Veelgestelde vragen schoolbegeleidingsdiensten

Het wetsvoorstel voor de schoolbegeleiding is op 30 mei 2006 aangenomen door de Eerste Kamer. De wet is gepubliceerd in de Staatscourant op 4 juli 2006.
In het kader van het wetsvoorstel heeft de VNG samen met het ministerie van OCW en Edventure een lijst opgesteld met de meest gestelde vragen en antwoorden.

  1. De wet zelf
  2. Overgangsregeling
  3. Overgangsregeling scholen
  4. Invoering vraagfinanciering en BTW
  5. Rol gemeenten
  6. Aanbesteden

1. De wet zelf

Wat houdt de wetswijziging tot invoering van de vraagfinanciering schoolbegeleiding in?
Het rijksbudget voor schoolbegeleiding (ongeveer 65 mln) zal voortaan aan de scholen worden uitgekeerd en niet meer aan de gemeenten; de verplichting van gemeenten om een schoolbegeleidingsdienst in stand te houden vervalt.

Op wie is de wet van toepassing?
Alle scholen in het primair onderwijs en het speciaal onderwijs ontvangen door de overheveling een extra budget en kunnen zelf beslissen of zij schoolbegeleiding nodig hebben en bij wie zij dit inkopen; gemeenten ontvangen geen budget meer van het rijk om een schoolbegeleidingsdienst in stand te houden, schoolbegeleidingsdiensten ontvangen minder of geen subsidie van de gemeenten en moeten voortaan een belangrijk deel van hun inkomsten via de markt verwerven.

Ontvangen de leerwegondersteunende scholen en de praktijkonderwijs-scholen (voorheen SVO-LOM en SVO-MLK) ook een bedrag per leerling voor schoolbegeleiding?
Nee, deze scholen worden bekostigd op basis van de regels die gelden voor het voortgezet onderwijs; vanaf 1 augustus 2006 ontvangen zij, net als de overige scholen in het voortgezet onderwijs, lumpsumbekostiging.

Wat wordt verstaan onder schoolbegeleiding?
Schoolbegeleiding omvat begeleidingsactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, alsmede activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen.

Wanneer gaat de wet in en wat is de overgangsregeling?
De wet gaat in op 1 augustus 2006; vanaf die datum ontvangen scholen een vrij besteedbaar budget voor schoolbegeleiding; tot 1 januari 2008 is er een overgangsregeling waarin het rijk 50% van het bedrag dat voor een school beschikbaar is, nog rechtstreeks uitkeert aan de schoolbegeleidingsdienst waar die school bij is aangesloten. Daarna gaat 100% van het budget naar de scholen.

 

2. Overgangsregeling voor schoolbegeleidingsdiensten (centra voor educatieve dienstverlening)

Hoe verloopt de financiering van de 50% aan schoolbegeleidingsdiensten per 1 augustus 2006?
In de regeling aanpassing bekostiging personeel PO 2006/2007 die in juli verschijnt, wordt de bekostiging in verband met de lumpsumbekostiging in het primair onderwijs bekend gemaakt. In de toelichting op de artikelen 9, 16, en 23 van bovengenoemde regeling wordt (onder voorbehoud) het bedrag ad € 19,73 per leerling voor schoolbegeleiding vermeld voor de PO-scholen. Een zelfde bedrag per leerling zal ook aan de schoolbegeleidingsdiensten worden uitgekeerd.
De totale vergoeding aan de scholen voor schoolbegeleiding is €19,73 per leerling, vermenigvuldigd met het aantal ingeschreven leerlingen op de betreffende school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
De schoolbegeleidingsdiensten ontvangen 50% van de vergoeding rechtstreeks van CFI. Begin augustus ontvangt de SBD daarvoor een beschikking.
Voor de betalingen aan SBD’s; zie vraag en antwoord over “Hoe worden de gelden aan de schoolbegeleidingsdienst verstrekt, per welke periode en vooraf of achteraf?”.

Verandert de teldatum door de gehanteerde systematiek van T-1 per jaar, of wordt deze nu eenmalig vastgesteld?
De rijksbekostiging van schoolbegeleiding loopt voortaan mee met de overige bekostiging van scholen en werkt daarom altijd met de actuele teldatum (dwz 1 oktober van het voorafgaande schooljaar).

