Wet op de lijkbezorging - Beleid, wet- en regelgeving

Nader onderzoek naar de doodsoorzaak van minderjarigen (NODO-procedure)

Het artikel over de NODO-procedure in de Wet op de lijkbezorging (10a) is per 1 oktober 2012 in werking getreden. Met de komst van de NODO-procedure wordt bij onverklaard en onverwacht overlijden van minderjarigen door speciaal daarvoor opgeleide artsen een nader onderzoek uitgevoerd naar de doodsoorzaak.

Procedure

Bij overlijden van een minderjarige neemt de huisarts, de ambulancedienst of de politie contact op met de gemeentelijke lijkschouwer. Als er inderdaad geen duidelijke oorzaak voor het overlijden kan worden aangewezen en het overlijden niet verwacht werd, neemt de gemeentelijke lijkschouwer contact op met de NODO-forensisch arts. Vervolgens wordt het lichaam overgeplaatst naar een speciaal daarvoor aangewezen ziekenhuis en wordt er onderzoek door deskundigen verricht.

Bekostiging

De handelingen tot de overdracht aan de NODO-forensisch arts behoren tot de reguliere taak van de gemeentelijke lijkschouwer, bekostigd uit het Gemeentefonds. Voor organisatorische taken voor de NODO-forensisch arts, uurtarieven, opleidingskosten e.d. ontvangt GGD Nederland een projectsubsidie. In ieder geval na een jaar vindt een evaluatie plaats.

Stoppen NODO-procedure

Gedurende de evaluatieperiode van 15 maanden is in 38 van de 40 gevallen een verklaring van natuurlijk overlijden afgegeven. In de twee gevallen waarbij een verklaring voor niet-natuurlijk overlijden is afgegeven bleek dat er geen sprake van kindermishandeling was. Dit resultaat was ook de reden om de NODO-procedure per 1 jan.2014 te stoppen.

Alternatief nader onderzoek

Betrokken partijen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Kinderartsen (NVK) en de GGD GHOR, ontwikkelen een multidisciplinaire richtlijn voor de uitvoering van een (alternatief) nader onderzoek naar de doodsoorzaak van onverwacht en onverklaard overleden minderjarigen, wanneer betrokken ouders hier nadrukkelijk om verzoeken. Er geldt een evaluatieperiode van 2015-2017. De richtlijn is nog niet beschikbaar.


Meldingsplicht behandelend arts en gewijzigd A-formulier

Op 1 januari 2010 is artikel 10a lid 1 van de Wet op de lijkbezorging in werking getreden. Hierin is het volgende opgenomen: 'Indien de schouwing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, een minderjarige betreft en is verricht door de behandelend arts, geeft deze een verklaring van overlijden slechts af na overleg met de gemeentelijk lijkschouwer'.

Doodsoorzaak

Bij het overlijden van een minderjarige moet de behandelend arts vóór het afgeven van de verklaring van overlijden contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer, dat wil zeggen de dienstdoende forensisch arts. De arts moet dus steeds eerst met de forensisch arts overleggen voor hij een verklaring van overlijden mag afgeven. De behandelend arts moet de forensisch arts informeren over zijn mening ten aanzien van de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. Daarbij moet de forensisch arts nagaan of de overtuiging van de behandelend arts in deze overeind kan blijven. Bovendien zal de arts dan moeten aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen en desgewenst zijn overtuiging aan hetgeen de forensisch arts opmerkt toetsen, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de forensisch arts.

Meldingsplicht

Sinds 1 januari 2013 is een gewijzigde A-verklaring van kracht, waardoor behandelend artsen in geval van een overleden minderjarige op de verklaring van overlijden aan moeten geven dat voldaan is aan deze zogenoemde meldingsplicht.

Gebleken is dat nog niet in alle gevallen gebruik wordt gemaakt van deze meldingsplicht en de gewijzigde A-verklaring. Verzocht wordt in geval van een overleden minderjarige ten alle tijden te voldoen aan de meldingsplicht en het nieuwe formulier naar behoren in te vullen.


Reparaties Wet op de lijkbezorging

Aan de Wet op de lijkbezorging is per 1 maart 2011 artikel 84b toegevoegd.

Artikel 84b bepaalt dat de nabestaanden die de grafsteen hebben laten plaatsen, de rechthebbenden op deze steen zijn tot het moment dat het graf geruimd mag worden. Dit geldt voor alle grafstenen, ook voor die geplaatst zijn vóór 1 januari 2010.

Naast het genoemde nieuwe artikel 84b zijn er nog enkele andere kleine wijzigingen.


Wijziging Wet op de lijkbezorging

De wijziging van de Wet op de lijkbezorging is op 1 januari 2010 in werking getreden, afgezien van enkele artikelen over de NODO-procedure (nader onderzoek naar de doodsoorzaak).

Belangrijkste wijzigingen voor beheerders begraafplaatsen

De voor de beheerders van begraafplaatsen belangrijkste wetswijzigingen betreffen:

  • Vaststellen van de identiteit van het lijk (artikel 8)
  • Begraven of cremeren uiterlijk op de zesde  werkdag na het overlijden (artikel 16)
  • Bericht van verstrijken van termijn van uitgifte van een algemeen graf aan belanghebbende (artikel 27a)
  • Minimum termijn van uitgifte en van verlenging bij particuliere graven (artikel 28)
  • Vervallen van het recht bij kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een particulier graf (artikel 28)
  • Schrappen van de adviesrol van de regionale VROM-Inspectie (artikel 29, 31, 34, 40, 46 en 66b)
  • Natrekking (artikel 32a)
  • Gegevens op de asbus (artikel 58)
  • Terbeschikkingstelling van de asbus (artikel 59 en 63)
  • Ruimen van de asbus (artikel 66)

Meer informatie


Vergoeding taken lijkschouwer bij euthanasiemelding

Vanaf  2010 is een bedrag van € 350.000 structureel aan het gemeentefond toegevoegd.

Dit bedrag is bestemd  voor gemeentelijke taken op het gebied van lijkschouw bij melding van euthanasie.