde rookruimten.

Uit de jurisprudentie van het EU-Hof volgt dat de lidstaten een grote beleidsvrijheid hebben op het gebied van de volksgezondheid. Lidstaten mogen zelfstandig hun niveau van bescherming bepalen. Mede in dat licht gaat de thans voorgestelde maatregel niet verder dan noodzakelijk. Eveneens kan het doel niet met minder vergaande middelen worden bereikt. Tevens past deze maatregel in het algemene beleid van de regering waarin preventie systematisch en coherent wordt nagestreefd. De beperkende maatregel strookt dan ook met de eis van evenredigheid in relatie tot de te beschermen volksgezondheidbelangen. Tegen deze achtergrond heeft de regering aanleiding om te concluderen dat deze maatregelen in het licht van het VWEU goed verdedigbaar en gerechtvaardigd zijn.”

De bepaling over verplicht sneeuwruimen komt in elk geval sinds de editie van 1986 niet (meer) voor in de model-APV. In de toelichting uit 1986 wordt verwezen naar een artikel van Verplanke in zijn artikel in De Nederlandse Gemeente van 1 maart 1985. Vermoedelijk is dat de aanleiding geweest. Verplanke wijst op de moeilijke handhaafbaarheid en op mogelijke strijd met artikel 4 van het EVRM en met de in 1930 in Geneve door de International Labour Organisation vastgestelde conventie betreffende de gedwongen of verplichte arbeid.

Voor de VNG speelt de handhaafbaarheid een grote rol. Het opnemen van bepalingen die niet of nauwelijks te handhaven zijn levert strijd op met de beginselplicht tot handhaving. Bij een plicht tot sneeuwruimen gaat het dan bv om mensen die door ziekte, vakantie of afwezigheid vanwege hun werk niet in staat zijn onmiddellijk sneeuw op te ruimen. In dat verband speelde de uitspraak van de Rb. Amsterdam d.d. 20-01-1993, VR 1994, 158, een rol. Daarin werd uitgesproken dat er niet van bewoners kan worden gevergd dat zij bij sneeuwval hun trottoir voortdurend sneeuwvrij houden.

Door hun verschijningsvorm is het niet te beoordelen of de drager van een speelgoedwapen op dat moment in het bezit is van een speelgoedwapen of dat er sprake is van een echt vuurwapen. Volgens de Speelgoedrichtlijn mogen speelgoedwapens (imitatiewapens) die erg lijken op echte wapens maar bedoeld zijn om mee te spelen door (ook) kinderen jonger dan 14 jaar niet verboden worden. Artikel 121 van de Gemeentewet levert geen belemmering op om iets in de APV te regelen. Dit artikel breidt alleen de bevoegdheden uit.

Er kan in de APV geregeld worden dat het verboden is een of meer speelgoedwapens of nepwapens te vervoeren of bij zich te hebben wanneer daardoor gevaar dreigt voor de openbare orde of veiligheid. Denk bijvoorbeeld aan situaties als er in de openbare ruimte wordt gedreigd met een speelgoedvuurwapen die niet van het echte te onderscheiden is, of als een speelgoedwapen anderen schrik kan aanjagen. Zie ook artikel 3 van de Regeling wapens en munitie (uitgezonderd als speelgoedwapen).

Het aanwijzen van de speelgoedvrijezones wordt afgeraden naar analogie vuurwerkverbod. De speelgoedhandel mag niet beperkt worden. Indien het nationale recht dat toch doet, dan is het in strijd met de Speelgoedrichtlijn.

Buitengewone opsporingsambtenaren kunnen individueel of via categoriaal besluit worden aangewezen. Zie hiervoor de informatie op de website van de Dienst Justis (rechterkolom met aanvraagformulieren): https://www.justis.nl/producten/boa/boa-worden/taken/

De VNG neemt aan dat dit ook geldt voor toezichthouders.

Het lijkt praktisch om via de lokale driehoek te bepalen welk deel van de nationale politie als toezichthouder wordt aangewezen, bijvoorbeeld het basisteam of het district. Zie hiervoor ook https://www.politie.nl/over-de-politie/organisatie---organisatie.html.

De gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare water. De VNG model-APV bevat het volgende artikel:

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de [citeertitel provinciale vaarwegenverordening].

Sommige gemeenten hebben daarnaast een zwemverbod-bepaling in de APV, waarin wordt geregeld dat het verboden is te zwemmen in door het college aangewezen openbare wateren of gedeelten daarvan.

In de toelichting bij dat artikel kan worden vermeld dat verboden is in openbaar water te zwemmen, behalve in openbare wateren die zijn aangewezen door het college. De ontheffing in zo'n aanwijzingsbesluit kan ook voor bepaalde periode of tijden gelden. Verder kunnen de motieven voor een zwemverbod hier worden toegelicht: veiligheid, beperken overlast, etc.

De APV ziet inderdaad niet op particulier terrein, maar wellicht kunnen hier welstandsaspecten een rol spelen. Ook kan het zijn dat de betreffende reclame uiting als een bouwwerk valt aan te merken waarop de Wabo van toepassing is.

Wellicht is het een goed idee om uw vraag voor te leggen aan het ROMnetwerk. Dit is een door de VNG opgezet besloten digitaal netwerk waar inmiddels al meer dan 300 personen kennis en ervaring uitwisselen op het gebied van ruimte milieu en mobiliteit. Het netwerk is primair bestemd voor medewerkers van gemeenten en medewerkers van gemeentelijke organisaties( zoals omgevingsdiensten. Informatie over dit netwerk treft u aan via www. romnetwerk.nl

Hiernaast bevat artikel 4:15 van de model APV een verbodsbepaling specifiek over hinderlijke of gevaarlijke reclame:

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit Milieubeheer milieubeheer.

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van administratieve lasten is in 2007 het oude artikel 4.4.2 ingrijpend herzien. Dat houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.

De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden.

Gemeenten waar de ervaring is dat reclame niet of nauwelijks problemen oplevert en via de bouwvergunningen afdoende kan worden geregeld, kunnen het daarbij laten.

Artikel 4:15 is niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd.

Wabo

Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de Wabo van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de model-APV geschrapt is, is daarvoor geen regeling opgenomen.

Afleidende objecten langs snelwegen

Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 het 'Beleidskader 'Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegenafleidende objecten langs snelwegen' vastgesteld. De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is nu:

  • bewegende objecten of beelden zijn niet toegestaan
  • de objecten of beelden mogen niet verblinden (moeten voldoen aan richtlijn lichthinder)
  • de objecten of beelden moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn geplaatst.

De APV kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond langs de snelweg valt binnen het begrip 'weg' of binnen de definitie van 'openbare plaats' als genoemd in artikel 1:1 van deze modelverordening. In dat geval zal het rijksbeleidskader handvaten kunnen bieden om te bepalen of het object het verkeer in gevaar brengt.

In de model-APV van de VNG staan mogelijkheden waarbinnen gemeenten bierfietsen en met name het gebruik van alcohol kunnen beperken.

U kunt hierbij denken aan de volgende artikelen uit de model-APV:

  • artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg
  • artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
  • artikel 2:48 Verboden drankgebruik
  • artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daaropvolgende jaar. Dit staat in artikel 2.3.6 van het Vuurwerkbesluit.

Op grond van artikel 2:73 van de model-APV is het college bevoegd om tijdens deze periode plaatsen aan te wijzen waar het afsteken verboden is, om gevaar, schade of overlast te voorkomen. Het college kan dus gebieden rond kerken aanwijzen als verboden gebied.

Nee, althans niet door particulieren. Zij mogen op grond van artikel 12 van het Vuurwerkbesluit alleen op 31 december (van 10.00 tot 02.00 uur op 1 januari) vuurwerk afsteken. Professionele vuurwerkbedrijven mogen wel (met vergunning) op andere dagen vuurwerk afsteken.

De oude versies van de model-APV zijn niet online te vinden, maar zijn wel op te vragen via VNG Informatiecentrum.

De Algemene vlaginstructie voor het uitsteken van de vlag van de rijksgebouwen vervangt de instructie uit 2009. Gemeenten volgen over het algemeen deze regeling.