Hoe verloopt de verantwoording van de middelen aan de CFI door de scholen?
Scholen geven een financiële verantwoording van inkomsten en uitgaven in de jaarrekening.

Hoe verloopt de verantwoording van de middelen aan de CFI door de schoolbegeleidingsdiensten?
Schoolbegeleidingsdiensten geven een financiële verantwoording van inkomsten en uitgaven in de door een accountant gecontroleerde en akkoord bevonden jaarrekening die aan de CFI moet worden gestuurd.

Hoe worden de gelden aan de schoolbegeleidingsdienst verstrekt, per welke periode en vooraf of achteraf?
Van het bedrag dat met betrekking tot het schooljaar 2006/2007 in de CFI-beschikking wordt vermeld zal 5/12 gedeelte rond 21 augustus 2006 worden overgemaakt op de rekening van de SBD. Het resterende bedrag (7/12 gedeelte) zal in 2007 worden uitgekeerd.
Er zal nog nader bericht volgen over het bedrag dat met betrekking tot de periode 1 augustus 2007 tot 1 januari 2008 zal worden uitgekeerd.

Als  aan het einde van een periode niet alle gelden die aan een schoolbegeleidingsdienst zijn gegeven zijn opgemaakt, moet dan het niet bestede deel worden teruggegeven of mag dit in een volgende periode worden gebruikt?
De schoolbegeleidingsdiensten ontvangen rechtstreeks financiële middelen van het rijk met als doel om schoolbegeleiding te geven aan scholen. De achtergrond van deze oormerking en de rechtstreekse uitkering aan de schoolbegeleidingsdiensten is om scholen en schoolbegeleidingsdiensten aan de nieuwe vraaggefinancierde situatie te laten wennen en te voorkomen dat er liquiditeitsproblemen ontstaan bij de schoolbegeleidingsdiensten. Mocht er een niet besteed deel van de uitkering dreigen te ontstaan doordat scholen in het uitkeringsjaar geen behoefte blijken te hebben aan de geboden schoolbegeleiding, dan kan de schoolbegeleidingsdienst deze middelen inzetten voor de exploitatie van de instelling of voor maatregelen voor de overgang naar een vraaggefinancierde situatie.

 

3. Overgangsregeling scholen

Hoe verloopt de financiering van de 50% aan scholen?
Scholen ontvangen bekostiging voor schoolbegeleiding van de CFI; om de hoogte van de bekostiging te kunnen bepalen, stelt de minister van OCW eerst een bedrag per leerling voor schoolbegeleiding in een bepaald schooljaar (jaar T) vast. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal leerlingen op de school in het jaar T-1 .
De scholen krijgen bericht van de hoogte van de bekostiging.
Tot 1 januari 2008 wordt 50% van dit bedrag rechtstreeks uitgekeerd aan de schoolbegeleidingsdienst; deze levert hiervoor schoolbegeleiding aan de desbetreffende school.
Over deze verdeling van de bekostiging van schoolbegeleiding in relatie met de compensatie voor BTW-heffing vindt u meer onder hoofdstuk  4;  "Invoering vraagfinanciering en BTW”.

Is het geld dat direct naar de scholen gaat voor schoolbegeleiding te traceren c.q. herkenbaar binnen de lumpsumsystematiek?
Zoals in de vorige vraag uitgelegd, wordt jaarlijks een bedrag per leerling voor schoolbegeleiding vastgesteld. Daaruit is het geld dat direct naar de school gaat voor schoolbegeleiding direct af te leiden. Het bedrag dat beschikbaar is voor schoolbegeleiding zal apart worden vastgesteld wordt vermeld in de toelichting van de regeling aanpassing bekostiging personeel PO 2006/2007 die in juli verschijnt.

Moeten scholen dit bedrag aan schoolbegeleiding uitgeven of kan het ook aan iets anders?
Het bedrag voor schoolbegeleiding is, met uitzondering van de 50% die tot 1 januari 2008 rechtstreeks aan de schoolbegeleidingsdienst wordt uitgekeerd, niet geoormerkt; het geld kan dus ook aan iets anders worden uitgegeven.

Hoe worden de gelden aan de scholen bevoorschot, per welke periode en vooraf of achteraf?
De bekostiging aan de PO-scholen loopt mee met de gewone (reguliere) bekostiging van scholen. Voor het schooljaar 2006/2007 wordt het bedrag met ingang van de maand augustus 2006 in twaalf (maandelijkse) termijnen overgemaakt. De scholen ontvangen rond de 21e van de maand de reguliere bekostiging.
Het bedrag voor de vraagfinanciering SBD is versleuteld in het bedrag voor het personeels- en arbeidsmarktbeleid (P&A).
Alle PO-scholen krijgen begin augustus een beschikking over de personele bekostiging van het schooljaar 2006/2007 waarbij o.a. het bedrag van het P&A-budget kenbaar wordt gemaakt. De PO-scholen zien echter in de beschikking niet het bedrag voor de vraagfinanciering SBD apart vermeld.

Mag een school diensten inkopen bij een schoolbegeleidingsdienst naar keuze of moet dat bij de schoolbegeleidingsdienst waar men in het verleden toe behoorde?
Met de gelden die een school zelf ontvangt mag men diensten inkopen bij elke organisatie, een voorheen gesubsidieerde schoolbegeleidingsdienst of elke andere commerciële aanbieder. Met de gelden die in de overgangsfase bij schoolbegeleidingsdiensten terecht komen moeten vanzelfsprekend diensten geleverd worden aan de scholen waar voorheen relaties mee waren.

Als  aan het einde van een periode niet alle gelden die aan een school zijn gegeven zijn opgemaakt, moet dan het niet bestede deel worden teruggegeven of mag dit in een volgende periode worden gebruikt?
Scholen mogen ervoor kiezen (een deel van) het budget niet of later uit te geven, dan wel een andere bestemming te geven.

Hoe kan ‘oppotgedrag’ bij scholen worden voorkomen?
De school is verantwoordelijk voor de kwaliteit van zijn onderwijs en om, ten behoeve van die kwaliteit, tijdig schoolbegeleiding in te zetten als middel om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Scholen beslissen zelf of zij middelen sparen.

Moeten scholen de ontvangen gelden verantwoorden en hoe gaat dat?
ja, op de gebruikelijke wijze in de jaarrekening.

Wordt er gemonitord of de gelden voor schoolbegeleiding daar ook aan besteed worden?
ja, scholen moeten in het jaarverslag opgeven hoeveel geld zij hebben besteed aan schoolbegeleiding.

 

 

4. Invoering vraagfinanciering en BTW

Wie moet er BTW berekenen en wanneer is er sprake van een verplichting tot het berekenen van BTW?
Zodra de nieuwe wetswijziging van kracht is, is er niet langer per definitie sprake van subsidie aan een instelling voor algemeen onderwijsbelang.
De schoolbegeleidingsdienst wordt dan in beginsel aangemerkt als een dienstverlener die deelneemt aan het zakelijk verkeer. De schoolbegeleidingsdienst is in dat geval als leverancier van diensten verplicht BTW te berekenen. Over algemene subsidies die dan nog steeds worden ontvangen hoeft geen BTW te worden berekend. Over geleverde diensten moet wel BTW worden berekend, behalve als door de schoolbegeleidingsdienst gebruik gemaakt kan worden van de BTW-vrijstelling voor psychologen (deze is aan de strikte voorwaarden gebonden van dienstverlening door een erkend psycholoog) of van die voor leveringen en diensten van sociale of culturele aard.

Welke risico’s zijn er als er ten onrechte geen BTW is berekend?
Alleen de leverancier (de schoolbegeleidingsdienst) en niet de klanten (scholen en gemeenten) lopen het risico dat alsnog door de fiscus een aanslag wordt opgelegd. Deze aanslag komt voor rekening van de schoolbegeleidingsdienst.

Moet over het geld dat direct van het rijk naar de schoolbegeleidingsdiensten gaat BTW worden berekend/afgedragen?
Nee, voor dit deel van de gelden blijft sprake van aanbodfinanciering. Over de werkzaamheden die voor scholen worden verricht met subsidiegelden hoeft geen BTW te worden berekend en afgedragen.

Moeten scholen BTW betalen over de diensten die zij inkopen met de gelden die zij krijgen voor schoolbegeleiding?
Over de diensten die de scholen inkopen zal door de leverancier BTW in rekening worden gebracht, tenzij er sprake is van een specifieke BTW-vrijstelling. Deze moet door de scholen worden betaald.
De in rekening te brengen BTW wordt volledig gecompenseerd in de bekostiging voor schoolbegeleiding.
Over geleverde diensten moet wel BTW worden berekend, behalve als door de schoolbegeleidingsdienst gebruik gemaakt kan worden van de BTW-vrijstelling voor psychologen (deze is aan de strikte voorwaarden gebonden van dienstverlening door een erkend psycholoog) of van die voor leveringen en diensten van sociale of culturele aard.

Waarom ontvangen schoolbegeleidingsdiensten en scholen per leerling evenveel bekostiging voor schoolbegeleiding, terwijl scholen worden gecompenseerd voor BTW-afdracht?
In de Wet invoering vraagfinanciering schoolbegeleiding staat dat tot 1 januari 2008 50% van de bekostiging van schoolbegeleiding rechtstreeks moet worden uitgekeerd aan de schoolbegeleidingsdiensten.
De compensatie voor BTW-heffing is daarom toegevoegd aan het totale bedrag dat van rijkswege beschikbaar is voor bekostiging van schoolbegeleiding. Dat lijkt op het eerste gezicht gunstig voor de schoolbegeleidingsdiensten, maar scholen die diensten afnemen van schoolbegeleidingsdiensten profiteren hier ook mee van de BTW-compensatie. Een schoolbegeleidingsdienst kan immers meer diensten aanbieden dan zonder deze BTW-compensatie.

Moet over de gemeentelijke bijdrage aan schoolbegeleidingsdiensten BTW worden afgedragen?
Als de gemeentelijke bijdrage wordt verstrekt als subsidie ten behoeve van de voortzetting of afbouw van de subsidierelatie met een schoolbegeleidingsdienst, zonder dat daar een levering aan het bestuursorgaan van een goed of dienst tegenover staat, hoeft geen BTW berekend te worden.
Bij nieuwe contracten met de schoolbegeleidingsdienst zal de gemeente moeten bekijken of deze gesloten worden in het kader van het algemeen belang of onderwijsbeleid, of dat er sprake is van een inkooprelatie.
Bij een inkooprelatie dient er wel BTW te worden afgedragen over de geleverde diensten.
Als de gemeente twijfelt aan de BTW-status van activiteiten kunnen hierover aan de Belastingdienst vragen worden gesteld.

Als scholen de door hen te ontvangen gelden direct aan een schoolbegeleidingsdienst geven als een soort subsidie en vervolgens gedurende het jaar daarvoor diensten krijgen, moet er dan toch BTW worden berekend of is dat dan vrij van BTW omdat er sprake is van een soort subsidie.
Scholen zijn geen subsidiegevers en kunnen geen beroep doen op vrijstellingen voor BTW daarin.

 

5. Rol gemeenten

Welke rol speelt de gemeente in dit wetsvoorstel?

Omdat de rijksfinanciering voor de schoolbegeleidingsdiensten via de gemeente stopt per 1 augustus 2006, vervalt na deze datum voor gemeenten de wettelijke instandhoudingplicht voor schoolbegeleidingsdiensten. De rijksmiddelen staan los van de bijdragen die gemeenten uit eigen middelen inzetten ten behoeve van de schoolbegeleiding.

Gemeenten zullen een bestuurlijke afweging moeten gaan maken wat met deze middelen te doen. Ongeacht met welke middelen de schoolbegeleiding werd gesubsidieerd, in alle gevallen geldt dat een langjarige subsidierelatie conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel afgebouwd moet worden, en niet van de een op de andere dag kan worden verbroken.
Indien de gemeenten besluiten middelen in te blijven zetten voor schoolbegeleiding dan kunnen zij dit op twee manieren doen:

  1.  zij kiezen er voor om het in de vorm van subsidie te blijven doen;
  2.  zij kiezen er voor om schoolbegeleiding op de markt in te kopen.

Ad 1:  Indien er is gekozen voor het verstrekken van middelen in de vorm van een subsidie kan bijv. gekozen worden voor de vorm van budgetsubsidiëring.
Dit zijn over het algemeen meerjarige subsidieverstrekkingen in het kader van algemeen onderwijsbeleid. Over deze subsidieverstrekkingen wordt geen BTW berekend.

Ad 2: Indien gemeenten schoolbegeleiding op de markt (die dus ruimer is dan alleen de schoolbegeleidingsdiensten) inkopen, moeten zij dit doen door middel van een openbare aanbesteding.
Bij een verwachte omvang van meer dan 211.000 euro (excl. BTW) in 4 jaar moeten zij dit doen via een Europese aanbesteding. Afhankelijk van de soort dienst die ingekocht wordt, moet wel of geen BTW betaald worden.
Als de gemeente twijfelt aan de BTW-status van activiteiten kunnen hierover aan de Belastingdienst vragen worden gesteld.

Welke overlegmogelijkheden bestaan er om de educatieve infrastructuur per gemeente op peil te houden?
Gemeenten en scholen worden, ook in het kader van de nieuwe wet op onderwijsachterstandenbeleid, gezamenlijk verantwoordelijk voor de educatieve infrastructuur. Scholen zullen hierbij verantwoordelijk worden voor de inhoudelijke kant van het onderwijsachterstandenbeleid en gemeenten voor de lokale infrastructuur; de afstemming van voorzieningen rond het onderwijs.
Scholen en gemeenten kunnen het lokaal onderwijsbeleid vorm geven via de lokale educatieve agenda (zie VNG uitgave “De Lokale Educatieve Agenda”). In het kader van het onderwijsachterstandenbeleid heeft de VNG eveneens een ondersteuningstraject opgezet (zie project “Kwaliteit van uitvoering”).

 

6. Regels (Europese) aanbesteding

Moeten scholen openbaar aanbesteden als zij schoolbegeleiding willen inkopen? En wat is onderhands of meervoudig onderhands aanbesteden?
Onder openbaar aanbesteden wordt verstaan dat opdrachten die men van plan is op de markt te plaatsen, bekend worden gemaakt bij een groter publiek dan alleen bij een paar (bekende) leveranciers.
Het aan één leverancier vragen om een offerte uit te brengen noemen we onderhands aanbesteden, het aan meerdere leveranciers vragen heet meervoudig onderhands aanbesteden.
Scholen zijn verplicht om schoolbegeleiding die zij willen inkopen openbaar aan te besteden, als het geraamde bedrag dat met de dienst is gemoeid, hoger is dan € 211.000. De kostenraming moet reëel zijn, en voor een langdurige dienstverlening moet men de waarde van het contract over 4 jaar berekenen.

Gelden de regels voor Europese aanbestedingen als scholen begeleiding willen inkopen bij schoolbegeleidingsdiensten?

Ja, scholen zijn op grond van de Europese aanbestedingsregelgeving aan te merken als aanbestedende diensten, en daardoor aanbestedingsplichtig. Het inkopen van schoolbegeleiding valt binnen de reikwijdte van de Europese aanbestedingsregelgeving als de drempel van 211.000 euro wordt overschreden. Hierbij zijn wel een paar kanttekeningen te maken.

  1. Uitgangspunt is dat schoolbegeleiding niet meer alleen bij de huidige schoolbegeleidingsdiensten ingekocht wordt. Ook andere marktpartijen moeten de mogelijkheid krijgen hun diensten aan te bieden.
  2. Afhankelijk van de soort dienst die ingekocht wordt zijn andere bepalingen van de aanbestedingsregels van toepassing. Op het geven van adviezen inzake bedrijfsvoering en beheer, bijv. bij reorganisatie, of inhuren van een interim-manager, genoemd in categorie 11 van Bijlage 2, onderdeel A, van het BAO zijn de artikelen 23 tot en met 57 van het BAO van toepassing. Hiervoor geldt het volledige regime.
    Maar op het geven van aangepast onderwijs, bedoeld in categorie 24 van Bijlage 2, onderdeel B, zijn slechts de artikelen 23 en 35, twaalfde tot en met zestiende lid, van toepassing. Hier geldt het zogeheten verlichte regime. Dat betekent dat opdrachtgevers zelf partijen mogen selecteren en aanschrijven, dat er wel sprake moet zijn van objectieve en eerlijke concurrentiestelling tussen de uitgenodigde partijen, die niet leidt tot ongerechtvaardigde belemmeringen in de mededinging, en dat er aan de Europese Commissie binnen 48 dagen na de gunning de resultaten van de aanbesteding worden gemeld. Maar het betekent ook dat er geen publicatieplicht via de TED-bank (Tender Electronic Databank) geldt, dat er geen termijnen aangehouden hoeven worden, en ook de strikte toepassing van selectie- en gunningseisen niet van toepassing is.
    Om meer zekerheid te krijgen of de activiteiten in het kader van de schoolbegeleiding onder categorie 24 vallen, kan het document “CPC-explanatory notes” van de Commissie worden geraadpleegd (via Google op te vragen). Voor nadere uitleg over CPC en CPV-code, zie ook de website van Europa decentraal.

Gelden de Europese aanbestedingsregels ook in de overgangsfase over de 50% die direct naar de scholen gaat?
Het geld dat direct naar de scholen gaat, is bestemd voor het inkopen van schoolbegeleiding, volgens het systeem van vraagfinanciering.
Op deze inkoop van diensten zijn de Europese aanbestedingsregels onverkort van toepassing. 

Gelden de Europese aanbestedingsregels als gemeenten middelen voor schoolbegeleiding als subsidie aan schoolbegeleidingsdiensten beschikbaar stellen?
Als gemeenten aan schoolbegeleidingsdiensten middelen ter beschikking stellen in de vorm van een rechtmatige subsidie, zijn de Europese aanbestedingsregels voor de gemeenten niet van toepassing. Maar als de gemeente schoolbegeleiding in gaat kopen op de markt, zijn voor de gemeente de Europese aanbestedingsregels wel van toepassing.

Wanneer is aanbestedingsregelgeving van toepassing?
Aan de Europese aanbestedingsrichtlijnen liggen de volgende beginselen ten grondslag: non-discriminatie, objectiviteit en transparantie. Deze beginselen gelden voor elke inkoop van een goed of een dienst, ongeacht de omvang van de aankoop.
Op het aanbesteden van een opdracht of levering boven de drempelwaarde voor scholen van 211.000 euro, excl. BTW, is het BAO van toepassing.
Voor opdrachten met een omvang onder deze drempelwaarde gelden op dit moment nog geen formele regels voor het aanbesteden.
In de nieuwe (concept) Aanbestedingswet, in maart 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden, is wel de mogelijkheid opgenomen om nadere regels te kunnen stellen voor opdrachten onder de Europese aanbestedingsdrempels. De uitwerking hiervan zal met name afhangen van op handen zijnde uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Wanneer moet Europees worden aanbesteed?
Het drempelbedrag voor de aanbestedingsplicht voor andere aanbestedende diensten dan de rijksoverheid is met ingang van 1 januari 2006, € 211.000, exclusief BTW. Om het drempelbedrag te bepalen moet een reële kostenraming plaatsvinden.

Moet het drempelbedrag worden bepaald op schoolniveau of op bestuursniveau?
Het drempelbedrag moet worden bepaald op bestuursniveau als een bestuur (mede) bepaalt hoe schoolbegeleiding wordt ingekocht. In dat geval moeten alle bedragen van de individuele scholen vallend onder dat bestuur bij elkaar worden opgeteld.

Moeten voor het bepalen van het drempelbedrag alle diensten in het kader van schoolbegeleiding bij elkaar opgeteld worden? Ook als een deel onder het ‘verlichte regime’ valt?
In het BAO, artikel 9, zesde lid, is bepaald dat wanneer een voorgenomen aankoop van diensten leidt tot overheidsopdrachten die gelijktijdig in afzonderlijke percelen worden gegund, de aanbestedende dienst de geraamde totale waarde (excl. omzetbelasting) van deze percelen als grondslag neemt om te bepalen of de aanbestedingsdrempel (http://www.europeseaanbestedingsrichtlijnen.nl) wordt overschreden.
En dat, op grond van het zevende lid, het BAO van toepassing is op de gunning van elk perceel.
Dus wanneer een school gelijktijdig diensten in gaat kopen die onder het verlichte en zware regime vallen, moeten de geraamde waarden van die diensten bij elkaar opgeteld worden. Het kunstmatig uit elkaar halen van de inkoop van diensten op het gebied van schoolbegeleiding, wordt door Europese Commissie gezien als het ontduiken van de aanbestedingsregelgeving (splitsing)

Gelden deze (Europese) aanbestedingsregels per project/opdracht of moeten meerdere projecten/opdrachten bij elkaar worden geteld?
Het is niet toegestaan een opdracht met een waarde boven de drempelwaarde te splitsen in twee of meer opdrachten met elk een waarde onder de drempelwaarde om zodoende onder de aanbestedingsplicht uit te komen.
Het BAO kent een uitdrukkelijk verbod tot splitsing (art. 9, vierde lid). Artikel 9, dertiende lid, van het BAO, bepaalt hoe de berekening moet plaatsvinden in het geval van overheidsopdrachten voor diensten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om gedurende een bepaalde periode te worden hernieuwd.

Geldt dit ook in de overgangsperiode van 1 augustus 2006 - 1 januari 2008?
Ja, hoewel door de overgangsregeling het subsidiëren van de schoolbegeleidingsdiensten nog even in stand blijft, nemen de inkopende scholen wel direct op 1 augustus 2006 hun nieuwe positie binnen de vraaggefinancierde omgeving in.

Mogen scholen opdrachten gunnen aan instanties die subsidie ontvangen om schoolbegeleidingsdiensten aan te bieden?
Scholen worden voorlopig nog geconfronteerd met gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde instanties die hun diensten aanbieden, en met offertes die mogelijk erg in prijs verschillen.
Het Hof van Justitie (zaak C-94/99, ARGE Gewässerschutz, 7 december 2000) heeft bepaald dat aanbestedende diensten instanties tot een aanbestedingsprocedure mogen toelaten die subsidie van andere aanbestedende diensten (zoals bijv. het rijk of gemeenten) ontvangen, waardoor die instanties in staat zijn prijzen te offreren die aanzienlijk lager zijn dan de prijzen van andere inschrijvers.
Het Hof heeft bepaald dat dit niet als discriminatoir behoeft te worden aangemerkt.
Maar een klein voorbehoud moet hier wel worden gemaakt, omdat dit een uitspraak is geweest onder de oude regelgeving. In de nieuwe richtlijn heeft de Europese Commissie de plicht voor lidstaten opgenomen om erop toe te zien dat deelname van een publiekrechtelijke instelling (ook te lezen als een gesubsidieerde instelling) geen concurrentieverstorende gevolgen mag hebben. Ook is het zo dat scholen enig risico lopen als ze met gesubsidieerde instanties in zee gaan. Immers, wanneer de subsidie onterecht blijkt te zijn toegekend (onwettige of slechts tijdelijke steun) kan de opdrachtnemer mogelijk niet de vereiste financiële of economische waarborgen bieden voor het uitvoeren van een (meerjarige)opdracht.

Zijn er uitzonderingen op de aanbestedingsregels?
Ja. Op het geven van onderwijs, en daar kunnen ook de diensten in het kader van schoolbegeleiding onder vallen, is slechts een deel van het BAO van toepassing (de artikelen 23 en 35, twaalfde tot en met zestiende lid).
Zie categorie 24 van Bijlage 2, onderdeel B. Hiervoor geldt het zogeheten verlichte regime.
Als iets binnen het verlichte regime valt, betekent dat dat opdrachtgevers zelf partijen mogen selecteren en aanschrijven, dat er wel sprake moet zijn van objectieve en eerlijke concurrentiestelling tussen de uitgenodigde partijen, die niet leidt tot ongerechtvaardigde belemmeringen in de mededinging, en dat er aan de Europese Commissie binnen 48 dagen na de gunning de resultaten van de aanbesteding worden gemeld.
Maar het betekent ook dat er geen publicatieplicht via de TED-bank (Tender Electronic Databank) geldt, er geen termijnen aangehouden hoeven worden, en ook de strikte toepassing van selectie- en gunningseisen niet van toepassing is.
Om meer zekerheid te krijgen of de activiteiten in het kader van de schoolbegeleiding onder categorie 24 vallen, kan het document “CPC-explanatory notes” van de Commissie worden geraadpleegd (via Google op te vragen). Voor nadere uitleg over CPC en CPV-code, zie ook de site van Europa decentraal.

Wat betekent openbaar aanbesteden voor scholen? Wat betekent openbaar aanbesteden voor schoolbegeleidingsdiensten?
Openbaar aanbesteden betekent voor zowel scholen als schoolbegeleidingsdiensten dat voor het inkopen van diensten respectievelijk aanbieden van diensten in de meeste gevallen meer deskundigheid wordt verlangd van degenen die zich met het inkopen dan wel aanbieden van deze diensten moeten bezighouden om te voldoen aan de eisen van de aanbestedingsregelgeving.